Zes en Negentigste Hoofdstuk.

Het gestolde Bloed.

Geopenbaard te Mekka1.—19 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Lees in naam van uwen Heer, die alle dingen heeft geschapen. 2. Die den mensch van gestold bloed schiep2. 3. Lees; want uw Heer is de weldadigste; 4. Die (den mensch) het gebruik van de pen leerde; 5. Die den mensch leerde, wat hij niet kende. 6. Waarlijk. Maar de mensch wordt weêrspannig. 7. Omdat hij ziet, dat hij overvloedige rijkdommen heeft3. 8. Waarlijk, tot uw Heer zal de terugkeer van alles zijn. 9. Wat denkt gij van hem, die verbiedt. 10. Onzen dienaar als hij bidt4? 11. Wat denkt gij, indien hij de ware richting zou volgen. 12. Of vroomheid bevelen? 13. Wat denkt gij, indien hij de goddelijke openbaringen van valschheid beschuldigt, en zijn rug toewendt? 14. Weet hij niet, dat God het ziet? 15. Ja, waarlijk indien hij niet ophoudt, zullen wij hem bij de haren van zijn voorhoofd grijpen5, 16. Van zijn leugenachtig en zondig voorhoofd. 17. En laat hem zijn raad6 te zijner hulpe roepen. 18. Ook wij zullen de helsche wachten roepen, om hem in de hel te werpen. 19. Waarlijk, gehoorzaam hem niet, maar ga voort God te aanbidden, en tracht hem te naderen.


1 Deze eerste vijf verzen van dit hoofdstuk worden algemeen voor de eerste plaats gehouden, welke van den Koran werd geopenbaard, terwijl Mahomet eenzaam en in gepeins verzonken op den berg Harra was. Sommigen echter zeggen dit van Soera LXXIV.

2 Zie Hoofdstuk XXII, vers 5.

3 De uitleggers komen daarin overeen, dat het overige gedeelte van dit hoofdstuk tegen Aboe Jahl, Mahomets grootsten tegenstander, werd geopenbaard.

4 Aboe Jahl dreigde namelijk, dat indien hij Mahomet gedurende het gebed mocht betrappen, hij zijn voet op diens nek zou plaatsen. Toen hij echter kwam en hem in die houding zag, wendde hij zich plotseling verschrikt af. Men vroeg hem wat daarvan de reden was, en hij antwoordde, dat er een kuil met vuur tusschen en Mahomet geplaatst was, en eene vreeselijke verzameling van manschappen, om dezen te verdedigen (Al Beidâwi.)

5 Zie Hoofdstuk XI, vers 59 noot.

6 Zijnde de raad of vergadering der voornaamste bewoners van Mekka, waarvan verreweg het grootste gedeelte partijgangers van Aboe Jahl waren.

Zeven en Negentigste Hoofdstuk.

Al Kadr1.

Geopenbaard te Mekka of te Medina.—5 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Waarlijk, wij hebben den Koran in den nacht van al Kadr nedergezonden. 2. En wat zal u doen begrijpen, hoe uitstekend de nacht van al Kadr is? 3. Beter dan duizend maanden. 4. In dien nacht dalen de engelen en de geest Gabriëls door Gods bevel neder, met Zijne besluiten omtrent alles2. 5. Het is vrede, tot het rijzen van den dageraad.


1 Kadr beteekent macht en eer of waardigheid, en ook de goddelijke of onverwrikbare besluiten. Men zou deze plaats met Hoofdstuk XLIV vers 2 en 3 kunnen vergelijken. Het is in den nacht van al Kadr, welken men gelooft, die van den 23sten of 24sten van de maand Ramadhan te zijn, dat de Koran in zijn geheel aan Mahomet werd geopenbaard. In dien nacht worden de aangelegenheden des heelals vastgesteld, en voor het geheele jaar besloten.

2 Zie Hoofdstuk XLIV vers 3.

Acht en Negentigste Hoofdstuk.

Het duidelijke Teeken.

