Dertigste Hoofdstuk.

De Grieken1.

Geopenbaard te Mekka.2.—60 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. A. L. M.3. De Grieken zijn door de Perzen overwonnen4 in een zeer nabij gelegen gedeelte van het land; maar na hunne nederlaag zullen zij de andere op hunne beurt5. 2. Binnen eenige jaren overwinnen. Aan God behoort de beschikking hierover, zoowel voor hetgeen voorbij is, als voor hetgeen komen zal. 3. Op dien dag zullen de geloovigen zich verblijden 4. In het voordeel door God verleend; want hij verleent goeden uitslag aan degene die hem behaagt, en hij is de Machtige, de Barmhartige. 5. Dit is de belofte van God: God zal niet in tegenspraak met zijne belofte handelen; maar het grootste deel der menschen kennen Gods waarachtigheid niet. 6. Zij kennen het uiterlijke aanzien van het tegenwoordige leven; maar zij zijn zorgeloos nopens het volgende leven. 7. Overdenken zij niet bij zich zelven, dat God de hemelen en de aarde, en ook alles wat daartusschen is, niet anders dan in waarheid heeft geschapen en voor hen een bepaald tijdvak aangewezen heeft? Waarlijk een groot aantal der menschen verwerpen het geloof aan hunne toekomstige ontmoeting van den Heer bij de opstanding. 8. Gaan zij niet over de aarde, en zien zij niet wat het einde was van degenen die hen voorafgingen? Deze overtroffen de bewoners van Mekka in kracht, braken de aarde open6 en woonden daar in grooteren overvloed en voorspoed dan zij; en hunne gezanten kwamen met duidelijke wonderen tot hen, en God was niet geneigd, hen onrechtvaardig te behandelen; maar zij mishandelden hunne eigene zielen door hun hardnekkig ongeloof. 9. En het einde van hen, die snood gehandeld hadden, was slecht, omdat zij Gods teekens van valschheid beschuldigden en bespotten. 10. God brengt schepselen voort en doet die daarna tot hem terugkomen. Tot hem zult gij wederkeeren. 11. En op den dag waarop het uur zal komen, zullen de zondaren stom van wanhoop worden. 12. Zij zullen geene tusschenpersonen hebben onder de afgoden welke zij met God vereenigen. En zij zullen de valsche goden verloochenen, welke zij met hem vereenigen. 13. Op den dag waarop het uur zal komen, zullen de ware geloovigen en de ongeloovigen gescheiden zijn. 14. En zij die geloofd en rechtvaardigheid uitgeoefend zullen hebben, zullen zich vermeien in een schoonen bloemgaard. 15. Maar wat hen betreft, die niet geloofd en onze teekens en de ontmoeting in het volgende leven verworpen zullen hebben, zij zullen aan de straf worden overgeleverd. 16. Verheerlijkt dus God als de avond u overvalt, en als gij des ochtends opstaat. 17. Hij zij geloofd in den hemel en op aarde, en bij zonsondergang en als gij des middags rust. 18. Hij brengt het levende uit het doode voort, en hij brengt het doode uit het levende voort7, en hij verkwikt de aarde, nadat die dood was. Evenzoo zult gij uit uwe graven worden voortgebracht. 19. Een zijner teekenen is, dat hij u van stof heeft geschapen; en, onthoudt het, gij zijt menschen geworden die over de oppervlakte der aarde zijn verspreid. 20. En een ander zijner teekenen is, dat hij u vrouwen uit u zelven heeft geschapen, opdat gij met haar zoudt samenwonen, en hij heeft liefde en teederheid tusschen u geplaatst. Waarlijk, hierin zijn teekenen voor hen die begrijpen. 21. Tot zijne teekenen behooren ook de schepping van de hemelen en de aarde, en de verscheidenheid uwer talen en uwe gelaatskleur. Waarlijk, hierin zijn teekenen voor menschen van verstand. 22. En tot zijne teekenen behooren uw slaap bij nacht en bij dag, en uwe pogingen om u van zijn overvloed te voorzien; waarlijk, hierin zijn teekens voor hen die luisteren. 