Zestiende Hoofdstuk.

De Bij1.

Gegeven te Mekka2.—128 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Het besluit van God zal zekerlijk worden uitgevoerd; verhaast het dus niet. Geloofd zij hij! en ver zij het van hem wat gij met hem vereenigt. 2. Hij zal de engelen, door zijn bevel doen nederdalen met eene openbaring tot degenen zijner dienaren, welke hem behagen, zeggende: Verkondigt dat er geen God buiten mij is, en vreest mij dus. 3. Hij heeft de hemelen en de aarde geschapen om zijne waarheid te doen blijken; ver zij het van hem wat gij met hem vereenigt. 4. Hij heeft den man van zaad geschapen, en thans is de mensch een bepaalde betwister der opstanding3. 5. Hij heeft op dezelfde wijze het vee voor u geschapen, van hetwelk gij de kleederen verkrijgt om u warm te houden4, benevens andere voordeelen, terwijl gij er tevens van eet. 6. Het is tegelijk eene eer voor u als gij het des avonds naar huis drijft, en als gij het des morgens wegvoert om het te weiden. 7. En zij dragen uwe lasten naar eene verwijderde plaats, welke gij op geene andere wijze zoudt kunnen bereiken dan met groote moeielijkheid voor u zelven; want uw Heer is goedertieren en barmhartig. 8. Ook heeft hij paarden en muildieren en ezels geschapen om daarop te kunnen rijden, en als een sieraad voor u; en hij schiep evenzoo andere dingen, welke gij niet kent. 9. Het behoort Gode, de menschen te onderrichten nopens den rechten weg, en er zijn er, die daarvan afdwalen: maar indien het hem had behaagt, zou hij u zekerlijk allen geleid hebben. 10. Hij is het, die regenwater van den hemel nederzendt, waarvan gij kunt drinken en waarvan de planten waarmede gij uw vee spijst, haar voedsel ontvangen. 11. Door middel van het water doet hij koorn, olijven en palmboomen, druiven en alle soorten van vruchten voor u ontspruiten. Waarlijk, hierin is een teeken van de goddelijke macht en wijsheid voor hen die aandachtig gadeslaan. 12. En hij heeft den nacht en den dag aan uwen dienst onderworpen, en de zon en de maan en de sterren, die gedwongen zijn op zijn bevel te dienen. Waarlijk, hierin liggen teekenen voor hen die begrijpen willen. 13. Hij heeft u ook de oppermacht gegeven over alles wat hij voor u op aarde heeft geschapen, door zijne verschillende kleuren onderscheiden. Waarlijk, hierin is een teeken voor hen die er over denken. 14. Hij is het, die de zee aan u heeft onderworpen, opdat gij er visschen5 uit zoudt mogen eten en er versierselen6 uit mogen halen om u op te schikken; en gij ziet de schepen hare golven doorklieven, opdat gij zoudt trachten door koophandel u met zijnen overvloed te verrijken, en dat gij dankbaar zoudt zijn. 15. En hij heeft op de aarde vastgewortelde bergen geplaatst, dat die zich met u zouden bewegen7, en ook rivieren en paden, opdat gij geleidt zoudt worden. 16. Hij heeft tevens teekenen geplaatst, waardoor de menschen hunnen weg zouden kennen; en zij worden door de sterren geleid8. 17. Zal dus God die schept, evenals hij zijn, die niet schept? Dient gij dus niet na te denken. 18. Indien gij poogt Gods gunsten te berekenen, zult gij niet in staat zijn haar getal te tellen. Waarlijk. God is genadig en barmhartig. 19. En God kent wat gij verbergt en wat gij openbaart. 20. Maar de afgoden, welke gij buiten God aanbidt, scheppen niets, maar zijn zelven geschapen. 21. Zij zijn dood en niet levend, en zij weten volstrekt niet, 22. wanneer zij zullen opstaan9. 23. Uw God is een eenig God. Wat hen betreft, die niet in het volgende leven gelooven, hunne harten loochenen het meest duidelijke, en zij verwerpen de waarheid met trotschheid. 24. Daaromtrent is geen twijfel, maar God kent wat zij verbergen en wat zij ontdekken. 25. Waarlijk, hij bemint den trots niet. 26. En toen men hun vroeg: Wat heeft uw Heer aan Mahomet nedergezonden? antwoordden zij: Fabelen uit oude tijden. 27. Zoozeer zijn zij aan dwaling overgegeven, dat zij hunne eigene lasten zonder verlichting op den dag der opstanding zullen dragen, en ook een deel der lasten van hen welke zij deden dwalen zonder kennis. Zal het geen zware last zijn dien zij zullen dragen? 28. Hunne voorgangers smeedden vroeger aanslagen. God tastte hun gebouw tot in de grondslagen aan: het dak viel van boven op hen neder, en eene straf kwam over hen, van waar zij die niet verwachtten10. 29. Ook op den dag der opstanding zal hij hen met schande bedekken en zal hij zeggen: Waar zijn mijne makkers, over welke gij getwist hebt? Zij, aan wie verstand zal zijn gegeven11, zullen antwoorden: Op dezen dag zullen schande en ellende over de ongeloovigen komen. 30. Zij welken de engelen des doods bij het sterven zullen afwachten omdat zij onrechtvaardig met hunne zielen gehandeld hebben, zullen in het oogenblik des doods aanbieden, zich te onderwerpen, zeggende: Wij hebben geen kwaad bedreven. Maar de engelen zullen antwoorden: Ja, waarlijk, God kent wat gij hebt bedreven. 