1. T. H. Wij hebben u den Koran niet nedergezonden om u ongelukkig te maken2. 2. Maar als eene waarschuwing voor hem die God vreest. 3. Zijnde nedergezonden door hem, die de aarde schiep en de verheven hemelen. 4. De Barmhartige zit op zijn troon. 5. Aan hem behoort alles wat in den hemel en op de aarde, en alles wat daar tusschen, en wat zich onder de aarde bevindt. 6. Indien gij uwe gebeden met luide stem uitspreekt, weet dat dit voor God niet noodig is; want hij weet wat in het geheim wordt gezegd en wat nog meer verborgen is. 7. God! er is geen God buiten hem; hij heeft de meest uitmuntende namen3. 8. Zijt gij onderricht geworden nopens de geschiedenis van Mozes4? 9. Toen hij vuur zag, zeide hij tot zijn gezin: Blijf hier; want ik bemerk vuur. 10. Misschien kan ik u een brandend stuk hout daarvan medebrengen, of zal ik de richting van onzen weg door het vuur vinden5. 11. En toen hij naderbij gekomen was, riep hem eene stem toe zeggende: O Mozes! 12. Waarlijk, ik ben uw Heer; leg ons uwe schoenen af6; want gij zijt in de heilige vallei Towa. 13. En ik heb u gekozen; luister dus aandachtig naar hetgeen u is geopenbaard. 14. Waarlijk, ik ben God; er is geen God buiten mij: aanbid mij dus en doe uw gebed ter mijner herinnering. 15. Waarlijk, het uur komt; ik zal het gewis duidelijk verkondigen. 16. Opdat iedere ziel hare vergelding moge ontvangen voor hetgeen zij met overleg heeft gedaan. 17. Laat hij, die niet daarin gelooft en die zijne lusten volgt, u niet er van afhouden, daaraan te gelooven, opdat gij niet verdoemd wordet. 18. Wat hebt gij in uwe rechterhand, Mozes? 19. Hij antwoordde; Het is mijn staf, waarop ik leun, en waarmede ik bladeren voor mijne kudde afbreek, en welken ik ook voor andere doeleinden bezig. 20. God zeide tot hem: Werp dien weg; o Mozes! 21. En hij wierp dien weg en zie hij werd eene slang7, die voortliep. 22. God zeide: Vat haar aan en vrees niet8; wij zullen haar tot haren vorigen toestand terugbrengen. 23. En leg uwe rechterhand onder uwen linkerarm en zij zal wit worden, zonder eenig nadeel. Dit zal een ander teeken wezen. 24. Opdat wij u eenige onzer grootste teekenen zullen doen zien. 25. Ga tot Pharao; want hij is zeer goddeloos. 26. Mozes antwoordde: Heer! verwijd mijne borst. 27. En maak mij gemakkelijk wat gij mij hebt bevolen. 28. En ontbindt den knoop van mijne tong. 29. Opdat zij mijne woorden kunnen verstaan9. 30. Geef mij een raadgever uit mijn gezin. 31. Namelijk Aäron, mijn broeder. 32. Omgord mijne lendenen met hem. 33. En maak hem tot mijn makker in de zaak10. 34. Opdat wij u dankbaar loven en u dikwijls herdenken mogen. 35. Want gij ziet ons. 36. God antwoordde: Nu is aan uw verzoek voldaan, o Mozes! 37. En wij zijn vroeger genadig omtrent u geweest. 38. Toen wij uwe moeder openbaarden wat haar geboodschapt werd11, zeggende: 39. Leg uwen zoon in eene kist en werp hem in zee, en de rivier zal hem op het strand werpen, en mijn vijand en zijn vijand zal hem opnemen en opvoeden12. 40. En ik schonk u van mijne liefde13, opdat gij onder mijne oogen zoudt opgevoed worden. 41. Toen uwe zuster heen ging en zeide: Zal ik u tot iemand brengen, die het kind wil zogen14? Toen brachten wij u tot uwe moeder terug, opdat zij gerustgesteld worden en niet bedroefd zijn zou. Gij dooddet eene ziel en wij redden u van het ongeluk15; en wij beproefden u met verschillende proeven. 42. En later woondet gij eenige jaren16 onder de inwoners van Madian. Daarop kwaamt gij herwaarts, overeenkomstig ons besluit, o Mozes! 43. En ik heb u voor mij zelven gekozen; 44. gaat dus, gij en uw broeder17, met mijne teekenen en wees niet achteloos in mijne herdenking. 45. Gaat tot Pharao; want hij is zeer goddeloos. 46. En spreekt bedaard tot hem; misschien zal hij nadenken, of onze bedreigingen vreezen. 47. Zij antwoordden: O Heer! waarlijk, wij vreezen dat hij zeer gewelddadig omtrent ons zal handelen, of dat hij nog buitensporiger zal zondigen. 