23. Onder zijne teekens behoort ook, dat hij u den bliksem toont om schrik te verwekken, en hoop op regen te geven, en dat hij water uit den hemel nederzendt en daardoor de aarde verkwikt, nadat die stervende was. Waarlijk, hierin zijn teekenen voor hen die begrijpen. 24. En onder zijne teekenen is er een; namelijk dat de aarde en de hemel op zijn bevel stil staan. Als hij u hierna uit de ingewanden der aarde zal oproepen, zult gij daaruit voortkomen. 25. Aan hem zijn allen onderworpen die zich in de hemelen en op aarde bevinden; allen zijn hem gehoorzaam. 26. Hij is het die oorspronkelijk een schepsel voortbrengt en daarna weder tot hem terugvoert, en dit is hem zeer gemakkelijk. Hij eischt terecht de meest verheven vergelijking in den hemel en op de aarde8, en hij is de Machtige, de Wijze. 27. Hij stelt u vergelijkingen voor, aan u zelven ontleend. Hebt gij onder de slaven, welke door uwe rechterhand worden bezeten, een deelgenoot in het vermogen dat wij u hebben geschonken, zoodat gij daarvan gelijke bezitters met hen wordt, of dat gij hen vreest, zoo als gij elkander vreest9? Zoo leggen wij onze teekens duidelijk uit, voor hen die begrijpen. 28. Maar zij die onrechtvaardig handelen, door anderen naast God te plaatsen, volgen hunne eigene lusten zonder kennis; en wie zal degenen richten, welke God doet dwalen? Zij zullen niemand hebben om hem te helpen. 29. Weest dus godvruchtig en wendt uw aangezicht naar den waren godsdienst; de instelling van God, die den mensch heeft geschapen om haar te omhelzen. Er is geene verandering in hetgeen God heeft geschapen10. Dit is de ware godsdienst; maar het grootste deel der menschen weet het niet. 30. Weest tot hem gewend en vreest hem; zijt standvastig in het gebed, en dient geene afgoden. 31. Van hen die eene scheuring in hunnen godsdienst hebben gemaakt, en in verschillende secten zijn verdeeld, verblijdt iedere secte zich in hare eigen meening. 32. Als tegenspoed hen treft, roepen zij hunnen Heer aan, zich tot hem wendende; daarna als hij hun van zijne genade heeft doen proeven, vereenigt een deel van hen andere godheden met hunnen Heer. 33. Om zich ondankbaar te betoonen voor de gunsten, welke wij hun hebben geschonken. Verblijdt u dus in de ijdele vermaken dezer wereld; maar hierna zult gij de gevolgen kennen. 34. Hebben wij hun eenig gezag nedergezonden, dat van de valsche goden spreekt; welke zij met hem vereenigen11? 35. Als wij de menschen de weldaden der genade doen smaken, verblijden zij zich daarin; doch indien hun kwaad overkomt, om hetgeen hunne handen te voren hebben bedreven, wanhopen zij12. 36. Zien zij niet dat God een overvloedigen voorraad schenkt aan degenen die hem behagen en spaarzaam is naar zijn wil? 37. Geef hem, die met u verwant is, datgene wat gij hem in billijkheid verplicht zijt, en ook aan den arme en den vreemdeling; dit is beter voor hen die Gods aangezicht zoeken, en zij zullen voorspoed genieten. 38. Wat gij in woeker zult geven13, om het uwe met der menschen bezittingen te vergrooten, zal niet vergroot worden, dan door Gods zegen; maar wat gij aan aalmoezen geeft voor Gods zaak, daarvoor zult gij eene tweevoudige belooning ontvangen. 39. God is het die u geschapen en van voedsel voorzien heeft; daarna zal hij u doen sterven, en daarna zal hij u ten leven opwekken. Is er een uwer valsche goden, die in staat is het minste dezer dingen te doen? Geloofd zij hij en verre zij het van hem, wat zij met hem vereenigen. 