Geopenbaard te Mekka of te Medina.—8 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. De ongeloovigen onder hen, aan wie de schriften werden gegeven en onder de afgodendienaars wankelden niet, dan nadat het duidelijke teeken tot hen was gekomen; 2. Een zendeling van God, die hun zuivere boeken der openbaring voorlas, waarin rechtvaardige gesprekken zijn bevat. 3. Nimmer waren zij, aan welke de schriften werden gegeven, onder elkander verdeeld, dan nadat het duidelijke teeken tot hen was gekomen. 4. En in de schriften werd hun niets anders bevolen dan God te aanbidden, Hem den zuiveren godsdienst te wijden en vroom te zijn, en standvastig in het gebed te wezen en aalmoezen te geven; en dit is de ware godsdienst. 5. Waarlijk, zij die niet gelooven, onder hen die de schriften hebben ontvangen en onder de afgodendienaars, zullen in het vuur der hel geworpen worden, om daarin voor eeuwig te verblijven. Deze zijn de slechtste van alle schepselen, 6. Maar zij die gelooven en goede werken doen, dit zijn de beste van alle schepselen. 7. Hunne belooning met hunnen Heer bestaat in tuinen van eeuwig verblijf met rivieren doorsneden1. Eeuwig zullen zij daarin verblijven. 8. God zal voldaan over hen wezen, en zij zullen voldaan zijn over Hem. Dit is gereed gemaakt voor hem, die zijn Heer vreest.

Negen en Negentigste Hoofdstuk.

De Aardbeving.

Geopenbaard te Mekka, of te Medina—8 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Als de aarde door een aardbeving1 zal geschud worden, 2. En de aarde haren last zal wegwerpen. 3. En de mensch zal zeggen: Wat schort haar? 4. Op dien dag zal zij hare tijdingen verklaren. 5. Volgens hetgeen uw Heer haar zal ingeven2. 6. Op dien dag zullen de menschen in onderscheiden klassen voorwaarts gaan, om hunne werken te aanschouwen. 7. En wie slechts goed zal gedaan hebben, ter zwaarte van een atoom3, zal dat aanschouwen. 8. En wie slechts kwaad zal gedaan hebben ter zwaarte van een atoom, zal dat aanschouwen.


1 Deze aardbeving zal bij den eersten of, zooals anderen zeggen, bij den tweeden klank der trompet plaats hebben (Al Zamakhshari, Al Beidâwi).

2 Zijnde: zij zal alle schepselen omtrent de oorzaak harer schudding onderrichten, en hare schatten en hare dooden uitwerpen.

3 Zie hoofdstuk IV, vers 44, noot.

Honderdste Hoofdstuk.

De Oorlogspaarden.

Geopenbaard te Mekka of te Medina.—11 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Ik zweer bij de oorlogspaarden, die snel en hoorbaar hijgend ten strijd draven. 2. En bij de oorlogspaarden die vuur slaan door het aanraken (der steenen met hunne hoeven); 3. Bij hen die plotseling en vroeg in den ochtend, een inval bij den vijand doen, 4. Daar het stof doen oprijzen, 5. En zich door het midden der vijandelijke troepen een weg banen1; 6. Waarlijk, de mensch is ondankbaar jegens zijn Heer; 7. En hij is getuige daarvan; 8. En hij is ontembaar in zijne liefde voor het wereldsche goed. 9. Weet hij dan niet dat hetgene zich in de graven bevindt, weder zal oprijzen, 10. En dat hetgene zich in de borst der menschen bevindt, aan het licht gebracht zal worden, 11. En dat hun Heer volkomen onderricht omtrent hem zal zijn?


1 Sommigen willen, dat dit geen paarden zijn, maar de kameelen, die in den slag van Bedr werden gebruikt (Yahya, ex trad. Ali Ebn Abi Taleb).

Honderd en Eerste Hoofdstuk.

De Slag.

Geopenbaard te Mekka.8 verzen.


1 Dit is een der namen van den jongsten dag.

2 Het oorspronkelijke woord elâwiyet, is de naam van de onderste afdeeling der hel, en beteekent waarschijnlijk een diepe put of wel een afgrond.