48. God hernam: Vreest niet; want ik ben met u. Ik zal hooren en zien. 49. Gaat dus tot hem en zegt: Waarlijk wij zijn de gezanten van uwen Heer; zendt dus de kinderen Israëls met ons en mishandel hen niet. Wij zijn met een teeken van uwen Heer tot u gekomen; en vrede zij op hem, die de ware richting zal volgen. 50. Waarlijk, het is ons reeds geopenbaard, dat hem eene straf zal worden opgelegd, die ons van bedrog beschuldigen en zich afwenden zal. 51. En toen zij hunne zending hadden medegedeeld, zeide Pharao: Wie is uw Heer o Mozes? 52. Hij antwoordde: Hij geeft alle dingen; hij heeft die geschapen, en leidt door zijne voorzienigheid. 53. Pharao zeide: Wat was dan de bedoeling der vroegere geslachten18? 54. Mozes antwoordde: De kennis daarvan is bij mijn Heer. in het boek zijner besluiten; mijn Heer dwaalt noch vergeet. 55. Hij is het, die de aarde als een bed voor u heeft uitgespreid, en daarop paden voor u heeft gemaakt; hij is het, die den regen van den hemel nederzendt, waardoor wij verschillende soorten van planten doen voortspruiten. 56. Zeggende: Eet van een gedeelte en voedt uw vee met het andere deel daarvan. Waarlijk, hierin zijn teekenen voor hen, die met begrip zijn begaafd. 57. Wij hebben u uit aarde geschapen en tot haar zullen wij u doen terugkeeren, en wij zullen u ten tweede male daaruit doen voortkomen. 58. En wij toonden Pharao al onze teekenen, welke wij Mozes gemachtigd hadden uit te voeren, doch hij verklaarde die tot logens en weigerde te gelooven. 59. En hij zeide: Zijt gij tot ons gekomen, opdat gij ons door uwe toovenarijen het bezit van ons land zoudt kunnen ontrooven, o Mozes? 60. Waarlijk, wij zullen u dezelfde toovenarij doen zien; bepaal dus eene samenkomst tusschen ons en u; wij zullen er niet ontbreken en ook gij niet, op eene gelijke plaats. 61. Mozes antwoordde: Laat onze ontmoeting zijn op den dag van uw plechtig feest19, en laat het volk zich op den vollen dag verzamelen. 62. En Pharao ging van Mozes weg en verzamelde de behendigste toovenaars bij elkander om zijne list uit te voeren, en kwam daarna op de bepaalde samenkomst. 63. Mozes zeide tot hem: Wee kome over u! verzin geene leugen tegen God20. 64. Hij zou u door zijn oordeel geheel verdelgen; want hij die leugens uitdenkt, zal niet gelukkig zijn. 65. En de toovenaars twistten onder elkander nopens hunne zaak en spraken met elkander in het geheim. 66. En zij zeiden: Deze twee zijn zekerlijk toovenaars; zij trachten u, door hunne toovenarij, het bezit van uw land te rooven, en uwe voornaamste en aanzienlijkste lieden weg te voeren. 67. Verzamel dus al uwe kunstmiddelen en schaar u daarna in orde; want hij die heden de bovenhand behoudt, zal gelukkig zijn. 68. Zij zeiden: O Mozes! wilt gij uwen staf het eerste wegwerpen, of zullen wij de eersten zijn die onze staven wegwerpen? 69. Hij antwoordde: Werpt gij uwe staven het eerste weg. En zie, hunne koorden en hunne staven schenen hem toe, door hunne tooverij als slangen te loopen21. 70. Daarom koesterde Mozes vrees in zijn hart. 71. Maar wij zeiden tot hem: Vrees niet; want gij zult de bovenhand behouden. 72. Werp dus den staf weg, die zich in uwe rechterhand bevindt, en hij zal de schijnbare slangen verslinden welke zij gemaakt hebben; want hetgeen zij gemaakt hebben is slechts de kunstgreep van een toovenaar, en een toovenaar zal niet gelukkig zijn van waar hij ook moge komen. 73. En de toovenaars vielen neder toen zij het wonder zagen, dat door Mozes was uitgevoerd, en zij aanbaden, zeggende: Wij gelooven in den Heer van Aäron en van Mozes! 74. Pharao zeide tot hen: Gelooft gij in hem, alvorens ik u verlof geef? Waarlijk, hij is uw meester, die u in de toovenarij heeft onderricht. Maar ik zal zekerlijk uwe handen en uwe voeten aan de tegenovergestelde zijde afsnijden, en ik zal u kruisigen aan stammen van palmboomen22, en gij zult weten, wie van ons gestrenger in het straffen is, en uwe smarten langer kan doen aanhouden. 