31. Gaat dus de poorten der hel binnen, om daarin voor eeuwig te verblijven; en het verblijf van den trotsche zal ellendig zijn. 32. En tot de godvreezenden zal gezegd worden: Wat heeft uw Heer nedergezonden? Zij zullen antwoorden: Allerlei weldaden. Aan hen die rechtvaardig handelen, zal eene uitmuntende belooning in deze wereld worden geschonken, maar de woning, van het volgende leven zal beter, en de woning van den vrome gelukkig zijn! 33. Namelijk tuinen van eeuwig verblijf, waar zij zullen binnentreden; rivieren zullen daar stroomen, en daar zullen zij genieten wat zij zouden mogen wenschen. Zoo zal God den vrome beloonen. 34. Tot de rechtvaardigen, welke de engelen bij het sterven ontvangen, zullen zij zeggen: Vrede zij over u! Gaat het paradijs binnen, als eene belooning voor hetgeen gij hebt gedaan. 35. Verwachten de ongeloovigen iets anders dan dat de engelen tot hen komen, om hunne zielen van hunne lichamen te scheiden, of dat het besluit van hunnen Heer op hen worde uitgevoerd? Zoo handelen zij die vóór hen waren en God handelde niet onrechtvaardig nopens hen, door hen te verdelgen: maar zij handelden onrechtvaardig met hunne eigene zielen. 36. De booze daden welke zij bedreven hadden, bereikten hen en het goddelijke oordeel, dat zij bespot hadden, stortte op hen neder. 37. De afgodendienaars zeggen: Indien het Gode had behaagd, zouden wij niets buiten hem hebben aangebeden, wij en onze vaderen; wij zouden slechts verboden hebben wat hij zelf verbood. Zij die hen voorafgingen, handelden evenzoo. Maar moeten de gezanten iets anders doen dan openbaar prediken? 38. Wij hebben vroeger bij ieder volk een gezant doen opstaan, om hen te vermanen, zeggende: Aanbidt God en vermijdt Thagut12. En sommigen van hen werden door God geleid, terwijl anderen bestemd waren af te dwalen. Gaat dus over de aarde, gij Koreïshieten, en ziet wat het einde was van hen, die hunne gezanten van bedrog beschuldigden. 39. Indien gij, o profeet, ernstig wenscht dat zij geleid mogen worden, weet dan, dat God dengeen niet leidt, omtrent wien hij besloten heeft, hem in dwaling te brengen: zij zullen geenerlei helper hebben. 40. En zij zweren op de meest plechtige wijze bij God, zeggende: God zal de dooden niet opwekken. En toch, de belofte is waar. Hij zal het dus doen, maar het grootste deel der menschen weet het niet. 41. Hij zal hen doen verrijzen, opdat hij hun duidelijk de waarheid zou kunnen toonen, waaromtrent zij thans verschillen, en opdat de ongeloovigen weten dat zij leugenaars zijn. 42. Indien wij willen, dat iets bestaat, zeggen wij slechts: Zij, en het is. 43. Wat hen betreft, die hun land zijn ontvloden voor Gods zaak, nadat zij onrechtvaardig waren vervolgd, waarlijk, wij zullen hun eene uitmuntende woning in deze wereld schenken; maar de belooning van het volgende leven zal grooter zijn. Indien zij dat slechts kenden!13. 44. Zij die met geduld volharden en hun vertrouwen in hunnen Heer stellen, zullen overvloed van geluk hebben, zoowel in dit leven als in het volgende. 45. Wij hebben vóór u niemand anders als onze gezanten gezonden, dan mannen14, met welke wij door openbaring spraken. Vraag dus aan hen, die met de bewaring der schriften zijn belast, indien gij niet weet dat dit de waarheid is. 46. Wij zonden hen met duidelijke wonderen en beschreven openbaringen, en wij hebben u dezen Koran15 gezonden, opdat gij den mensch zoudt verklaren wat hem reeds werd nedergezonden, en opdat hij zou nadenken. 47. Zijn zij, die kwaad tegen hunnen profeet hebben gesmeed, zeker, dat God de aarde onder hen niet zal doen vaneen splijten, of dat hen geene straf zal treffen, vanwaar zij die niet verwachten. 48. Of dat hij hen niet zal kastijden, als zij bezig zijn van eene plaats naar eene andere te reizen, of met arbeiden? Want zij zullen niet in staat zijn, Gods macht te verzwakken. 49. Of dat hij hen niet zal kastijden door eene trapsgewijze vernietiging? Maar uw Heer is waarlijk genadig en barmhartig door u uitstel te verleenen. 50. Beschouwen zij de dingen niet die God heeft geschapen, wier schaduwen naar de rechter- en linkerzijde worden geworpen, om God16 te aanbidden en zich voor hem neder te buigen? 51. Alles wat zich, zoowel in den hemel als op de aarde, beweegt, die dieren en ook de engelen aanbidt God, en zij zijn niet door trotschheid opgeblazen. 52. Zij vreezen hunnen Heer, die boven hen is verheven, en doen wat hun bevolen is. 53. God zeide: Neemt geene twee goden onder u; want er is slechts één God, en vreest mij. 54. Hem behoort alles wat in den hemel en op de aarde is, en hem is de mensch eeuwig gehoorzaamheid schuldig. Zoudt gij dus iets buiten God vreezen? 55. Welke weldaden gij ook hebt ontvangen, zij zijn zekerlijk van God, en indien gij door het ongeluk bedroefd wordt, richt gij uwe smeekingen tot hem. 56. En indien hij u van het booze verlost, geeft een deel der uwen makkers aan hunnen Heer. 57. Om hunne ondankbaarheid te betoonen voor de gunsten welke wij hun hebben geschonken. Verheugt u in de genietingen van dit leven; maar hier namaals zult gij weten, dat gij de goddelijke wraak niet kunt ontkomen. 