In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. T. S. Dit zijn de teekenen van den Koran en van het duidelijke boek. 2. Eene leiding en goede tijding voor de ware geloovigen. 3. Die hun gebed geregeld verrichten en aalmoezen geven, en vast in het volgend leven gelooven. 4. Wat hen betreft, die niet in het volgende leven gelooven, wij hebben hunne werken voor hen gereed gemaakt2, zij zullen door verbazing getroffen worden, over hunne teleurstelling, als zij weder zullen worden opgewekt. 5. Zij zijn het, welken eene strenge straf in dit leven en in het toekomstige wacht: zij zullen de ongelukkigsten zijn. 6. Gij hebt den Koran voorzeker van een wijzen en alwetenden God ontvangen. 7. Gedenk, toen Mozes tot zijn gezin zeide: Waarlijk, ik bemerk vuur, ik zal u tijdingen daarvan brengen, of ik zal u een brandend hout daarvan brengen, ten einde u te verwarmen3. 8. En toen hij nabij het vuur was gekomen, riep hem eene stem toe: Gezegend hij, die in, en hij die nabij het vuur is4, en geloofd zij God, de Heer van alle schepselen! 9. O Mozes! waarlijk, ik ben God, de machtige, de wijze. 10. Werp thans uwen staf neder. En toen hij zag dat deze zich bewoog als ware die eene slang, week hij achteruit en vlood, en keerde zich niet om. En God zeide: O Mozes! vrees niet; want mijne gezanten hebben niets van mij te duchten. 11. Behalve hij die onrechtvaardig zal hebben gehandeld; maar voor wien daarna kwaad door goed zal hebben vervangen, ben ik genadig en barmhartig5. 12. Steek uwe hand in uwe borst, en uwe hand zal wit en ongedeerd te voorschijn komen; dit zal een der negen teekenen6 voor Pharao en zijn volk wezen; want zij zijn zondaren. 13. En toen onze zichtbare teekenen tot hen waren gekomen, zeiden zij: Dit is duidelijke tooverij. 14. En zij loochenden deze, uit onrechtvaardigheid en trotschheid, hoewel hunne zielen zekerlijk wisten, dat die van God waren; maar gedenk, wat het einde der zondaren was. 15. Wij schonken vroeger verstand aan David en Salomo, en zij zeiden: Geloofd zij God, die ons boven zoo menige zijner geloovige dienaren heeft doen uitmunten! 16. En Salomo was David’s erfgenaam7, en hij zeide: O menschen! men heeft ons geleerd, de taal der vogelen te verstaan8, en alles werd ons geschonken; dit is een duidelijk teeken van Gods gunst. 17. En Salomo’s legers werden onder hem vergaderd, bestaande uit geniussen, menschen en ook vogelen; en zij werden in verschillende troepen gerangschikt. 18. Toen zij in de vallei der mieren kwamen9, zeide eene mier, toen zij de heirscharen zag naderen: O, mieren! gaat in uwe woningen, opdat Salomo en zijn leger u niet onder den voet trede, zonder het te bemerken. 19. En Salomo glimlachte op die woorden, en zeide: O Heer! geef dat ik dankbaar zij voor uwe gunst, waarmede gij mij en mijne vaderen hebt begunstigd, en dat ik moge doen wat recht is en u behaagt; en leid mij door uwe genade in het paradijs, onder uwe dienaren, de rechtvaardigen. 20. En hij zag de vogelen en hij zeide: Wat is de reden dat ik de kievit niet zie10? Is hij afwezig? 21. Waarlijk, ik zal hem straffen met eene strenge kastijding11, of ik zal hem dooden, tenzij hij mij eene gegronde verontschuldiging make. 22. En het duurde niet lang, voor hij zich aan Salomo vertoonde, en zeide: Ik heb eene plaats gezien, welke gij niet gezien hebt, en ik kom tot u van Saba, met zeker nieuws. 