75. Wij zullen nimmer meer eerbied voor u hebben, zeiden zij, dan voor deze duidelijke wonderen, die ons getoond zijn, of ook voor hem die ons heeft geschapen. Spreek dus de straf over ons uit, welke gij op het punt staat uit te spreken; want gij kunt alleen in dit leven straffen. Waarlijk, wij gelooven in onzen Heer, opdat hij ons onze zonden moge vergeven en de toovenarij, welke gij ons hebt gedwongen uit te oefenen; maar God kan beter beloonen en is meer dan gij in staat, de straf te verlengen. 76. Waarlijk, al wie op den dag des oordeels voor zijn Heer zal verschijnen met misdaden belast, zal de hel tot belooning hebben; hij zal daarin noch sterven, noch leven. 77. Wie een waar geloovige was en rechtvaardigheid zal hebben uitgeoefend, voor dezen zijn de graden van het grootste geluk bereid. 78. Namelijk tuinen van eeuwig verblijf23, die door rivieren zullen besproeid worden. Eeuwig zullen zij daarin verblijven, en dit zal de belooning zijn voor hem, die zuiver zal wezen. 79. En wij spraken door openbaring tot Mozes, zeggende: Vertrek met mijne dienaren des nachts uit Egypte en sla de wateren met uwen staf, en maak hun een droog pad door de zee24. 80. Vrees niet dat Pharao U zal overvallen, en wees niet bang. 81. En toen Mozes aldus had gehandeld, vervolgde Pharao hem met zijne strijdmachten, en de wateren der zee overdekten hen. En Pharao deed zijn volk dwalen en hij leidde hen niet op den rechten weg. 82. Aldus, o kinderen Israëls! bevrijdden wij u van uwen vijand, en wij wezen u de rechterzijde van den berg Sinaï aan, om Mozes te spreken en hem de wet te geven, en wij deden manna en kwakkels op u nederdalen25, zeggende: 83. Eet van de goede dingen, welke wij u tot voedsel hebben gegeven, en zondig daarin niet26, opdat mijne verontwaardiging niet opgewekt worde; want hij over wien mijn toorn zal komen, zal verloren zijn. 84. Maar ik zal barmhartig zijn omtrent hem, die berouw gevoelen en gelooven zal, en doet wat goed is, en die op den rechten weg zal volgen. 85. Wat heeft u, o Mozes! uw volk doen verlaten om de wet te ontvangen? 86. Hij antwoordde: Zij volgen mijne voetstappen, en ik heb mij gehaast tot u te gaan, opdat ik u aangenaam zou mogen wezen. 87. God zeide: Wij hebben uw volk sedert uw vertrek reeds beproefd27, en Al Sameri28 heeft hen tot afgoderij verleid. 88. Daarom keerde Mozes vertoornd en zeer bedroefd tot zijn volk terug29. 89. En hij zeide: O mijn volk! heeft uw Heer u niet de uitmuntendste belofte gedaan30? Scheen de tijd van mijne afwezigheid u te lang toe? Of begeerdet gij dat de verontwaardiging van uwen Heer over u zou komen, en hebt gij daarom de belofte niet gehouden, welke gij mij gaaft? 90. Zij antwoordden: Wij hebben niet geschonden hetgeen wij u uit eigen beweging beloofden: maar men beval ons, verscheiden lasten goud en zilver van de versierselen des volks aan te dragen, en wij wierpen die in het vuur, en evenzoo wierp Al Sameri er in, hetgeen hij had verzameld, en hij bracht er een lichamelijk kalf uit voort31, dat loeide. En Al Sameri en zijne makkers zeiden: Dit is uw God en de God van Mozes; doch hij had hem vergeten en is weggegaan om een ander te zoeken. 91. Zagen zij dus niet, dat hun afgod hun geen antwoord gaf en niet in staat was hen te benadeelen of voordeel te doen? 92. En Aäron had vroeger wel tot hen gezegd: O mijn volk! door dit kalf wordt gij slechts beproefd; want uw Heer is barmhartig: volgt mij dus en gehoorzaamt mijn bevel. 93. Zij antwoorden: Wij zullen nimmer ophouden het kalf te aanbidden, tot dat Mozes bij ons terugkeert. 94. En toen Mozes was teruggekeerd, zeide hij: O Aäron! wat verhinderde u mij te volgen, toen gij zaagt dat zij zich afwendden32? Zijt gij ongehoorzaam aan mijn bevel geweest? 95. Aäron antwoordde: O zoon mijner moeder! trek mij niet bij mijn baard, of bij het haar van mijn hoofd. Waarlijk, ik vreesde dat gij mij zoudt zeggen: Gij hebt eene scheiding tusschen de kinderen Israëls gemaakt, en gij hebt mijne woorden niet in acht genomen33. 96. Mozes zeide tot Al Sameri: Wat was uw voornemen, o Sameri? Hij antwoordde: Ik zag wat zij niet zagen34; daarom nam ik eene handvol stof van de voetstappen van Gods gezant en wierp het in het gesmolten kalf35; want mijn gemoed bracht mij daartoe. 