V.

Algemeen register der voornaamste onderwerpen.

In dezen Koran behandelde, en de noten des betreffende.

De Romeinsche cijfers wijzen de Hoofdstukken aan; de Verzen zijn door Arabische cijfers aangewezen. N duidt de Noot aan.

A

Aalmoes (De) II, 211, 255, 265269, 273275; III, 86, 128; V, 15; IX, 60, 68, 99, n. 100; XXX, 38; LVII, 7, 10, 17; LVIII, 13, 14; LXIII, 10; LXIV, 16, 17.

Aalmoezen, zie Al Walid Ebn Okba.
—Zie straf.

Aanbidders van het kalf, zie God.

Aanbidding, XXXII, bl. 445, n.
—Der Arabieren van godheden naar hun inzien, Gods dochteren, IV, 117, n.
—Der sterren, zie Sterren.
—Van God, vooral ’s Vrijdags, zie Mozes.
—Zie Adam.

Aanbiddingsplaats, X, 87.

Aangezicht tot God wenden, II, 106, n. Zie wenden.

Aanleiding tot het maken van het gouden kalf, VII, 134, n.

Aanroeping van Gods naam bij het eten van dieren, enz. II, 168, n.

Aanslag op Mahomet, XIII, 14, n.
—Zie Koreïshieten.

Aanspreken (Voornaamwoord bij het), dikwijls gebruikt in den Koran, V, 15, n.

Aantal der vrouwen, IV, 3.
—Zie Moslem.

Aanvangletters, II, 1, VII, 1.—XIII, 1.—XIX, 1. XXX, 1.

Aanvoerders der ongeloovigen, VII, 46.

Aardbeving XXII, 1, n.
—Op den jongsten dag, XCIX, 1.

Aarde, aardbol, gevoelen der Mahomedanen, daaromtrent, XVI, 15, n.
—In twee dagen geschapen, XLI, 8.
—Hemel, enz. zijn in een bepaald tijdperk geschapen, XLVI, 2.
—Zij zullen niet eeuwig bestaan, ald.

Aardsch paradijs, II, 33, n.

Abd’ Alrahman, zoon van Aboe Bekr, diens gezegde tegen zijne ouders, XLVI, 16.

Abd’ Allah Ebn Obba, XXIV, 34, n.

Abd’ Allah Ebn Salam, XLVI, 3, n.

Abel en Kaïn, V, 30.

Aboe Bekr, XXIV, 22, n.
—Die den Islam op zijn veertigste jaar beleed, XLVI, 14, n.
—Zie Abd’ Alrahman.

Aboe Jahl. LXXV, 31, n. XCVI 7, n. en 10, n.
—Mahomets vijand, XXII, 8, n. Verstoot een wees, CVII, 2, n.

Aboe Kobeis, zie Abraham.

Aboe Lahab, Mahomets oom en vijand, CXI, 1.
—Diens vrouw strooit des nachts doornen en distels op den weg des profeets, CXI, 4, n.

Abraha, Ethiopisch prins, zijne expeditie naar Mekka, CV, bl. 627, n.

Abraham, II, 120, 124130, 134; III, 30; IV, 57, 161; VI, 162; IX, 71; XI, 72: XIV, bl. 282, n.; XV, 51; XVI, 121; XXIX, 15, 23 en volg; XXXVIII, 45; XLIII, 25; LIII, 38; LVII, 26; LX, 4; LXXXVII, 19.
—Hij wordt tot Imam of priester der volken benoemd, II, 118, 119.
—Wat hem met Nimrod gebeurde, 260.
—Hij dient den eenigen God; hij is muzelman, III, 60.
—Zijn verblijf te Mekka, 91.
—Hij is Gods vriend, IV, 124.
—Hij bidt slechts God aan, VI 7484.
—Hij tracht zijnen vader te bekeeren, IX, 115; XIX, 43.
—Hij bidt voor zijn geslacht, XIV, 3842.
Hij verbrijzelt de afgoden van zijn gezin, XXI, 59; XXXVII, 81 en volg.
—Hij bestrijdt den afgodendienst van zijn gezin, XXVI, 69 en volg.
—Hij wordt ten vure gedoemd, maar gered, XXI, 68, 69.
—Hij bouwt het heilige huis te Mekka, XXII, 27.
—Hij is gereed zijnen zoon te offeren, XXXVII, 101 en volg.
—De engelen komen hem bezoeken, XI, 72 en volg.
—Bestijgt den berg Aboe Kobeis, nabij Mekka, XXII, 28, n.
—Hij wordt in het midden van den Kalkoven gebracht, XXI, 69, n.
—Wil voor zijn vader vergiffenis vragen, LX, 4.
—Zie Noach.
—Zijn vader, zie Azer.