23. Ik vond eene vrouw12, die daar regeerde, die voorzien is van alles, wat begeerlijk is voor een vorst, en een prachtigen troon heeft13. 24. Ik vond dat zij en haar volk de zon naast God aanbaden, en Satan heeft hunne werken in hunne oogen goed doen schijnen, en hen van den weg der waarheid afgeleid (waardoor zij niet recht geleid worden). 25. Opdat zij God niet zouden aanbidden, die aan het licht brengt wat in den hemel en op aarde is verborgen, en kent wat zij verbergen en wat zij ontdekken. 26. God! Er is geen God buiten hem, den Heer van den grootschen troon. 27. Salomo zeide: wij zullen zien of gij de waarheid hebt gesproken, dan of gij een leugenaar zijt. 28. Gaat met dezen brief van mij en werp dien onder hen neder; wend u daarna van hen af en wacht, om te weten, welk antwoord zij zullen geven. 29. En toen de koningin van Saba den brief had ontvangen14, zeide zij: O edelen! waarlijk, mij is een eervolle brief overgebracht. 30. Hij is van Salomo, en dit is de inhoud: In den naam van den barmhartigsten God. 31. Staat niet op tegen mij, maar komt en geeft u aan mij over15. 32. Zij zeide: O edelen! raad mij in mijne zaak, ik wil omtrent niets besluiten, tenzij gij getuige daarvan zijt en het goedkeurt. 33. De edelen antwoordden: Wij zijn met sterkte begiftigd, en met groote dapperheid in den oorlog; maar het bevel komt u toe: weet dus wat gij wilt bevelen16. 34. Zij zeide: Waarlijk, als de koningen eene stad met geweld binnentrekken, plunderen zij die en vernederen hare machtigste inwoners en zoo zullen dezen met ons handelen. 35. Maar ik zal hun geschenken zenden, en ik zal wachten, om de nadere inlichtingen te vernemen, welke degenen zullen terugbrengen, die derwaarts worden afgezonden. 36. En toen de gezant der koningin tot Salomo kwam17, zeide de vorst: Wilt gij mij met rijkdommen beschenken? Waarlijk, hetgeen God mij heeft gegeven, is beter dan hetgeen hij u heeft geschonken. Uwe geschenken maken u ijdel18. 37. Keer tot het volk van Saba terug. Wij zullen zekerlijk met strijdkrachten tot hen komen, welke zij niet in staat zullen zijn tegenstand te bieden, en wij zullen hen vernederd uit hunne stad drijven, en zij zullen tot schande gebracht worden. 39. En Salomo zeide: O edelen! wie wil mij haren troon brengen, alvorens zij kome en zich aan mij overgeven? Een vreeselijke genius19 antwoordde: Ik zal u dien brengen, voor gij van uwe plaats opstaat20: want ik ben instaat het te volvoeren, en ik ben getrouw; 40. En een ander, die de kennis der schriften bezat21, zeide; Ik zal u dien in een oogwenk brengen22. En toen Salomo den troon voor zich zag geplaatst, zeide hij: Dit is eene gunst van mijn Heer, om mij te beproeven, of ik dankbaar of ondankbaar zal zijn, en hij die dankbaar is, is dankbaar in zijn eigen voordeel; maar indien iemand ondankbaar is, waarlijk, dan is mijn Heer zelfgenoegzaam en milddadig. 41. En Salomo zeide tot zijne dienaren: Verandert haren troon, dat zij dien niet herkenne, opdat wij mogen zien, of zij op den rechten weg wordt geleid, of dat zij tot hen behoort, die niet op den rechten weg worden gevoerd. 42. En toen zij tot Salomo was gekomen23, zeide men tot haar: Is uw troon gelijk aan dezen? Zij antwoordde: Men zou zeggen dat hij dezelfde was. En ons werd vóór haar de kennis geschonken, en wij waren aan God onderworpen24. 