97. Mozes zeide: Verwijder u; uwe straf in dit leven zal zijn, dat gij hen welke gij ontmoet, zult zeggen: Raak mij niet aan36! en gij zijt met vreeselijker pijnen in het volgende leven bedreigd, welke gij nimmer zult ontkomen. Werp thans uw oog op uwen god, dien gij met zooveel onderwerping hebt aangebeden; waarlijk wij zullen dien verbranden37, tot stof verkeeren en in de zee werpen. 98. Uw God is de ware God, buiten wien geen andere God bestaat; hij bevat alle dingen door zijne wijsheid. 99. Zoo geven wij u, o Mahomet! het verhaal, van hetgeen vroeger is geschied, en wij hebben u eene vermaning van ons gegeven. 100. Hij die zich daarvan afwendt, zal zekerlijk eenen last van schuld op den dag der opstanding torschen. 101. Hij zal dien eeuwig dragen; en een ondragelijke last zal het op den dag der opstanding zijn38. 102. Op dien dag zal de trompet klinken, en wij zullen de zondaren op dien dag verzamelen die dan grijze oogen zullen hebben39. 103. Zij zullen met eene zachte stem tot elkander spreken, zeggende: Gij zijt er niet langer dan tien dagen gebleven40. 104. Wij weten wel dat hunne opperhoofden willen zeggen, als zij zullen antwoorden: Gij zijt niet langer dan een dag gebleven. 105. Zij zullen u ondervragen, nopens de bergen; antwoord: Mijn Heer zal die tot stof verkeeren en verspreiden. 106. Hij zal die in eene effen vallei veranderen; gij zult geen deel daarvan hooger of lager dan het ander zien. 107. Op dien dag zal de mensch den engel volgen, die hem tot het oordeel zal oproepen, niemand zal de macht hebben zich van deze af te wenden en hunne stemmen zullen zacht klinken voor den Barmhartige; ook zult gij niets anders hooren dan den doffen klank van hunnen voet. 108. Op dien dag zal de tusschenkomst van niemand voor den ander voordeelig zijn, behalve van hem, aan wien de Barmhartige verlof41 zal gegeven hebben en die de bekentenis van het ware geloof zal hebben uitgesproken. 109. God kent wat vóór hen en wat achter hen is, maar ze begrijpen dat niet. 110. Hunne gezichten zullen voor den levenden en den onveranderlijken God vernederd worden42. En hij die zijne onrechtvaardigheid draagt, zal ongelukkig worden. 111. Maar hij die goede werken doet en een waar geloovige is, zal geene onrechtvaardigheid of geene vermindering vreezen van zijne belooning door God. 112. En zoo hebben wij dit boek nedergezonden, zijnde een Koran in de Arabische taal, en wij hebben daarin verschillende bedreigingen en beloften opgenomen, ten einde de menschen God zouden vreezen, en opdat dit eenige overpeinzing in hen zou opwekken. 113. Hoogverheven zij dus God, de Koning, de Waarheid! Wees niet haastig in het ontvangen of overbrengen van den Koran, alvorens u die geheel geopenbaard zij43, en zeg: Heer! vermeerder mijn verstand. 114. Wij gaven vroeger een bevel aan Adam; maar hij vergat het44 en at van de verboden vrucht, en wij vonden geen vast besluit in hem. 115. En gedenk toen wij tot de engelen zeiden: Aanbidt Adam, en zij baden hem aan, maar Eblis weigerde45. En wij zeiden: O Adam! dit is een vijand van u en uwe vrouw, neem u dus in acht, opdat hij u niet uit het paradijs verwijdere; want dan zoudt gij ellendig zijn. 116. Waarlijk wij hebben een voorraad voor u verzameld, opdat gij daarin niet van honger zoudt omkomen, of naakt zoudt zijn. 117. Ook zult gij daarin niet van dorst sterven, noch door hitte lastig gevallen worden. 118. Maar Satan blies hem slechte ingevingen in, zeggende: O Adam! zal ik u naar den boom der eeuwigheid brengen en naar eene macht die nimmer eindigt? 119. Zij aten beiden daarvan, zagen hunne naaktheid, en naaiden bladeren van het paradijs bij elkander om zich te bedekken46. En zoo werd Adam ongehoorzaam aan zijn Heer, en werd verleid. 120. Later nam de Heer zijn berouw aan, en hij wendde zich tot hem en leidde hem. 121. En God zeide: Gaat allen heen; gij zult elkanders vijanden zijn. Maar later zal eene leiding van mij tot u komen47. 