Babel (De beide engelen van), Haroet en Maroet, II, 96.
Bahr, zee bij de Arabieren, niet alleen op zout water toegepast, maar ook op groote stroomen, XXXV, 13, n.
Balans door Noach, uit den hemel ontvangen, LVII, 25.
Balkis, koningin van Saba, XXVII,
23, n.
—Haar troon, afd.
—Zij ontvangt een brief van Salomo, 29.
—Haar geschenk aan Salomo, 36 n.
—Zij onderwerpt zich aan Salomo, 42, n.
—Hare voeten en beenen waren met haren bedekt, 44, n.
Barmhartige (De), XXV, 60.
—Schenkt liefde, XIX, 96.
—Zie God.
Barmhartigheid. VIII, 68,
n.
—Van God, men moet daar nooit aan wanhopen, XXXIX, 54.
Barzakh, hek, XXIII, 102, n.; XXV, 55, n.
Bashirs verschillen met een Jood, XXIV, 49, n.
Bedevaart Elhadjdj (Tijdstip van), II, 192, n., 193, n.
—Zie Ceremoniën.
—Zie Koophandel.
Bedr (Veldslag van), III, II, 118–120; VIII, 5 en
volg.
—42, 43.
—Zie Veldslag.
Bedrag van legaten, II, 176, n.
Bedriegelijk geluk der ongeloovigen, VII, 181, n.
Bedrieger (De) moet met zijn bedrog verschijnen, III, 155.
Bedriegers, zie Mozes en
Mahomet.
—Die valsche maten en gewichten bezigen, LXXXIII, 1 en volg.
Bedwelmende dranken, II, 216, n.
Beelden van engelen en profeten, XXXIV, 12, n.
Been-ontblooting, uitdrukking bij de Arabieren, om eene vreeselijke ramp aan te duiden. LXVIII, 42, n.
Begeerte XV, 88.
—Een tuin te hebben, II, 268.
Bekka, zie Mekka.
Belastering van deugdzame vrouwen, XXIV, 23.
Beleediging van zielen, IV, 67.
Beleefdheid (Voorschriften der), XXIV, 27–29, 57, 61–63; XXXI, 18; XXXIII, 53; LVIII, 12; LXIX, 2, 3.
Belooning, II, 138. Voor de gehoorzamen, XXXIII, 31, n.
Belooningen (De) der rechtvaardigen overtreffen de kastijdingen der
verdoemden, VI, 161.
—Der geloovigen, LVII, 12. Zie Gelukzaligen en
Paradijs.
Beproeving aan de rivier. II, 250.
Bergen (De) verdwijnen, XVIII, 45.
—Wat zij zullen worden op den dag des oordeels, XX, 105 en volg. Zie Laatst oordeel.
Berg Sinaï, VII, 170,
—Zie Al Masher.
—Zie Arafat.
—Zie Sinaï.
Berouw (Het), IV, 20–23.
—Der ongeloovigen op den dag der verklaring van het boek,
VII, 51.
Berouwhebbende, V, 43.
—Zie vergiffenis.
Beschuldiging der Joden van het vervalschen der gewijde schriften, II, 73, n.
Besnijden (Het), daarvan wordt in den Koran niet gesproken.
Bestemming, Ieder mensch heeft zijne bestemming. Zie Vogel.
—Zie Boek.
Betreding der kamers door slaven, zie Uren.
Bevel aan Abraham zijn zoon te offeren, XXXVII, 101.
—Oogenblik, waarop dit offer verhinderd werd, 103, n.
Bevelen van God. VI, 152;
VII, 31; LX,
9 en volg. LXXIV, 2 en volg.
—Zie Zedeleer.
Bewakers der schending van Gods Boek, V. 48, n.
Bewoners van Mekka gestraft, XXXIX, 52.
—Van Sodom, XI, 79.
—Hunne misdrijven, XXIX. 28.
Bezieling der dichters, zie Dichters.
Bezittingen dezer wereld, IV, 96.
—Verteren 33.
Bezoek der heilige plaatsen, IX, 18.
Bileam vloekt Mozes en de kinderen Israëls, VII, 174, n.
Binnentreden, zie Groet.
Binnentrekken der Israëlieten van Jericho, II, 56, n.
Bloedprijs aan de familie van een verslagene, IV, 94.
Bloedverwanten (De), vader en moeder; plichten hen betreffende, XVII, 24, 25; XXIX, 7; XXXI, 13; XLVI, 14 en volg.
Bloed, zie Verboden spijze.
Boek der besluiten, II, 41, n.
—Zie Fatalismus, voorbeschikking
Gods, Theodicea.
—III, 139; XI, 8; XXXIV,
3.
—Waarin de daden van elk mensch zijn opgeteekend. XVII, 73; XVIII,
47; LXXXIII, 7 en volg. LXXXIV, en volg.
—Zie Daden.
—Zie oorspronkelijk.
Boom, zie verboden.
Bondgenootschap tegen Mahomet, XIII, 35.
Boomen, enz. door menschen geplant, VI, 142, n.
Broeders erfdeel eener kinderlooze zuster, IV, 175.
Bron, zie Al Rass.
—Zie Selsebil.
Bruidschat, XXXIII, 48,
n.
—Voor geloovige vrouwen, LX, 10 en volg.
