Twee en Veertigste Hoofdstuk.

Overweging.1

Geopenbaard te Mekka2—53 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Ha. Mim. Aïn. Sin. Kap. Zoo openbaart de wijze God u zijnen wil, en op dezelfde wijze openbaarde hij dien aan de profeten, die voor u waren. 2. Aan hem behoort alles wat in den hemel en op aarde is, en hij is de verheven, de groote God. 3. Er is weinig toe noodig, dat de hemelen door de ontzaglijkheid zijner majesteit, vaneen worden gescheurd; de engelen verkondigen den lof van hunnen Heer, en vragen vergiffenis voor hen, die op de aarde wonen. Is God niet de Vergever van zonden, de Barmhartige? 4. Maar wat hen betreft, die andere goden tot hunne beschermers nevens hem nemen, God slaat hunne daden gade; want gij zijt geen opzichter over hen. 5. Zoo hebben wij u een Arabischen Koran geopenbaard, opdat gij de stad Mekka zoudt waarschuwen, en de Arabieren die er omheen wonen, en dat gij hen met den dag der algemeene verzameling zoudt bedreigen, waaraan niet te twijfelen valt. Een deel zal dan in het paradijs worden geplaatst en een ander deel in de hel. 6. Indien het Gode had behaagd, zou hij hen allen éénen godsdienst hebben doen belijden; maar hij leidt in zijne genade dengeen die hem behaagt, en de onrechtvaardigen zullen geen beschermer of helper hebben. 7. Nemen zij andere beschermers naast hem, terwijl toch God de eenige, ware beschermer is? Hij bezielt en doodt, en is almachtig. 8. Over welke zaak gij ook moogt verschillen, de beslissing daarvan behoort aan God. Dit is God, mijn Heer, op hem vertrouw ik, en tot hem wend ik mij. 9. De schepper van hemel en aarde heeft u vrouwen van uwe eigene soort gegeven, en mannelijke en vrouwelijk vee, waardoor hij u vermenigvuldigt. Er is niets aan hem gelijk, en hij is het, die alles hoort en ziet. 10. Hem behooren de sleutels van hemel en aarde; hij geeft overvloedigen voorraad aan wien hem behaagt, en hij is spaarzaam naar zijn welbehagen: want hij kent alle dingen. 11. Hij heeft u den godsdienst aangewezen, welken hij aan Noach gaf, dien wij u, o Mahomet! hebben geopenbaard, en welken wij aan Abraham, Mozes en Jezus hebben aanbevolen, zeggende: Neemt dezen godsdienst in acht, en weest daarin niet verdeeld. De aanbidding van één God, waartoe gij hen uitnoodigt, is bedroevend voor de ongeloovigen. 12. God zal daartoe verkiezen wien hem behaagt, en hij zal door die aanbidding leiden, wie berouw betoont. 13. Zij, die in verleden tijden leefden, waren niet onder elkander verdeeld, dan nadat de kennis van Gods eenheid tot hen was gekomen, en dit was door hunne eigene verdorvenheid. Indien Gods woord, dat de straf op een vooraf bepaalden tijd uitstelde, niet vroeger ware uitgesproken, zou er reeds tusschen hen zijn beslist. Zij, die de schriften na hen hebben geërfd3, verkeeren zekerlijk daaromtrent in een verwarden twijfel4. 14. Noodig hen dus uit, het zekere geloof te ontvangen, en dring bij hen aan, zooals u is bevolen. Volg niet hunne ijdele begeerten, en zeg: Ik geloof in al de schriften welke God heeft nedergezonden, en mij is bevolen rechtvaardigheid tusschen u uit te oefenen. God is onze Heer en uw Heer: aan ons zullen onze werken worden toegekend, en aan u zullen uwe werken worden toegeschreven: laat er tusschen ons en u geen krakeel bestaan; want God zal ons allen op den jongsten dag verzamelen en tot hem zullen wij terugkeeren. 15. Wat hen betreft, die nopens God twisten, nadat zij zich reeds aan hem hadden onderworpen, door het ontvangen van zijnen godsdienst, hun twist zal ijdel zijn in het gezicht van hunnen Heer. Zijne gramschap zal over hen komen, en zij zullen eene gestrenge straf ondergaan. 16. God is het, die de schrift en de weegschaal van het ware oordeel met waarheid heeft nedergezonden, en wat zal u onderrichten, of het uur nabij is? 17. Zij, die daaraan niet gelooven, wenschen het langs den weg der spotternij te verhaasten; maar zij die gelooven, beven daarvoor en weten dat het de waarheid is. Verkeeren niet zij, die omtrent het jongste uur twisten, in eene dwaling? 18. God is goed voor zijne dienaren, hij zorgt voor hen die hem behagen, en hij, de Almachtige, is gestreng. 19. Hij die het veld des volgenden levens ter bebouwing verkiest5, zullen wij eene vermeerdering zijner bebouwing schenken, en wie het veld van deze wereld ter bebouwing verkiest, dezen zullen wij de vruchten daarvan geven; maar hij zal geen deel in het volgende leven hebben. 20. Hebben de afgodendienaars godheden die hun een godsdienst bevelen, welken God niet heeft veroorloofd? Maar indien het besluit niet ware genomen tot uitstel hunner straf, tot den dag waarop de ongeloovigen van de ware geloovigen zullen worden gescheiden, waarlijk, dan zou reeds tusschen hen zijn geoordeeld; want de onrechtvaardige zal zekerlijk eene pijnlijke marteling ondergaan. 21. Op dien dag zult gij de onrechtvaardigen in grooten schrik zien, om hunne booze daden, en de straf daarvan zal op hen nederkomen; maar zij die gelooven en goede werken doen, zullen de heerlijke perken van het paradijs bewonen; zij zullen bij hunnen Heer alles verkrijgen wat zij zullen begeeren. Dit is de grootste belooning. 22. Dit is wat God aan zijne dienaren beloofde, die gelooven en goede werken verrichten. Zeg: Ik vraag geenerlei belooning van u, voor deze mijne prediking, behalve de liefde jegens uwe verwanten; en hij die het goede verdiend zal hebben door eene goede daad, aan dien zullen wij de verdienste van eene andere goede daad toevoegen; want God is tot vergeven geneigd, en gereed te beloonen. 