Twee en Dertigste Hoofdstuk.

De Aanbidding1.

Gegeven te Mekka.—30 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. A. L. M. De openbaring van dit boek, dit lijdt geen twijfel, is van den Heer van alle schepselen. 2. Zullen zij zeggen: Mahomet heeft het uitgedacht? Neen, Mahomet! het is de waarheid van uwen Heer, opdat gij zoudt prediken voor een volk, tot hetwelk vóór u geen prediker werd gezonden2; opdat zij ten goede geleid mochten worden. 3. God is het, die de hemelen en de aarde heeft geschapen en alles wat daartusschen is, in zes dagen, en toen zijn troon beklom; gij hebt geen schuts of tusschenpersoon buiten hem. Wilt gij dit niet bedenken? 4. Hij regeert alle dingen, van den hemel tot de aarde: hierna zal alles tot hem terugkeeren, op den dag, welks lengte duizend jaren zal wezen3, van diegene volgens welke gij rekent. 5. Hij is het, die de toekomst en het tegenwoordige kent; de Machtige de genadige. 6. Hij is het, die ieder ding dat hij schiep, buitengewoon goed gemaakt en den mensch het eerst van klei gevormd heeft. 7. En daarna zijne nakomelingschap uit een uittreksel van een verachtelijken droppel water maakte4. 8. Hem daarna in een geschikten vorm bracht, hem van zijn geest inblies, en u de zintuigen van het gehoor en gezicht heeft geschonken, en harten om te verstaan. Hoe weinig dankbaar zijt gij daarvoor! 9. En zij zeggen: Als wij in de aarde bedolven zullen liggen, zullen wij dan als nieuwe schepsels worden opgewekt? 10. Ja, zij loochenen de ontmoeting van hunnen Heer bij de opstanding. 11. Zeg: De engel des doods, die boven u is gesteld, zal u doen sterven: dan zult gij tot uwen Heer worden teruggebracht. 12. Indien gij het zoudt kunnen aanschouwen, als de zondaren hunne hoofden voor hunnen Heer zullen nederbuigen, zeggende: O Heer! wij hebben gezien en wij hebben gehoord; sta ons dus toe in de wereld terug te keeren en wij zullen doen wat recht is, nu wij zeker zijn van de waarheid van hetgeen ons werd gepredikt, dan zoudt gij een verbazend gezicht zien. 13. Indien het ons zou hebben behaagd, hadden wij zekerlijk iedere ziel hare leiding gegeven; maar het woord dat van mij is uitgegaan, moest noodzakelijk worden vervuld, toen ik namelijk zeide: Waarlijk ik zal de hel met geniussen en menschen te zamen vullen5. 14. Proef dus de marteling welke voor u is gereed gemaakt, dewijl gij het komen van dezen uwen dag hebt vergeten: wij hebben ook u vergeten. Proef dus de eeuwig durende straf voor hetgeen gij hebt verricht. 15. Waarlijk, zij alleen gelooven in onze teekenen, die, wanneer zij daardoor gewaarschuwd worden, in aanbidding nederzinken, den lof van hunnen Heer verkondigen en niet van trotschheid zijn vervuld. 16. Die hunne lichamen van hunne bedden opheffen, onder het aanroepen van hunnen Heer met vrees en hoop; die aalmoezen uitdeelen van hetgeen wij hun hebben geschonken. 17. Geene ziel6 kent de volkomen voldoening, die heimelijk voor hen (de deugdzamen) is gereed gemaakt als eene belooning voor hetgeen zij hebben verricht. 18. Zal dus hij, die een waar geloovige is, als degeen wezen, die een goddelooze zondaar is. Zij zullen niet gelijk staan. 19. Wat hen betreft, die gelooven en doen wat rechtvaardig is, zij zullen tuinen van eeuwig verblijf bezitten, als eene ruime belooning, voor hetgeen zij hebben verricht. 20. Maar wat hen betreft, die goddeloos zondigen, hun verblijf zal het hellevuur wezen. Zoo dikwijls zij zullen trachten daaruit te gaan, zullen zij daarin teruggesleept worden, en men zal tot hen zeggen: Proeft de marteling van het hellevuur, welke gij als eene logen verwerpt. 21. En wij zullen hun de lichtere straf dezer wereld doen lijden, buiten de strengere straf der volgende wereld; misschien zullen zij berouw gevoelen. 22. Wie is onrechtvaardiger dan hij, die door de teekens van zijnen Heer is gewaarschuwd en zich daarna er van afwendt? Wij zullen zekerlijk wraak nemen op de zondaren? 23. Wij gaven vroeger het boek der wet aan Mozes; verkeer dus niet in twijfel omtrent de openbaring daarvan, en wij gelastten, dat het eene leiding voor de kinderen Israëls zou zijn. 24. En wij wezen leeraren onder hen aan, die het volk op ons bevel zouden leiden, indien zij met geduld volhard en standvastig in onze teekenen geloofd zouden hebben. 25. Waarlijk, uw Heer zal tusschen hen richten op den dag der opstanding, nopens datgene, waaromtrent zij hebben verschild. 26. Is het hun niet bekend, hoe vele geslachten wij voor hen hebben verdelgd, door welker woningen zij wandelen7? Waarlijk, hierin zijn teekenen: zullen zij dus niet luisteren? 27. Zien zij niet dat wij den regen over een land voeren, dat van gras ontbloot en uitgedroogd is, en daaruit graan voortbrengen, waarvan hun vee en ook zij eten? Zullen zij dit niet overwegen? 28. De ongeloovigen zeggen tot de ware geloovigen: wanneer zal deze beslissing tusschen ons plaats hebben, indien gij de waarheid spreekt? 29. Antwoord: Op den dag dier beslissing8 zal het geloof van hen, die niet geloofd zullen hebben, hun niet baten: ook zullen zij geen langer uitstel ontvangen. 30. Vermijdt hen dus, en verwacht den uitslag. Waarlijk, zij verwachten eenig voordeel op u te behalen.