40. Verderf14 is te land en ter zee verschenen, om de misdaden door menschenhanden bedreven; ten einde zij daardoor een deel der vruchten zouden proeven van hetgeen zij hebben gewrocht, opdat zij misschien van hunne slechte wegen zouden mogen terugkeeren. 41. Zeg: Ga over de aarde en zie wat het einde was van hen die voor u waren: het grootste deel hunner waren afgodendienaars. 42. Wend dus uw aangezicht naar den rechten godsdienst, alvorens de dag kome, dien niemand van God kan verwijderen. Op dien dag zullen zij in twee groepen worden gescheiden. 43. Die een ongeloovige mocht zijn geweest, zal de lasten van zijn ongeloof dragen, en die gedaan zullen hebben, wat recht is, zullen zich rustplaatsen in het paradijs spreiden; 44. Opdat hij van zijne overvloedige milddadigheid degenen mogen beloonen, die geloofd en rechtvaardig gehandeld zullen hebben; want hij bemint de ongeloovigen niet. 45. Onder zijne teekenen is er een: dat hij de winden zendt, welkome tijding dragende van regen, opdat hij u van zijne genade zou mogen doen proeven en opdat de schepen op zijn bevel mogen zeilen, en gij dankbaar wezen zoudt. 46. Vóór u zonden wij gezanten onder die verschillende volkeren; zij kwamen met duidelijke bewijzen tot hen en wij namen wraak op degenen die zondig handelden. Het was onze plicht de ware geloovigen te ondersteunen. 47. Het is God die de winden zendt, en de wolken doet oprijzen, deze naar zijn welbehagen in den hemel uitspreidt en naderhand verdrijft; en gij kunt den regen uit haar midden zien voortkomen, en als hij dien op degenen zijner dienaren uitgiet welke hem behagen, worden zij met vreugde vervuld. 48. Hoewel zij, voor hij hun werd nedergezonden en vóór dien troost, wanhopig waren. 49. Beschouw daarom de sporen van Gods genade hoe hij de aarde verkwikt na haren kwijnenden staat. Waarlijk, hij zal de dooden doen opstaan; want hij is almachtig. 50. Indien wij een verzengenden wind zonden, en zij zouden hun koren zien geel worden en verbranden, zouden zij zeker ondankbaar worden, in weerwil onzer vroegere gunsten. 51. Gij kunt de dooden niet doen hooren, noch kunt de dooven uwen kreet doen vernemen, als zij zich verwijderen en u hunne ruggen toewenden. 52. Ook kunt gij den blinde niet uit zijne dwaling leiden. Gij zult niemand hoorend maken, behalve hen die in onze teekenen gelooven; want deze zijn ons onderworpen. 53. Het is God die u vol zwakheid heeft geschapen, en u, na de zwakte, kracht heeft gegeven: maar na de kracht zal hij u wederom tot zwakte terugbrengen en tot grijze haren. Hij schept wat hem behaagt, en hij is de Wijze, de Machtige. 54. Op den dag waarop het laatste uur zal komen, zullen de zondaren willen zweren. 55. Dat zij niet langer dan een uur zijn gebleven15. Op dezelfde wijze spraken zij gedurende hunnen leeftijd leugens uit. 56. Maar zij aan wie kennis en geloof werd geschonken, zullen zeggen: Gij zijt gebleven, overeenkomstig Gods boek16, tot den dag der opstanding; maar gij wist het niet. 57.Op dien dag zal hunne verontschuldiging degenen niet helpen, die onrechtvaardig hebben gehandeld; ook zullen zij niet meer worden uitgenoodigd, zich bij God aangenaam te maken. 58. En thans hebben wij den mensch in dezen Koran vergelijkingen van allerlei aard voorgesteld; maar indien gij de ongeloovigen een vers daarvan brengt, zullen zij zekerlijk zeggen; Gij zijt slechts verkondigers van ijdele leugens. 59. Zoo heeft God de harten dichtgezegeld van hen die niet gelooven. 60. Maar gij, o Mahomet, volhard met standvastigheid; want God is waar, en laten niet zij u tot wankelen brengen, die geene zekere kennis bezitten.