122. En wie mijne leiding volgt zal niet dwalen, en hij zal niet ongelukkig zijn. 123. Maar wie zich van mijne vermaning afwendt zal waarlijk een ellendig leven leiden. 124. En wij zullen hem blind voor ons doen verschijnen op den dag der opstanding. 125. En hij zal zeggen: O Heer! waarom hebt gij mij blind voor u gebracht, terwijl ik vroeger helder zag? 126. God zal antwoorden: Wij hebben aldus gehandeld, omdat onze teekens tot u zijn gekomen en gij die vergat, en evenzoo zult gij op dezen dag worden vergeten. 127. En zoo zullen wij hem vergelden, die achteloos is en niet in de teekens van zijn Heer gelooven zal; en de straf van het volgende leven zal strenger en drukkender zijn dan de straf van dit leven. 128. Is het den bewoners van Mekka niet bekend, hoeveel geslachten wij vóór hen hebben verdelgd, in wier woonplaatsen zij wandelen48? Waarlijk, hierin zijn teekenen gelegen voor hen, die met verstand zijn begaafd. 129. En indien te voren niet een besluit van uwen Heer tot hun uitstel ware uitgegaan, zou hunne verdelging noodzakelijk zijn gevolgd; maar er is een zekere tijd door God voor hunne straf vastgesteld. 130. Daarom, o Mahomet! verdraag met geduld wat zij zeggen en verhef den lof van uwen Heer voor het opgaan der zon en voor haren ondergang, en loof hem in de uren des nachts en op de uiteinden van den dag49, opdat gij waardig moogt zijn Gods gunst te ontvangen. 131. En werp uwe oogen niet op datgene wat wij aan verschillende ongeloovigen hebben verleend, om zich er in te verheugen: namelijk den glans van dit leven50, om hen daardoor te beproeven; want het deel van uwen Heer51 is beter en van langeren duur. 132. Beveel uw gezin het gebed in acht te nemen, en gij, volhard er in. Wij verlangen niet van u, dat gij zult arbeiden om voedsel voor ons te verwerven; wij zullen u voorzien; want voor de vroomheid is eene goede belooning weggelegd52. 133. De ongeloovigen zeggen: Zoo lang hij niet met een teeken van zijn Heer tot ons zal komen, zullen wij niet in hem gelooven. Is er door de openbaring van den Koran niet eene duidelijke verklaring tot hen gekomen van hetgeen in de vroegere deelen van de schrift is bevat? 134. Indien wij hen door een oordeel hadden verdelgd, vóór de Koran werd geopenbaard zouden zij bij de opstanding hebben gezegd: O Heer! hoe konden wij gelooven, naardien gij ons geen gezant hebt gezonden, om uwe teekenen te doen volgen, alvorens wij vernederd en met schande bedekt werden? 135. Zeg: Ieder onzer wacht de uitkomst; wacht dus; want gij zult zekerlijk hierna weten, wie den rechten weg hebben gevolgd, en welke op den rechten weg zijn geleid.
1 De beteekenis van deze letters, waarmede het eerste vers aanvangt, en die daarom voor den titel zijn genomen, is niet met zekerheid op te geven. Sommigen meenen echter, dat zij er staan in plaats van Ya rajol, zijnde: O mensch! deze vertolking welke, naar het schijnt niet gemakkelijk uit het Arabisch is te verklaren wordt in zekere overlevering van het Ethiopisch afgeleid (Moham. Ebn Abd al Baki, ex trad. Acreman, Ebdae Abi Sofian). Sommigen zien in de letters het woord Ta, d.i. Tred, er bij voegende, dat Mahomet in den nacht toen deze plaats werd geopenbaard, waakte en bad, en daarbij slechts op één voet stond, zoodat hem hier werd bevolen, het zich gemakkelijk te maken en beide voeten op den grond te zetten. Anderen weder beweren, dat de eerste letter Tuba gelukzaligheid en de laatste Hawiyat beteekent, zijnde de onderste afdeeling der hel, Tah is ook een tusschenwerpsel waarbij stilte wordt bevolen, en zou daarom op deze plaats niet ongepast zijn.
2 Hetzij door hunne ijverige zorg voor de bekeering der ongeloovigen, of door zich te vermoeien met waken, en de uitoefening van andere godsdienstige plichten. Het schijnt namelijk, dat de Koreïshieten de buitengewone vermoeienissen, welke hij in dit opzicht leed, als het gevolg aanvoerden van de omstandigheid, dat hij hunnen godsdienst had verlaten (Al Beidâwi).