1 De titel is aan vers 15 ontleend, waar gezegd wordt dat de geloovigen in aanbidding nedervallen.

2 Zie Hoofdstuk XXVIII, vers 46.

3 Zie Hoofdstuk LXX, vers 4, noot. Sommige leggen de hier voorkomende plaats niet uit, als had die betrekking op de opstanding, maar veronderstellen, dat de woorden hier het nemen en uitvoeren van Gods besluiten beschrijven welke van den hemel op aarde worden nedergezonden en tot hem terugkeeren (of opklimmen, zooals het werkwoord eigenlijk beteekent), nadat zij tot uitvoering zijn gebracht. Zij stellen deze voor, als het ware met zijn voorkennis uitgevoerd in den tijd van één dag met God, maar met den mensch in duizend jaren. Anderen denken dat deze tijdruimte de tijd is, dien de engelen welke de goddelijke besluiten overvoeren en deze na hunne uitvoering terugbrengen, noodig hebben om af te dalen en weder op te stijgen, aangezien de afstand van den hemel tot de aarde eene reis van vijfhonderd jaren vordert, terwijl anderen van meening zijn, dat de engelen in eens de besluiten voor de volgende duizend jaren brengen, na verloop waarvan zij terugkeeren om nieuwe bevelen af te halen enz. (Al Beidâwi).

4 Zijnde: zaad.

5 Zie Hoofdstuk VII, vers 34 en Hoofdstuk XI, vers 120.

6 Zelfs niet een van de engelen, die het naast bij Gods troon komen, noch een der profeten, welke door hem zijn gezonden (Al Beidâwi).

7 De bewoners van Mekka komen namelijk dikwijls voorbij de plaatsen, waar de Adieten, Thamoedieten, Midianieten, Sodomieten enz. eens woonden.

8 Dat is op den dag des oordeels: sommigen veronderstellen echter, dat de hier bedoelde dag die van de overwinning te Bedr is, of wel die van de inneming van Mekka, waarbij verscheidene van hen, die gebannen waren, onmiddellijk werden gedood.

Drie en Dertigste Hoofdstuk.

De Verbondenen1.