1 Het oorspronkelijke woord is al Rum, waarmede hier de latere Grieken, of de onderdanen van het Konstantinopelsche rijk worden bedoeld. De Arabieren geven echter denzelfden naam aan de Romeinen en andere Europeanen.

2 Sommigen zonderen hiervan vers 17 uit.

3 Zie Hoofdstuk II, vers 1, noot.

4 De vervulling van de profetie vervat in deze plaats, die bij de Mahomedanen zeer beroemd is, wordt door hunne godgeleerden beschouwd als een overtuigend bewijs, dat de Koran werkelijk van den hemel nederkwam. Het zal daarom dan ook niet ondienstig zijn hierbij langer dan gewoonlijk stil te staan. Deze plaats wordt gezegd geopenbaard te zijn bij gelegenheid eener groote overwinning, door de Perzen op de Grieken behaald. Toen het bericht daarvan te Mekka aankwam werden de ongeloovigen uitermate overmoedig, en begonnen Mahomet en zijne volgelingen te mishandelen, zich verbeeldende, dat dit voordeel, behaald door de Perzen, die, gelijk zij zelven, afgodendienaars waren, en verondersteld werden geene schriften te bezitten, op de Christenen, die, evengoed als Mahomet beweerden één God te aanbidden en goddelijke schriften te bezitten, een begin was van hunne eigene, toekomstige overwinningen op den profeet en zijne volgelingen. Om deze ijdele hoop te keer te gaan, wordt hier in den tekst voorzegd, dat, hoe onwaarschijnlijk het ook moge zijn, de kans in eenige jaren zou verkeeren en de overwonnen Grieken op wonderdadige wijze over de Perzen zouden zegepralen. Dat deze profetie juist vervuld werd, vergeten de uitleggers niet te doen opmerken; doch zij komen niet geheel overeen in de verhalen welke zij van hare vervulling geven, daar het aantal jaren tusschen de twee voorvallen niet juist is uitgemaakt. Sommigen plaatsen de overwinning, door de Perzen behaald in het vijfde jaar voor de Hedjira, en hunne nederlaag door de Grieken in het tweede jaar daarna, toen de slag van Bedr plaats had (Jallalo’ddin, enz.) Anderen plaatsen het eerste wapenfeit in het derde of vierde jaar voor de hedjira en het laatste in het einde van het zesde of in het begin van het zevende jaar daarna, toen de expeditie naar al Hodaïbiïah werd ondernomen (Al Zamakhshari, Al Beidâwi.) Het tijdstip van de overwinning door de Grieken behaald, in het eerstgenoemde dezer verhalen opgegeven, is in tegenspraak met eene geschiedenis, welke door de uitleggers wordt verhaald van eene weddenschap door Aboe Bekr met Obba Ebn Khalf aangegaan, die zijne voorspelling bespottelijk maakte. Aboe Bekr verwedde eerst tien jonge kameelen, dat de Perzen binnen drie jaren eene nederlaag zouden lijden. Toen hij nu Mahomet verhaalde wat hij had gedaan, zeide de profeet hem, dat het woord bed, waarvan in deze plaats wordt gebruik gemaakt, geen bepaald getal jaren beteekent, maar een zeker getal van drie tot negen (eenigen veronderstellen dat het tiende jaar mede daaronder is begrepen), en ried hem dus aan, den tijd te verlengen, en de weddenschap grooter te maken, hetgeen hij dientengevolge aan Obba voorstelde. Zij besloten daarop, dat de bepaalde tijd negen jaren en de inzet der weddenschap honderd kameelen zou wezen. Alvorens deze tijd was verloopen, stierf Obba aan eene wonde, welke hij te Ohod had ontvangen, in het derde jaar der hedjira (Zie Hoofdstuk XXVI, vers 29, in de noot). Maar toen de gebeurtenissen daarna toonden, dat Aboe Bekr had gewonnen, ontving hij de kameelen van de erfgenamen van Obba en bracht die in zegepraal naar Mahomet (Al Beidâwi, Jallalo’ddin enz.). De geschiedenis leert ons dat de overwinningen van Khosroe Parvis, of den Edelmoedigen (590–628) koning van Perzië, die een vreeselijken oorlog tegen het Grieksche rijk onderhield, om den dood van Maurits, zijn schoonvader te wreken, die door Phocas was gedood, zeer groot waren en elkander in eene onafgebroken reeks van tweeëntwintig jaren opvolgden. Vooral in het jaar 615 na Christus, tegen het begin van het zesde jaar voor de hedjira, maakten de Perzen, die in het voorafgaande jaar Syrië hadden verwonnen, zich meester van Palestina en namen Jeruzalem in. Dit schijnt het groote voordeel te zijn op de Grieken behaald, als het best overeenkomende met de uitdrukkingen hier gebruikt, en het meeste geschikt, de Arabieren door de nabijheid van het tooneel des voorvals te verontrusten. Op dien tijd was er bovendien zoo weinig waarschijnlijkheid, dat de Grieken in staat zouden wezen, hunne verliezen te herwinnen, en veel minder de Perzen nadeel toe te brengen, dat de wapenen der laatstgenoemden nog meer en aanzienlijker vorderingen maakten, en zij eindelijk zelfs het beleg voor Konstantinopel sloegen. Maar in het jaar 625 waarin het vierde jaar van de hedjira begon, omstreeks tien jaren na de inneming van Jeruzalem behaalden de Grieken, toen dit het allerminst werd verwacht, eene belangrijke overwinning op de Perzen en dwongen hen, niet alleen het grondgebied des rijks te verlaten, door den krijg in hun eigen vaderland over te brengen, maar dreven hen tot het uiterste punt en plunderden de groote stad al Madayen. Heraclius mocht zich van toen af in eene aanhoudende reeks van voordeelen verblijden, tot de aftreding en den dood van Kosroe. Overigens verwijzen wij naar de historieschrijvers en chronologen. (Zie Asseman, Bibl. Orient. t. 3 part 1, p. 411 enz. en Boulainy. Vie de Moham, p. 333, enz.)