58. En zij geven aan de afgoden, die geen verstand hebben17, een deel van het voedsel dat wij hun hebben geschonken. Ik zweer u bij God, gij zult zekerlijk ter verantwoording worden geroepen, voor hetgeen gij verkeerdelijk hebt uitgedacht. 59. Zij schrijven aan God dochters toe18; dit zij ver van hem! en zij begeeren die niet voor zich zelven19. 60. En indien aan een hunner het bericht wordt gegeven van de geboorte eener dochter, wordt zijn aangezicht donker20 en hij is diep bedroefd. 61. Hij verbergt zich voor het volk, wegens de slechte tijding die hem is medegedeeld; bij zichzelven nadenkende, of hij er de schande van ondergaan, of haar in het stof begraven zal. Is hun oordeel niet slecht? 62. En die niet in het volgende leven gelooven, moet gij gelijk stellen met al het booze; maar vereenig God slechts met het meest verhevene21; want hij is machtig en wijs. 63. Indien God de menschen voor hunne onrechtvaardigheid zou straffen, zou hij geen levend wezen op aarde laten; maar hij geeft hen uitstel tot een bepaalden tijd; en als hun tijd zal gekomen zijn, zullen zij geen uur uitstel ontvangen, en hunne straf zal ook niet vervroegd worden. 64. Zij schrijven aan God toe wat zij zelve haten, en hunne tongen spreken eene leugen uit, als zij zeggen, dat de belooning van het paradijs voor hen is bestemd. Er bestaat geen twijfel, of het vuur der hel voor hen is gereed gemaakt, en dat zij daarin zullen nedergeworpen worden, vóór het overige deel der zondaren. 65. Ik zweer bij God, dat wij vroeger gezanten hebben gezonden tot de volkeren, die vóór u bestonden, maar Satan maakte hunne werken voor hen gereed; hij was hun schuts in deze wereld22 en in de volgende zullen zij eene gestrenge pijniging ondergaan. 66. Wij hebben u den Koran met geen ander doel nedergezonden, dan dat gij hun de waarheid zoudt verklaren, waaromtrent zij thans verschillen, en tot leiding en genade voor hen die gelooven. 67. God zendt water van den hemel neder en doet de aarde na haren dood herleven. Waarlijk, hierin is een teeken der opstanding, voor hen die luisteren. 68. Ook het vee is voor u een voorbeeld tot onderricht; wij geven u te drinken van hetgeen zich in zijn buik bevindt, tusschen verteerde stoffen en bloed; namelijk zuivere melk, die met genoegen wordt genoten door hen die haar drinken. 69. En van de vruchten der palmboomen, en van de druiven verkrijgt gij een bedwelmenden drank en ook een goed voedsel23. Waarlijk hierin is een teeken, voor hen die begrijpen willen. 70. Uw Heer sprak door ingeving tot de bij, zeggende: Bouw u huizen in de bergen en in de boomen, en van de stoffen waarmede de menschen korven voor u bouwen. 71. Eet van iedere vruchtsoort en wandel op de gebaande wegen van uwen Heer24. Uit hare buiken komt eene vloeistof van verschillende kleur25 welke een geneesmiddel voor de menschen bevat. Waarlijk, hierin is een teeken voor hen die nadenken. 72. God heeft u geschapen, en hij zal u later doen sterven, en het leven van menigen uwer zal tot een uitgeleefden ouderdom verlengd worden, zoodat hij alles zal vergeten wat hij wist; want God is wijs en machtig. 73. God doet sommigen uwer in wereldsche bezittingen boven anderen uitmunten; maar degenen welke hij doet uitmunten, geven hunne bezittingen niet aan hunne slaven, die door hunne rechterhand wordt bezeten, opdat zij gelijke bezitters daarvan worden26. Loochenen zij daarom Gods weldaden? 74. God heeft u vrouwen gekozen onder de uwen en u van uwe vrouwen kinderen en kleinkinderen geschonken, en heeft u goede dingen tot voeding gegeven. Wilt gij dus gelooven in datgene wat ijdel is, en ondankbaar Gods goedheid loochenen? 75. Zij aanbidden naast God afgodsbeelden die niets bezitten, waarmede zij zich kunnen onderhouden, noch in den hemel, noch op aarde, en welke geene macht hebben. 76. Vergelijk dus niets met God27; want God weet alles en gij weet niets. 77. God stelt u als eene vergelijking een slaaf voor, die over niets macht bezit en dengeen, wien wij een grooten voorraad hebben geschonken en die daarvan openlijk en heimelijk28 aalmoezen geeft; zullen deze beiden gelijk geschat worden? Goddank, neen! Maar het grootste deel der menschen weet het niet. 78. God stelt ook als eene vergelijking twee mannen voor, waarvan de een stom geboren, en niet in staat is iets te doen of te verstaan: maar een last voor zijn meester is: waarheen hij hem ook zende, hij zal hem niets goeds brengen. Zal deze man en hij die meester over zijne spraak is en verstaat, en die beveelt wat rechtvaardig is en den rechten weg volgt, gelijk geacht worden29? 79. Aan God alleen is het geheim van hemel en aarde bekend. De handeling van het laatste uur30 zal zijn als de tijdruimte van een oogenblik, of wellicht nog spoediger; want God is almachtig. 