In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Alles wat in den hemel of op aarde is, verkondigt den lof van God, en hij is de Machtige, de Wijze. 2. Hij was het, die degenen van het volk dat de schrift ontving welke niet geloofden, bij de eerste landverhuizing uit hunne woningen deed vertrekken2. Gij dacht niet, dat zij van daar zouden gaan, en zij dachten, dat hunne sterkte hen tegen God zoude bijstaan. Maar Gods kastijding kwam over hen, van waar zij die niet verwacht hadden, en hij wierp schrik in hunne harten. Zij verwoestten hunne huizing met eigen handen3 en met de handen der ware geloovigen. Neemt dus een voorbeeld aan hen, o gij die oogen hebt! 3. En indien God hen niet tot verbanning had gedoemd, zou hij hen zeker hebben uitgeroeid; en in de volgende wereld zullen zij de marteling van het hellevuur ondergaan. 4. Dit geschiedt, omdat zij God en zijn gezant wederstand hebben geboden; en wie God weêrstand biedt, waarlijk, die zal door God streng gestraft worden. 5. De palmboomen welke gij nederhouwt, of die gij met hunne wortelen laat staan, werden nedergehouwen of bleven staan door den wil van God om de zondaren gerust te stellen. 6. En wat den buit betreft van het volk, dat God geheel aan zijn gezant heeft geschonken4, gij hebt daartegen noch paarden, noch kameelen aangevoerd5; maar God geeft de heerschappij aan zijne gezanten over wien hij wil; want God is almachtig. 7. De buit der bewoners van de steden die God aan zijn gezant heeft geschonken is aan God en zijn gezant verschuldigd, en aan hem, die tot de nabestaanden van den gezant behoort, en aan de weezen en aan den arme en aan den reiziger, opdat die niet immer in een kring zoude verdeeld worden, van diegenen uwer, welke rijk zijn. Neemt aan wat de profeet u zal geven, en onthoudt u van hetgeen hij u verbiedt, en vreest God; want God is gestreng in het kastijden. 8. Ook behoort een deel aan de arme Mohajerin6 die van hunne huizen en hunne bezittingen werden beroofd, terwijl zij naar Gods gunst en naar zijn welgevallen streefden en God en zijn gezant bijstonden. Dit zijn de lieden der waarachtigheid. 9. En zij die, vóór hen, de stad Medina geheel bezaten en het geloof zonder beletsel beleden, beminnen dengeen, die tot hen is gevlucht, en vinden in hunne borsten geene begeerte naar datgene wat den Mohajerin werd gegeven, maar verkiezen die boven zich zelven, hoewel zij mede door nooddruftigheid worden gekweld. En hij die zich voor de gierigheid zijner eigene ziel behoedt, zal zeker voorspoed genieten. 10. En zij die na hen zijn gekomen7 zeggen: O Heer! vergeef ons en onze broederen, die ons in het geloof zijn voorgegaan, en werp geen kwaden wil in onze harten, omtrent hen, die geloofd hebben: O Heer! Waarlijk, gij zijt medelijdend en genadig. 11. Hebt gij degenen niet gezien, welke huichelachtig zijn. Zij zeggen tot hunne broeders, van degenen welke de schriften hebben ontvangen, en die niet gelooven: Waarlijk, indien gij uit uwe woningen wordt verdreven, zullen wij zekerlijk met u vertrekken; wij zullen nimmer iemand gehoorzamen als er sprake van u zal zijn, en indien gij wordt aangevallen, zullen wij u zekerlijk bijstaan. Maar God is getuige, dat zij leugenaars zijn. 12. Waarlijk, indien zij verdreven worden, zullen dezen niet met hen heengaan, en indien zij aangevallen worden, zullen deze hen niet bijstaan8 en indien zij hen al in ’t eerst bijstaan, zullen zij hun de ruggen toewenden, en zij zullen niet ondersteund worden. 