3 Wij doen hier eens voor altijd opmerken, dat het woord God met eene groote G telkens door ons is genomen voor het Arabische woord Allah, de eenige God, terwijl god, goedheid, voor het Arabische woord illah, zonder lidwoord is gekozen. Zie voorts Hoofdstuk VII, vers 179 en op verschillende andere plaatsen.
4 Het verhaal van de geschiedenis van Mozes, hetgeen hier het grootste deel van het hoofdstuk inneemt, werd aangewezen om Mahomet door zijn voorbeeld aan te moedigen, aan de roeping van profeet met vastheid des harten te voldoen, daar hij dan verzekerd kon zijn, dezelfde hulp van God te ontvangen. Men zegt namelijk, dat dit hoofdstuk een der eerst geopenbaarden was (Al Beidâwi.)
5 De uitleggers zeggen, dat Mozes van Shoaib, of Jethro zijn schoonvader, verlof ontvangen hebbende om zijne moeder te bezoeken, met zijn gezin van Midian naar Egypte vertrok. Toen hij echter aan de vallei van Towa kwam, waarin de berg Sinaï was gelegen, gevoelde zijne vrouw barensweën en werd gedurende een zeer duisteren en sneeuwachtigen nacht, van een zoon verlost. Ook was hij van zijnen weg afgedwaald, en zijn vee verstrooid, toen hij plotseling ter zijde van een berg een vuur zag, dat, toen hij naderbij kwam, in een groen bosch bleek te branden (Al Beidâwi.)
6 Dit was een teeken van nederigheid en eerbied. Sommige beweren echter, dat er eenige onreinheid in de schoenen was, omdat die van de huid van een ongetemde ezel waren vervaardigd (Al Beidâwi.)
7 Die eerst niet dikker dan de staf was, maar later tot eene buitengewone dikte opzwol (Al Beidâwi.)
8 Toen Mozes zag, dat de slang zich met groote snelheid voortbewoog en steenen en boomen verzwolg, was hij verschrikt en ontvluchtte haar. Toen hij echter op deze woorden van God den moed herkreeg, had hij de onverschrokkenheid, de slang bij de kinnebakken te vatten (Al Beidâwi.)
9 Want Mozes had een spraakgebrek, dat door het volgende geval werd veroorzaakt. Eens, toen hij nog een kind was, en Pharao hem in zijn armen hield, trok hij plotseling aan diens baard en plukte daaraan op zeer ruwe wijze. Pharao ontstak daardoor in zulk een hevigen toorn, dat hij beval, Mozes ter dood te doen brengen. Zijne vrouw Asia deed hem echter opmerken, dat hij slechts een kind was, dat geen onderscheid wist tusschen een brandende kool en een robijn; waarop Pharao beval, dat men daarvan de proef zou nemen. Daarop plaatste men een gloeiende kool en een robijn voor Mozes. Deze nam de kool en stak die in zijn mond, waardoor hij zich de tong verbrandde, en hierna schonk Pharao hem vergiffenis. Vergelijk Shalsh. Hakobb. p. 11.
10 Het Arabisch woord is Wezir, waarmede iemand wordt bedoeld, aan wien het opperbeheer der zaken onder een vorst is opgedragen.
11 De uitleggers zijn het niet eens over de wijze, waarop deze openbaring werd gedaan, hetzij door eene persoonlijke ingeving, door een droom, een profeet of een engel.
12 De uitleggers zeggen, dat zijne moeder dienovereenkomstig een kistje van papyrus maakte en dit met pek besmeerde, waarop zij er eenig katoen in legde. Daarop plaatste zij het kind er in en wierp het in de rivier, waarvan een tak in den tuin van Pharao uitliep. De stroom dreef het kistje van daar in een vischvijver, aan welks boord Pharao toen met zijne vrouw Asia zat, die eene dochter van Mozahem was. De koning beval, dat het kistje opgenomen en geopend zou worden. Men vond er een schoon kind in, waar Pharao behagen in schepte, zoodat hij beval, dat het zou worden opgevoed (Al Beidâwi). Sommige schrijvers vermelden eene wonderdadige redding van Mozes, vóór hij in het kistje werd gelegd. Zij verhalen namelijk, dat zijne moeder hem voor de beambten van Pharao in een oven had verborgen. Terwijl de moeder afwezig was, ontstak de zuster een groot vuur in den oven, om dien te stoken, niet wetende dat zich het kind aldaar bevond. Hij werd er echter later ongedeerd uitgenomen (Abu’lpeda enz.)