Abrahams beproeving, II, 118.
—Gasten, LI, 24 en volg.
—Gebed XIV, 38 en volg.
—Gebed na den dood zijns vaders, XXVI, 86, n.
—Huis, II, 119.
—Of Noachs afstammelingen, VI, 84.
—Offer van zijn zoon, zie Bevel.
—Vlucht naar Harran en Palestina, XIX, 50, n.

—Vraag omtrent de opwekking, II, 262, n.

Abtar, (kinderloos) zie Mahomet.

Achterblijvers, IX, 119. Zie Regen.

Ad, een Arabische stam, VI, 6, n.—XXIX, 39, n.
—Of de Adieten, volk van Arabië, dat door Gods toorn verslagen is, VII, 63; IX, 71; XI, 52; XXII, 43; XXV, 40; XXVI, 123 en volg XXIX, 37; XXXVIII, 11; XL, 32; XLVI, 20 en volg; L, 12; LI, 41; LIII, 51, LIV, 18; LXXXIX, 5.
—Hunne stad door droogte geteisterd, XI, 54. zie Irem.

Adam, VII, 10.
—Vader van het menschelijk geslacht, II, 2835; III, 3052; XVII, 63, 72; XIX, 59; XX, 114120.
—Ontvangt een bevel, VII, 18.
—Hij ontvangt de aanbidding der engelen, XVIII, 48.
—Vergeet het verbod, van de verboden vrucht te eten, XX, 114.
—Zie straf.

Adams zonen, V, 30.

Adi Ebn Rabia, zie Aboe-Jahl.

Afdeeling der hel, zie Ha’wiyet.

Afdwalen van Gods voorschriften, V, 54, n.

Afgewikkelde rol, LII, 3.

Afgezanten van God, engelen, XXII, 74.

Afgod der oude Arabieren, zie El Lat.
—Afgod, zie Djibt.

Afgoden, IV, 40, n.
V, 92, n.
VI, 74, 94, n., 137, n.
VII, 124.
XVI, 58, 77.
—Door de Arabieren aangebeden, IV, 54.

Afgodendienaar, LIII, 35, n.

Afgodendienaars, VI, 22, n., 24.
XI, 7, n.
XIII, 31, n.

Afgodendienaars (De), die andere goden naast God stellen, II, 107 en volg.; XXV, 3; XXVIII, 6274; LII, 3449.
—Zij zijn onrein, IX, 28.
—Zekere gebruiken der veroordeelde afgodendienaars, VI, 137 en volg.
—Men zal hunne voorspraak niet zijn bij God, IX, 114, 115.
—Men moet hen allen bestrijden, IX, 36.

Afgodendienende Arabieren, II, 107, n.

Afgodendienst, XVI, 76.

Afgoderij (De) II, 187, 214, 220; VII, 193, 194; X, 19.
—Zij zal nooit vergeven worden, IV, 51, 116; VI, 64, n., 82; X, 29, n.; XXII, 32.

Afgodsbeelden, II, 12, n.; VII, 69, n.

Afscheiding tusschen hel en paradijs, zie Al Araf.

Afsnijden van handen en voeten, VII, 121, n.

Afstammelingen van Al Sameri, XX, 97, n.

Afstammelingen, zie Abraham.

Afvalligheid, XVI, 108.

Afwending van eene vrouw, IV, 128.

Afzondering der verleiden, II, 161.

Afzonderlijke opsluiting van vrouwen, IV, 38.

Ahmed, een der namen van Mahomet, LXI, 6.

Aiè, mirakel, II, 37, n.

Ailah, eene stad aan de Roode zee, VII, 163, n.

Aïsha, Mahomets vrouw, belasterd, XXIV, 11.

Ak Aldr, XCVII, bl. 623, n.

Akhnas Ebn Shoraik. zie Huichelarij.

Alahkaf, XLVI, bl. 526, n.

Al-âkherat, II, 3, n.

Al Araf, VII, bl. 189, n.
—Naam van een muur of afscheiding tusschen de hel en het paradijs, VII, 44, n. 46.

Al Arem, wallen of dammen, XXXIV, 15.

Al As Ebn Wayel, XIX, 80, n.

Al Beidâwi, een der voornaamste commentarissen, van wien men onderscheiden verklaringen in dit werk vindt.

Alexander de Groote, zie Dhoe’l Karnein, XVIII, 82.

Al Fâtehat, I, bl. 69, n.