13. Waarlijk, gij zijt sterker dan zij, uithoofde van de vrees, die door God in hunne borsten is geworpen. Dit is omdat zij lieden zonder doorzicht zijn. 14. Zij zullen niet vereenigd tegen u strijden, behalve in versterkte steden of van achter muren. Hunne hevigheid in den oorlog onder elkander is groot: gij denkt dat zij vereenigd zijn, maar hunne harten zijn verdeeld. Dit is, omdat zij lieden zijn, die niet begrijpen willen. 15. Gelijk degenen, die hen voorafgingen hebben zij het booze gevolg van hunne daden geproefd, en eene pijnlijke straf is hiernamaals voor hen gereed gemaakt. 16. Zoo hebben de huichelaars de Joden bedrogen; gelijk de duivel, toen hij tot een mensch zeide: Wees een ongeloovige! En toen hij een ongeloovige was geworden, riep hij: Waarlijk, ik ben onschuldig aan u; want ik vrees God, den Heer van alle schepselen. 17. Daarom zal het einde van hen zijn, dat zij in het hellevuur zullen verblijven, en dit zal de vergelding der onrechtvaardigen wezen. 18. O ware geloovigen! vreest God. Dat iedere ziel zie, wat zij zich voor morgen gereed maakt9, en vreest God; want God is welbekend met hetgeen gij doet. 19. En weest niet als zij, die God hebben vergeten, en welke hij hunne eigenen zielen heeft doen vergeten: dit zijn de zondaren. 20. De bewoners van het hellevuur en de bewoners van het paradijs zullen niet gelijk gesteld worden. De bewoners van het paradijs zijn zij, die gelukzaligheid genieten. 21. Indien wij dezen Koran op een berg hadden nedergezonden, zoudt gij zeker gezien hebben, hoe die zich verootmoedigd had, en uit vrees voor God gespleten ware. Dit zijn de voorbeelden welke wij den mensch geven, opdat hij zou mogen overwegen. 22. Hij is de God, buiten wien geen god is. Hij kent het zichtbare en het onzichtbare. Hij is de Goedertierene, de Barmhartige. 23. Hij is God, buiten wien geen god is: de Koning, de Heilige, de Verlosser, de Getrouwe, de Beschermer, de Sterke, de Vermogende, de Verhevenste. God is verre verheven boven de afgoden, welke zij met hem vereenigen. 24. Hij is de eenige God, de Schepper, de Maker, de Vormer. Hij heeft de meest uitmuntende namen10. Alles wat in den hemel of op aarde is, prijst hem. Hij is de Machtige, de Wijze.
1 Het oorspronkelijke woord beteekent het verlaten of verhuizen van de geboorteplaats of woning, om elders te gaan wonen, hetzij uit vrijen wil, hetzij door verdrijving.
2 Het hier bedoelde volk waren de Joden van den stam van Al Nadir, die te Medina woonden, en die, toen Mahomet van Mekka daarheen vluchtte, hem beloofden onzijdig te blijven, tusschen hem en zijne tegenpartij, waartoe zij een verdrag met hem sloten. Toen hij den slag van Bedr had gewonnen, beleden zij, dat hij de profeet was, in de wet beschreven; maar na zijne nederlaag te Ohod veranderden zij van gevoelen. Caab Ebn al Ashraf vormde een verbond met Aboe Sofian, dat zij beiden bezwoeren. Mahomet rukte daarop in het vierde jaar der hedjira tegen al Nadir op, en belegerde hunne vesting. Na zes dagen capituleerden zij, en werd het hun vergund te vertrekken, op voorwaarde, dat zij de plaats geheel zouden ontruimen. Volgens sommigen, begaven zij zich daarop naar Syrië, volgens anderen naar Khaibar en Hira (Al Beidâwi, Jallalo’ddin. Zie Abulf. vit. Moh. cap. 35). Dit was de eerste landverhuizing. De tweede viel eenige jaren later voor, gedurende de regeering van Omar, toen deze khalif degenen verbande, die te Khairbar hadden gewoond, en hen dwong Arabië te verlaten (Idem Interpp.).
3 Daar zij zooveel verwoestten als zij konden, om het voordeel der Moslems zooveel mogelijk te verminderen, aan datgene wat zij verplicht waren achter te laten.