Honderd en Tweede Hoofdstuk.

De Begeerte om zich te Verrijken.

Geopenbaard te Mekka of te Medina.—8 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. De naijverige begeerte, rijkdommen en kinderen te vermeerderen, houdt u bezig 2. Tot gij in het graf nederdaalt. 3. (Gij zult uwen tijd) volstrekt niet (aldus gebruiken); Hiernamaals zult gij uwe dwaasheid kennen. 4. Nogmaals, volstrekt niet: hiernamaals zult gij uwe dwaasheid kennen. 5. Volstrekt niet. Indien gij het gevolg hiervan met zekerheid kendet, zoudt gij niet aldus handelen. 6. Waarlijk, gij zult de hel zien. 7. Nogmaals; gij zult die zekerlijk met het oog der zekerheid zien. 8. Dan zult gij op dien dag ondervraagd worden, nopens de uitspanningen waarmede gij u in dit leven hebt vermaakt.

Honderd en derde hoofdstuk.

De Namiddag.

Geopenbaard te Mekka,3 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Ik zweer bij den namiddag1. 2. Waarlijk, de mensch bewerkt zijn verderf. 3. Behalve zij die gelooven en doen wat rechtvaardig is, en wederkeerig de waarheid aanbevelen en elkander wederkeerig tot volharding aansporen.


1 Of den tijd waarop de zon zijn ondergang nadert, zijnde een der vijf voor het gebed bepaalde tijdstippen. Het oorspronkelijke woord beteekent ook de eeuw of den tijd in het algemeen.

Honderd en Vierde Hoofdstuk.

De Lasteraar.

Geopenbaard te Mekka—9 verzen.


1 Deze plaats wordt gezegd tegen Al Akhnas Ebn Shoreik of al Walid Ebn al Mogheira, of wel tegen Ommeyya Ebn Khalf geopenbaard te zijn, die allen van lastering, vooral opzichtens den profeet, beschuldigd werden (Al Zamakhshari, Al Beidâwi, Jallalo’ddin).

2 Al-Hotama is een der namen van de hel of van eene harer afdeelingen, aldus genaamd, omdat zij alles in stukken breekt, wat daarin geworpen wordt.

Honderd en Vijfde Hoofdstuk.

De Olifant.1

Geopenbaard te Mekka.—5 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Hebt gij gezien, hoe uw Heer met de meesters van den olifant handelt? 2. Heeft hij hunne verraderlijke plannen niet doen strekken om hen in dwaling te leiden, 3. En troepen vogels (Ababils) tegen hen te zenden, 4. Die steenen van gebakken klei op hen nederwierpen, 5. En hen het aanzien gaven van de bladeren van het koren, dat door het vee was afgegeten?


1 Dit hoofdstuk heeft betrekking op de volgende omstandigheid: Abraha Ebn al Sarah, bijgenaamd al Ashram (met den gespleten neus), koning of onderkoning van Yemen, een Ethiopiër van den Christelijken Godsdienst, had te Sanaa een prachtige kerk gebouwd, en dwong de Arabieren daarheen in bedevaart te gaan, in plaats van naar den Caaba-tempel. De Koreïshieten zonden daarop een man van den stam van Kenanah des nachts naar de kerk welke hij op schandelijke wijze ontheiligde. Abraha ondernam daarop een expeditie naar den Caaba-tempel, ten einde die te verwoesten. Volgens de overlevering verloor Abraha zijn geheel leger, dat door de vogels (ababils) werd aangevallen, die doodelijke pijlen op hen schoten. Toen men Mekka in het gezicht had, knielde de witte olifant, waarop Abraha reed, neder, als een teeken van vereering. Abraha ontving den naam van den meester, of van den man met den olifant; zijn leger, dat van de mannen van den olifant, terwijl het jaar der expeditie, dat van den olifant werd genoemd. C. Sprengel (Gesch. der Medizin) is van meening, dat de genoemde vogels, niet anders waren dan pestbuilen en pokken. Von Hammer (Gemäldesaal I. 24), beroept zich op eene der levensbeschrijvingen van Mahomet, volgens welke de pokken zich juist in het jaar van den olifant in Arabië voor het eerst zouden hebben vertoond.