Al Forkan, een der namen van den Koran, XXV, bl. 393, n. 1.

Al Hakkat, een der namen van den dag des oordeels, LXIX, 1. n.

Al Hodeibiya, zie Mahomet.

Al Hotama, een der namen van de hel. CIV, 4, n.

Al Jessasa, dier, volgens de Mahomedanen, voor den dag des oordeels verschijnende, XXVII, 84, n.

Al Kârirât, zie Al Hakkat.

Al Khedr, XVIII, 64, n., 70, n.
—Zie Elias.

Allah XX, 7, 14.
—En Ilah, onderscheid tusschen deze twee woorden XIX, 7, n.

Almasher, Alharem (berg), II, 194, n.

Al Motafiat, zie Pentapolis.

Al Nodar Ebn Al Hareth beweert dat de engelen Gods dochters zijn XXII, 3, n.

Al Nodar, zie Zingende.

Al-Ozza, zie El lat.

Al Rakim, berg, XVIII, 8.

Al Rass, bron, verschil van meening omtrent hare plaats, XXV, 40, n.

Al Sameri, XX, 87 en volg.
—Zie afstammelingen.
—Zie Samaritaan.

Als het God behaagt, XVIII, 23; LXVIII, 17 en volg.

Al Syil, engel, die der menschen daden nederschrijft, XXI, 104.

Al Walid Ebn Al Mogheira, een voornaam man onder de Koreïshieten, LXXIV, 11, n,
—Beteekenis van dien naam, 14, n.

Al Walid Ebn Okba haalt aalmoezen op, XLIX, 6, n.

Alwetendheid, zie God.

Al Zakkoem (boom), XVII, 62, n.; XXXVII, 60, n.

Al Zamakhshari, zie Al Beidâwi.

Al Zehir, een berg, VII, 139, n.

Ammar Ebn Yasa, XVI, 108, n.

Amulet. Hoofdstukken van den Koran, bij wijze van amuletten gedragen, CXIII, geheel.
—Zie Honderd.

Angaria, II, 159, n.

Ansars (De), IX, 101.

Antiochië, zie Inwoners.

Antwoord aan de Joden, die zeiden, dat God op den zevenden dag van zijn werk rustte, L, 37.
—der ongeloovigen aan Mahomet, VI, 105, n.

Apen en varkens (Zondaren door God veranderd in), V, 65, n.

Apen, zie Sabbathschenders.

Apostel, zie Profeet, Zendeling.

Arabieren, die de afgoden dienen, beschouwen de geboorte van eene dochter als een ongeluk, LXXXI, 9, n.
—Hunne veronderstellingen omtrent waarzeggers en toovenaars, 24, n.
—Gewoonte om de beelden hunner goden met honing en reukwater te bestrijken, XXII, 72, n.
—Kweeken hunne taal met veel zorg, XXVI, 225, n.
—Rekenen bij nachten en niet bij dagen, VII, 138.
—Wijze, waarop zij van hunne vrouwen scheiden. XXXIII, 4, n.
—Gaan de achterzijde der huizen in, II, 185.
—Uit de woestijn zijn het hardnekkigst, IX, 98 en volg.
—Zijn een bemiddelende natie van het menschelijk geslacht, II, 137.
—Vóór Mahomet hebben zij geen anderen gezant gehad, XXVIII, 46.
—Zij gaan niet ten strijde, XLVIII, 11. Zie Afgodendienenden.
—Zie Ongeloovigen.
—Zie onwetenden.

Arafat, een berg, II. 194.

Arkbewoners, zie Redding.

Ark, waarin de Godheid woont, II 249.

Armbanden, insigniën der koninklijke waardigheid, XLIII, 53, n.

Armen onder de ongeloovigen, VII, 47, n.
—Kenteekenen daarvan, II, 274.
—Willen Mahomets godsdienst omhelzen, VI, 52, n.

Aäron, broeder van Mozes, IV, 161; VI, 84; VII, 138; X, 76; XIX, 29, n.; XX, 31, 73, 92; XXI, 49; XXIII, 47; XXV, 37; XXVI, 12; XXVIII, 34; XXXVII, 114.

Asaf, de kenner der schriften, XXVII, 40, n.

Asia, vrouw van Pharao, LXVI, 12, n.

Asram, XVIII, 81, n.

Atoom, IV, 44.

Aüoub, zie Job.

Avond en ochtend, voornaamste uren van het gebed, XX, 130, n.

Avondgebed der Mahomedanen, XI, 116, n.

Azer, naam door de Mahomedanen aan Abrahams Vader gegeven VI, 74, n.