43. Maar datgene wat zij buiten God aanbad, heeft haar van de waarheid afgeleid; want zij behoorde tot een ongeloovig volk. 44. Men zeide tot haar: Treed het paleis binnen25, en toen zij het zag, dacht zij dat het een groot water was, en zij ontblootte hare beenen, door haar kleed op te lichten, om het te doorwaden26. Daarop zeide Salomo tot haar: Waarlijk, dit is een paleis met glas geplaveid. 45. Daarop zeide de koningin: O Heer! waarlijk, ik heb onrechtvaardig met mijne eigene ziel gehandeld en ik onderwerp mij met Salomo aan God, den Heer van alle schepselen27. 46. Zoo zonden wij ook vroeger tot den stam van Thamoed hun broeder Saleh, die tot hen zeide: Dient God. En ziet, zij werden in twee gedeelten gescheiden, die met elkander twistten28. 47. Saleh zeide: O mijn volk! waarom verhaast gij het kwade veeleer dan het goede29? Weshalve smeekt geen vergiffenis, van God, opdat gij genade moogt erlangen: gij zijt anders verloren. 48. Zij antwoordden: Wij voorzien kwaad van u en die met u zijn. Saleh hernam: Het kwaad dat gij voorspelt, hangt van God30 af, maar gij zijt een volk, dat beproefd wordt, door eene wisseling van voor- en tegenspoed. 49. En er waren negen menschen in de stad, die schandelijk op de aarde handelden en zich in niets met rechtschapenheid gedroegen. 50. Deze zeiden tot elkander: Zweert wederkeerig bij God, dat wij Saleh en zijn gezin des nachts zullen overvallen, en daarna zullen wij tot dengeen zeggen, die het recht heeft zijn bloed te wreken: Wij waren volstrekt niet tegenwoordig bij de uitroeiing van zijn gezin: en wij spreken de waarheid. 51. En zij vormden eene samenspanning tegen hen en zij bemerkten het niet. 52. En zie, wat was de uitkomst van hunne listen31: wij verdelgden hen geheel en al hun volk 53. En deze hunne woningen blijven ledig, om de onrechtvaardigheid, welke zij hebben bedreven. Waarlijk, hierin is een teeken voor hen die begrijpen. 54. En wij bevrijdden hen, die geloofden en God vreesden. 55. En gedenk Lot, toen hij tot zijn volk zeide: Begaat gij eene zonde, hoewel gij de verfoeielijkheid daarvan ziet? 56. Nadert gij vol lusten de mannen en verlaat gij de vrouwen? 57. Maar het antwoord van zijn volk was niet anders dan dat zij zeiden: Drijft het gezin van Lot uit uwe stad; want zij zijn menschen, die zich rein houden van de daden, welke gij bedrijft. 58. Daarom bevrijdden wij hem en zijn gezin, behalve zijne vrouw, omtrent welke wij besloten, dat zij een van hen zou zijn, die achter zouden blijven om verdelgd te worden. 59. En wij deden eene bui van steenen op hen nederregenen; en vreeselijk was de bui, die neerviel op hen, welke te vergeefs waren gewaarschuwd geworden32. 60. Zeg: Geloofd zij God en vrede op zijne dienaren, welke hij gekozen heeft! Is God meer waard, of de valsche goden, welke zij met hem vereenigen? 61. Moet niet hem de voorkeur worden gegeven, die de hemelen en de aarde heeft geschapen, en regen uit den hemel voor u nederzendt, waardoor wij heerlijke tuinen doen voortspruiten? Het is niet in uwe macht, de boomen daarvan te doen opgroeien. Is er een andere god deelgenoot met den eenigen God? Waarlijk, het is een volk, dat van de waarheid afwijkt. 62. Is niet hij waardiger te worden aangebeden, die de aarde heeft opgericht en rivieren in haar midden heeft doen vloeien, en onbeweegbare bergen daarop heeft geplaatst en eene afscheiding tusschen de twee zeeën heeft gesteld33. Of is er eene andere god, die gelijk is aan den eenigen God? Maar het grootste gedeelte van hen overdenkt niet. 63. Is niet hij de waardigste, die den bedroefde verhoort34 als hij hem aanroept, en het kwade wegneemt, dat hem bedroeft, en die u tot de opvolgers uwer voorvaderen op de aarde heeft gemaakt? Hoe weinigen beschouwen deze dingen. 