80. God heeft u voortgebracht uit de ingewanden uwer moederen. Gij wist niets en hij gaf u de zintuigen van het gehoor en het gezicht, en het verstand, opdat gij dankbaar zoudt zijn. 81. Hebt gij een blik geworpen op de vogelen, die de lucht doorklieven? God alleen kan hunne vlucht stuiten; niemand beschut hen buiten God. Waarlijk, hierin zijn teekens voor hen die gelooven. 82. God heeft u ook huizen gegeven, om tot woningen voor u te dienen en heeft ook uwe tenten van dierenhuiden voorzien, die licht zijn, om op den dag van uw vertrek naar andere plaatsen overgebracht te worden, en gemakkelijk te spannen op den dag, dat gij er in woont; hij heeft u voorzien van wol, bont en haar van uw vee; van kleederen en benoodigdheden voor tijdelijk gebruik. 83. En God heeft u verschaft van hetgeen hij geschapen heeft, en gemakken om u tegen de zon te beveiligen, en hij heeft u schuilplaatsen in de bergen verstrekt en kleederen gegeven, om u voor de hitte te beschutten31, en maliënkolders, om u in uwe oorlogen te beschermen. Zoo vervult hij zijne gunst nopens u, opdat gij u aan zijn wil zoudt onderwerpen. 84. Maar indien de Arabieren zich afwenden, zijt gij slechts met de openbare prediking belast. 85. Zij erkennen Gods goedheid en loochenen die later32; maar het grootste deel hunner zijn ongeloovigen33. 86. Op zekeren dag zullen wij een getuige van ieder volk doen opstaan; dan zullen zij, die ongeloovigen waren, zich niet kunnen verontschuldigen, en zij zullen niet in gunst worden opgenomen. 87. En als zij, die onrechtvaardig hebben gehandeld, de pijniging zullen zien, die voor hen is bereid, welke noch verminderd, noch uitgesteld voor hen zal worden. 88. En als zij, die zich aan afgodendienst hebben schuldig gemaakt, hunne valsche goden34 zullen zien, zullen zij zeggen: O Heer! dit zijn onze afgoden, welke wij buiten u aanroepen. Maar zij zullen zich omkeeren en hun antwoorden: Waarlijk, gij zijt leugenaars. 89. En op dien dag zullen de zondaren God hunne onderwerping aanbieden; en de valsche godheden welke zij hebben uitgedacht, zullen verdwijnen. Wat hen betreft, die ongeloovig waren, en anderen van Gods weg hebben afgeleid. 90. Wij zullen hen straf op straf doen ondergaan, omdat zij anderen hebben verleid. 91. Op zekeren dag zullen wij uit ieder volk een getuige van de hunne tegen hen doen opstaan, en wij zullen u, o Mahomet, tot een getuige tegen deze Arabieren maken. Wij hebben u het boek van den Koran nedergezonden, tot uitlegging van alle dingen, die zoowel in het geloof als in het leven noodig zijn, en tot eene richting, en genade en goede tijdingen onder de Moslems. 92. Waarlijk, God beveelt rechtvaardigheid en weldadigheid, en het geven aan verwanten wat noodig is; en hij verbiedt zonde, onrechtvaardigheid en verdrukking: hij waarschuwt u, opdat gij zoudt overwegen35. 93. Vervul uw verbond met God36, als gij een verbond met hem aangaat, en schend uwe eeden niet, nadat gij die plechtig hebt afgelegd. Gij hebt God tot getuige over u gesteld, en waarlijk God weet wat gij doet. 94. Gelijk niet op de vrouw, die vernietigde wat zij gesponnen had; die den draad losdraaide, nadat zij hem stevig had gesponnen37; door elkander bedriegelijke eeden te doen, omdat het eene deel sterker is dan het andere. Waarlijk, God beproeft u slechts hierin, en hij zal u dat duidelijk maken op den dag der opstanding, waaromtrent gij thans verschilt. 95. Indien het Gode had behaagd, zou hij u zekerlijk tot één volk hebben gemaakt; maar hij brengt in dwaling naar zijn welbehagen, en hij zal leiden wie hem behaagt. Eens zal men u rekenschap van uwe daden vragen. 96. Bedien u niet van uwe eeden als van een middel om te bedriegen, opdat uw voet, die thans vaststaat, niet uitglijde en opdat gij de straf niet moogt ondervinden, omdat gij u van den weg tot God hebt afgewend, en gij eene gestrenge straf in het volgende leven zoudt lijden. 97. Verkoop ook het verbond met God niet tot een geringen prijs38; want God heeft u eene betere belooning bereid, indien gij wilt begrijpen. 98. Datgene wat gij bezit, gaat voorbij, maar hetgeen bij God is, blijft; en wij zullen hen die volharden, zekerlijk overeenkomstig de verdienste hunner daden beloonen. 99. Hij die rechtvaardigheid oefent, hetzij hij een man of eene vrouw mocht wezen en een waar geloovige is, wij zullen hem zekerlijk tot een gelukkig leven opwekken, en wij zullen hem de schoonste belooning geven, welke zijne daden hebben verdiend. 100. Indien gij den Koran leest, zoek dan toevlucht bij God, opdat hij u moge behoeden tegen Satan, die met steenen werd verdreven39. 101. Doch hij heeft geene macht over hen die gelooven en die vertrouwen in hunnen Heer stellen. 102. Maar zijne macht strekt zich alleen uit over hen, die hem tot hunnen schuts kiezen, en die God makkers geven. 103. Indien wij in dezen Koran een vers door een ander vervangen (en God weet het beste wat hij openbaart), dan zeggen de ongeloovigen: Gij alleen hebt deze verzen uitgedacht; maar de meesten hunner weten de waarheid van de leugen niet te onderscheiden. 