13 Dat is: ik gaf liefde voor u in de harten van hen die u zagen, en voornamelijk in het hart van Pharao.
14 De Mahomedanen beweren, dat men onderscheidene zoogsters bracht, maar dat het kind weigerde de borst van eene van haar te vatten, tot dat zijne zuster Mirjam, die gekomen was om tijding nopens hem te vernemen, haar zeide, dat zij eene zoogster zou zoeken en daarop zijne moeder bracht (Al Beidâwi).
15 Mozes doodde namelijk een Egyptenaar bij de verdediging van een zwaar mishandelden Israëliet en ontkwam het gevaar daarvoor gestraft te worden, door naar Midian te vluchten, dat op een afstand van acht dagreizen van Mesr was gelegen (Al Beidâwi).
16 Zijnde: Tien (Al Beidâwi).
17 Daar Aäron op dien tijd was gekomen om zijn broeder te ontmoeten, hetzij door eene goddelijke ingeving, hetzij dat hij kennis droeg van zijn voornemen om naar Egypte terug te keeren (Al Beidâwi).
18 Zijnde: Geluk of ellende na den dood.
19 Hetwelk waarschijnlijk de eerste dag van het nieuwe jaar was.
20 Door te zeggen dat de mirakelen in zijn naam gedaan, de gevolgen van toovenarij zijn.
21 Zij bedekte de staven met kwikzilver, dat hen door de hitte der zon deed bewegen (Al Beidâwi. Zie Hoofdstuk VII, vers 112).
22 Zie Hoofdstuk VII, vers 120.
23 Letterlijk de tuinen van Eden. Zie Hoofdstuk IX, vers 73.
24 De uitleggers voegen er bij, dat de zee in twaalf afzonderlijke paden verdeeld was, zijnde een voor iederen stam (Al Beidâwi Abu’lfed, in Hist. R. Eliëz, Pirke).
25 Zie Hoofdstuk II, vers 44.
26 Door ondankbaarheid, buitensporigheid, of slecht gedrag.
27 Zij gingen gedurende de eerste twintig dagen van Mozes’ afwezigheid voort, den waren God te aanbidden, welken tijd zij, door de nachten mede in rekening te brengen, als veertig dagen beschouwden. Zij beweerden diensvolgens, dat zij den vollen tijd ten einde gebracht hadden, dien Mozes hun had bevolen, waarna zij tot aanbidding van het gouden kalf vervielen (Al Beidâwi.)
28 Dit was zijn eigen naam niet, maar hij werd aldus genoemd, omdat hij tot zekeren stam onder de Israëlieten behoorde, Samaritanen genaamd. (Daardoor doen de Mahomedanen op vreemdsoortige wijze hunne onkunde in de geschiedenis blijken). Sommigen zeggen echter, dat hij een proseliet was, maar een huichelaar en afkomstig van Kirman of eene andere nabijgelegen plaats. Zijn ware naam was Mozes of Moesa Ebn Dhafar (Al Beidâwi.) Selden is van oordeel, dat deze persoon niemand anders was dan Aäron zelf (die werkelijk de vervaardiger van het kalf was), en dat hij hier Al Sameri wordt genoemd, naar het Hebreeuwsche werkwoord שמר, bewaren (Selden, de Diis syris, Synt, 1. c 4), omdat hij gedurende de afwezigheid van zijn broeder op den berg, de bewaarder of beschermer der kinderen Israëls was, hetgeen eene zeer vernuftige veronderstelling is, die niet geheel onvereenigbaar met den tekst van den Koran kan worden genoemd.
29 Zijnde: nadat hij zijn verblijf van veertig dagen op den berg volbracht en de wet ontvangen had (Al Beidâwi).
30 Zijnde: de wet, die eene gemakkelijke en zekere leiding bevat om u op den rechten weg te voeren.
31 Zie Hoofdstuk VII, noot van vers 146.
32 In deze woorden wordt Aäron door Mozes berispt, zijnen ijver niet ondersteund te hebben, door de wapenen tegen de afgodendienaars op te vatten, of dat hij hem niet op den berg was komen opzoeken om hem met hunne weêrspannigheid bekend te maken.
33 Zijnde: indien ik de wapenen tegen de aanbidders van het kalf had opgevat, zoudt gij zeggen, dat ik een opstand had veroorzaakt, of indien ik tot u ware gekomen, zoudt gij mij gegispt hebben wegens het verlaten van mijn post, en dat ik uwe terugkomst niet had afgewacht, om te herstellen wat er verkeerds bedreven was.