4 Het is opmerkelijk, dat in deze expeditie de buit niet werd verdeeld, overeenkomstig de daartoe in den Koran gegeven wet, (Hoofdstuk VIII, vers 42) maar aan den profeet werd gegeven, terwijl er bij verklaard werd, dat die geheel te zijner beschikking was. De reden hiervan was, omdat de plaats zonder behulp van paarden werd genomen, hetgeen, van toen af, eene vaste wet bleef (Zie Abulf. vit. Moh. p. 91).
5 De woonplaats van al Nadir was namelijk zoo dicht nabij Medina dat de Moslems allen te voet daarheen gingen, de profeet zelf uitgezonderd (Al Beidâwi).
6 Daarom verdeelde Mahomet dezen buit alleen onder de Mohajerin, of zij die van Mekka waren gevlucht. Hij gaf daarvan niets aan de Ansars, of die van Medina, behalve aan drie van hen, welke in behoeftige omstandigheden verkeerden (Al Beidâwi).
7 De bedoelde personen schijnen zij te wezen, die Mekka ontvluchtten, nadat Mahomet in sterkte toegenomen, en zijn godsdienst aanzienlijke vorderingen gemaakt had.
8 En het geschiedde dienovereenkomstig: Ebn Obba en zijne bondgenooten schreven namelijk met dat doel aan de Nadirieten; maar zij vervulden nimmer hunne belofte (Al Beidâwi).
9 Dit is: voor het volgende leven, hetgeen morgen kan worden genoemd, zooals het tegenwoordige leven heden.
10 Zie Hoofdstuk VII, vers 179 noot.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. O ware geloovigen! kiest mijne vijanden en uwe vijanden niet tot uwe vrienden2. Betoont hun geene vriendschap, nu zij niet de waarheid gelooven, die tot u is gekomen; en den gezant en u zelven uit uwe geboortestad hebben verdreven, omdat gij in God uwen Heer gelooft. Indien gij uit uwe woonplaatsen vertrekt ter verdediging van mijnen godsdienst en uit begeerte mij te behagen, en hun in het verborgen vriendschap betoont3, waarlijk, ik ken wel wat gij verbergt en wat gij ontdekt; en gij die dit doet, is reeds van den rechten weg afgedwaald. 2. Indien zij u slechts ergens ontmoeten, zullen zij uwe vijanden zijn; zij zullen hunne handen en hunne tongen met boosheid naar u uitstrekken, en zij begeeren ernstig, dat gij ongeloovigen zult worden. 3. Noch uwe bloedverwanten, noch uwe kinderen zullen u van eenig nut zijn op den dag der opstanding, die u van elkander zal scheiden: en God ziet wat gij doet. 4. Gij hebt een uitmuntend voorbeeld in Abraham, en zij die met hem waren, toen zij tot hun volk zeiden: Waarlijk wij zijn onschuldig aan u en aan de afgoden, welke gij naast God vereert; wij hebben afstand van u gedaan (u verloochend; en er is voor eeuwig haat en vijandschap tusschen ons gekomen, tot gij in God alleen gelooft. Doch gij zult Abraham niet navolgen in hetgeen hij tot zijn vader zeide: Waarlijk ik wil vergiffenis voor u vragen4; maar ik kan niets ten uwen behoeve van God verkrijgen. O Heer! in u vertrouwen wij, en tot u zijn wij gewend, en voor u zullen wij hiernamaals worden verzameld. 5. O Heer! leid ons niet in verzoeking door hen die niet gelooven, en vergeef ons, o Heer! want gij zijt de Machtige, en de Wijze. 6. Waarlijk, gij hebt een uitmuntend voorbeeld in hen en in hem; gij die op God en den jongsten dag vertrouwt. Maar hij die zich afwendt, waarlijk, God is almachtig en lofwaardig. 7. Misschien zal God vriendschap doen onstaan tusschen u en hen, welke gij thans voor uwe vijanden houdt5; want God is machtig, en God is vergevensgezind en barmhartig. 8. Wat hen betreft, die geene wapenen tegen u hebben gevoerd wegens den godsdienst, en u niet uit uwe woningen verdreven hebben. 