Geopenbaard te Medina—73 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. O profeet! vrees God, en gehoorzaam de ongeloovigen en de huichelaars niet2. Waarlijk, God is alwetend en wijs. 2. Maar volgt datgene, waar u van uwen Heer is geopenbaard; want God is wel bekend met hetgeen gij doet. 3. Stelt uw vertrouwen in God; want God is een voldoende beschermer. 4. God heeft den mensch geene twee harten gegeven; ook heeft hij uwe vrouwen (van welke sommigen uwer zich scheiden, haar daarna als hunne moeders aanziende) niet tot uwe ware moeders gemaakt, ook heeft hij uwe aangenomen zonen niet tot uwe ware zonen gemaakt3. Dit zijn slechts de woorden die in uwen monden zijn; maar God spreekt de waarheid, en hij leidt op den rechten weg. 5. Noemt hen die aangenomen zijn, de zonen hunner wezenlijke vaders, die zal rechtvaardiger zijn in de oogen van God. En indien gij hunne vaders niet kent, laat hen dan zijn als broeders in den godsdienst en uwe makkers; en er zal geen misdaad in liggen dat gij op deze wegen dwaalt4; maar wat uwe harten opzettelijk ontwerpen zal misdadig zijn; want God is genadig en barmhartig. 6. De profeet is den waren geloovigen nader dan hunne eigene zielen5 en zijne vrouwen zijn hunne moeders6. Zij die door bloedverwantschap zijn verbonden, zijn, overeenkomstig het boek van God, elkander nader verwant dan de andere ware geloovigen en de Moharejun7; maar doet wat voegzaam en redelijk is omtrent uwe verwanten in het algemeen. Dit wordt in Gods boek opgeschreven8. 7. Gedenkt, toen wij het verbond van de profeten aannamen, en van u, o Mahomet! en van Noach, en Abraham, en Mozes en Jezus den zoon van Maria, en een standvastig verbond van hen ontvingen9. 8. Opdat God de waarheidsprekers omtrent hunne waarachtigheid zou kunnen ondervragen10. En hij heeft eene smartelijke straf voor de ongeloovigen gereed gemaakt. 9. O ware geloovigen! herdenkt Gods gunst omtrent u, toen legers van ongeloovigen tegen u opkwamen11, en wij zonden hun een wind, en scharen van engelen, welke gij niet zaagt12. En God onthield wat gij deedt. 10. Toen zij tegen u opkwamen, van boven u en van onder u, en toen uw gezicht beneveld werd en uwe harten u, door vrees, tot in uwe keelen stegen, en gij omtrent God verschillende denkbeelden uitdacht. 11. Toen werden de ongeloovigen beproefd, en met eene hevige beving tot sidderen gebracht. 12. En toen de huichelaars, en zij in wier hart een gebrek huisde zeiden: God en de gezanten hebben u slechts eene bedriegelijke belofte gedaan. 13. En toen een partij van hen zeide:13 O bewoners van Yathreb14 er is hier geen plaats van zekerheid voor u; keert dus terug naar huis. En een deel van hen vroeg verlof van den profeet om te mogen vertrekken, zeggende: Waarlijk, onze huizen zijn zonder verdediging en aan den vijand blootgesteld; maar zij waren niet zonder verdediging en hunne bedoeling was slechts te ontvluchten. 14. Indien op dat oogenblik de vijand van de aangrenzende gedeelten de stad waren binnengetrokken; en men had hun gevraagd, de ware geloovigen te verlaten en tegen hen te strijden, zouden zij zekerlijk daarin hebben toegestemd; maar in dat geval waren zij er niet in gebleven15 dan voor een korte poos. 15. Zij hadden vroeger een verbond met God gesloten, dat zij hunne ruggen niet zouden keeren; en de nakoming van hun verbond met God zal hier namaals worden onderzocht. 16. Zeg: De vlucht zal u van geen voordeel zijn. Indien gij den dood of het gevecht ontvlucht, zult gij slechts weinig van het leven in deze wereld genieten. 17. Zeg: Wie is het die u tegen God zal verdedigen, indien het hem behaagt u met kwaad te treffen, of indien het hem behaagt u genade te betoonen? Zij zullen buiten God niemand vinden, om hen te beschutten of te ondersteunen. 18. God kent reeds degenen onder u, die anderen verhinderen zijnen profeet te volgen, en die tot hunne broeders zeggen: Komt hier tot ons; en die niet dan op flauwe wijze in den slag komen16. 19 Dit is, omdat zij gierig omtrent u zijn17; maar als de vrees hen bereikt, ziet gij hen naar u opzien om hulp; hunne oogen rollen dan als de oogen van hem die op sterven ligt. Doch als hunne vrees voorbij is, varen zij met scherpe tongen tegen u uit, terwijl zij vol begeerte zijn omtrent het beste en meest waardige gedeelte van den buit. Dezen gelooven niet oprechtelijk; daarom heeft God hunne werken krachteloos gemaakt, en dit is God gemakkelijk. 20. Zij verbeeldden zich, dat de verbondenen niet zouden aftrekken en het beleg opheffen; en indien de verbondenen ten tweedenmale opkwamen, zouden zij wenschen in de woestijn te wezen, onder de Arabieren die in tenten wonen18 en daar slechts naar nieuws van u te vernemen; want hoewel zij dien tijd met u waren, vochten zij niet dan flauw. 21. Gij hebt in Gods gezant een uitmuntend voorbeeld voor hem, die op God en op den laatsten dag hoopt, en God dikwijls herdenkt. 22. Toen de ware geloovigen de verbondenen zagen, zeiden zij: Dit is wat God en zijn profeet ons hebben voorspeld19. God en zijn profeet hebben de waarheid gesproken, en het vermeerdert slechts hun geloof en hunne onderwerping aan God. 23. Van de ware geloovigen vervullen sommigen rechtschapen wat zij God hebben beloofd20; sommigen van hen hebben hunne loopbaan geëindigd21, en sommigen van hen verwachten hetzelfde voordeel22, en zij veranderen hunne belofte niet, door daarvan in het minst af te wijken. 24. God zal degenen die hun verbond rechtschapen zijn nagekomen, voor hunne getrouwheid beloonen en de huichelachtigen straffen, of, naar zijn welbehagen hun genade schenken; want God is vergevensgezind en genadig. 25. God heeft de ongeloovigen met hunne woede teruggedreven. Zij verkregen geen voordeel uit dien krijg, en God was een toereikende beschermer voor de geloovigen in den slag; want God is sterk en machtig. 26. Hij deed degenen van hen die de schriften hebben ontvangen en de verbondenen ondersteunden, uit hunne sterkten komen23. en hij wierp schrik en verslagenheid in hunne harten; gij versloegt een deel van hen, en een deel van hen maaktet gij krijgsgevangenen. 27. God heeft u hun land, hunne huizen en hunne welvaart doen erven, en een land, dat gij nog niet betreden hebt24; want God is almachtig. 28. O profeet! zeg tot uwe vrouwen: Indien gij naar dit leven en zijne pracht streeft, komt, en ik zal u een schoon deel en een eervol ontslag geven25. 29. Maar indien gij God en zijn profeet zoekt en ook het volgende leven, waarlijk, dan heeft God voor haar van u, die deugd betracht een groote belooning gereed maakt. 30. O vrouwen van den profeet! wie uwer eene duidelijke zonde zal bedrijven, daarvoor zal de straf tweevoudig toegepast worden26; en dit is gemakkelijk voor God. 31. Maar wie u gehoorzaam zal wezen aan God en zijn gezant, en doen wat recht is, deze zullen wij hare belooning tweemaal geven27, en wij hebben een onbekrompen deel in het paradijs voor haar gereed gemaakt. 32. O vrouwen van den profeet! gij zijt niet gelijk andere vrouwen. Indien gij God vreest, toont dan niet te veel voorkomendheid in uwe woorden, opdat de man, in wiens hart een gebrek huist, geene begeerte hebbe; maar spreekt eene gepaste taal. 33. Zit gerust in uwe huizen, en geeft u niet over aan de uiterlijke praal van de vroegere tijden van onwetendheid28; neemt de bepaalde tijden voor het gebed in acht, geeft aalmoezen en gehoorzaamt God en zijn gezant; want God begeert alleen de schande der ijdelheid van u af te nemen, nu gij tot het gezin van den profeet behoort, en u door eene volkomen zuivering te reinigen. 34. En herdenkt wat in uwe huizen is gelezen van Gods teekenen, en van de wijsheid in den Koran geopenbaard is; want God is scherpziende en wel bekend met uwe daden. 35. Waarlijk de Moslems van beiderlei kunne en de ware geloovigen van beide geslachten, en de vrome mannen en de godvruchtige vrouwen, en de mannen van rechtvaardigheid en de vrouwen van rechtvaardigheid en de nederige mannen en vrouwen, en de gevers van aalmoezen van beiderlei kunne, en de mannen en vrouwen die vasten, en de kuische mannen en de kuische vrouwen, en degenen van beiderlei kunnen die God dikwijls gedenken, voor dezen heeft God vergiffenis gereed gemaakt en eene groote belooning. 