104. Zeg: De heilige geest40 heeft u deze van uwen Heer met waarheid nedergebracht, opdat hij degenen zou mogen bevestigen die gelooven, en tot eene richting diene en goede tijdingen aan de Moslems brenge. 105. Wij weten ook dat zij zeggen: Waarlijk, een zeker man leert hem den Koran samenstellen. De taal van den persoon dien zij willen aanduiden is eene vreemde taal: maar diegene waarin de Koran is geschreven, is de duidelijke Arabische taal41. 106. Wat hen betreft die niet in Gode teekenen gelooven, God zal hen niet leiden, en zij zullen eene pijnlijke marteling ondergaan. 107. Waarlijk, zij die niet in Gods teekenen gelooven, denken eene leugen uit, en zij zijn de leugenaars. 108. Hij die God loochent, nadat hij heeft geloofd, behalve hij die tegen zijn wil werd gedwongen, en wiens hart standvastig blijft in het geloof, zal streng gekastijd worden42; maar op hem, die uit eigen wil ongeloovig is, zal Gods verontwaardiging nederkomen en hij zal eene gestrenge straf ondergaan. 109. Dit zal hun vonnis zijn, omdat zij het tegenwoordige leven boven het volgende hebben bemind en omdat God de ongeloovigen niet leidt. 110. Die zijn zij wier harten, gehoor en gezicht door God zijn verzegeld. Zij zijn zorgeloos; maar het is ontwijfelbaar, dat zij in het volgende leven zullen gestraft worden. 111. Uw Heer zal echter gunstig zijn voor degenen die hunne woning zijn ontvlucht, nadat zij waren vervolgd43, en die door geweld genoodzaakt worden het geloof te verloochenen, en die tot verdediging van den waren godsdienst hebben gestreden, en met geduld zijn blijven volharden; waarlijk, voor hen zal uw Heer genadig en barmhartig zijn, nadat zij hunne oprechtheid zullen hebben betoond. 112. Op een zekeren dag zal iedere ziel voor zich zelve pleiten44, en iedere ziel zal beloond worden naar hetgeen zij zal hebben bedreven, en zij zal niet onrechtvaardig worden behandeld. 113. God stelt u als vergelijking eene stad voor, die veilig en rustig was, en tot welke de levensmiddelen van alle zijden in overvloed kwamen; maar zij verloochende, ondankbaar, Gods gunst, waardoor God haar buitengewone hongersnood en vrees deden gevoelen, om hetgeen zij had gedaan. 114. En thans is uit hun midden een gezant gekomen tot de bewoners van Mekka, en zij beschuldigen hem van bedrog; daarom zal hun eene straf worden opgelegd, naardien zij onrechtvaardig handelen. 115. Eet van hetgeen God u tot voedsel heeft gegeven, hetgeen nuttig en goed is, en wees dankbaar voor Gods goedheden, indien gij hem aanbidt. 116. Hij heeft u alleen het gebruik verboden van hetgeen dood is, en bloed en varkensvleesch, en hetgeen in den naam van een ander dan God is gedood45. Maar omtrent hem, die door den nood gedwongen werd, van deze dingen te eten en die niet willens of opzettelijk zondigde, zal God zekerlijk genadig en barmhartig zijn. 117. En zeg niet, waarmede uwe tongen eene leugen uitdrukken: Dit is wettig en dit onwettig46, om eene leugen nopens God uit te denken; want zij die iets nopens God uitdenken, zullen geen voorspoed genieten. 118. Zij zullen slechts weinig genoegen in deze wereld smaken en in de volgende zullen zij eene pijnlijke marteling ondergaan. 119. Den Joden verboden wij wat wij u reeds vroeger verhaalden47, en wij behandelden hen daarin niet onrechtvaardig; maar zij handelen zelven onrechtvaardig omtrent hunne eigene zielen. 120. Uw Heer zal genadig zijn omtrent dengenen die kwaad bedrijven door onwetendheid, en later berouw gevoelen en boete doen; waarlijk, voor hen zal uw Heer, na hun berouw, genadig en barmhartig zijn. 121. Abraham was een voorbeeld van waren godsdienstijver, gehoorzaam aan God en vroom. Hij was geen afgodendienaar. 122. Hij was dankbaar voor zijne weldaden. Daarom koos God hem en leidde hem op den rechten weg. 123. Wij beloonden hem in deze wereld, en in de volgende zal hij tot de rechtvaardigen behooren. 124. Wij hebben ook tot u, o Mahomet! door openbaring gesproken, zeggende: Volg den godsdienst van Abraham, die vroom en geen afgodendienaar was. 125. De Sabbat werd alleen voor hen bepaald, die daaromtrent met hunnen profeet verschillen48, en uw Heer zal op den dag der opstanding zekerlijk tusschen hen richten, nopens datgene, waaromtrent zij verschillen. 126. Noodig, door wijsheid en zachte vermaning, de menschen uit, den weg van uwen Heer te bewandelen. Twist gij met hen, doe het dan op de meest gepaste wijze; want uw Heer weet wel wie van zijn drempel afdwaalt en wie op den waren weg zijn geleid. 127. Indien gij u op iemand wreekt, neem dan eene wraak, geëvenredigd aan het kwaad dat u wordt aangedaan49; maar indien gij het kwade geduldig ondergaat, zal dit beter voor den lijdzame zijn. 128. Wees dus geduldig; maar gij zult dit niet kunnen doen dan met Gods hulp. Bedroef u niet op het verhaal der ongeloovigen, en verkeer ook niet in angst om hetgeen zij uitdenken; want God is met hen die hem vreezen en oprecht zijn.