23. Zeggen zij: Mahomet heeft lasterlijk eene leugen nopens God uitgedacht? Indien het Gode behaagde, kon hij uw hart dichtzegelen6, en de leugen volkomen vernietigen en de waarheid in zijne woorden staven: want hij kent de binnenste deelen der menschelijke borst. 24. Hij is het, die het berouw van zijne dienaren aanneemt, zonden vergeeft en weet wat gij doet. 25. Hij zal zijn oor neigen tot hen, die gelooven en rechtvaardigheid uitoefenen, en zal van zijne gunsten bijvoegen, boven hetgeen zij zullen vragen of verdienen; maar de ongeloovigen zullen eene gestrenge straf doorstaan. 26. Indien God den menschen zijne gunsten in overvloed schonk, zouden zij zich zekerlijk onbeschaamd op aarde gedragen; maar hij zendt met mate tot ieder neder die hem behaagt: want hij ziet en kent den toestand zijner dienaren wel. 27. Hij is het, die den regen nederzendt, nadat de menschen daaraan hebben gewanhoopt; hij spreidt zijne genade uit, en hij is de schuts die, terecht, moet worden geprezen. 28. Onder zijne teekenen is de schepping van hemel en aarde, van de levende schepselen, waarmede hij beiden heeft gevuld. Hij is in staat hen voor zijne rechtbank te verzamelen, wanneer hem dit behaagt. 29. Welk ongeluk u ook treffe, het is u door God toegezonden, om hetgeen uwe vaders hebben verdiend, en toch vergeeft hij vele dingen. 30. Gij zult de goddelijke wraak op aarde niet verijdelen, en gij zult geen ondersteuner of helper tegen God hebben. 31. Onder zijne teekenen behooren ook de schepen, die met vlugheid de golven der zee klieven, en als hooge bergen oprijzen; indien het hem behaagt, doet hij den wind ophouden en de schepen op den rug van het water stil liggen (waarlijk hierin zijn teekenen voor iederen lijdzame en dankbare). 32. Of hij vernietigt die door schipbreuk, om hetgeen hunne bemanning heeft verdiend. Doch hij vergeeft vele dingen. 33. En zij, die onze teekenen betwisten, zullen weten, dat er geen weg voor hen zal wezen, om onze wraak te ontkomen. 34. Welke dingen u ook zijn geschonken, zij zijn slechts het genot van dit tegenwoordige leven; maar de belooning, die met God is, blijft beter en duurzamer, voor hen die gelooven, en hun vertrouwen in hunnen Heer stellen; 35. En die hatelijke en lage misdaden vermijden, en vergeven, als zij misnoegd zijn; 36. En die naar hunnen Heer luisteren en standvastig in het gebed zijn, en wier zaken geregeld worden door wederzijdsche raadpleging, en die aalmoezen geven van hetgeen wij hun hebben geschonken; 37. En hij, die, wanneer hem nadeel is toegebracht, het zelf wreekt7. 38. En de wedervergelding van het kwaad daaraan geëvenredigd doet zijn; maar hij die vergeeft en met zijn vijand verzoend is, zal zijne belooning van God ontvangen8; want hij bemint de onrechtvaardigheid niet. 39. En hij die zich zelven zal wreken, nadat hem nadeel zal zijn toegebracht; 40. Opzichtens dezen is het niet geoorloofd, hen daarvoor te straffen; maar is alleen geoorloofd hen te straffen, die de menschen onrecht doen en onbeschaamd op aarde tegen de rechtvaardigheid handelen; deze zullen eene gestrenge straf ondergaan. 41. Die beleedigingen geduldig verdraagt en vergeeft, waarlijk, het is een noodzakelijk werk. 42. Hij, dien God zal doen dwalen, zal hierna geen ondersteuner hebben. Gij zult de goddeloozen zien. 43. Die zeggen zullen als zij de straf zullen aanschouwen, welke voor hen is gereed gemaakt: Is er geen weg om in de wereld terug te keeren? 44. En gij zult hen aan het vuur der hel blootgesteld zien, verplet door de schande welke zij zullen ondergaan; zij zullen zijdelings en steelsgewijze naar het vuur zien, en de ware geloovigen zullen zeggen: Waarlijk, de verliezers zijn zij, die op den dag der opstanding hunne eigene zielen en hunne gezinnen hebben verloren. Zullen de goddeloozen niet in de eeuwige marteling verblijven? 45. Zij zullen geene ondersteuners hebben om hen tegen God te verdedigen, en dien God zal doen dwalen, zal geen weg tot de waarheid vinden. 46. Luister naar uwen Heer alvorens de dag komt, dien God niet zal achterhouden, Gij zult geen toevluchtsoord op dien dag hebben, noch zult gij in staat zijn uwe zonden te loochenen. 47. Maar indien zij, tot wie gij predikt, zich van uwe vermaningen afwenden, waarlijk, wij hebben u niet gezonden om een bewaker over hen te wezen; uw plicht is slechts om te prediken. Als wij den mensch van onze genade doen proeven, verblijdt hij zich daarin, maar indien hem kwaad overvalt, om hetgeen zijne handen vroeger hebben bedreven, waarlijk, dan wordt de mensch ondankbaar. 48. Aan God behoort het koninkrijk van hemel en aarde. Hij schept wat hem behaagt; hij geeft dochters of zonen aan wie hem behaagt. 49. Of hij geeft hun kinderen van beiderlei kunne, en hij doet, naar zijn welbehagen kinderloos blijven; want hij is wijs en machtig. 50. Het is niet weggelegd voor den mensch, dat God op eene andere wijze tot hem zou spreken dan door afzonderlijke openbaring, of van achter een sluier9. 51. Of door een gezant af te vaardigen, om, door zijn verlof, datgene te openbaren, wat hem behaagt; want hij is hoog en wijs. 52. Zoo hebben wij door ons bevel eene openbaring gedaan10. Gij begreept voor dat tijdstip niet, noch wat het boek van den Koran, noch wat het geloof was; maar wij hebben dit als een licht aangewezen; wij willen daardoor diegenen onzer dienaren leiden, welke ons behagen, en gij zult hen zekerlijk op den rechten weg leiden. 53. Den weg van God, aan wien alles behoort, wat in den hemel en op de aarde is. Zullen niet alle dingen tot God terugkeeren?