36. Het is niet gepast voor een waar geloovige, onverschillig van welke kunne, als God en zijn gezant eene zaak hebben besloten, dat zij de vrijheid nemen hunne eigene keuze te volgen. Wie aan God ongehoorzaam is en aan zijn gezant, dwaalt waarlijk met eene duidelijke dwaling. 37. En gedenk, toen gij zeidet tot hem, omtrent wien God barmhartig is geweest29 en aan wien gij mede gunsten hebt verleend30. Behoud uwe vrouw voor u zelven en vrees God: en gij datgene in uw gemoed verbergdet, wat God bepaald had, dat ontdekt zou worden, en de menschen vreesdet, terwijl het rechtvaardiger ware geweest, God te vreezen. En toen Zeïd omtrent hare zaak had besloten, en vastgesteld had, zich te laten scheiden, verbonden wij haar door het huwelijk aan u, opdat er geene misdaad op de ware geloovigen zou worden geladen, door het huwen van de vrouwen hunner aangenomen zonen, nadat zij verstooten waren31; en het bevel van God werd vervuld. 38. Er wordt geene misdaad op den profeet geladen, door te doen hetgeen God hem heeft veroorloofd overeenkomstig het Godsbevel, met betrekking tot hen die hem voorafgingen (want het bevel van God is een bepaald besluit). 39. Voor hen, die de boodschappen van God brachten en hem vreesden, en niemand vreesden buiten God. God volstaat voor allen. 40. Mahomet is niet de vader van een uwer, maar de gezant van God, en het zegel der profeten32. God kent alle dingen. 41. O ware geloovigen! herdenkt God dikwijls, en verkondigt zijn lof des ochtends en des avonds. 42. Hij is het, die barmhartig voor u is, en zijne engelen zijn uwe bemiddelaars, opdat hij u uit de duisternis tot het licht zou mogen leiden; en hij is barmhartig omtrent de ware geloovigen. 43. Hunne groete op den dag, waarop zij hem zullen ontmoeten, zal wezen: Vrede! en hij heeft eene eervolle belooning voor hen gereed gemaakt. 44. O profeet! Waarlijk, wij hebben u gezonden, om een getuige, een overbrenger van goede tijdingen, en een verkondiger van bedreigingen te wezen. 45. Gij zijt een uitnoodiger tot God, door zijn welbehagen, en een schijnend licht. 46. Breng dus goede tijdingen tot de ware geloovigen, dat zij grooten overvloed van God zullen ontvangen. 47. En gehoorzaam niet de ongeloovigen en de huichelaars, en, geef geen acht op hunne slechte behandeling: maar vertrouw op God: Gods ondersteuning is volstaande. 48. O ware geloovigen! indien gij vrouwen huwt, die geloovig zijn en haar daar na verstoot zonder haar te hebben aangeraakt, dan is u niets voorgeschreven, wat gij na hare echtscheiding, omtrent haar hebt te vervullen33; maar geeft haar een geschenk34 en ontslaat haar vrijelijk met een eervol ontslag. 49. O profeet! wij hebben u uwe vrouwen toegestaan, aan welke gij haren bruidschat hebt gegeven, en ook de slaven welke door uwe rechterhand worden bezeten, van den buit dien God u heeft verleend35, en de dochters uwer ooms, en de dochters uwer moeien, zoowel van vaders zijde, als van moeders zijde, die met u van Mekka zijn gevlucht, en elke andere geloovige vrouw, indien zij zich aan den profeet overgeeft36, voor het geval, dat de profeet haar tot zijne vrouw wil nemen. Dit is een bijzonder voorrecht, dat u boven de overige ware geloovigen is verleend37. 50. Wij weten wat wij hun nopens hunne vrouwen hebben bevolen, en omtrent de slaven, welke door hunne rechterhand worden bezeten, opdat het u tot geene misdaad zou worden aangerekend, indien gij van het u verleende voorrecht gebruik maakt; want God is barmhartig en genadig. 51. Gij moogt de beurt van dezulke uwer vrouwen uitstellen, als u mocht behagen en gij moogt haar tot u nemen, die u zal behagen en haar, die gij zult begeeren van degenen, welke gij vroeger verworpen hebt, en er zal daarin geene misdaad voor u liggen38. Dit zal gemakkelijker zijn, opdat zij geheel tevreden mogen wezen, en niet bedroefd worden, om hetgeen gij elke van haar zult geven, God kent alles wat in uwe harten is, en God is alwetend en barmhartig. 52. Het zal u niet geoorloofd wezen, daarna andere vrouwen te nemen39, noch eene uwer vrouwen tegen andere te ruilen, niettegenstaande hare schoonheid u behage, behalve de slaven welke door uwe rechterhand zullen worden bezeten. En God merkt alle dingen op. 53. O ware geloovigen! treedt de huizen van den profeet niet binnen, tenzij het u geoorloofd worde met hem te eten, zonder den gepasten tijd af te wachten; maar als gij uitgenoodigd zijt, treedt dan binnen. En als gij zult gegeten hebben, scheidt dan van elkander, en blijft niet om vertrouwelijke gesprekken aan te knoopen, want dit doet den profeet ongemak aan. Hij schaamt zich, u te verzoeken weg te gaan; maar God schaamt zich niet de waarheid te zeggen. En als gij zijne vrouwen iets wilt vragen, vraagt het haar dan achter een gordijn40. Dit zal zuiverder voor uwe harten en de hare wezen. Het is niet gepast voor u, den profeet van God eenig ongemak aan te doen, of zijne vrouwen na hem te huwen41; want dit zou eene bedroevende zaak voor het gezicht van God wezen. 54. Hetzij gij eene zaak vertoont of dit verbergt, waarlijk, God kent alle dingen. 55. Er zal geene misdaad in liggen, noch voor hare vaders, noch hare zoons, noch hare broeders, of hare broeders zonen, of hunne vrouwen, of de slaven welke hare rechterhand zal bezitten, met haar te spreken42, terwijl zij ongesluierd zijn. Vreest God43; want God is getuige van alle dingen. 56. Waarlijk, God en zijne engelen zegenen den profeet. O ware geloovigen! zegent hem mede en groet hem met eene eerbiedvolle groete44. 57. Wat hen betreft die God en zijn profeet beleedigen, God zal hen in deze en in de volgende wereld vloeken, en hij heeft eene schandelijke straf voor hen gereed gemaakt. 58. En zij die de ware geloovigen, van welke kunne ook, zullen beleedigen, zonder dat zij dit verdienen, zullen zekerlijk de schuld van laster en van eene klaarblijkelijke onrechtvaardigheid dragen. 59. O profeet! spreek tot uwe vrouwen, en uwe dochters, en de vrouwen der ware geloovigen, dat zij hare opperkleederen omslaan45 indien zij naar buiten wandelen; dit zal geschikter zijn om haar als huisvrouwen van eerbaar gedrag te doen kennen, opdat zij niet door onwelvoegelijke woorden of daden beleedigd worden, God is barmhartig en genadig. 60. Waarlijk, indien de huichelaars, en zij, in wier harten een gebrek huist, en zij die onrust te Medina veroorzaken, niet ophouden, zullen wij u zekerlijk tegen hen opwinden om hen te tuchtigen; voortaan zal het hun niet veroorloofd wezen nabij u daarin te wonen, behalve voor een korten tijd. 61. En zij zullen vervloekt wezen; waar zij ook zullen gevonden worden, zal men hen grijpen en met eene algemeene slachting dooden. 62. Overeenkomstig de uitspraak van God nopens hen, die vroeger bestonden: en gij zult geenerlei verandering in Gods uitspraak vinden. 63. De menschen zullen u ondervragen nopens de nadering van het laatste uur; antwoord: Waarlijk, de kennis daarvan is alleen met God, en hij zal u niet onderrichten; misschien is het uur nabij. 64. Waarlijk, God heeft de ongeloovigen gevloekt en een fel vuur voor hen gereed gemaakt. 65. Eeuwig zullen zij daarin verblijven, en zullen geen schuts of verdediger vinden. 66. Op den dag, waarop hunne aangezichten in het hellevuur zullen worden gewenteld: zullen zij zeggen: O dat wij God en zijn gezant slechts gehoorzaamd hadden! 67. En zij zullen zeggen: O Heer! Waarlijk, wij hebben onzen vorsten en onzen grooten mannen gehoorzaamd, en zij hebben ons van den rechten weg afgeleid. 68. Heer, geef hun het dubbele onzer straf, en vloek hen met een zwaren vloek! 69. O ware geloovigen! weest niet als zij, die Mozes beleedigden; maar God zuiverde hem van de lastering, welke zij nopens hem hadden gesproken46, en hij werd in Gods oog geacht47. 70. O ware geloovigen! vreest God en laat de waarheid uwe woorden besturen. 71. Opdat God uwe werken voor u moge verbeteren, en u uwe zonden vergeven; en wie God en zijn gezant gehoorzaamt, zal eene groote gelukzaligheid genieten. 72. Wij stelden het geloof aan de hemelen, de aarde en de bergen voor, en zij weigerden zich er mede te belasten, en waren er bevreesd voor. De mensch belastte er zich mede48; doch niettemin handelde hij onrechtvaardig omtrent zich zelven en dwaas49. 73. God zal de huichelachtige mannen en de huichelachtige vrouwen, en de afgodendienaars en de afgodendienaressen straffen, en God zal zich tot de ware geloovigen wenden, zoowel de mannen als de vrouwen; want God is genadig en barmhartig.