9. God verbiedt u niet, hen vriendschappelijk te behandelen en rechtvaardig jegens hen te zijn. Doch wat degenen betreft, die u om uwen godsdienst bestreden en u uit uwe woningen verdreven, of daartoe mede geholpen hebben, verbiedt God u vriendschap met hen aan te knoopen, en wie het doen, zijn snoodaards. 10. O ware geloovigen! indien geloovige vrouwen als vluchtelingen tot u komen, beproeft haar: God is wel bekend met haar geloof. En als gij weet dat zij ware geloovigen zijn, zendt haar dan niet tot de ongeloovigen terug. Het is haar niet geoorloofd de ongeloovigen te huwen, en de ongeloovigen mogen haar niet huwen. Maar geeft haren ongeloovigen echtgenooten, wat zij voor hare bruidschatten zullen hebben besteed6. Het is u geoorloofd haar te huwen; maar verzeker haar heuren bruidschat7. Behoudt de ongeloovige vrouwen niet, maar vraagt datgene terug, wat gij besteed hebt voor den bruidschat van diegene uwer vrouwen, welke tot de ongeloovigen overloopen, en laat hen terugvragen, wat zij besteed hebben voor de bruidschatten hunner vrouwen, die tot u overloopen. Dit is Gods oordeel, hetgeen hij voor u vaststelt; en God is alwetend en wijs. 11. Indien eene uwer vrouwen, van u naar de ongeloovigen vlucht, en gij zijt schadeloos gesteld door het vluchten van eene der vrouwen van de ongeloovigen tot u geef dan aan de geloovigen, wier vrouwen ontvlucht zullen zijn, zooveel van de bruidschatten der laatsten, als zij voor de bruidschatten der eersten zullen hebben besteed, en vreest God in wien gij gelooft. 12. O profeet! als geloovige vrouwen tot u komen, en u haar geloof bekennen, dat zij niets met God verbinden, niet stelen, geen overspel bedrijven, of hare kinderen niet dooden8 en niet zullen komen met eene lastering, welke zij tusschen hare handen en hare voeten hebben uitgedacht, en u niet ongehoorzaam zullen wezen, in hetgeen redelijk is9, verbindt u dan met haar en vraagt vergiffenis voor haar aan God; want God is vergevensgezind en barmhartig. 13. O ware geloovigen! knoopt geene vriendschap aan met een volk, waartegen God vertoornd is. Zij wanhopen aan het volgende leven, gelijk de ongeloovigen aan de opstanding twijfelen van hen, die de graven bewonen.
1 Dit Hoofdstuk draagt dezen titel, omdat het bepaalt, dat de vrouwen die wegloopen en van de ongeloovigen tot de Moslems overgaan, onderzocht moeten worden ten aanzien van hare oprechtheid in de belijdenis van haar geloof.
2 Dit vers is vooral gericht tegen den Muzelman Hateb Ebn Abi Baltaa, die, wetende, dat er een expeditie tegen Mekka werd gereed gemaakt, de Koreïshieten daarvan onderrichtte. Mahomet onderschepte zijn brief, en deed hem bittere verwijtingen, waarop Hateb antwoordde dat zijn doel geenszins was, de onderneming te doen mislukken, die overigens, als door God besloten, onfeilbaar moest wezen, maar dat hij van de afgodendienaren eenige verschooning had wenschen te verkrijgen voor zijn gezin, hetwelk hij te Mekka had achtergelaten. Mahomet nam de verontschuldiging van Hateb aan, maar haastte zich de bovenvermelde openbaring mede te deelen.
3 Het hier gebruikte werkwoord beteekent ook het tegenovergestelde, en zou dus ook kunnen vertaald worden: en hun in het openbaar vriendschap betoont, enz.
4 Omdat zijn vader afgodendienaar was. Zie Hoofdstuk IX, vers 115.
5 En dienovereenkomstig geschiedde het bij de inneming van Mekka, toen Aboe Sofian en anderen der Koreïshieten, die op dat tijdstip hevige vijanden der Moslems waren, hetzelfde geloof omhelsden en hunne vrienden en broeders werden. Sommigen veronderstellen, dat hier het huwelijk van Mahomet met Omm Habiba, de dochter van Aboe Sofian wordt bedoeld, hetwelk een jaar te voren werd voltrokken (Zie Gagnier, not. in Abulf Vit. Moham. p. 91).