1 Deze titel is ontleend aan vers 36, waarin den geloovigen, onder andere dingen, wordt bevolen, hunne zaken te overwegen en elkander te raadplegen, ten einde op de beste wijze te handelen. In plaats van dit woord, worden echter, door sommigen, de vijf enkele letters geplaatst, waarmede het hoofdstuk begint.

2 Jallalo’ddin zondert hiervan de verzen 22–24 uit.

3 Zijnde de nieuwere Joden en Christenen.

4 De ware beteekenis niet verstaande, of de eerste leerstellingen daarvan niet geloovende.

5 Hier arbeidende, om hiernamaals eene belooning te verwerven want hetgeen in deze wereld gezaaid wordt, zal in het volgende leven gemaaid worden.

6 De bedoeling dezer woorden is eenigszins duister. Sommigen zijn van oordeel, dat zij eene afkeuring uitdrukken van de leugens, door de ongeloovigen aan den profeet toegeschreven, daar niemand aan eene zoo snoode daad schuldig zou kunnen zijn, dan een, wiens hart dichtgesloten was en die zijn Heer niet kende; alsof hij had gezegd: God behoede dat gij zoo ledig van genade zijt, of zoo weinig begrip van uwen plicht hebben zoudt! Anderen denken dat de beteekenis is, dat God al de openbaringen, welke aan Mahomet genadiglijk werden verleend, in eens uit zijn hart zou kunnen wisschen, en weder anderen, dat God zijn hart met geduld zou versterken, tegen de beleedigingen der ongeloovigen (Al Beidâwi).

7 De middelen gebruikende, welke God voor hunne eigene verdediging in hunne handen heeft gelegd. Dit is er bijgevoegd, om de hier gegeven beschrijving te volmaken. Dapperheid en onverschrokkenheid zijn toch niet onbestaanbaar met goedertierenheid (Al Beidâwi). De regel is: Parcere subjectis et debellare superbos.

8 Zie Hoofdstuk V, vers 49 enz.

9 God heeft nimmer tot een mensch het woord gericht. Mahomet zegt echter op verschillende plaatsen van den Koran, dat God werkelijk het woord tot Mozes heeft gericht. Mozes heeft echter God niet kunnen zien, en het was bij de Hebreeuwen een algemeen aangenomen geloof, en waarschijnlijk bij al de Semitische volkeren, dat God zich nimmer aan een mensch liet zien, zonder dat deze dadelijk stierf. De mystieken, eene philosophische secte uit den schoot van den Islam ontsproten, beweren dat de aanhoudende overdenkingen van het geestelijke leven, den mensch tot zulk een staat van volmaaktheid zou kunnen verheffen, dat hij in zijne verrukking God spreekt en ziet. Al hun streven is dus daarheen gericht, om, door de kracht der goddelijke liefde en het onderdrukken der individualiteit, den sluier op te heffen die hen van Gods geest scheidt. Vandaar dat de woorden “den sluier opheffen”, in de taal der Oosterlingen de waarde verkregen heeft, van den hoogsten graad van vertrouwelijkheid. Overigens zijn zij die wel gelooven aan de nachtelijke reis van Mahomet, (Zie Hoofdstuk XVII, vers 1 in de noot) verdeeld, nopens de wijze waarop Mahomet God heeft aanschouwd. Sommigen zeggen, dat hij hem met de oogen van zijn hoofd, d.i. stoffelijk heeft gezien, anderen dat het met de oogen van zijn hart, d.i. door een innerlijk gezicht van den geest plaats had.

10 Of zooals de woorden mede kunnen worden vertaald: zoo hebben wij den geest Gabriël, met eene openbaring, tot u gezonden.

Drie en Veertigste Hoofdstuk.

De gouden Versierselen.1.