64. Is niet hij de waardigste, die u leidt op de donkere paden des lands en der zee, en die de winden zendt, welke de wolken voortdrijven als de voorboden zijner genade35! Is er een andere god die met den eenigen God gelijk kan worden gesteld? Verre zij het van God, de deelgenooten zijner macht te hebben, welke gij met hem vereenigt. 65. Is niet hij de waardigste, die een schepsel voortbrengt en het na den dood weder opwekt, en die u voedsel van hemel en aarde geeft? Is er, bij den waren God een andere god, die dit doet? Zeg: Geef uw bewijs daarvoor, indien gij de waarheid spreekt. 66. Zeg: Niemand, in den hemel, of op aarde kent wat verborgen is behalve God. Ook begrijpen zij niet. 67. Wanneer zij zullen worden opgewekt. 68. En toch hebben zij door hunne kennis eenig begrip van het volgende leven; maar zij verkeeren daaromtrent in eene onzekerheid; ja, zij zijn blind, nopens de wezenlijke omstandigheden daarvan. 69. En de ongeloovigen zeggen: Als wij en onze vaderen in stof zullen zijn veranderd, zullen wij dan levend het graf ontstijgen? 70. Waarlijk, wij zijn vroeger daarmede bedreigd, zoowel wij als onze vaderen. Dit zijn slechts fabelen van de ouden. 71. Zeg tot hen: Gaat over de aarde, en ziet wat het einde der zondaren was. 72. En weest niet bedroefd om hen: voedt volstrekt geene ongerustheid over de listen welke zij tegen u zullen uitdenken. 73. En zij zullen zeggen: Wanneer zal deze bedreiging worden vervuld; zeg, indien gij de waarheid spreekt? 74. Antwoord: Misschien zal een deel der straf, welke gij verlangt dat verhaast zal worden, dicht achter u volgen. 75. Waarlijk, de Heer is vol lankmoedigheid omtrent den mensch; maar het grootste gedeelte hunner is niet dankbaar. 76. Waarlijk, uw Heer kent wat hunne borsten verbergen en wat zij ontdekken; 77. En er is niets in den hemel of op de aarde verborgen, of het is in een duidelijk boek opgeschreven. 78. Waarlijk, deze Koran verklaart aan de kinderen Israëls het meerendeel der punten waaromtrent zij verschillen. 79. En het is zekerlijk eene leiding en eene genade voor de ware geloovigen. 80. Uw Heer zal den strijd tusschen hen door zijn eind-vonnis beslissen, en hij is de Machtige, de Wijze. 81. Stelt dus uw vertrouwen in God; want gij steunt op de duidelijke waarheid. 82. Waarlijk, gij zult de dooden niet hoorende maken, noch zult gij de dooven uwe oproeping tot het ware geloof doen hooren, als zij zich verwijderen en u hunne ruggen toewenden. 83. Ook zult gij de blinden er niet toe brengen zich uit hunne dwaling te redden. Gij zult u door niemand doen hooren, behalve door hen die in onze teekenen gelooven, en deze zijn geheel aan ons onderworpen. 84. Als bet oordeel gereed zal zijn om op hen neder te komen, zullen wij een dier36 uit de aarde doen voortkomen dat tot hen zal spreken37: Waarlijk, de menschen gelooven niet vast in onze teekenen. 85. Op den dag der opstanding zullen wij uit ieder volk degenen verzamelen, die onze teekenen van valschheid zullen hebben beschuldigd; zij zullen verhinderd worden zich onder elkander te mengen. 