5 Sommige uitleggers veronderstellen, dat het hier bedoelde land, Arabië of wel dat der Grieken is, en plaatsen het tooneel van dit voorval op de grenzen van Arabië en Syrië, nabij Bostra en Adhradt (Yahya, Al Beidâwi). Anderen gelooven dat hier het land van Perzië wordt bedoeld, en plaatsen het voorval in Mesopotamië, op de grenzen van dat koninkrijk (Mojahed op Zamakhsh.), maar Ebn Abbas denkt met meer waarschijnlijkheid, dat het Palestina was.

6 Om naar water en mineralen te graven en den grond te beploegen, ten einde daarop te zaaien enz.

7 Zie Hoofdstuk III, vers 27.

8 Dat is: als wij van hem spreken, moeten wij gebruik maken van de edelste en heerlijkste uitdrukkingen, welke wij slechts in staat zijn uit te denken.

9 Zie Hoofdstuk XVI, vers 77.

10 Zijnde de onveranderlijke natuurwet, waarop alles berust; welke de mensch van nature geneigd is op te volgen, en welke iedereen, als het meest geschikt voor een redelijk wezen, zou willen omhelzen.

11 Dat is: hebben wij ooit, hetzij, door den mond van een of anderen profeet, of door eene geschreven openbaring, de aanbidding van meer dan één god bevolen of aangemoedigd.

12 En zoeken Gods gunst niet ten gepasten tijde door berouw te herwinnen.

13 Of door omkooping. Het woord bevat alle afpersing of ongeoorloofde winst.

14 Zijnde: ongeluk en openbare ramp, zooals: honger, pest, droogte, schipbreuken enz., of dwaalbegrippen, of eene algememene verdorvenheid van zeden enz.

15 Zijnde in de wereld of in hunne graven. Zie Hoofdstuk XXIII, vers 115.

16 Dat is overeenkomstig zijne voorkennis en zijn besluit in de bewaarde tafels; overeenkomstig hetgeen in den Koran is gezegd, waar de staat des doods door deze woorden is uitgedrukt (Hoofdstuk XXIII, vers 102). Achter hen zal een hek (of slagboom) zijn, tot den dag der opstanding (Al Beidâwi).

Een en Dertigste Hoofdstuk.

Lokman.1

Gegeven te Mekka2—34 verzen.