Honderd en Zesde Hoofdstuk.

De Koreïshieten.

Geopenbaard te Mekka.—4 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Ter vereeniging van den stam der Koreïshieten1; 2. Te hunner vereeniging, om de karavaan van kooplieden in den winter en den zomer weg te zenden! 3. Laten zij den Heer van dit huis dienen, die hen van voedsel tegen den honger voorziet. 4. En hen tegen vrees heeft verzekerd2.


1 Sommigen brengen deze woorden met de volgende in verband, en veronderstellen dat het aldus moet luiden: Laat hen den Heer van dit huis dienen, voor de vereeniging, enz. Anderen brengen de woorden met het voorafgaande hoofdstuk in verband, en leiden daaruit af, dat God het leger van Abraha aldus verdelgde, ter vereeniging der Koreïshieten, enz.

2 Door hen van Abraha en zijn leger te verlossen, of door het grondgebied van Mekka tot eene plaats van zekerheid te maken.

Honderd en Zevende Hoofdstuk.

De Aalmoes.

Geopenbaard te Mekka of te Medina.—7 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Wat dunkt u van hem, die het toekomstige oordeel als eene valschheid loochent? 2. Het is degeen, die den wees verstoot1. 3. En anderen niet aanspoort den arme te voeden. 4. Wee over hen, die bidden, 5. Maar die achteloos in hun gebed zijn; 6. Die de huichelaars spelen. 7. En (den behoeftige) de noodige aalmoes (gereedschappen) onthouden.


1 Volgens sommigen is de hier bedoelde persoon Aboe Jahl, die een wees verstootte, wiens beschermer hij was, en die naakt tot hem kwam, om hem eenigen bijstand van zijn eigen geld te verzoeken. Anderen zeggen, dat Aboe Sofian of Walid Ebn al Mogheira was.

Honderd en Achtste Hoofdstuk.

Al Kauther.

Gegeven te Mekka1.—3 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Waarlijk, wij hebben u al Kauther2 gegeven. 2. Bid tot uwen Heer, en dood de slachtoffers3. 3. Waarlijk, hij die u haat, zal kinderloos wezen4.


1 Sommigen denken echter, dat het te Medina werd geopenbaard.

2 Dit is de naam van eene rivier in het paradijs.

3 Die bij den pelgrimstocht in de vallei van al Mina moeten geslacht worden.

4 Deze woorden werden geopenbaard tegen As Ebn Wayel, die bij den dood van den zoon van Mahomet, al Kasem, den profeet Abtar (kinderloos) noemde (Jallalo’ddin).

Honderd en Negende Hoofdstuk.

De Ongeloovigen.

Geopenbaard te Mekka.—6 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Zeg: O ongeloovigen1! 2. Ik zal niet aanbidden wat gij aanbidt, 3. Noch zult gij aanbidden wat ik aanbid. 4. Ik aanbid geenzins wat gij aanbidt. 5. Gij aanbidt niet wat ik aanbid. 6. Gij hebt uw Godsdienst, en ik heb mijn godsdienst.


1 Men zegt, dat sommigen der Koreïshieten eens aan Mahomet voorstelden, dat, indien hij hunne goden gedurende een jaar zou willen aanbidden, zij zijnen God gedurende dezelfde tijdruimte zouden vereeren, waarop dit hoofdstuk werd geopenbaard (Jallalo’ddin, Al Beidâwi).

Honderd en Tiende Hoofdstuk.

De Hulp.

Geopenbaard te Mekka.—3 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Als de hulp van God zal komen en de overwinning1, 2. En gij het volk tot Gods eeredienst bij scharen zult zien binnengaan2. Verkondig den lof van uwen Heer en vraag vergiffenis van hem; want hij is vergevensgezind.