1 Een deel van dit Hoofdstuk werd geopenbaard bij gelegenheid van den oorlog der gracht, die in het vijfde jaar der hedjira voorviel, toen Medina gedurende meer dan twintig dagen door de verbonden strijdmachten van verschillende Joodsche stammen en van de bewoners van Mekka, Najd en Tehama werd belegerd, op de aanhitsing der Joden van den stam van Nadhir, welke een jaar te voren door Mahomet uit hunne woonplaatsen, nabij Medina, waren verdreven geworden (Zie Abu’lfeda, Vit. Moh. p. 73 en Gagnier, Vie de Mohamm. lib. 4. c. l.).

2 Men verhaalt dat Aboe Sofian, Acrema Ebn Abi Jahl en Abu’l A’war al Salami eens een vriendschappelijk onderhoud met Mahomet hadden, waarbij ook Abdallah Ebn Obba, Moatteb Ebn Kosheir en Jadd Ebn Kais tegenwoordig waren, waarin de eerstgenoemden den profeet voorstelden dat, indien hij zou willen ophouden, tegen de aanbidding van hunne goden te prediken en hij die als bemiddelaars zou willen erkennen, zij hem en zijn Heer geene verdere moeilijkheden zouden veroorzaken; waarop deze woorden werden geopenbaard (Al Beidâwi).

3 Deze plaats werd geopenbaard, om twee gewoonten der oude Arabieren af te schaffen. De eerste daarvan was de wijze, waarop zij zich van hunne vrouwen lieten scheiden, als zij geene lust hadden, haar uit hun huis te laten vertrekken of te laten huwen; en dit deed de man, door tot de vrouw te zeggen: “Gij zijt mij voortaan als de rug mijner moeder”, na het uitspreken van welke woorden hij afstand van haar bed had gedaan en haar in alle opzichten als zijne moeder beschouwde. Zij werd dan tot al zijne nabestaanden zoo verwant, als ware zij werkelijk zijne moeder. De andere gewoonte bestond daarin, dat zij hunne aangenomen zoons even zoo aan zich verwant beschouwden als hunne werkelijke zonen, waardoor dezelfde hinderpalen tegen het huwelijk uit die veronderstelde betrekking voortvloeiden, betreffende de verboden verbindingen, gelijk dit met een echten zoon het geval is. Mahomet had eene bijzondere reden dit laatste af te schaffen, daar hij de vrouw huwde, welke van zijnen bevrijden slaaf Zeïd was gescheiden, die mede zijn aangenomen zoon was, waarop wij later nader zullen terugkomen. Door de verklaring, die tot inleiding van deze plaats strekt, dat God, geen mensch twee harten heeft gegeven, wordt bedoeld, dat een man niet dezelfde gehechtheid voor veronderstelde bloedverwanten, en voor aangenomen kinderen kan hebben als voor degenen, die dit werkelijk zijn. Men verhaalt dat de Arabieren gewoon zijn, van een voorzichtig en scherpzinnig mensch te zeggen, dat hij twee harten heeft: vanwaar zekere Abn Mamkr, of, zoo als anderen zeggen, Jemil Ebn Asad El Fihri, den bijnaam had van Dhoe’lkalbein, of de man met twee harten (Al Beidâwi, Jallalo’ddin).

4 Door onwetendheid of vergissing, of dat gij in den verleden tijd hebt gedwaald.

5 Hun niets bevelende dan wat in hun belang en voordeel was, en meer bezorgd voor hun tegenwoordig en toekomstig geluk zijnde dan zij zelven; waarom hij hun dierbaar moet wezen, en hunne grootste liefde en hunnen grootsten eerbied verdient.

6 Doch de geestelijke betrekking tusschen Mahomet en zijn volk, in de voorafgaande woorden verklaard, levert geen hinderpaal op, die hem had kunnen beletten, zulke vrouwen tot de zijne te kiezen als hij geschikt achtte. De uitleggers zijn echter van oordeel, dat het hier verboden wordt eene zijner vrouwen te huwen.

7 Deze woorden, die, behalve het laatste gedeelte van het oordeel, ook in het VIIIe Hoofdstuk voorkomen, schaffen de wet nopens de erfenissen af, welke in hetzelfde Hoofdstuk is afgekondigd, waardoor Mohajerun en Ansars elkanders erfgenamen werden, met uitsluiting van hunne nadere verwanten, die ongeloovigen waren (Zie Hoofdstuk VIII, vers 73.)

8 Zijnde: In de bewaarde tafel of den Koran, of, zooals anderen veronderstellen, in den Pentateuchus.

9 Waardoor zij op zich namen, hunne verschillende lastgevingen te volvoeren en beloofden den godsdienst te prediken, welke hun door God was bevolen.

10 Zijnde: Dat hij op den dag der opstanding aan de profeten zal vragen op welke wijze zij zijne verschillende lastgevingen hebben volvoerd, en hoe zij door hun volk werden ontvangen; of, hetgeen de woorden mede kunnen beteekenen, dat hij hen, die in hem geloofden, nopens hun geloof onderzoeken en hen dienovereenkomstig beloonen zal.

11 Dit waren de strijdkrachten van de Koreïshieten en den stam van Ghatfan, die, verbonden met de Joden van al Nadhir en Koreidha, ten getale van twaalf duizend man, Medina belegerden, in de expeditie welke de oorlog van de gracht is genaamd.

12 Op de nadering des vijands beval Mahomet naar den raad van Salman, den Perziër, dat er eene diepe gracht of retranchement rondom Medina zou worden gegraven, tot meerdere zekerheid der stad, terwijl hij met drie duizend man uittrok, om die te verdedigen. Aan beide zijden bleef men bijna eene maand in de kampen, zonder eenige andere vijandelijkheid te plegen, dan het afschieten van pijlen en het slingeren van steenen, tot God in een winternacht een doordringend kouden Oostenwind zond, die de ledematen der verbondenen verstijfde, hun het stof in het aangezicht joeg, hunne vuren uitbluschte, hunne tenten omwierp en hunne paarden in wanorde bracht, terwijl de engelen op denzelfden tijd Allah-acbar rondom hun kamp uitriepen, waarop Toleiha Ebn Khowailed, de Asadiet, overluid zeide: Mahomet wil u met toovenarijen aan vallen, zorgt dus door de vlucht voor uwe veiligheid. Dientengevolge braken eerst de Koreïshieten en daarna de Chatfanieten het beleg op, en keerden naar huis. Men verhaalt dat Mahomet, op het hooren van het aftrekken zijner vijanden, zeide: Ik heb door den oostenwind eene overwinning behaald, en Ad is door den westenwind omgekomen (Al Beidâwi, Abu’lf, Vit. Moh. p. 77 enz.)