1 Dit insect wordt in vers 70 van dit hoofdstuk vermeld.

2 Behalve de drie laatste verzen.

3 De persoon, die hier wordt bedoeld, was Obra Ebn Khalf, die tot Mahomet kwam met een verrot been, en hem vroeg, of het God mogelijk was dat voorwerp het leven te hergeven.

4 Zijnde: huiden, wol en haar, die u tot kleeding dienen.

5 Letterlijk versch vleesch; waarmede visch wordt bedoeld, als zijnde, uit den aard, verscher en spoediger aan bederf onderhevig dan het vleesch van vogelen en andere dieren. Men veronderstelt, dat hier deze uitdrukking bij voorkeur is gebruikt, omdat het voortbrengen van zulk versch voedsel uit zout water een voorbeeld van Gods macht is (Al Beidâwi).

6 Zooals parelen en koralen.

7 De Mahomedanen veronderstellen, dat de aarde, toen zij pas geschapen werd, week en effen en daarenboven even goed als de hemelbollen aan eene wentelende beweging onderworpen was. De engelen zouden daarop gevraagd hebben, wie in staat zou zijn, op een zoo waggelend lichaam te staan, waarop God de aarde den volgenden ochtend bevestigde door er bergen op te plaatsen.

8 Die hunne gidsen zijn; niet alleen op zee, maar ook op het land, als zij des nachts door de woestijnen reizen. De sterren, welke zij tot dit doel in het oog houden, zijn óf de pleiaden (zevengesternte), óf sommige der sterren nabij de pool.