1 Zijnde: als God u over uwe vijanden zal doen heerschen en gij de stad Mekka zult innemen.

2 Hetgeen in het negende jaar der Hedjira voorviel, toen Mahomet, nadat hij zich van Mekka had meester gemaakt, de Koreïshieten dwong, zich aan hem te onderwerpen, waarop de overige Arabieren in grooten getale tot hem kwamen, en den Islam beleden.

Honderd en Elfde Hoofdstuk.

Aboe Lahab.

Geopenbaard te Mekka—5 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. De handen van Aboe Lahab1 zullen ten verderve gaan, en hij zelf verdorven worden. 2. Zijne rijkdommen zullen hem van geen voordeel zijn, noch datgene wat hij heeft gewonnen. 3. Hij zal heengaan om in het vuur verbrand te worden. 4. Als ook zijne vrouw, die hout draagt2. 5. Terwijl zij om haren hals eene koord van geweven vezelen van den palmboom heeft.


1 Aboe Lahab was de oom van Mahomet en tegelijkertijd een zijner onverzoenlijkste vijanden. Sommige uitleggers doen opmerken, dat de handen, de fortuin of de bezittingen beteekenen.

2 Voor het vuur der hel. Omm Djemil, de vrouw van Aboe Lahab stookte namelijk den haat aan, dien haar echtgenoot Mahomet toedroeg. Men zegt zelfs dat zij des nachts doornen en distels op den weg van den profeet strooide (Al Beidâwi, Jallalo’ddin).

Honderd en Twaalfde Hoofdstuk.

Gods Eenheid1.

Geopenbaard te Mekka of te Medina—4 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Zeg: God is een eenig God. 2. De eeuwige God. 3. Hij baarde niet, en werd niet gebaard. 4. En niemand is Hem in eenig opzicht gelijk.


1 Dit hoofdstuk wordt door de Arabieren bijzonder vereerd. Volgens eene overlevering zou Mahomet gezegd hebben, dat het met een derde gedeelte van den geheelen Koran gelijk stond.

Honderd en Dertiende Hoofdstuk.1

De Dageraad.

Geopenbaard te Mekka of te Medina—5 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Zeg: Ik zoek mijn toevlucht bij den Heer van den dageraad, 2. Opdat hij mij moge bevrijden van de boosheid der schepselen, welke hij heeft geschapen. 3. En van het kwaad des nachts, als die invalt. 4. En van het kwaad der vrouwen die op knoopen blazen2, 5. En van het kwaad van den benijder, als hij ons benijdt.


1 Dit Hoofdstuk en het volgende, worden elmoeawidhetani genoemd of de twee beveiligende hoofdstukken, omdat zij met de woorden ik zoek mijne toevlucht beginnen. Zij worden daarom als amuletten gedragen. Dit Hoofdstuk beveiligt tegen de ongelukken des lichaams, en het andere voor de gevaren der ziel.

2 Sommige uitleggers gelooven, dat men onder dezen naam de vrouwen in het algemeen moet verstaan, die door hare listen de plannen en besluiten der mannen verwarren. Anderen gelooven, dat hier de Joodsche toovenaressen worden bedoeld, die knoopen maakten en daarop bliezen, om iemand te betooveren. Men zegt dat Mahomet door een Jood werd betooverd, die elf knoopen in een koord had gemaakt, welke hij in een put ophing. De engel Gabriël openbaarde daarop niet alleen het geheim der betoovering, maar ook de beide hoofdstukken. Elken keer dat hij deze hoofdstukken las, ging een der knoopen uit elkander, en Mahomet genas.

Honderd en Veertiende Hoofdstuk.

De Menschen.

Geopenbaard te Mekka of te Medina—6 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Zeg: Ik zoek mijne toevlucht bij den Heer der menschen, 2. Den Koning der menschen, 3. Den God der menschen; 4. Dat hij mij bevrijde van de boosheid van den luisteraar, die snoode gedachten inblaast en zich dan verborgen terugtrekt1. 5. Die kwaade ingevingen der menschen aan de harten toefluistert. 6. Tegen de geniussen en de menschen.

Einde van den Koran.


1 Zijnde de duivel, die zich terugtrekt als een mensch God noemt, of toevlucht tot zijne bescherming neemt.