Geopenbaard te Mekka.2.—89 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Ha. Mim. Bij het duidelijke boek, 2. Waarlijk, wij hebben dit als een Arabischen Koran bevolen, opdat gij dien zoudt begrijpen. 3. En het is zekerlijk in het oorspronkelijke boek3 geschreven, dat door ons bewaard, heerlijk en vol van wijsheid is. 4. Zullen wij dus de vermaning van u afwenden en u daarvan berooven, omdat gij een volk van overtreders zijt? 5. Hoeveel profeten hebben wij tot de vroegere volkeren gezonden? 6. En er kwam geen profeet tot hen, of zij lachten verachtelijk, 7. Daarom vernietigden wij volkeren die machtiger dan deze in sterkte waren, en het voorbeeld der vroegere volkeren is voor hen geplaatst. 8. Indien gij hun vraagt wie de hemelen, en de aarde schiep, zullen zij zekerlijk antwoorden: De machtige, de wijze God schiep die. 9. Wie heeft de aarde als een bed voor u uitgespreid, en heeft daarop paden voor u gemaakt, opdat gij geleid zoudt worden? 10. En wie zendt den regen bij mate neder waardoor wij een dood land verkwikken? (Zoo zult gij uit uwe graven worden opgewekt). 11. En wie heeft al de verschillende dingen geschapen, en u schepen en vee gegeven? 12. Waardoor gij vervoerd wordt, opdat gij stevig op hunne ruggen zoudt zitten, en de gunst van uwen Heer zoudt gedenken, als gij daarop zit, en zeggen zoudt: Geloofd zij hij, die deze schepen en dieren aan onzen dienst heeft onderworpen! want wij zouden die door eigene macht niet hebben kunnen bemeesteren. 13. En tot onzen Heer zullen wij zekerlijk terugkeeren. 14. Toch hebben zij sommige zijner dienaren als zijne kinderen gehouden; waarlijk de mensch is klaarblijkelijk ondankbaar. 15. Heeft God dochters genomen uit de wezens, die hij heeft geschapen, en heeft hij zonen uit u gekozen? 16. Maar als aan een van hen het bericht wordt gebracht der geboorte van een kind dier kunne, welke zij den Barmhartige als hem gelijk toeschrijven, dan wordt zijn aangezicht zwart en hij is met spijt vervuld4. 17. Schrijven zij daarom aan God eene vrouwelijke nakomelingschap toe, uit de wezens die onder versierselen worden opgevoed en zonder reden twisten? 18. En maken zij de engelen, die de dienaren des Barmhartigen zijn vrouwelijk? Waren zij bij hunne schepping tegenwoordig? Hunne getuigenis zal nedergeschreven worden, en zij zullen daaromtrent op den dag des oordeels ondervraagd worden. 19. En zij zeggen: Indien het Gode had behaagd, zouden wij hen niet hebben vereerd. Zij hebben geene kennis daarvan, zij spreken slechts eene ijdele leugen uit. 20. Hebben wij hun ooit te voren een boek met openbaringen vóór dit gegeven, en houden zij dat in hunne bewaring? 21. Neen! Maar zij zeggen: Waarlijk, wij bevonden dat onze vaderen dezen godsdienst uitoefenden, en wij richten ons naar hunne voetstappen. 22. Wij zouden geen prediker voor u, naar geene stad, of de bewoners daarvan, die in overvloed leefden, zeiden: Waarlijk, wij bevonden dat onze vaderen eenen godsdienst uitoefenden, en wij traden in hunne voetstappen. 23. En de prediker antwoordde: Wat! niettegenstaande ik u eenen meer waren godsdienst breng, dan die welken gij bevondt dat door uwe vaderen werd gevolgd? En zij hernamen: Waarlijk, wij gelooven datgene niet, wat gij gezonden zijt te prediken. 24. Daarom namen wij wraak op hen; en aanschouw wat het einde was van hen, die onze gezanten van bedrog beschuldigden. 25. Herdenk toen Abraham tot zijn vader en tot zijn volk zeide: Waarlijk ik ben rein van de goden welke gij vereert. 26. Ik aanbid slechts hem die mij heeft geschapen: voor hem zal ik mij op den waren weg richten. 27. En hij (Abraham) beval, dat dit een vaste leer voor zijn nakomelingschap zou wezen, opdat zij van den afgodendienst zouden worden afgewend, naar de vereering van den eenigen, waren God. 28. Waarlijk, ik heb dezen bewoners van Mekka en hunnen vaderen veroorloofd in voorspoed te leven, tot de waarheid tot hen zou komen en een duidelijke gezant. 29. Maar nu de waarheid tot hen is gekomen, zeggen zij: Dit is een goochelstuk, en wij gelooven niet daaraan. 30. En zij zeggen: Indien deze Koran aan sommige voorname menschen van elke der beide steden5 ware nedergezonden, zouden wij dien hebben ontvangen. 31. Deelen zij dan de genade van uwen Heer uit6. Wij verdeelen den noodigen voorraad onder hen, in dit tegenwoordige leven, en wij verheffen sommigen van hen, eenige graden boven de anderen, opdat de een van hen zich door den ander van hen doe dienen, en de genade van uwen Heer is meer waard dan de rijkdommen welke zij bijeenverzamelen. 32. Indien het niet ware, geheel het menschelijk geslacht ongeloovigen te zien worden, waarlijk, dan hadden wij aan hen, die niet in den Barmhartige gelooven, zilveren daken op hunne huizen gegeven, en zilveren trappen, waardoor zij daarin hadden kunnen opklimmen; 33. En zilveren zetels om er op te leunen. 34. En gouden versiersels; want dit alles is de voorraad van dit leven; maar het volgende leven met uwen Heer zal voor degenen wezen, die hem vreezen. 35. Wie van de vermaning van den Barmhartige zal afdwalen, zullen wij aan een duivel vastketenen, en hij zal zijn onafscheidelijke makker wezen. 36. De duivels zullen de menschen van het pad der waarheid afwenden, en zij zullen zich verbeelden, op den waren weg te zijn geleid. 37. Totdat, wanneer de mensch op den jongsten dag voor ons zal verschijnen, hij tot den duivel zal zeggen7: Had God gegeven, dat er tusschen ons een afstand ware geweest, als van het Oosten tot het Westen! O welk een vreeselijke makker zijt gij! 38. Maar geene wenschen zullen u op dien dag baten; want gij zult deelgenooten derzelfde straf zijn. 39. Kunt gij, o profeet! den doove hoorend maken, of den blinde richten, en hem, die in eene duidelijke dwaling verkeert? 40. Hetzij wij u uit hun midden wegnemen, wij zullen zekerlijk wraak op hen nemen. 