In den naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. A. L. M. Dit zijn de teekens van het wijze boek. 2. Eene leiding en eene genade voor de rechtvaardigen. 3. Die de tijden voor het gebed bepaald in acht nemen, aalmoezen geven en vast overtuigd zijn van het toekomstige leven. 4. Deze worden door hunnen Heer geleid en zullen voorspoed genieten. 5. Er is een man die een beuzelachtig verhaal voortplant3, om de menschen zonder kennis van Gods weg af te leiden, en hem te doen bespotten. De zoodanigen zullen eene schandelijke straf ondergaan. 6. En als hem onze teekenen worden medegedeeld, keert hij zich met verachting af, als hoorde hij die niet, en als ware er eene doofheid in zijne ooren. Kondig hem dus eene gestrenge straf aan. 7. Maar zij die gelooven en rechtvaardigheid uitoefenen, zullen tuinen des vermaaks genieten. 8. Eeuwig zullen zij daarin verblijven. Dit is de zekere belofte van God; en hij is de Machtige, de Wijze. 9. Hij heeft de hemelen geschapen, zonder zichtbare zuilen om die te ondersteunen, en vastgewortelde bergen op de aarde geplaatst opdat zij zich niet met u zoude bewegen4, en hij heeft haar met alle soorten van dieren bevolkt: en wij zenden regen van den hemel neder, en doen allerlei soorten van edele gewassen daarop voortspruiten. 10. Dit is de schepping van God: toont mij nu wat zij geschapen hebben, welke naast hem worden aangebeden? Waarlijk, de goddeloozen verkeeren in eene duidelijke dwaling. 11. Daarom schonken wij wijsheid aan Lokman5 en geboden hem, zeggende: Wees God dankbaar; want wie dankbaar is, zal in het voordeel van zijn eigen ziel wezen, en indien iemand ondankbaar mocht zijn, waarlijk, dan volstaat God voor zich zelven; en hij is waardig geprezen te worden. 12. En gedenk, toen Lokman tot zijn zoon zeide, terwijl hij hem vermaande: O mijn zoon! geef God geen deelgenoot; want het veelgodendom is eene groote snoodheid. 13. Wij hebben den mensch bevelen gegeven nopens zijne ouders6, (zijne moeder bewaarde hem in haren boezem met zwakheid en smart, en hij wordt na twee jaren gespeend), zeggende: Wees dankbaar jegens mij en jegens uwe ouders: Tot mij zullen allen komen om geoordeeld te worden. 14. Maar indien uwe ouders trachten, u datgene met mij te doen vereenigen, waarvan gij geene kennis hebt, gehoorzaam hen niet: houd hun gezelschap in deze wereld, in hetgeen redelijk mocht wezen, maar volg den weg van hem, die zich oprechtelijk tot mij wendt7. Daarna zult gij tot mij terugkeeren, en dan zal ik verklaren wat gij hebt bedreven. 15. O mijn zoon! waarlijk, iedere zaak, hetzij die goed of kwaad zij, hetzij die de zwaarte van een korrel mostaardzaad hebbe en in eene rots, of in de hemelen of in de aarde zij verborgen, zal door God aan het licht worden gebracht; want God is helderziende en alwetend. 16. O mijn zoon! wees standvastig in het gebed, en beveel wat rechtvaardig is; verbied het kwade en wees geduldig onder de rampen die u zullen treffen: want dit is een volstrekt noodzakelijke plicht voor alle menschen. 17. Verwring uw aangezicht niet tot verachting der menschen, noch wandel onbeschaamd over de aarde; want God bemint den verwaanden, den ingebeelden mensch niet. 18. Wees gematigd in uwe schreden en verzacht uwe stem; want de onaangenaamste van alle stemmen is zekerlijk de stem van ezels8. 19. Ziet gij niet dat God alles, wat in den hemel en op aarde is, aan uwen dienst heeft onderworpen, en zijne gunsten overvloedig over u heeft uitgestort, zoowel uit- als inwendig9? Er zijn sommigen, die zonder kennis en zonder eene leiding, en zonder een voorlichtend boek nopens God twisten. 20. En als er tot hen wordt gezegd: Volgt wat God heeft geopenbaard, antwoorden zij: Neen! wij zullen volgen wat wij hebben bevonden dat onze vaderen deden. Maar wat! ofschoon de duivel hen tot de marteling der hel noodigt? 21. Die zich aan God onderwerpt en rechtvaardigheid uitoefent houdt zich aan een sterk handvatsel vast en Gode behoort de uitkomst van alle dingen. 22. Maar wie een ongeloovige is, laat diens ongeloof u niet bedroeven; tot ons zullen zij terugkeeren; dan zullen wij hun verklaren, wat zij gedaan hebben; want God kent de binnenste gedeelten van de borst der menschen. 23. Wij zullen hun deze wereld voor een korten tijd doen genieten; daarna zullen wij hen tot een strenge straf voeren. 24. Indien gij hun vraagt, wie de hemelen en de aarde heeft geschapen, zullen zij zekerlijk antwoorden: God. Zeg: God zij geloofd! maar het grootste deel hunner begrijpt het niet. 25. Aan God behoort alles wat in den hemelen op aarde is; want God is de Almachtige, de Prijzenswaardige. 26. Indien alle boomen die zich op de aarde bevinden, pennen waren, en hij zou daarna de zee tot zeven zeeën van inkt doen opzwellen, zouden Gods woorden niet uitgeput zijn10; want God is almachtig en wijs. 27. Uwe schepping en uwe opstanding zijn hem slechts als de schepping en de opstanding van ééne ziel11. Waarlijk, God hoort en ziet alles. 28. Ziet gij niet, dat God den dag door den nacht doet vervangen, en den dag aan den nacht doet opvolgen, en de zon en de maan dwingt u te dienen? Ieder dezer lichten legt zijne baan gedurende een bepaald tijdvak af, en God is wel bekend met hetgeen gij doet. 29. Dit laat zich verklaren door de goddelijke kennis en macht, omdat God het ware wezen is, en omdat alles wat gij naast hem aanroept, ijdel is, en omdat God de verhevene, de groote God is. 30. Ziet gij niet, dat de schepen door de gunst van God de zee bevaren, opdat hij u zijne teekenen zou kunnen toonen. Waarlijk, hierin zijn teekens voor ieder geduldig en dankbaar mensch. 31. Als de golven hen bedekken, zooals schaduw afwerpende wolken, roepen zij God aan, en bekeeren zich tot den zuiveren godsdienst: maar als hij hen ongedeerd aan land brengt, zijn er van hen, die tusschen het ware geloof en de afgoderij twijfelen. Niemand verwerpt echter onze teekenen, behalve de trouweloozen en de ondankbaren. 32. O menschen! vreest uwen Heer, en ducht den dag, waarop de vader geene voldoening hoe gering ook, voor zijnen zoon, noch een zoon voldoening voor zijnen vader zal kunnen geven. 33. Zekerlijk, de belofte van God is waar. Laat het tegenwoordige leven u dus niet misleiden, en laat de bedrieger12 u niet omtrent God verblinden. 34. Waarlijk, de kennis van het uur des oordeels is bij God, en hij doet den regen op zijn eigen, bepaalden tijd nederdalen, en hij weet, wat zich in den schoot der vrouwen bevindt. Geene ziel weet, wat zij morgen zal winnen en geene ziel weet in welk land zij zal sterven13; maar God is wijs en volkomen bekend met alle dingen.