Bruidschatbepaling, IV, 28, n.
Buit, VIII, bl. 211, n.
—VIII, 1, 42; XLVIII, 19 en
volg. LIX, 7.
Buren, zie Naburen.
Bij, wat God hem heeft geopenbaard, XVI, bl. 294, n.
Bijgeloof, II, 185.
—VI, 138, n., 139, n.
—XXXVII, 86 en volg.
Bijnaam van een Arabisch vorst, zie Tobba.
Caaba, zie Ka’ba.
Cafoer, fontein in het paradijs, LXXVI, 5.
Caïn, zie Kabil.
Caroen, zie Karoen.
Ceremonieën bij de bedevaart van Mekka, V, 2, n.
Christenen (De) die gelooven, zullen beloond
worden, II, 59, 107, 129.
—Zeggen Christus is Gods Zoon, IX, 30, 31.
—Zij hebben de Schriften ook vervalscht, V,
18.
—Zij zijn de Muzelmannen minder vijandig dan de Israëlieten
en de afgoden dienaars, 85.
Christus, Gods Zoon, IX, 30, n., zie Jezus.
Coba’, zie Tempel.
Daden (De) der menschen zijn bij God opgeteekend, IX, 122.
Dag der beslissing, XXXII, 29.
—Des oordeels, XL, 34.
—Zie Personen.
—Zie Al
Hakkat.
—Der opstanding, VII, 57.
—Van waarschuwing, XL, 15.
—Waarin de engelen tot God opstijgen, en welke vijfduizend jaren
duurt, LXX, 4.
—Waarop God zijne vonnissen op een zondig volk nederzendt,
XLI, 15, n.
Dagen waarin de aarde werd geschapen, XLI, 8, n.
David, IV, 161;
V, 82; VI,
84; XXI, 78; XXVII, 15.
—Vervaardigt maliënkolders, XXXIV,
10.
—Zingt Gods lof, XXXIV, 10.
—Was daarom met sterkte begaafd, XXXVIII,
16.
—Zijn oordeel, XXXVIII, 20, n.
—Verdeeling van diens tijd, 21, n.
—Diens misdaad, 23, n.
—Heeft maliënkolders uitgevonden, XXI,
80, n.
—Wordt toegestaan Goliath te dooden, II,
252.
—Ontvangt de Psalmen XVII, 57.
Davids erfgenaam, zie Salomo.
Deuren, zie Hemeldeuren.
Dhafar, zie Zonen.
Dhoe’lkarnein, 82 en volg.
Dhu’lkefl, profeet, XXI, 85; XXXVIII, 48.
Dhu’lnun, bijnaam van Jonas, XXI, 87, n.
—Zie verder Jonas.
Dienaren afgevaardigd, XVII, 5.
Dienstboden, zie Huwelijk.
Dier der openbaring, zie Djessasa.
—Verschijnende voor den dag des oordeels, zie Al Jessasa.
—Zie openbaring.
Dichtzegeling der harten, II, 6; XXX, 59; XLII, 23; XLV, 22.
Djennet, zie Paradijs.
Djessasa, of het dier der openbaring, XXVII, 84, n.
Djibt, naam van een afgod, IV, 54, n.
Dochter (De geboorte van eene) wordt als een ongeluk beschouwd,
XVI, 59–64 XLIII, 16.
—Men begroef haar levend, LXXXI, 8.
Doeken waarmede de Oostersche vrouwen zich, bij het uitgaan, bedekken, XXXIII, 59.
Dood (De). XL, 11.
—Zal den mensch overal bereiken, IV, 80.
—Van een profeet, XXI, 14, n.
—Zie verlangen.
Dooden van dieren, V, 4.
—Voor eene rechtvaardige zaak, VI, 152.
Doodvonnis, zie Mozes.
Douni-’Llahi, zie Min.
Dranken, zie bedwelmende.
Drieëenheid, leer der Christenen, IV, 169, n.; V, 77.
Dubbele en enkele dingen, beteekenis daarvan, LXXXIX, 2, n.
Duidelijk boek, VI, 59.
—(De) uitgelegden, XLI, bl. 505, n.
Duivel (De). XVII, 29,
55 en volg, XXIV, 21; XXV, 31;
XXXV, 6; XXXVI, 60 en volg.; XLVII, 27; LVIII,
11, 20; LIX, 16.
—Zijne onverzoenlijke haat tegen den mensch, IV, 118; VII,
10 en volg.
—Hij verleidt Adam, XX, 118.
—Op den dag des oordeels zal hij blind verschijnen, 124. Zie verder Eblis.
—Over wien hij wel en geen macht heeft, XVI,
100 en volg.
—Zie Straf.
—Zie Verschijnen.
Duivels (De), luisteren af, wat in den hemel gezegd
wordt, XV, 17 en 18; XXXVII, 6 en
volg, LXVII, 5;
—op den dag des Oordeels, XIX, 69.
—Zie Geniussen.
Duur der helsche marteling, doet de afgelegde levensbaan
kort schijnen, XXIII, 115,
n
—Van de openbaring des Korans, XXV, 34, n.
—Van het verblijf in de spelonk, XVIII,
24.
Dwaling, III, 23.
—Der ongeloovigen omtrent den barmhartige, XVII, 110, n.