6 Want overeenkomstig de bepaling van het vredesverdrag van al Hodeibiya, moest elke der partijen teruggeven, wat in hare handen viel, en aan de tegenpartij toebehoorde. Dientengevolge werd op deze plaats, te gelijker tijd, dat den Moslems verboden werd, de gehuwde vrouwen terug te geven, die van de ongeloovigen zouden overloopen, hun ook bevolen, haren bruidschat, bij wijze van schadeloosstelling uit te keeren.
7 Want hetgeen aan hare vroegere echtgenooten wordt teruggeven, moet niet als weduwgift beschouwd worden.
8 Zie Hoofdstuk LXXXI, vers 8.
9 Dit vers bevat datgene, wat de Mahomedanen “den eed der vrouwen” noemen. De mannen zwoeren vóór de Hedjira (vlucht van Mekka) denzelfden eed, vóór dat Mahomet er de verplichting had bijgevoegd, hem in den oorlog tegen de afgodendienaren bij te staan. Deze eed had, evenals het aangaan van iedere verbintenis, bij de Arabieren plaats, door het geven der hand aan hem, omtrent wien men zich verbond. Na Mahomet werd de khalif op dezelfde wijze door een handslag gehuldigd.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Alles wat zich in den hemel en op aarde bevindt verkondigt den lof van God; want hij is machtig en wijs. 2. O ware geloovigen! waarom zegt gij, wat gij niet doet2. 3. Het is ten hoogste schandelijk voor de oogen van God dat gij belooft, wat gij niet doet. 4. Waarlijk, God bemint hen, die voor zijnen godsdienst in slagorde strijden, als waren zij een vast samengesteld gebouw. 5. Gedenk, toen Mozes tot zijn volk zeide: O mijn volk! waarom mishandelt gij mij, nu gij weet, dat ik Gods gezant ben, die tot u werd gezonden? En toen zij van de waarheid waren afgedwaald, deed God hunne harten van den rechten weg afdwalen; want God leidt de zondaren niet. 6. En toen Jezus, de zoon van Maria, zeide: O kinderen Israëls! waarlijk, ik ben Gods gezant, tot u gezonden, om de wet te bevestigen, die voor mij werd geopenbaard, en brengende goede tijdingen nopens een profeet, die na mij zal worden gezonden, en wiens naam Ahmed3 zal wezen. En toen hij hun duidelijke wonderen toonde, zeiden zij: Dit is klaarblijkelijk tooverij. 7. Maar wie is onrechtvaardiger dan hij, die eene leugen tegen God uitdenkt, nadat hij tot den Islam is uitgenoodigd? En God leidt de onrechtvaardigen niet. 8. Zij trachten Gods licht met hunnen mond uit te blusschen; maar God zal zijn licht volmaken, hoewel de ongeloovigen afkeerig daarvan zijn. 9. Hij is het, die zijn profeet heeft gezonden met de leiding en den godsdienst der waarheid, ten einde die boven elken anderen godsdienst te verheffen, hoewel de ongeloovigen afkeerig daarvan zijn. 10. O ware geloovigen! zal ik u eene koopwaar toonen, die u hiernamaals van eene pijnlijke marteling zal verlossen? 11. Gelooft dan in God en zijn gezant, en verdedigt Gods waren godsdienst met uw vermogen en met uw eigene personen. Dit zou beter voor u zijn, indien gij het wist. 12. Hij zal uwe zonden vergeven, en zal u in tuinen leiden met rivieren doorsneden, en in aangename woningen, gelegen in tuinen van eeuwig verblijf. Dit zal eene groote gelukzaligheid wezen. 13. En gij zult nog andere dingen erlangen, welke gij begeert; namelijk, Gods bijstand en eene spoedige overwinning. Gij, breng goede bijdragen tot de ware geloovigen. 14. O ware geloovigen! weest gij Gods helpers, gelijk Jezus, de zoon van Maria, tot de apostelen zeide: Wie wil mijn helper ten behoeve van God zijn?4 De apostelen antwoordden: Wij zullen Gods helpers zijn. Aldus geloofde een deel van de kinderen Israëls, en een ander deel geloofde niet5; maar hen die geloofden, versterkten wij boven hunne vijanden, waardoor zij de overwinning over hen behaalden.