9 Zijnde: Op welken tijd zij, of hunne aanbidders, zullen opgewekt worden, om aan het oordeel te worden onderworpen.

10 Sommigen vatten deze plaats figuurlijk op, en passen die op Gods verijdeling hunner zondige voornemens toe. Anderen veronderstellen, dat de woorden letterlijk moeten worden toegepast op den toren, dien Nimrod (van wie de Mahomedanen vertellen, dat hij de zoon van Ganaân, de zoon van Nun, was en de neef van Cush en dus niet diens zoon) te Babel bouwde, welke hij tot een reusachtige hoogte optrok (volgens sommigen vijfduizend ellebogen), met het dwaze doel, daardoor den hemel te bereiken en zoo doende een oorlog met diens bewoners te ondernemen; maar God verijdelde dien aanslag, door den toren bij hevige wind en aardbeving geheel omver te werpen (Al Beidâwi, Jallalo’ddin. Zie d’Herbel. Bibl. Orient. Art. Nimrod).

11 Zijnde: de profeten en de onderwijzers en leeraars van Gods eenheid, of de engelen.

12 Zie Hoofdstuk II, vers 257. Sommige schrijven Thahoet of Thaghoet.

13 Het is onzeker of het voornaamwoord zij betrekking heeft op de ongeloovigen of op de ware geloovigen. Worden hier de eerstgenoemden bedoeld, dan is de gevolgtrekking, dat zij begeerig zouden zijn, den gelukkigen toestand van de Mohajerin te bereiken, door hetzelfde geloof te belijden. Heeft het betrekking op de laatsten, dan wordt op de kennis daarvan aangedrongen, als eene beweegreden voor geduld en volharding (Al Beidâwi).

14 Zie Hoofdstuk VII, de noot van vers 57, Hoofdstuk XII, vers 109 enz.

15 Letterlijk vertaald zou dit moeten luiden: Deze vermaning.

16 Zie Hoofdstuk XIII, de noot van vers 19.

17 Of: die zij niet kennen; zich in hunne dwaasheid verbeeldende, dat zij hen kunnen helpen, of er bij God op kunnen aandringen, voor hen tusschen beide te komen. De oude Arabieren hielden namelijk een zeker deel van de voortbrengselen hunner landen voor hunne afgodsbeelden achter, en onthielden zich, in hun bijgeloof, van het gebruik van zeker vee, ter eere van diezelfde afgoden. Zie Hoofdstuk V, vers 102 en VI, vers 139146 benevens de noten.

18 Al Beidâwi zegt, dat vooral de stammen van Khozaak en Kenana gewoon waren, de engelen de dochters van God te noemen.

19 Maar wel zonen. De geboorte van eene dochter werd namelijk als een soort van ongeval bij de Arabieren beschouwd, en waren zij dikwijls gewoon die kinderen te dooden, door hen levend te verbranden. Zie Hoofdstuk VI, vers 138 en Hoofdstuk LXXXI, vers 8.

20 Zijnde bewolkt door schrik en spijt.

21 Deze plaats veroordeelt de onoordeelkundige en godslasterlijke toeschrijving van hoedanigheden aan God, die zijner onwaardig zijn, hetgeen door de bewoners van Mekka geschiedde, en welke niet alleen de volkomenheden der godheid verminderden maar zelfs onteerend voor den mensch waren, daar zij in hunne opgeblazenheid de vereerender hoedanigheden zich zelven toeschreven.

22 Of: hij is heden hun (namelijk der Koreïshieten) schuts enz.

23 Niet alleen wijn, die verboden is, maar ook geoorloofd voedsel, zooals dadels, druiven, eene soort van honig, die uit de dadels vloeit, en azijn. Sommigen hebben verondersteld, dat deze woorden het gematigd gebruik van wijn veroorloofden. De algemeen aangenomen meening beweert echter het tegendeel. (Zie Hoofdstuk II, vers 261, in de noot.)

24 Zijnde: De wegen langs welke, door Gods macht, de bittere bloemen, die in de maag der bij komen, tot honig worden, of de wijze van honig maken, welke hij haar bij instinct heeft gegeven, of wel de gereede weg naar huis van de afgelegen plaatsen, waarheen dat insect vliegt. (Al Beidâwi).

25 Zijnde: honig, waarvan de kleur zeer verschillend is, veroorzaakt door de onderscheidene planten, waarmede zich de bijen voeden: sommige zijn namelijk wit, sommige geel, andere weder rood of wel zwart. (Al Beidâwi).

26 Met deze woorden worden de afgodendienende bewoners van Mekka berispt, die geschapene wezens tot een deel der goddelijke eer konden toelaten, hoewel zij hunne slaven niet veroorloofden, met hen zelven te deelen, wat hun door God geschonken was (Al Beidâwi).

27 Of: stel geene gelijkheid of vergelijkingen voor tusschen hem en zijne schepselen. Naar het schijnt gebruikten de bewoners van Mekka een argument ter verdediging hunner afgodendienarij, zijnde: dat het aanbidden van ondergeschikte godheden vereerend voor God was, evenals de eerbewijzen aan de dienaren van een vorst gebracht, den vorst zelven vereeren. (Al Beidâwi).