86. Tot zij op de plaats des oordeels zullen aangekomen zijn. En God zal tot hen zeggen: Hebt gij mijne teekens van valschheid beschuldigd, hoezeer gij die met uwe kennis niet begrijpt? Of welke beweegreden hebt gij om aldus te handelen? 87. En het vonnis der verdoemenis zal op hen nederkomen, omdat zij onrechtvaardig hebben gehandeld, en zij zullen geen woord tot hunne verontschuldiging spreken. 88. Zien zij niet dat wij den nacht hebben ingesteld, opdat zij daarin zouden rusten, en den dag, die een groot licht geeft, om te arbeiden. Waarlijk, hierin zijn teekenen voor hen die gelooven. 89. Op dien dag zal de trompet klinken, en allen die in den hemel en op de aarde zijn, zullen met schrik worden getroffen, behalve zij, wie het Gode behagen zal daarvan uit te zonderen38, en allen zullen zij in eene nederige houding voor hem komen. 90. En gij zult de bergen zien, en gij zult u verbeelden dat zij stevig zijn bevestigd; maar zij zullen voorbijgaan evenals de wolken voorbijgaan. Dit zal het werk van God zijn, die alle dingen goed geschikt heeft, en hij is wel bekend met hetgeen gij doet. 91. Hij die rechtvaardigheid zal hebben uitgeoefend, zal eene belooning ontvangen, grooter dan de verdienste daarvan. Deze zullen verzekerd zijn tegen de vreeselijkheid van dien dag39. 92. Maar zij die kwaad zullen hebben bedreven, zullen op hunne aangezichten in de hel worden nedergeworpen. Zult gij de belooning voor iets anders ontvangen dan voor datgene, wat gij zult hebben verricht? 93. Waarlijk, mij is bevolen den Heer van dit grondgebied (van Mekka) te vereeren, die het heeft geheiligd. Aan hem behooren alle dingen, en mij is bevolen een Moslem te zijn. 94. En den Koran te herinneren. Hij die daardoor zal worden geleid, zal tot zijn eigen voordeel worden gericht, en zeg tot hem die zich zal afwenden: Waarlijk, ik waarschuw slechts. 95. En zeg: Geloofd zij God! hij zal u zijne teekenen toonen40, en gij zult die kennen, en uw Heer is niet onopmerkzaam nopens hetgeen gij doet.
1 De titel van dit Hoofdstuk is ontleend aan vers 18. Behalve verscheiden vreemde dingen die in deze soera voorkomen, vindt men namelijk in dat vers eene wonderlijke geschiedenis van de mier. De aanvangletters zijn: Ta Sad.
2 Door hen, in hunne bedorven geaardheden en neigingen, zich behagelijk en aangenaam te doen gevoelen.
3 Zie Hoofdstuk XX, vers 9, volg.
4 Sommige zijn van oordeel, dat God, door de voorafgaande, en de engelen door de laatste woorden worden bedoeld (Yahya). Anderen denken, dat deze plaats het oog heeft op Mozes en de engelen, of op alle personen in die heilige vlakte en in haren omtrek aanwezig (Jallalo’ddin, Al Beidâwi).
5 Deze uitzondering was bestemd om de voorafgaande bewoordingen te verklaren, die te algemeen schenen te zijn; want verscheiden der profeten begingen, voor hun hunne zending werd opgedragen, zonden, hoezeer die ook niet van belang waren, weshalve zij reden hadden Gods gramschap te duchten, maar hier wordt hun verzekerd dat hunne later gevolgde verdiensten hem op zijne vergiffenis aanspraak geeft. Men veronderstelt dat hier in het voorbijgaan op het onvoorbedacht dooden van den Egyptenaar door Mozes wordt gedoeld (Jallalo’ddin, Al Beidâwi).
6 Zie Hoofdstuk XVII, vers 103.
7 Hij erfde niet alleen zijn koninkrijk, maar ook de zending van profeet. Hij werd boven zijne andere zonen verkozen, die niet minder dan negentien in getal waren (Jallalo’ddin, Al Beidâwi).