1 Dit Hoofdstuk is aldus genoemd naar den persoon, die in het 11e vers wordt vermeld.

2 Sommigen zonderen hiervan echter het 3e vers uit, en anderen de drie verzen 26–28.

3 Zijnde ijdele en dwaze fabels. Men zegt, dat deze plaats werd geopenbaard met het oog op al Nodar Ebn al Hareth, die, den roman van Rostam en Isfandiyar uit Perzië hebbende medegebracht, tot welk land die beide helden behoorden, dezen in de vergadering der Koreïshieten zong; daarbij de macht en heerlijkheid der oude Perzische koningin hoogelijk roemende, en hunnen verhalen de voorkeur gevende, boven die van Ad en Thamoed, David en Salomo en de overige, welke in den Koran worden medegedeeld. Sommigen zeggen, dat al Nodar zingende meisjes kocht en die aan degenen deed brengen, welke neiging hadden Moslems te worden, ten einde hen door gezangen en verhalen van hunne bedoelingen af te brengen (Al Beidâwi.).

4 Zie Hoofdstuk XVI, vers 15. Een geleerd schrijver (Gol in Append. ad Erpinii Gram. p. 187) zegt, in zijne aanteekeningen op deze plaats, dat het woord rawasiya, hetgeen door de uitleggers in het algemeen als onbewegelijke bergen wordt wedergegeven, (eigenlijk het Hebreeuwsch woord מכוניה zijnde) grondslagen of basis beteekent. Genoemde schrijver is dientengevolge van oordeel, dat de Koran hier de plaats uit de Psalmen heeft overgenomen, luidende: Hij legde de grondslagen der aarde, opdat die in eeuwigheid niet zou wankelen (Psalm CIV : 5). Dit is het eenige bewijs niet, dat men zou kunnen geven, dat Mahomedaansche godgeleerden niet altijd de beste vertolkers hunner schriften zijn.