41. Of hetzij wij u de uitvoering der straf doen zien, waarmede wij hen hebben bedreigd, wij zullen zekerlijk de overmacht over hen hebben. 42. Houdt dus de leer vast, die u werd geopenbaard; want gij bewandelt den waren weg. 43. Zij is een gedenkteeken voor u en uw volk, en hierna zult gij ondervraagd worden, nopens de inachtneming daarvan. 44. Ondervraag onze gezanten, welke wij vóór u hebben gezonden8, of wij godheden, buiten den Barmhartige, ter vereering hebben aangewezen. 45. Wij zonden vroeger Mozes met zijn teekenen tot Pharao en diens vorsten, en hij zeide: Waarlijk, ik ben de gezant van den Heer van alle schepselen. 46. En toen hij met onze teekenen tot hen kwam, ziet, toen lachten zij verachtelijk om hem. 47. Wij toonden hun echter teekenen waarvan het eene grooter dan het andere was, en wij legden hun eene straf op9, opdat zij wellicht zouden worden bekeerd. 48. En zij zeiden tot Mozes: O toovenaar! bid uwen Heer voor ons, overeenkomstig het verbond, dat hij met u heeft gesloten; want wij zullen zekerlijk goed geleid worden. 49. Maar toen wij de plaag van hen afnamen, ziet, toen braken zij hunne belofte. 50. En Pharao richtte eene bekendmaking tot zijn volk, zeggende: O mijn volk! is het koninkrijk Egypte niet mijn, en deze rivieren10, die onder mij stroomen? Ziet gij niet? 51. Ben ik niet beter dan deze Mozes, die een verachtelijk persoon is, 52. En zich slechts zelden verstaanbaar kan uitdrukken11. 53. Zijn hem dan gouden armbanden gegeven12, of volgen de engelen hem in geregelden optocht? 54. En Pharao haalde zijn volk tot een lichtvaardig gedrag over, en het gehoorzaamde hem; want zij waren zondaren. 55. En toen zij onze woede hadden uitgelokt, namen wij wraak op hen en wij verdronken hen allen. 56. Wij maakten hen tot een voorbeeld, en eene waarschuwing voor anderen. 57. Toen de zoon van Maria als een voorbeeld werd gesteld, ziet, toen schreeuwde uw volk het, door overmaat van vreugde, uit13. 58. Zij zeiden: Zijn onze goden beter dan hij, of is Maria’s zoon beter dan onze goden? Zij hebben u deze vraag slechts voorgesteld, als eene aanleiding tot twist. Ja, zij zijn twistgierige menschen. 59. Jezus is slechts een dienaar (een mensch), dien wij met onze gunsten overlaadden, en wij wezen hem als een voorbeeld voor de kinderen Israëls aan, 60. (Indien het ons behaagde, ja, waarlijk, dan konden wij uit u zelven engelen voortbrengen, om u op de aarde op te volgen). 61. En hij zal een teeken zijn van de nadering van het jongste uur14; twijfelt er dus niet aan; volgt mij; dit is de ware weg. 62. Laat Satan er u niet van afwenden; want hij is uw openlijke vijand. 63. En toen Jezus met duidelijke wonderen kwam, zeide hij: Thans ben ik met wijsheid tot u gekomen, en om u een deel te verklaren van de dingen, nopens welke gij verschilt. Vreest dus God en gehoorzaamt mij. 64. Waarlijk God is mijn Heer, en uw Heer; vereert hem dus; dit is de ware weg. 65. En de verschillende partijen onder hen geraakten in twist met elkander15. Maar wee over hen, die onrechtvaardig hebben gehandeld, om de straf van een droevigen dag. 66. Verwachten de ongeloovigen iets anders dan het uur des oordeels; dat het plotseling tot hen moge komen, terwijl zij het niet voorzien? 67. De vertrouwdste vrienden zullen op dien dag elkanders vijanden zijn, behalve de godvruchtigen. 68. O mijne dienaren! er zal op dien dag geene vrees tot u komen, en gij zult niet bedroefd worden. 69. Wie in onze teekenen hebben geloofd en aan mijn wil onderworpen (Moslems) zijn geweest, tot hen zal men zeggen: 70. Treedt gij het paradijs binnen, gij en uwe vrouwen, met groote vreugde. 71. Gouden schotels zullen onder hen worden rondgedragen en bekers, en daaruit zullen zij genieten, wat hunne zielen zullen begeeren, en waarin hunne oogen vermaak zullen scheppen, en eeuwig zult gij daarin verblijven. 72. Dit is het paradijs, dat gij geërfd hebt, als eene belooning voor hetgeen gij hebt verricht. 73. Gij hebt daar vruchten in overvloed, voedt u daarmede. 74. Maar de zondaren zullen voor eeuwig in de marteling der hel verblijven. 75. Zij zal voor hen niet verlicht worden, en zij zullen daarin vertwijfelen. 76. Wij handelden niet onrechtvaardig met hunne eigene zielen, maar zij zelven. 77. Zij zullen luid roepen, zeggende: O Malek!16 treedt voor ons tusschen beiden, opdat uw Heer onze marteling door vernietiging doe eindigen. Hij zal antwoorden17: Waarlijk, gij zult voor eeuwig hierin verblijven. 78. Wij brachten u vroeger de waarheid, maar het meerendeel uwer hadden er afschuw van. 79. Hebben de ongeloovigen een stelsel opgemaakt, om onzen profeet te verschalken? 80. Verbeelden zij zich, dat wij hunne geheimen en hunne gesprekken niet hooren? Ja, en onze gezanten, die hen volgen18, schrijven die neder. 81. Zeg: Indien de Barmhartige een zoon had, zou ik de eerste zijn, die hem vereerde. 82. Verre zij het van den Heer van hemel en aarde, den Heer des troons, datgene wat zij van hem betuigen! 83. Laat hen dus door ijdelheid waden, en zich vermaken, tot zij aan hunnen dag komen, waarmede zij werden bedreigd. 84. Hij, die de God in den hemel is, is ook God op aarde, en hij is de Wijze, de Alwetende. 85. Gezegend zij hij, wien het koninkrijk van hemel en aarde behoort en alles wat daartusschen is, met wien de kennis van het laatste uur is, en voor wien gij zult worden verzameld. 86. Degenen, welke zij nevens God aanroepen, hebben het voorrecht niet, anderen tot voorspraak te strekken, behalve zij, die getuigenis der waarheid afleggen en haar kennen19. 87. Indien gij hun vraagt, wie hen heeft geschapen, zullen zij zekerlijk antwoorden: God. Waarom zijn zij dus tot de vereering van anderen afgewend? 88. God hoorde ook, toen de profeet zeide: O Heer! waarlijk, deze zijn ongeloovigen, en hij antwoordde: 89. Wend dus van hen af en zeg: Vrede20!—Hierna zullen zij hunne dwaling kennen.