13 Zijnde Aws Ebn Keidhi en zijne aanhangers.

14 Dit was de oude en eigenlijke naam van Medina, of van het grondgebied waarop die plaats stond. Sommigen meenen dat die stad aldus werd genaamd naar haren stichter Yathreb, den zoon van Kabiya, den zoon van Mahlayel, den zoon van Aram, den zoon van Sem, den zoon van Noach. Anderen verhalen echter dat die stad door de Amalekieten werd gebouwd (Ahmed Ebn Yoesof).

15 Namelijk in de stad, of: in hunne afvalligheid en weerspannigheid, daar de Moslems zeker ten laatste zullen slagen.

16 Hetzij door in kleinen getale tot het leger op te komen, of door slechts korten tijd bij hen te blijven en daarna met eene gewaande verontschuldiging terug te keeren; of door zich ziek te houden, wanneer de tijd tot handelen gekomen was.

17 Door spaarzaam te zijn in hunnen bijstand, hetzij wat hunnen persoon of wat hunne beurs betreft, of begeerig naar den buit zijnde.

18 Om daardoor afwezig en niet verplicht te zijn ten strijde te trekken.

19 Namelijk: dat wij niet moesten verwachten het paradijs binnen te gaan zonder aan sommige beproevingen en moeielijkheden onderworpen te zijn geweest, zie Hoofdstuk II, vers 209, III, vers 147, XXIX, vers 1 enz. Er is eene overlevering, dat Mahomet werkelijk deze expeditie der verbondenen en den uitslag daarvan eenigen tijd te voren voorspelde. (Al Beidâwi).

20 Door den profeet standvastig bij te staan en den vijanden van den waren godsdienst dapper het hoofd te bieden, overeenkomstig hunne verbintenis.

21 Of, zooals de woorden mede kunnen worden vertaald: hebben hunne gelofte vervuld, of hunne schuld aan de natuur betaald, door als martelaren in den slag te vallen, evenals Hamza, Mahomets oom, Marab Ebn Omair en Ans Ebn Al Nadr (Al Beidâwi), die in den slag van Ohod werden gedood. De martelaren in den oorlog der gracht, bedroegen zes, daaronder begrepen Saad Eba Moadh, die omstreeks eene maand daarna aan zijne wonde overleed (Abu’lf. Vit. Moh. p. 79).

22 Zooals Othman en Telha (Al beidâwi).

23 Dit waren de lieden van den stam van Koreidha, die, hoewel zij met Mahomet een verbond hadden gesloten, op de onophoudelijke aansporingen van Caab Ebn Asad, een voornaam man onder hen, in dezen oorlog van de gracht, op verraderlijke wijze tot zijne vijanden overliepen en daarvoor gestreng werden gestraft. Den volgenden ochtend namelijk, nadat de verbonden strijdkrachten hunne legers hadden opgebroken, keerde Mahomet met zijne manschappen naar Medina terug en legden zij hunne wapenen neder, waarop zij zich na de door hen uitgestane vermoeienis verkwikten. Gabriël kwam daarop tot den profeet en vroeg hem, waarom hij zijn volk had toegestaan de wapenen neder te leggen, terwijl de engelen de hunne nog niet hadden afgelegd. Hij beval hem onmiddellijk tegen de Koradhieten op te trekken, hem verzekerende, dat hij zelf den weg zou banen, Mahomet gehoorzaamde het goddelijke bevel en liet in het openbaar afkondigen, dat iedereen dien namiddag zou bidden om de overwinning op de zonen van Koreidha. Hij trok daarop onmiddellijk tot de expeditie op, en toen hij de forteres der Koradhieten had bereikt, belegerde hij hen gedurende vijfentwintig dagen. Na verloop van dien tijd, capituleerde het volk, daar zij in groote verwarring en ellende verkeerden; en zich niet aan de genade van Mahomet durvende vertrouwen, gaven zij zich eindelijk aan de edelmoedigheid van Saad Ebn Moadh over (Zie Hoofdstuk VIII, vers 39) hopende dat hij, die een vorst was van den stam van Aws—hunne oude vrienden en bondgenooten—eenig mededoogen met hen zouden hebben; maar zij werden bedrogen; want Saad, ten hoogste verbolgen omdat zij het verbond hadden geschonden, had God gebeden, dat hij hem niet zou laten sterven aan de wonde welke hij in de gracht had ontvangen, zonder dat hij wraak op de Koradhieten had zien uitoefenen; weshalve hij bepaalde, dat de mannen met het zwaard gedood, de vrouwen en kinderen in slavernij gevoerd en hunne goederen onder de Moslems verdeeld zouden worden. Zoodra Mahomet deze uitspraak hoorde, riep hij uit, dat Saad het vonnis van God had uitgesproken, en dientengevolge werd die straf uitgevoerd. Het getal der gedoode mannen beliep zeshonderd, of, zooals anderen zeggen, zevenhonderd of daaromtrent, waaronder zich Hoyai Ebn Akhtab, een groote vijand van Mahomet, en Caab Ebn Asad bevond, die de hoofdoorzaak van het opstaan van hunnen stam waren geweest, Saad wiens wonde reeds gesloten was, doch weder openging, stierf korten tijd daarna (Al Beidâwi, Abu’lf. Vit. Moh. p. 77 enz. Zie voorts Gagnier. Vie de Moh. liv. 4, c. 3.)

24 Waardoor sommigen veronderstellen, dat hier Perzië en Griekenland worden bedoeld; anderen Khaibar, en weder anderen, al het land dat tot den dag des oordeels door de Moslems mocht worden veroverd (Al Beidâwi).

25 Deze plaats werd geopenbaard, omdat dat de vrouwen van Mahomet hem om rijkere kleederen en eene buitengewone toelage voor hare verteringen hadden gevraagd. Zoodra hij dit verzoek ontving, gaf hij haar de vrije keuze, hetzij om bij hem te blijven of van hem gescheiden te worden. Hij begon met Aïsha, die “God en zijn apostel” koos waarop de overige haar voorbeeld volgden. De profeet bedankte haar alle, en vers 52 van dit Hoofdstuk werd geopenbaard. Vanhier is door sommigen de gevolgtrekking gemaakt, dat de vrouw welke men de vrije keuze had gelaten, en die verkoos bij haren man te blijven, niet zou worden, gescheiden. Anderen zijn echter van eene tegenovergestelde meening (Al Beidâwi).