1 Of, zooals sommigen eerder denken, te Medina. De uitlegging in de volgende noot bevestigt deze meening.
2 De uitleggers veronderstellen algemeen, dat deze woorden tot de Moslems zijn gericht, die, niettegenstaande zij zich plechtig hadden verbonden, hunne bezittingen en hun leven ter verdediging van hun geloof op te offeren, zich bij den slag van Ohod omkeerden (zie Hoofdstuk III, vers 11 en volg). Misschien ook moeten deze woorden op alle huichelaars worden toegepast, wier daden in tegenspraak met hunne woorden zijn.
3 Mahomet draagt bij de Muzelmannen verschillende namen, en wel ongeveer honderd, waartoe ook Ahmed behoort, afgeleid van het Grieksche Periclytos, de glorierijke, evenals Mahomet. De Mahomedanen beweren, dat Jezus de komst van Mahomet (Ahmed, Periclytos) heeft voorzegd (zie Johannes XVI : 7), en dat Peracletos, hetgeen op de nederdaling van den Heiligen Geest wordt toegepast, slechts een verbastering is van Periclytos, hetgeen door de Christenen, ter kwader trouw is uitgedacht.
4 Zie Hoofdstuk III, vers 45.
5 Hetzij door hem te verwerpen, hetzij door hem voor God of voor den zoon van God te houden (Jallalo’ddin).
Geopenbaard te Medina—11 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Alles wat in den hemel en op de aarde is, prijst God, den Koning, den Heilige, den Machtige, den Wijze. 2. Hij is het die, te midden der ongeletterde Arabieren, een profeet heeft doen opstaan, welke tot hen behoort, ten einde zijne teekens onder hen te verkondigen en hen te zuiveren, en hun de schriften en wijsheid te leeren, terwijl zij vroeger waarlijk in eene duidelijke dwaling verkeerden. 3. En anderen onder hen hebben de eersten in het geloof nog niet geëvenaard; maar zij zullen ook in Gods goeden tijd worden bekeerd; want hij is machtig en wijs. 4. Dit is Gods vrije genade; hij schenkt die naar zijn welbehagen, en God bezit oneindige goedheid. 5. De gelijkenis van hen, die belast waren, de wet in acht te nemen, en deze niet in acht namen, is als de gelijkenis van een ezel met boeken beladen1. Hoe laag is de gelijkenis van het volk, dat de teekenen van God van valschheid beschuldigde. God leidt de onrechtvaardigen niet. 6. Zeg: O gij! die den Joodschen godsdienst volgt, indien gij zegt dat gij Gods vrienden boven de andere menschen zijt, begeert dan den dood2, indien gij de waarheid spreekt. 7. Maar zij zullen dien nimmer wenschen, om hetgeen hunne handen voor hen hebben gezonden3, en God kent de onrechtvaardigen wel. 8. Zeg: De dood dien gij ontvlucht, zal u zekerlijk eens overvallen; dan zult gij voor Hem gebracht worden, die zoowel datgene kent wat verborgen, als wat ontdekt is, en hij zal u verklaren, wat gij gedaan hebt. 9. O ware geloovigen! als gij, op den dag der vergadering4, tot het gebed wordt opgeroepen, spoedt u dan God te herdenken, en verlaat den koophandel. Dit zal beter voor u zijn, indien gij het wist. 10. En als het gebed is geëindigd, verspreidt u dan door het land als gij wilt; tracht daar Gods vrijgevigheid te winnen, en gedenk God dikwijls, opdat gij voorspoed moogt genieten. 11. Maar als zij slechts eenigen handel of vermaak zien, spoeden zij zich daarheen en verlaten u, terwijl gij op den kansel staat5. Zeg: De belooning die met God is, is beter dan eenig vermaak of eenige koopwaar. God is de beste uitdeeler van schatten.
1 Omdat zij de profetiën, in de wet bevat en die voor Mahomet getuigen, evenmin begrijpen, als de ezel de boeken, welke hij draagt.