5 De Arabische schrijvers zeggen, dat Lokman de zoon was van Baüra, de zoon of kleinzoon van een zuster of tante van Job en dat hij eenige eeuwen, tot den tijd van David leefde, met wien hij in Palestina verkeerde. Volgens de beschrijving welke zij van dezen persoon geven, moet hij zeer misvormd zijn geweest. Zij zeggen namelijk, dat hij een zwarte huid had (vanwaar sommigen hem voor een Ethiopiër houden), met dikke lippen en gespleten voeten. Daarentegen ontving hij van God wijsheid en welsprekendheid in een hoogen graad, welke hem, volgens sommigen, in een visioen werden gegeven, waarbij hij de wijsheid boven de gave der profetie verkoos, welke hem beide werden aangeboden. Algemeen houden hem de Mahomedanen daardoor niet voor een profeet maar alleen voor een wijs man. Wat zijn stand betreft, zeggen zij, dat hij een slaaf was, maar dat hij zijne vrijheid bij de volgende gelegenheid verkreeg: Zijn meester gaf hem eens eene bittere meloen te eten, en hij betoonde daarbij zooveel gehoorzaamheid dat hij de vrucht geheel opat, waarop de meester zich zeer verwonderde en hem vroeg: Hoe hij zulk eene vrucht kon eten? Hij antwoordde daarop, dat het geen wonder was, dat hij eens eene bittere vrucht aannam uit dezelfde hand, van welke hij zoovele gunsten had ontvangen. (Al Zamakhsh, Al Beidâwi, enz. Zie d’Herbel, Bibl. Orient, p 516 en Marracc, in Alc. p. 547). De uitleggers vermelden verschillende snedige antwoorden, die door Lokman zouden zijn gegeven, en welke, gevoegd bij de boven vermelde omstandigheden, zoo zeer overeenkomen met hetgeen Maximus Planudes van Esopus heeft geschreven, dat daarom, en ook door de fabelen, welke door de Oosterlingen aan Lokman worden toegeschreven, de laatste algemeen is aangenomen de Esopus der Grieken te zijn geweest. Desniettegenstaande is Sale van oordeel, dat Planudes een groot deel van zijn leven van Esopus aan de overleveringen heeft ontleend, welke hij in het Oosten nopens Lokman ontmoette, daaruit afleidende, dat zij één persoon vormden, omdat zij beiden slaven waren en verondersteld worden, de schrijvers te zijn van de fabelen, welke onder hunne verschillende namen doorgaan, en veel op elkander gelijken. Het is toch reeds voorlang door geleerden opgemerkt, dat het grootste deel van dit verhaal van den monnik Planuder, een samengeflanste roman is, welke door geen bewijs der oude schrijvers wordt gestaafd (Zie vie d’Esope par M. de Meziriac Bayle, Dict. Historique, Art Esope Rem. B.).

6 De plaats vers 13 en 14 maken geen deel uit van den raad van Lokman aan zijn zoon, maar zijn er, bij wijze van tusschenzin, aan toegevoegd, als zeer passend en geschikt om hier te worden herhaald, ten einde het verfoeielijke der afgoderij aan te toonen. Die woorden zijn (behalve eenige bijvoegingen) in Hoofdstuk XXIX, vers 7 te vinden en werden oorspronkelijk geopenbaard wegens Saad Ebn Abi Wakkas, Wiens moeder hem weder van den Islam wilde terugbrengen.

7 De persoon hier eigenlijk bedoeld, was Aboe Bekr, door wiens aanraden Saad een Moslem werd.

8 De Arabieren vergelijken namelijk eene luide en onaangename stem bij het balken van dat dier.

9 Zijnde: alle soorten van zegeningen, die zoowel den geest als het lichaam betreffen.

10 Men zegt dat deze plaats werd geopenbaard ter beantwoording van de Joden, die volhielden, dat alle kennis in de wet was bevat (Al Beidâwi).

11 Daar God in staat is een millioen werelden voort te brengen door het enkele woord Kun, zijnde: Wees! en de dooden allen te doen verrijzen door het enkele woord Kum, d.i. Rijst op!

12 Zijnde de duivel.

13 Op deze plaats worden vijf zaken opgeteld, welke God alleen kent; zijnde; de tijd van den dag des oordeels, de tijd van den regen, of hetgeen zich in den schoot vormt, tot het mannelijke of het vrouwelijke geslacht behoort, enz., wat morgen zal geschieden en waar iemand zal sterven. Dit noemen de Arabieren, overeenkomstig eene overlevering van hunnen profeet, de vijf sleutels van verborgen kennis. Men zegt dat deze plaats door Al Hareth Ebn Amroe werd veroorzaakt, die aan Mahomet vragen van dien aard voorstelde. Omtrent de laatste bijzonderheden geeft Al Beidâwi het volgende verhaal: De engel des doods ging eens in een zichtbaren vorm Salomo voorbij. De engel zag iemand aan, die bij hem zat, waarop deze vroeg, wie hij was. Salomo herkende hem als den engel des doods, waarop de man zeide: Hij schijnt mij te verlangen; beveel dus den wind mij van hier naar Indië over te brengen. Toen dit volvoerd was zeide de engel tot Salomo: Ik zag dien man zoo ernstig aan, uit verwondering, omdat mij bevolen was zijne ziel uit Indië te halen, en ik hem hier met u in Palestina vond.