8 Dat is: De bedoeling hunner verschillende stemmen, hoewel die niet gearticuleerd zijn. De uitleggers geven een aantal voorbeelden op van Salomos uitleggingen (Zie Marracc. nol. in loc. p. 511).
9 Deze vallei schijnt aldus genoemd te zijn naar het groot aantal mieren dat zich daar bevindt. Sommigen plaatsen haar in Syrië, anderen in Tayef (Al Beidâwi, Jallalo’ddin).
10 De Arabische geschiedschrijvers verhalen, dat Salomo, nadat hij den tempel van Jeruzalem had voleindigd, als pelgrim naar Mekka trok, van waar hij, na er zoo lang gebleven te zijn als hem behaagde, naar Yaman reisde. Hij verliet Mekka des ochtends en kwam des middags te Sanaa aan, en groot genoegen in deze plaats vindende, bleef hij daar. Hij verlangde echter water om zich te reinigen, en zocht daartoe onder de vogelen naar den kievit, door de Arabieren Al Hudbud genaamd, wiens taak het was dit te vinden; want men beweert, dat die vogel slim of scherpziende genoeg was, om het water onder den grond te ontdekken, hetgeen de duivels gewoon waren te putten, nadat hij de plaats had aangeduid door met zijnen bek te graven. De genoemde geschiedschrijvers voegen er bij, dat deze vogel dan opvloog, en nadat hij een van zijne gelijke zag, die nederdaalde, deed hij het mede, en daar hem door den ander eene beschrijving der stad van Saba was gegeven, van waar hij juist was teruggekomen, gingen zij beiden te zamen, om die plaats te zien en keerden spoedig terug, nadat Salomo de vraag had gedaan, welke het nu volgende te weeg bracht.
11 Door hem zijne vederen uit te plukken en hem in de zon te zetten, ten einde door de insecten gekweld te worden, of wel door hem in eene kooi op te sluiten.
12 Deze koningin wordt door de Arabieren Balkis genaamd. Sommigen maken haar tot de dochter van al Hodbad Ebn Sharhabil (zie Pocock Spec, p, 59), en anderen van Sharahil Ebn Malec (Al Beidâwi, enz. Zie d’Herbel., Bibl. Oriënt, p. 182), maar allen komen zij daarin overeen, dat zij eene afstammeling van Yakab Ebn Kahtan was. Zij is de tweeëntwintigste op de lijst der koningen van Yaman door Dr. Pocock. (t. a. pl.). In Hoofdstuk XXXIV is mede van Saba sprake.
13 Die, volgens het zeggen der uitleggers, van goud en zilver vervaardigd en met eene kroon van edelgesteenten bedekt was. Zij verschillen echter nopens zijne afmeting; de een maakt dien tachtig ellebogen lang, veertig breed en dertig hoog, terwijl sommigen zeggen dat elke afmeting tachtig ellebogen bedroeg, en anderen weder dertig ellebogen.
14 Jallalo’ddin zegt dat de koningin door haar leger was omringd, toen de kievit den brief in haren boezem wierp; maar Al Beidâwi veronderstelt, dat zij in een vertrek van haar paleis was, waarvan de deuren gesloten waren, en dat de vogel door het venster binnenvloog. De laatste voegt er bij, dat Salomo den brief met muskus parfumeerde, en met zijn zegel dichtsloot.