2 Zijnde: Smeekt God, dat hij u van deze verdorvene wereld in een staat van ongestoorde zegening overbrenge.
3 Zie Hoofdstuk II, vers 89.
4 Dat is des vrijdags, die door Mahomet meer bijzonder werd bestemd voor de openbare vereering van God, en daarom Yaum al joma, d.i. de dag der vergadering of bijeenkomst werd genoemd.
5 Men verhaalt, dat eens des vrijdags, toen Mahomet predikte, eene karavaan, overeenkomstig de gewoonte, met slaande trom aankwam. Toen de verzamelde menigte dit hoorde, verlieten allen de moskee, om de karavaan op te zoeken, terwijl slechts twaalf hunner achterbleven (Al Beidâwi, Jallalo’ddin).
Gegeven te Medina—11 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Als de huichelaars tot u komen, zeggen zij: Wij leggen de getuigenis af, dat gij werkelijk Gods gezant zijt. En God weet, dat gij inderdaad zijn gezant zijt; maar God legt de getuigenis af, dat de huichelaars zekerlijk leugenaars zijn. 2. Zij hebben hunne eeden tot een kleed gekozen, en leiden anderen van Gods weg af. 3. Hoe snood is hetgeen zij doen! Dit is nopens hen verklaard, omdat zij geloofden en daarna ongeloovigen werden, daarom is een zegel op hunne harten gelegd, en zij zullen niet begrijpen. 4. Indien gij hen beschouwt, zal hun uiterlijk u behagen, en als zij spreken, hoort gij hunne taal met genoegen. Zij gelijken op stukken van balken, die tegen een muur zijn geplaatst1. Zij gelooven dat iedere kreet tegen hen gericht is. Zij zijne uwe vijanden; neemt u dus voor hen in acht; God vloekt hen. Hoezeer zijn zij van de waarheid afgewend. 5. En als er tot hen wordt gezegd: Komt, opdat Gods gezant vergiffenis voor u moge vragen, dan wenden zij hunne hoofden af, en gij ziet hoe zij zich met verontwaardiging verwijderen. 6. Het zal voor hen hetzelfde zijn, of gij al dan niet vergiffenis voor hen vraagt, God zal hen op geenerlei wijze vergeven; want God leidt de verdorvenen niet. 7. Dit zijn de lieden, die tot de bewoners van Medina zeggen: Geeft niets aan de uitgewekenen die met Gods gezant zijn, opdat zij verplicht worden, zich van hem te scheiden. De schatten van hemel en aarde behooren aan God; maar de huichelaars begrijpen het niet. 8. Zij zeggen: Waarlijk, indien wij naar Medina terugkeeren, zal de sterkere den zwakkere verjagen2. De kracht behoort aan God; zij is met zijn gezant en de ware geloovigen; maar de huichelaars weten het niet. 9. O ware geloovigen! Laten uwe rijkdommen of uwe kinderen u niet van de herdenking van God afhouden: want degenen zullen zeker verloren zijn, die dit doen. 10. En geeft aalmoezen van hetgeen wij u hebben geschonken, alvorens de dood over een uwer kome, en hij zegge: O Heer! wilt gij mij geen uitstel voor een korten tijd verleenen, opdat ik aalmoezen kunne geven en een der rechtvaardigen worden? 11. Maar God zal op geenerlei wijze meer uitstel aan eene ziel verleenen, als haar bepaalde tijd is gekomen. God is volkomen bekend met hetgeen gij doet.
1 Lang en dik, maar zonder kennis of verstand.
2 Deze en de voorgaande woorden, werden door Ebn Obba tot een bewoner van Medina gezegd, die, bij zekeren krijgstocht, met een Arabier, in de woestijn, om water twistte, daarbij eene wonde met een stok aan het hoofd ontving en zich daarover bij Mahomet beklaagde (Al Beidâwi).