1 Zie vers 34.

2 Sommigen zonderen hiervan vers 44 uit.

3 Zijnde, de bewaarde tafel, die het oorspronkelijke van al de schriften in het algemeen bevat.

4 Zie Hoofdstuk XVI, vers 60.

5 Zijnde aan een der voornaamste bewoners van Mekka of van Tayef; zooals Al Walid Ebn Al Mogheira, of Orwa Ebn Masoed den Thakefiet (Al Beidâwi.).

6 Door deze uitdrukking wordt vooral het ambt van profeet bedoeld.

7 Zie Hoofdstuk XIX, vers 74.

8 Dat is: vraag hun, die dezelfde godsdiensten belijden, welke deze onderwezen en hunne geleerden (Al Beidâwi, Jallalo’ddin, enz.).

9 Zijnde de plagen, welke zij achtereenvolgens ondergingen, en die hunne geheele vernietiging in de Roode Zee voorafgingen.

10 Te weten de Nijl en zijne vertakkingen.

11 Zie Hoofdstuk XX, vers 29 noot.

12 Zulke armbanden waren eenige van de insigniën der koninklijke waardigheid; want als de Egyptenaren iemand tot de vorstelijke waardigheid verhieven, omhingen zij hem met een gouden kraag of keten (Gen. XLI : 42) en hechtten gouden armbanden om zijne polsen (Al Beidâwi, Jallalo’ddin.).

13 Deze plaats wordt algemeen verondersteld, geopenbaard te zijn bij gelegenheid van eene tegenwerping, door zekeren Ebn al Zabari gemaakt, tegen de woorden in Hoofdstuk XXII, vers 98, waarbij allen in het algemeen, die naast God als godheden werden aangebeden, ter helle gedoemd zijn, en waarop de ongeloovigen uitriepen: Wij zijn verheugd, dat onze goden met Jezus zullen wezen; want ook hij is als God aangebeden (Jallalo’ddin, Al Beidâwi.). Sommigen zijn echter van meening, dat het zou kunnen geopenbaard zijn, in antwoord aan sommige afgodendienaars, die zeiden, dat de Christenen, welke de schriften ontvingen Jezus aanbaden, geloovende, dat hij de zoon van God was, terwijl de engelen die eer meer waardig zijn dan hij.

14 Want eenigen tijd voor de opstanding, zal Jezus, volgens de Mahomedanen, nabij Damascus op aarde afdalen, of, zooals sommigen zeggen, nabij eene rots in het heilige land, Afik genaamd, met eene lans in de hand, waarmede hij den anti-Christ zal dooden, dien hij te Ludd of Lydda, eene kleine plaats, niet ver van Joppa, zal ontmoeten. Zij voegen er bij, dat hij te Jeruzalem zal aankomen, tegen den tijd van het ochtendgebed, en dat hij zich op de wijze der Mahomedanen tot God zal richten. Hij zal het kruis afbreken en de kerken der Christenen vernietingen, onder welke hij eene algemeene slachting zal aanrichten, diegenen echter daarvan uitzonderend, die den Islam belijden.