26 Want de misdaad (overspel) zou grooter en onvergefelijk voor haar zijn, om de hoogere plaats welke zij innemen, en de genade die zij van God hebben ontvangen. Vandaar komt ook het bevel, dat de straf van een vrij persoon het dubbele van die van een slaaf zal wezen (zie Hoofdstuk IV, vers 30), en dat profeten strenger om hunne fouten berispt worden dan andere menschen (Al Beidâwi).

27 Zijnde eens voor hare gehoorzaamheid, en daarna nog eens voor hare huwelijkstrouw jegens den profeet, en lofwaardig gedrag omtrent hem.

28 Dat is: de oude tijd van afgodendienst. Sommigen veronderstellen, dat hier de tijden voor den zondvloed of den tijd van Abraham bedoeld wordt, toen de vrouwen zich met al hare sieraden opschikten, en dan op straat gingen om zich aan de mannen te vertoonen (Al Beidâwi).

29 Zijnde Zeïd Ebn Haretha, aan wien God reeds vroeger de genade schonk, een Moslem te worden.

30 Door hem zijne vrijheid te schenken en hem voor uwen zoon aan te nemen, enz. Zeïd was van den stam van Calb, een tak der Khodaïeten afstammende van Hamyar, den zoon van Saba. Hij werd in zijne kindsheid door eene bende vrijbuiters geroofd en door Mahomet gekocht, of, zooals anderen zeggen, door zijne vrouw Khadidjah, voor zij hem huwde. Toen Haretha eenige jaren later hoorde waar zijn zoon was, ondernam hij eene reis naar Mekka, en bood een aanzienlijken prijs als losgeld, waarop Mahomet zeide: Laat Zeïd hier komen, en indien hij verkiest met u te gaan, kunt gij hem zonder losgeld nemen; maar indien hij bij mij wil blijven, waarom zou ik hem dan niet behouden? Zeïd kwam en verklaarde, dat hij bij zijn meester wilde blijven, die hem als zijn eenigen zoon behandelde. Nauwelijks had Mahomet dit gehoord, of hij nam Zeïd bij de hand en leidde hem naar den zwarten steen van den Caaba, waar hij hem in het openbaar als zijn zoon aannam, en hem tot zijn erfgenaam maakte, waarin de vader toestemde en zeer voldaan naar huis terugkeerde. Van dien tijd werd Zeïd de zoon van Mahomet genoemd, tot de openbaring van den Islam, (Al Jannabi zie Gagnier Vie de Moh. liv. V. 4, c, 3.). Later deed Mahomet hem eene vrouw huwen Zeïneb (of Zenobia) genaamd. Eenige jaren daarna ging Mahomet tot Zeïd. Hij vond hem niet en zag alleen zijne vrouw, wier schoonheid hem zoozeer trof, dat hij uitriep: Geloofd zij God, die de harten der menschen naar zijn welbehagen keert! Toen Zeïd weder te huis kwam berichtte zijne vrouw hem het bezoek van Mahomet, zonder de zeer beteekenisvolle kreet van den profeet te vergeten. Zeïd begreep dat hij zijne vrouw aan zijn weldoener moest opofferen, en haastte zich diententengevolge haar te verstooten. Mahomet trachtte echter, hetzij oprecht, hetzij slechts schijnbaar en uit vrees voor schandaal, Zeïd van dit voornemen af te brengen. Daarop verscheen vers 37, dat den hartstocht van den profeet wettigt, en hetgeen hem en de geloovigen veroorlooft, de vrouwen te huwen, welke door hunne aangenomene zonen zijn verstooten. Hij huwde haar in het laatste gedeelte van het 5e jaar der hedjira (Al Beidâwi, Al Jannabi enz.) De muzelmannen doen opmerken, dat Zeïd de enige der tijdgenooten van Mahomet is, die in den Koran wordt genoemd. Men dient echter Aboe Lahab niet te vergeten, die in Hoofdstuk CXI wordt genoemd.

31 Daar deze gewaande betrekking, zooals reeds werd opgemaakt bij de oude Arabieren een hinderpaal opleverde voor het huwelijk binnen de verboden graden van bloedverwantschap gelijk wij reeds in de noot van vers 37 hierboven hebben doen opmerken op dezelfde wijze, alsof die bloedverwantschap werkelijk bestond. Daardoor veroorzaakte het huwelijk van Mahomet en Zeïneb, de vrouw van zijn aangenomen zoon, een groot schandaal onder zijne volgelingen, dat nog vermeerderd werd door de ijveraars en ook door de Joden, die van zulke huwelijken afschuw hadden; maar de gewoonte wordt hier onredelijk verklaard en voor het vervolg afgeschaft.

32 De Mahomedanen beschouwen Mahomet als het zegel der profeten. Khatem Elnabiin. Zij zeggen, dat hij kwam om de zending te bevestigen van hen, die hem waren voorafgegaan, en dat hij geen opvolger heeft gehad (Savary).

33 Dat is: gij zijt niet verplicht haar eenigen tijd te behouden voor gij haar ontslaat, zooals het geval is met haar met welke het huwelijk is voltrokken. (Zie Hoofdstuk II, vers 231).

34 Zijnde: Indien haar geen bruidschat (of weduwgeld) is toegezegd; want indien haar een bruidschat is toegezegd, is de man, overeenkomstig de Sonna, verplicht, de vrouw de helft van den toegezegden bruidschat en een geschenk daarenboven te geven (Al Beidâwi, Al Jannabi, enz.). Dit wordt thans nog opgevat als van zulke vrouwen, met welke het huwelijk niet is voltrokken.

35 Het wordt daarom gezegd, dat de vrouwelijke slaven die hij mocht koopen, niet in deze vergunning zijn begrepen.

36 Zonder een bruidschat te vragen. Overeenkomstig eene overlevering van Ebn Abbas, huwde de profeet echter geene vrouw zonder haar een bruidschat toe te kennen. De uitleggers zijn het niet eens omtrent de vrouw, welke in het bijzonder op deze plaats wordt bedoeld.

37 Want geen Moslem kan wettelijk meer dan vier vrouwen huwen, hetzij het vrije vrouwen of slavinnen mochten wezen, terwijl Mahomet, door de voorafgaande woorden, vrijheid verkreeg, zooveel te nemen als hij verkoos, doch met sommige beperkingen.