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Alles wat in den hemel of op aarde is, verkondigt Gods lof. Hem is het Koninkrijk, hem zij de lof; want hij is almachtig. 2. Hij is het die u heeft geschapen. De een van u is bestemd tot een ongeloovige en de ander tot een geloovige, en God ziet wat gij doet. 3. Hij heeft de hemelen en de aarde in waarheid geschapen, heeft u gevormd en u eene schoone gedaante gegeven, en tot hem moet gij allen gaan. 4. Hij kent wat in den hemel of op de aarde is, en hij kent hetgeen gij verbergt, en datgene wat gij ontdekt; want God kent de binnenste deelen van der menschen borst. 5. Waart gij niet bekend met het verhaal van hen die vroeger niet geloofden, en het slechte gevolg van hun gedrag ondervonden? Voor hen is eene martelende straf gereed gemaakt. 6. Dit zullen zij ondergaan, omdat hunne gezanten met duidelijke bewijzen hunner zending tot hen kwamen, en zij zeiden: zullen menschen ons leiden? Daarom geloofden zij niet en wenden zich af. Maar God had niemand noodig; want God is zich zelven toereikend en waardig geprezen te worden. 7. De ongeloovigen verbeelden zich, dat zij niet zullen worden opgewekt. Zeg: Ja, bij mijn Heer, gij zult zekerlijk worden opgewekt, dan zal u verhaald worden, wat gij zult hebben verricht, en dit is voor God gemakkelijk. 8. Gelooft dus in God en zijn gezant, en het licht dat wij hebben nedergezonden; want God is wel bekend met hetgeen gij doet. 9. Op een zekeren dag zal hij u verzamelen; zijnde de dag der algemeene verzameling; dit zal de dag der wederzijdsche teleurstelling zijn2. En hij die in God gelooft, en doen zal wat recht is, dien zal hij van zijne slechte daden zuiveren, en hij zal hem in tuinen leiden, waaronder rivieren stroomen om daarin voor eeuwig te verblijven. Dit zal eene groote gelukzaligheid zijn. 10. Maar zij die niet gelooven, en onze teekenen van valschheid beschuldigen, zullen de bewoners van het hellevuur zijn, waarin zij voor eeuwig zullen verblijven, en daar zal het een ellendig verblijf wezen. 11. Geen ongeluk gebeurt er zonder Gods verlof, en wie in God gelooft, diens hart zal door hem geleid worden. God kent alle dingen. 12. Gehoorzaamt dus God en gehoorzaamt den gezant; maar indien gij u afwendt, waarlijk, de plicht van onzen gezant is slechts, in het openbaar te prediken. 13. God! Er is geen god buiten hem; laat dus de geloovige zijn vertrouwen in God stellen. 14. O ware geloovigen! gij hebt vijanden in uwe vrouwen en kinderen3, neemt u dus voor hen in acht. Maar indien gij inzicht hebt met hunne verkeerde handelingen4, en die geheel vergeeft, dan is God eveneens gezind tot vergeven en is barmhartig. 15. Uwe welvaart en uwe kinderen zijn slechts eene verzoeking: maar met God is eene ruime belooning. 16. Vreest dus God zooveel gij kunt; luistert en gehoorzaamt, en geeft aalmoezen voor het heil uwer zielen; want zij die niet gierig omtrent hunne eigene zielen zijn, zullen voorspoed genieten. 17. Indien gij aan God eene aannemelijke leening doet, zal hij die voor u verdubbelen en hij zal u vergiffenis schenken; want God is erkentelijk en lankmoedig. 18. Hij kent zoowel datgene wat verborgen, als datgene wat onzichtbaar. Hij is de Machtige, de Wijze.
1 De uitleggers zijn het met elkander niet eens, of dit hoofdstuk te Mekka, dan wel te Medina werd geopenbaard, of gedeeltelijk op de eene plaats en gedeeltelijk op de andere.
2 Naardien de zaligen de verdoemden te leur zullen stellen door de plaatsen in te nemen, welke deze in het paradijs zouden gehad hebben, indien zij ware geloovigen zouden zijn geweest, en omgekeerd (Al Beidâwi, Jallalo’ddin, Yahya).
3 Want deze zijn in staat den man van zijnen plicht af te leiden vooral in tijden van tegenspoed (Al Beidâwi, Jallalo’ddin, Yahya), terwijl een gehuwd man voor de dingen dezer wereld zorgt, doet de ongehuwde dit voor de dingen, die den Heer toebehooren (zie Cor. VII : 25, enz.).
4 Overwegende, dat de hinderpalen, die zij u in den weg leggen uit hare liefde tot u voortvloeien, enz.