E

Eblis, verklaring van dat woord, II, 32, n.
—Of Satan, VII, 10; XV, 31 en volg. XVII, 63 en volg; XVIII, 48; XX, 115; XXVI, 95; XXXIV, 19; XXXVIII, 74.
—Meening omtrent de Sabbeïsten, XXXIV, 19. n.

Echtgenooten en moeders, XXXIII, 4.

Echtscheiding, II, 230, n.
IV, 24; XXXIII, 48; LVIII, 4; LXV, 1 en volg,
zie Verstooting.

Edelmoedigheid (De) aanbevolen. II, 271.

Eden. IX, 73; XIII, 23; XVIII, 30; XXXV, 30; LXI, 12.
Zie ook Paradijs.

Edris (Profeet), XXI, 85; XIX, 56.
—Diens verheffing, 58.

Eed der vrouwen, LX, 12.
—Van overspeligen, XXIV, 6 en volg.

Eeden, V, 58, n., 91; LXVIII, 17, 18.

Eendracht verlangen, IV, 65.

Eenheid (De) van den godsdienst dagteekent van Abraham, II, 124 en volg. XLII, 11.

Eerste hoofdstuk, zie Fatihat.

Egypte. Zie Pharao, Mozes, Toovenaars.

Egyptenaren, zie Slagen.

Eigen volk bestrijden, IV, 92.

Einde der menschen, IV, 79.

Eindpaal, VI, 128.

Elath, zie Ailah.

El Djessasa, zie Al Jessasa.

Elfettah, die alles opent, 34, 25, n.

El-forkan, eigenlijk de verlossing, II, 50, n.

Elhadjdj, zie Bedevaart.

Elias, VI, 85.
—Naar veronderstelling der Mahomedanen Al Khedr, XXXVII, 123, n.

Elisa (De profeet), VI, 86; XXXVIII, 48.

El-Lat, afgod der oude Arabieren, LIII, 19 en volg.

Engelen (De beide) van Babel, Haroet en Maroet, II, 96.

Engelen (De), II, 28, 156, 172, 206, 249; XXI, 26 en volg.; XXII, 74.
—Zij zijn Gods boodschappers, en hebben verscheiden paren vleugels, XXXV, 1.
—Zij dragen Gods troon, LXIX, 17.
—Zij zijn den menschen tot voorspraak, XL, 7; XLII, 3.
—Vier zullen ook vóór den jongsten dag sterven, XXXIX, 68, n.
—Zij worden soms der geloovigen ter hulp gezonden, III, 120; VIII, 9.
—Zij aanbidden Adam. VII, 10; XVIII, 48; XX, 115; XXXVIII, 71.
—Zij moeten niet aangebeden worden, III, 74.
—Zij zullen de afgodendienaars verloochenen, XXXIV, 39 en volg.
—Zij worden door de afgodendienaars voor Gods dochteren gehouden, XVI, 59; XVII, 42; XXXVII, 150; XLIII, 18; LIII, 28.—XXXV, bl. 468, n.
—Het aantal hunner vleugels, 1, n.
—Zij, die zich in orde scharen, XXXVII, 1.
—Woorden door hen gesproken, 166, n.
—Worden slechts bij voegzame gelegenheden nedergezonden, XV, 8.
—Zij alleen zijn bewaarders der hel (negentien in getal), LXXIV, 30 en volg.
—Ieder mensch strekken zij tot wachters, VI, 61; XIII, 12.
—Over den dood, VI, 61; VII, 35; VIII, 52; XVI, 30, 34, 35; XXXII, 11; XLVII, 29.
—Vragen rekenschap van der menschen gedrag, L, 16.
—Over de straf, zie Malek.
—Wederstrevende, XV, 28 en volg.; XVII, 63.
—Gods gezanten, XXII, 74.
—Dood daarvan, LXIX, 17, n.
—Zie God.
—Zie Haroet, Maroet en Malek.

Engel (De) Gabriël, Heilige Geest, XVI, 104; LXVI, 4; LXXXI, 19.
—Hij is de vijand der Israëlieten, II, 91, 92.
—Hij is de boodschapper der openbaring, LIII, 5, 6;—II, 91 en 92.
—Diens kennis van Goddelijke openbaring, XXVI, 193, n.
—Verschijnt slechts aan Mahomet in zijn natuurlijken vorm, LIII, 6, n.

Engel in menschenvorm, VI, 9.
—Zie Al Syil.
—Zie Malek.
—Zie Michaël.

Enoch, zie Edris.

Erfdeel van een kinderlooze, zie Zusters.

Erfenis, VIII, 73, n.
De zwakken, LXXXIX, 20.

Erfenissen, XXXIII, 6, n.

Erven van land door de kinderen Israëls, VII, 133.

Erving door een verwijderden bloedverwant, IV, 15.
—Broeder of zuster van een man of vrouw, IV, 15.

Esdras, IX, 30.
—Zie Ozaïr.

Eten, VII, 29, n.
—Van vee, V, 1.
—Van mannetjes of wijfjes der dieren, VI, 145.

Ethiopië, zie Vluchtelingen.

Evangelie (Het), III, 2, 43, 58; V, 50, 70, 110; VII, 156; IX, 112; XLVIII, 29; LVII, 27.

Expeditiën van den profeet, XLVIII, 15, n.

Ezra, zie Ozaïr.

F

Fatihat, of het eerste Hoofdstuk van den Koran, bl. 69.

Fatalismus, III, 139; XIII, 30; XIV, 4; XLII, 6.
—Zie Voorbeschikking.

Firdous, zie Paradijs.

Fontein, zie Cafoer.
—Zie Tasnim.

Formule der scheiding, zie Scheiding.

Formulier het huldigen van een vorst, V, 10.