15 Of: Kom tot mij en onderwerp u aan de goddelijke leiding, en belijd den waren godsdienst welken ik predik.
16 Dat is: Hetzij gij de bevelen van Salomo gehoorzamen, of ons bevelen geven wilt om hem tegenstand te bieden.
17 De geschenken dragende, die, naar zij zeggen, in vijfhonderd jonge slaven van elke kunne bestonden, allen gelijk gekleed; vijfhonderd baren goud, eene kroon met edelgesteenten versierd, benevens eene groote hoeveelheid muskus, amber, en andere dingen van waarde (Jallalo’ddin). Sommigen voegen er bij, dat Balhis, ten einde te beproeven of Salomo al of niet een profeet was, de knapen als meisjes, en de meisjes als knapen deed kleeden, en hem in een juweelkistje een parel zond die niet doorboord was, en een onyx die doorboord was met een krom gat: en dat Salomo de knapen van de meisjes onderscheidde, door de verschillende wijze, waarop zij water haalden. Hij beval daarop aan een worm den parel te doorboren en aan een anderen een draad door den onyx te rijgen (Al Beidâwi). Zij verhalen ons ook, dat Salomo, door den kievit bericht van deze zending ontvangen hebbende, even voor zij zich op weg begaven, bevel gaf, een groote vierkante ruimte door een muur te omringen, gebouwd van gouden en zilveren steenen, waarin hij zijne strijdkrachten en gevolg rangschikte om haar te ontvangen (Jallalo’ddin).
18 Volgens Savary: Behoudt uwe geschenken.
19 Dit was een Ifrit, of een der zondige en weerspannige geniussen en zijn naam was, volgens Al Beidâwi, Dhacwan of Sakhr. Deze naam wordt voor elken boozen geest gebezigd.
20 Zijnde: van uwen rechterstoel. Salomo was namelijk gewoon, iederen dag tot des middags als rechter te zitten (Al Beidâwi, Jallalo’ddin.).
21 Deze persoon wordt algemeen verondersteld Asaf, de zoon van Barachia geweest te zijn, Salomo’s wezir (of vizar) die den grooten of onuitsprekelijken naam van God kende, door het uitspreken van welken hij deze wondervolle daad volvoerde (Jallalo’ddin). Sommigen veronderstellen echter dat het Al Khedr was, of Gabriël of een andere engel, en anderen, dat het Salomo zelf was (Al Beidâwi).
22 Het oorspronkelijke zou letterlijk vertaald, moeten luiden: Alvorens gij op eenig voorwerp kunt nederzien en uw oog daarvan kunt afnemen. Er wordt gezegd, dat Salomo op Azafs begeerte naar den hemel opzag, en alvorens hij zijne oogen nedersloeg, legde de troon den weg onder den grond af en verscheen voor hem.
23 Want, na den terugkeer van haren afgezant, besloot zij te gaan en zich aan dien vorst te onderwerpen; maar alvorens zij vertrok beveiligde zij, gelijk zij meende, haren troon, door dien in een sterk kasteel op te sluiten, en eene wacht er voor te plaatsen om het te verdedigen, waarop zij met een groot leger vertrok (Jallalo’ddin).
24 Het is onzeker, of dit de woorden van Balkis zijn, waarbij zij hare overtuiging beleed, teweeggebracht door de wonderen welke zij reeds had gezien, of van Salomo en zijn volk, Gods gunst erkennende, door hen, vóór haar, tot den waren godsdienst te roepen.
25 Of, gelijk sommigen het begrijpen, den hof voor het paleis, waarvan Salomo den aanleg vóór de aankomst van Balkis had bevolen. De grond of het plaveisel was van doorzichtig glas, dat over stroomend water was gelegd, waarin visschen zwommen. Aan den rand van dat plaveisel was de koninklijke troon geplaatst, waarop Salomo zat om de koningin te ontvangen (Jallalo’ddin, Al Beidâwi).
26 Sommige Arabische schrijvers verhalen, dat Salomo onderricht was, dat de voeten en beenen van Balkis met haar bedekt waren, zooals die van een ezel, waarvan hij alsnu gelegenheid had zich met eigen oogen te overtuigen.
27 Daar de koningin van Saba door deze woorden den Islam beleden, en van den afgodendienst afstand gedaan had, kwam Salomo op de gedachte, haar tot vrouw te nemen; maar hij kon er niet toe besluiten, dan nadat de duivels, door een daartoe strekkend middel het haar van hare beenen hadden weggenomen (Jallalo’ddin). Sommigen (Al Beidâwi) echter willen, dat zij niet Salomo maar een vorst van den stam van Hamdan huwde.