34 Zijnde: dat de gezant, die hun van God werd gezonden, een zuivere geest was, en dat zijne voetstappen leven gaven aan alles wat zij aanraakten; daar deze geest niemand anders was dan de engel Gabriël, op het paard des levens gezeten. Daarom maakte ik gebruik van het stof van zijn voet, om het gegoten kalf te geven. Men beweert ook dat Al Sameri den engel kende, daar die hem gered en zorg voor hem gedragen had, toen hij, een kind, door zijne moeder, uit vrees voor Pharao te vondeling gelegd was (Al Beidâwi, Jallalo’ddin).
35 Zie Hoofdstuk II vers 48.
36 Opdat gij hen niet met eene brandende koorts zoudt aansteken; want dit was het gevolg, als iemand hem aanraakte, terwijl hetzelfde geschiedde met de personen welke hij aanraakte. Daarom was hij verplicht, alle verkeer met anderen te vermijden en werd hij mede door hen geschuwd, behalve hij als een wild dier in de woestijn ronddwaalde (Al Beidâwi, Jallalo’ddin). Van hier wordt de gevolgtrekking gemaakt, dat een stam der Samaritaansche Joden die gezegd wordt een zeker eiland in de Roode zee te bewonen, de afstammelingen zijn van dezen Al Sameri, omdat het nog heden hun bijzonder onderscheidingsteeken is, dat zij dezelfde woorden gebruiken als zij iemand ontmoeten, namelijk La mesas, zijnde: Raak mij niet aan (Zie Geogr. Nub. p. 45).
37 Of, zooals deze plaats mede kan worden vertaald: wij zullen doen afvijlen. De hierboven gebruikte uitdrukking is echter de meer gebruikelijke.
38 Zie Hoofdstuk VI, vers 31.
39 Dit is namelijk bij de Arabieren een teeken van een vijand, of van een persoon van wien zij afkeerig zijn. Door dus te zeggen dat iemand eene zwarte lever (hoewel sommige Westersche volken hunnen afkeer te kennen geven door de uitdrukking “eene witte lever”) roodachtige knevels en grijze oogen heeft, wordt eene omschrijving gegeven van een vijand en voornamelijk van een Griek welke natie den Arabieren het vijandigste was en gewoonlijk haren en oogen van die kleuren had (Al Beidâwi, Jawhari, in Lex.). Het oorspronkelijke woord zorkan (van azrak) beteekent echter ook personen die een gebrekkig gezicht of blauwe oogen hebben of aan de staar lijden.
40 Zijnde in de wereld of in het graf.
41 Of: Behalve aan hem, enz. Zie Hoofdstuk XIX, vers 99.
42 De oorspronkelijke uitdrukking beteekent eigenlijk de nederigheid en verslagen blikken van gevangenen in de tegenwoordigheid van hunnen overwinnaar.
43 Hier wordt aan Mahomet bevolen, niet ongeduldig te zijn, wanneer er eenig oponthoud plaats heeft in het overbrengen der goddelijke openbaringen door Gabriël, of om die niet te snel den engel na te zeggen, door hem in te halen, alvorens hij de geheele plaats geëindigd hebbe. Sommigen veronderstellen echter, dat het verbod betrekking heeft op de openbaarmaking van een vers, alvorens hem dit volkomen zou zijn verklaard (Al Beidâwi, Jallalo’ddin).
44 De omstandigheid, dat Adam het goddelijke bevel zoo spoedig vergat, heeft sommige Arabische Etymologen het woord Imsan, (mensch) van nassiya (vergeten) afleiden en heeft mede het volgende spreekwoord doen ontstaan: Awwalo nasin awwalo’nnasi, d.i. de eerste vergeetachtige persoon was de eerste der menschen, zinspelende op den gelijken klank der woorden.
45 Zie Hoofdstuk II, vers 32 enz. en Hoofdstuk VII, vers 10 enz.
46 Zie Hoofdstuk VII, vers 21 volg.
47 Zie Hoofdstuk II.
48 De sporen hunner verdelging ziende; zooals van de stammen van Ad en Thamoed.
49 Zijnde: des avonds en des ochtends, als de voornaamste uren van het gebed. Sommigen veronderstellen echter, dat met deze woorden het middaggebed wordt bedoeld; daar op dat tijdstip de eerste helft van den dag eindigt en de tweede helft begint (Al Beidâwi, Jallalo’ddin).
50 Dat is: Misgun of begeer hunne pracht en hunnen voorspoed in deze wereld niet. Zie Hoofdstuk XV, vers 88.
51 Zijnde: de belooning in het volgende leven voor u weggelegd of het geschenk der profetie, en de openbaring waarmede God u heeft begunstigd.
52 Men zegt dat als Mahomets gezin in droefheid verkeerde, hij gewoon was hun te bevelen, het gebed uit te spreken en dit vers te verhalen (Al Beidâwi).