15 Dit kan toegepast worden óf op de Joden ten tijde van Jezus, die zijne leer niet wilden omhelzen, óf op de Christenen van dien tijd, die in verschillende meeningen nopens hem vervielen; daar sommigen hem als God verheffen, anderen tot Gods zoon, en weder anderen tot een der personen van de drieëenheid, enz. (Al Beidâwi, Jallalo’ddin). Savary past het op de Christenen toe.

16 Dit wordt door de Mahomedanen verondersteld, de naam te zijn van den voornaamsten engel, die met het opzicht der hel is belast.

17 Sommigen veronderstellen, dat het antwoord eerst duizend jaren daarna zal worden gegeven.

18 Zijnde de bewakende engelen.

19 Dat is de leer van Gods eenheid. De uitzondering omvat Jezus, Esra en de engelen, die als tusschenpersonen beschouwd zullen worden hoewel zij als goden werden aangebeden (Al Beidâwi, Jallalo’ddin).

20 Zie Hoofdstuk XXV, vers 64.

Vier en Veertigste Hoofdstuk.

De Rook1.

Geopenbaard te Mekka.2—59 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Ha. Mim. Bij het doorzichtige boek van den Koran. 2. Waarlijk wij hebben dit in eenen gezegenden nacht3 nedergezonden: want wij hadden ons verbonden zoo te handelen. 3. In den nacht waarin, gij duidelijke wijze, het besluit van ieder bepaald ding is nedergezonden4. 4. Als een bevel van ons. Waarlijk wij waren immer gewoon, gezanten met openbaringen, met zeker tusschenpoozen te zenden. 5. Als bewijs der genade van uwen Heer; want hij is het die alles hoort en ziet. 6. De Heer van hemel en aarde en van alles wat daar tusschen is; indien gij menschen van vast geloof zijt. 7. Er is geen God buiten hem: hij geeft leven en hij doet sterven; hij is uw Heer en de Heer uwer voorvaderen. 8. Thans vermaken zij zich door te twijfelen. 9. Maar sla hen gade, op den dag dat de hemel een zichtbaren rook zal voortbrengen. 10. Die den mensch zal bedekken5. Dit zal eene martelende plaag wezen. 11. Zij zullen zeggen: O Heer! neem deze plaag van ons af; waarlijk wij zullen ware geloovigen worden. 12. Wat heeft onze vermaning hen in dezen toestand gebaat, toen een duidelijke gezant tot hen kwam. 13. En zij zich van hem verwijderden, zeggende: Deze man is door anderen onderricht6, of hij is een uitzinnig mensch. 14. Indien wij de plaag eenigermate van u afnemen, zult gij zekerlijk tot uwe ongetrouwheid terugkeeren. 15. Op den dag waarop wij hen fel en met groote macht zullen aanvallen7, waarlijk, dan zullen wij wraak op hen nemen. 16. Wij beproefden het volk van Pharao vóór hen, en een achtingswaardige gezant kwam tot hen. 17. Zeggende: Zendt de dienaren van God tot mij8, waarlijk, ik ben een verzoenend zendeling voor u. 18. En staat niet op tegen God, want ik kom met eene duidelijke macht tot u. 19. Ik zoek eene schuilplaats bij mijn Heer en uw Heer, opdat gij mij niet steenigt9. 20. Indien gij mij niet gelooft, scheidt dan voor het minst van mij10. 21. En toen zij hem van bedrog beschuldigden, riep hij zijn Heer aan, zeggende: Dit is een zondig volk. 22. En God zeide tot hem: Trek des nachts met mijne dienaren voort; want gij zult vervolgd worden, en laat de zee gespleten achter u, opdat de Egyptenaren er in gaan. 23. Want zij vormen eene schaar, gedoemd om verdronken te worden. 24. Hoe vele tuinen en fonteinen. 25. En bezaaide korenvelden en schoone woningen. 26. En voordeelen welke gij geniet, lieten zij niet achter zich? 27. Zoo ontnamen wij hun het bezit daarvan, en wij gaven het, als eene erfenis, aan een ander volk11. 28. Hemel noch aarde hebben om hen geweend12; en zij verkregen geen uitstel. 29. Wij bevrijdden de kinderen Israëls van eene schandelijke mishandeling. 30. Van Pharao; want hij was hoovaardig en een zondaar. 31. Wij kozen hen, voorbedachtelijk, boven alle volkeren. 32. Wij toonden hun verschillende teekenen, waarin een duidelijke proef was gelegen. 33. Waarlijk deze bewoners van Mekka (ongeloovigen) zeggen: 34. Zekerlijk zal ons bepaald einde geen ander dan onze eerste, natuurlijke dood wezen; nimmer zullen wij weder worden opgewekt. 35. Breng dan onze voorvaderen tot het leven terug, indien gij de waarheid spreekt. 36. Zijn zij beter of het volk van Tobba13. 37. En zij die vóór hen bestonden? Wij verdelgden hen, omdat zij zonden bedreven. 38. Wij hebben de hemelen en de aarde, en alles wat daar tusschen is, niet geschapen, bij wijze van uitspanning. 39. Wij hebben die in waarheid (ernst) geschapen14; maar het grootste deel hunner begrijpt het niet. 40. Waarlijk, de dag der scheiding zal de bepaalde tijd van hen allen wezen. 41. Een dag, waarop de meester en de dienaren elkander niet van voordeel zullen wezen, en niet geholpen zullen worden. 42. Uitgezonderd zij, aan welke God genade zal verleend hebben: want hij is de Machtige, de Genadige. 43. Waarlijk, de vrucht van den boom van al Zakkoem. 44. Zal het voedsel van den goddelooze wezen15. 45. Als de droesem van olie, zal het in de buiken der verdoemde koken (als gesmolten metaal). 46. Zooals het koken, van het heetste water. 47. Men zal tot de volvoerders van Gods wil zeggen: Grijpt den snoodaard en sleept hem naar het midden der hel. 48. En werpt op zijn hoofd de marteling van heet water; 49. Zeggende: Proef dit; want gij zijt de machtige en eerbiedwaardige persoon. 50. Waarlijk, dit is de straf waaraan gij twijfeldet. 51. Maar de vromen zullen op eene plaats van zekerheid worden gehuisvest. 52. Tusschen tuinen en fonteinen. 53. Zij zullen gekleed worden in fijne zijde en satijn, en zij zullen met de aangezichten tegenover elkander zitten. 54. Zoo zal het wezen, en zij zullen huwen, met schoone meisjes, die groote, zwarte oogen hebben. 55. Op die plaats zullen zij, in volle zekerheid, zich alle soorten van vruchten doen toedienen. 56. Zij zullen daar den dood niet proeven na den eersten dood, en God zal hen van de hellepijnen bevrijden. 57. Het is door den genadige goedheid van uwen Heer. Dit zal eene groote gelukzaligheid wezen. 58. Daarenboven hebben wij den Koran gemakkelijk gemaakt, door dien in uwe eigen taal te openbaren, opdat gij tot het einde vermaand zoudt wezen. 59. Daarom, o Mahomet! wacht den uitslag af; want ook zij wachten slechts, u door een of ander onheil te zien overvallen.