28 Nopens de leer door Saleh gepredikt; naardien een deel in hem geloofde, en het andere hem als een bedrieger beschouwde.
29 Zijnde: Waarom dringt gij op de goddelijke wraak aan, waarmede gij bedreigd wordt en trotseert die, in plaats van haar door berouw te voorkomen?
30 Zie Hoofdstuk VII, vers 123, waar de Egyptenaren Mozes op de zelfde wijze als de oorzaak hunner rampen beschuldigen.
31 Men zegt dat Saleh, en zij die in hem geloofden, gewoonlijk op eene zekere enge plek tusschen de bergen vergaderden om te bidden, waarop de ongeloovigen zeiden: Hij denkt binnen drie dagen een einde aan ons te maken (Zie Hoofdstuk VII, vers 96 noot), maar wij; zullen hem voorkomen. Daarop begaf een deel van hen zich onmiddellijk naar de bovenvermelde engte, denkende hun plan te kunnen uitvoeren. Zij werden echter verschrikkelijk teleurgesteld; want in plaats dat zij den profeet grepen, werden zij zelven gevat, daar hun de terugtocht werd afgesneden door een rotsklomp, die aan den uitgang der engten nederviel, zoodat zij op eene ellendige wijze hun einde vonden.
32 Zie Hoofdstuk VII, vers 82 en Hoofdstuk XI, vers 84.
33 Zie Hoofdstuk XXV, vers 55. Hier is niet het woord barzakh, maar een van gelijke strekking gebruikt.
34 Letterlijk: Hij die door tegenspoed wordt aangedreven, Gods hulp in te roepen.
35 Zie Hoofdstuk VII, vers 55 en Hoofdstuk XXV, vers 50.
36 De Mahomedanen noemen dit dier, welke verschijning een teeken van de nadering van den dag des oordeels zal zijn, al Jessasa of el Djessassa (de spion). De uitleggers geven bijzonderheden nopens de grootte en den vorm van het dier op, welke zij tot Mahomet, Ali of ook wel tot Abou Horeïra, den gezel van den profeet doen opklimmen. Zoo moet het monster zestig ellebogen lang wezen; een stierenkop, varkensoogen, olifantsooren, hertshoornen, den hals van een struisvogel, de borst van een ram, de pooten van een kameel hebben; men zou het in zijnen loop niet kunnen inhalen noch aan zijne vervolging ontkomen. Het zou, volgens de overlevering, uit eene der groote moskeen voortkomen. Dit monster draagt den staf van Mozes en het zegel van Salomo: overal op zijn doortocht zal het de menschen, met den een of met het ander merken. Zij die met den staf van Mozes zullen worden aangeraakt, zullen een van witheid schitterend aangezicht hebben: dit zijn de goeden. Zij, wien het zegel zal worden opgedrukt, zullen een zwart aangezicht hebben; dit zijn de verdoemden.
37 Of, volgens eene andere lezing: dat hen zal verwonden.
38 Sommigen zeggen, dat de personen van deze algemeene verwarring uitgezonderd, zullen zijn: de engelen Gabriël, Michaël, Israfil en Israël (Jallalo’ddin, Al Beidâwi). Anderen veronderstellen, dat het de maagden van het paradijs zijn en de engelen die deze plaats bewaken en Gods troon bewaren (Dezelfde). Anderen willen dat het de martelaren zijn (Ebn Abbas).
39 Dat is: tegen de vrees der verdoemenis, en de andere rampen, die de zondaren zullen verontrusten, maar niet tegen den algemeenen schrik of de verwarring, in de vorige noot vermeld.
40 Zijnde: De voordeelen door de ware geloovigen op de ongeloovigen behaald, en, vooral de overwinning te Bedr.