38 Door deze plaats werden nog eenige andere voorrechten aan Mahomet toegekend; want andere mannen zijn verplicht zich gelijkelijk omtrent hunne vrouwen te gedragen (Zie Hoofdstuk IV, vers 3 enz.) voor het geval dat zij meer dan eene bezitten, vooral wat de plichten van het huwelijksbed betreft, waartoe ieder op hare beurt werd geroepen en welk recht reeds in de vroegste eeuwen werd erkend (zie Gen. XXX : 14 enz.). Ook konden zij eene vrouw, welke zij ten derden male van zich had laten scheiden niet weder terug nemen, dan nadat zij weder met een ander getrouwd en van dezen gescheiden was (zie Hoofdstuk II, vers 230). Daarentegen was den profeet volkomen vrijheid gelaten, zoowel in dit als in andere opzichten, met haar te handelen als hij geschikt mocht oordeelen.

39 De uitleggers verschillen nopens de juiste meening dezer woorden. Sommigen gelooven, dat het daardoor aan Mahomet werd verboden, meer vrouwen dan negen te nemen, welk getal hij toen bezat, en hetgeen verondersteld wordt zijne grens te zijn geweest, daar anderen er slechts vier bezaten. Sommigen zeggen, dat hij na dit verbod, geene vrouwen in de plaats mocht nemen van haar, welke hij door den dood of door echtscheiding verloor. Anderen weder zijn van meening, dat het hem van dien tijd alleen werd verbonden een andere vrouw te huwen, dan eene der vier soorten in de voorafgaande plaats (v. 49). vermeld. Nog anderen (gelijk Abu’l Kasem Hebatallah enz.) gelooven, dat dit vers is afgeschaft door de twee voorafgaande verzen of een daarvan, als voor deze geopenbaard, doch eerst na deze voorgelezen (Al Zamakshari, Al Beidâwi, Jallalo’ddin enz.).

40 Dat is: laat er eene gordijn tusschen u opgehangen zijn, of laat haar gesluierd wezen, terwijl gij met haar spreekt. Het doel van het eerste voorschrift was, om zich te vrijwaren van de onbeschaamdheid van lastige bezoekers; het doel van het tweede was, om eene te gemeenzame betrekking of vertrouwelijkheid tusschen zijne vrouwen en zijne volgelingen te voorkomen, werd, naar men zegt, in het leven geroepen, door dat de hand van een zijner volgelingen bij toeval die van Aïsha aanraakte, hetgeen den profeet eenigszins verstoorde (Al Beidâwi).

41 Zijnde óf haar, van welke hij zich gedurende zijn leven zal laten scheiden, óf na zijn dood zijne weduwen. Dit is een ander voorrecht den profeeet bijzonder eigen.

42 Zie Hoofdstuk XXIV, vers 31.

43 Deze woorden zijn tot de vrouwen van den profeet gericht.

44 Vanhier vermelden de Mahomedanen zelden zijn naam, zonder er bij te voegen: Op wien Gods zegen zij en vrede, of dergelijke woorden.

45 Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk groote doeken, gewoonlijk van wit linnen, waarmede de vrouwen in het Oosten, als zij uitgaan, zich van het hoofd tot de voeten bedekken.

46 De uitleggers komen niet overeen welke deze lastering geweest zij. Sommigen zeggen, dat Mozes gewoon was zich afzonderlijk te wasschen, weshalve eenige slechtgezinden uitstrooiden, dat hij eene breuk had (of, zeggen anderen, dat hij melaatsch of een hermaphrodiet was), en daarom het schuwde, zich met hen te wasschen. Maar God zuiverde hem van deze lastering, door den steen, waarop hij zijne kleederen had nedergelegd, met dezen naar het kamp te doen loopen, waar Mozes die naakt volgde. Op deze wijze zagen de Israëlieten de volkomen valschheid van het gerucht. Anderen veronderstellen, dat hier de beschuldiging van Karoen tegen Mozes wordt bedoeld. (Hoofdstuk XXVIII, vers 76), of wel de verdenking van Aärons moord, die op Mozes werd geworpen, omdat hij bij hem was toen hij op den berg Hor stierf. Hij werd echter omtrent dit laatste gerechtvaardigd, doordat de engelen het lijk brachten en het openbaar tentoonstelden, of, zooals sommigen zeggen, door de verklaring van Aäron zelven, die tot dat doel ten leven werd opgewekt (Jallalo’ddin, Al Beidâwi).

47 Sommige afschriften hebben abda in plaats van inda, tengevolge waarvan deze woorden zouden moeten vertolkt worden: En hij was een doorluchtig dienaar van God.

48 Door geloof wordt hier verstaan; geheele gehoorzaamheid aan Gods wet, die voorgesteld wordt als van zooveel belang (want eeuwige gelukzaligheid of ellende hangt geheel van hare nakoming of verwaarloozing af), en als zoo moeielijk in hare nakoming, dat, indien God hetzelfde op die voorwaarden aan de grootere deelen van de schepping zou voorstellen en zij verstand genoeg bezaten om het symbool te begrijpen, zij het zouden weigeren en geen plicht op zich zouden durven nemen, waarvan het niet vervullen door een zoo verschrikkelijken uitslag wordt gevolgd. Er wordt gezegd, dat de mensch het toch ondernam, niettegenstaande zijne zwakheid, en de gebreken hem van nature eigen. Sommigen beweren, dat dit voorstel niet hypothetisch is, maar werkelijk aan de hemelen, de aarde en de bergen werd gedaan, welke bij hunne eerste schepping met rede waren begaafd, en dat God hun zeide, dat hij eene wet had gemaakt en het paradijs had geschapen ter belooning van hen, die daaraan gehoorzaamden, en de hel tot straf van den ongehoorzame, waarop zij antwoordden, dat zij er mede tevreden waren, genoodzaakt te worden, de diensten te vervullen, waarvoor zij werden geschapen, maar dat zij niet zouden willen ondernemen de goddelijke wet op die voorwaarden te vervullen, en dus noch belooning noch straf verlangden. De verhalers van deze vertelling voegen er bij, dat, toen Adam werd geschapen, hem hetzelfde aanbod werd gedaan en hij het aannam (Jallalo’ddin, Al Beidâwi). De uitleggers geven echter andere uitleggingen van deze plaats.

49 Onrechtvaardig omtrent zich zelven, door het niet vervullen zijner verbintenissen en het gehoorzamen der wet, welke hij had aangenomen; en dwaas, daar het gevolg zijner ongehoorzaamheid en achteloosheid niet te overwegen is.