1 Dit woord is ontleend aan vers 9.

2 Sommigen zonderen hiervan vers 14 uit.

3 Deze nacht wordt algemeen verondersteld, tusschen den 23sten en 24sten van Ramadan te zijn. Zie Hoofdstuk 97 en de noten aldaar.

4 Want de Mahomedanen denken dat jaarlijks in dien nacht, al de gebeurtenissen voor het daarop volgende jaar worden geschikt en vastgesteld, wat leven, dood en andere zaken dezer wereld betreft (Jallalo’ddin, Al Beidâwi). Sommigen veronderstellen echter, dat deze woorden alleen betrekking hebben op den bijzonderen nacht, waarin de Koran, bevattende al de goddelijke besluiten, met betrekking tot godsdienst en zedekunde, werd nedergezonden (Jallalo’ddin, Al Beidâwi).

5 De uitleggers verschillen in hunne verklaring van deze plaats. Sommigen denken, dat hier sprake is van een rook, die de lucht scheen te vervullen, gedurende den hongersnood, waarmede de bewoners van Mekka in den tijd van Mahomet werden geteisterd (Zie Hoofdstuk XXIII, vers 66 noot), en waardoor de lucht zoo dik was, dat zij elkander wel konden hooren maar niet zien (Al Zamakshari, Al Beidâwi, Yahya, Jallalo’ddin). Overeenkomstig eene overlevering van Abi, is de hier bedoelde rook echter diegene, welke een voorteeken van den dag des oordeels is, en de geheele ruimte van het Oosten, gedurende veertig dagen, zal vullen. Zij zeggen, dat deze rook de ongeloovigen zal bedwelmen, en door hunne natuurlijke openingen zal binnen dringen, terwijl de ware geloovigen slechts weinig last er van zullen hebben (Al Zamakshari, Al Beidâwi).

6 Zie Hoofdstuk XVI, vers 105.

7 Sommigen passen dit op de slachting te Bedr, en anderen op den dag des oordeels toe.

8 Zijnde: Laat de kinderen Israëls met ons gaan, om God te vereeren.

9 Of dat gij mij noch door woord, noch door daad beleedigt (Al Beidâwi).

10 Zonder mij weerstand te bieden, of mij eenige beleediging aan te doen, welke ik niet aan u heb verdiend.

11 Zie Hoofdstuk XXVI, vers 57.

12 Dat is: niemand beklaagde hunne vernietiging.

13 Zijnde de Hamyarieten, wier koningen den titel van Tobba hadden. De uitleggers verhalen, dat de hier bedoelde Tobba zeer machtig was en Samorcande bouwde, of, zooals anderen zeggen, die stad vernietigde, en dat hij een waar geloovige was; doch zijne onderdanen waren ongeloovigen (Al Beidâwi, Jallalo’ddin). Deze vorst schijnt Aboe Carb Asaad te zijn geweest, die omstreeks zevenhonderd jaar vóór Mahomet leefde, en den Joodschen godsdienst omhelsde, welken hij het eerste in Yemen invoerde. Hij werd daarom waarschijnlijk door zijn eigen volk gedood (Al Jannabi. Zie poc. Spec. p. 60).

14 Zie Hoofdstuk XXI, vers 61, en Hoofdstuk XXXVIII, vers 26.

15 Zie Hoofdstuk XXXVII, vers 60 en de noot. Jallalo’ddin veronderstelt, dat deze plaats in het bijzonder tegen Aboe Jâhl werd geopenbaard.