28 De afgoden worden hier vergeleken bij een slaaf, die er zoo ver van verwijderd is iets te bezitten wat hem behoort, dat hij zelf in het bezit van een ander is, terwijl God een rijk en vrij mensch gelijk is, die overvloedig voor zijn gezin zorgt en ook anderen, welke in nood verkeeren, zoowel in het openbaar als in het geheim ondersteunt (Al Beidâwi, Jallalo’ddin).

29 Het afgodsbeeld is hier op nieuw voorgesteld onder het beeld van iemand, die, door het gebrekkige zijner zintuigen een nuttelooze last is voor den mensch, die hem onderhoudt, en God onder dat van een persoon, die volkomen in staat is, hetzij om eene nuttige onderneming te besturen, hetzij om die uit te voeren. Sommigen veronderstellen, dat deze vergelijking op een waren geloovige en een ongeloovige slaat.

30 Dat is: de opstanding van den dood.

31 Al Beidâwi zegt, dat een uiterste, en wel het onuitstaanbaarste in Arabië, hier voor beiden is gesteld. Jallalo’ddin veronderstelt echter, dat het woord “hitte” hier “koude” moet verstaan worden.

32 Belijdende dat God de bron van alle zegeningen is, welke zij genieten, terwijl zij hunne beden en dankzeggingen nochtans tot hunne afgoden richten, door wier tusschenkomst zij zich verbeelden, dat de zegeningen worden verkregen.

33 Door de onwetendheid of verdorvenheid Gods voorzienigheid geheel loochenende.

34 Letterlijk: hunne makkers.

35 Dit vers, hetgeen de aanleiding was tot de bekeering van Othman Ebn Matun, bevat, volgens de meening der uitleggers, alles wat de mensch verplicht is te doen of te vermijden, en is slechts eene voldoende ontleding van hetgeen in het voorafgaande vers werd gezegd. Onder de drie dingen, die hier worden bevolen, verstaan zij het geloof aan Gods eenheid, zonder daarom nog eenerzijds tot atheïsme, of anderzijds tot polytheïsme over te hellen, gehoorzaamheid aan Gods bevelen, en weldadigheid omtrent de noodlijdenden. Onder de drie verboden dingen verstaan zij: alle verdorven en vleeschelijke lusten, alle valsche leerstellingen en kettersche meeningen, en alle onrechtvaardigheid omtrent den mensch (Al Beidâwi).

36 Door in zijnen waren godsdienst te volharden. Sommigen denken, dat hier voornamelijk de eed van getrouwheid wordt bedoeld, die Mahomet van zijne volgelingen ontving.

37 Sommigen veronderstellen, dat in deze plaats eene bepaalde vrouw wordt bedoeld, die, gelijk Penelope, de gewoonte had, des nachts het werk te vernietigen, dat zij des daags had verricht. Zij zeggen, dat haar naam was Reita Bint Saad Ebn Teym, van de stam der Koreïshieten (Al Beidâwi).

38 Dat is: wees niet geneigd, door beloften of giften der ongeloovigen van uwen godsdienst, of van uwe verbintenissen met uwen profeet afstand te doen. Want het schijnt, dat de Koreïshieten, ten einde de arme Moslems er toe te verleiden, afvallig te worden, hun aanbiedingen deden, die wel niet aanzienlijk waren, maar toch zóó, dat zij die der aanneming waardig konden achten (Al Beidâwi).

39 Toen Mahomet eens in den Koran las, sprak hij eene vreeselijke godslastering uit, tot groote ergernis van hen, die tegenwoordig waren, zooals dit op eene andere plaats (in de noot op vers 51 van Hoofd XXII) zal worden medegedeeld. Ten einde zich te verontschuldigen, verzekerde hij hun, dat de duivel hem deze woorden in den mond had gelegd, en ten einde zulke gevallen in de toekomst te voorkomen, wordt hem hier vermaand, Gods bijstand in te roepen, alvorens dien plicht te vervullen (Jallalo’ddin, Al Beidâwi, Yahya enz).

40 Zijnde: Gabriël. Zie Hoofdstuk II vers 81.

41 Dit was eene groote tegenwerping, welke de bewoners van Mekka omtrent de autoriteit van den Koran maakten; want toen Mahomet, als een bewijs voor den Goddelijken oorsprong, er bij bleef volharden, dat het een mensch, zoo geheel ongeleerd als hij zelf, geheel onmogelijk was, zulk een boek samen te stellen, hernamen zij: dat hem daartoe een of meer personen hunne hulp hadden verleend. De overleveringen verschillen echter nopens den persoon of de personen, die voornamelijk daarvan verdacht gehouden werden. Eene zegt dat het Jabar was, een Griek, de bediende van Amer Ebn al Hadrami, die goed kon lezen en schrijven (Al Zamakhshari, Al Beidâwi, Yahya): een ander zegt, dat het twee slaven, Jabar en Yesar waren, die het ambacht van zwaardvegers te Mekka uitoefenden, en gewoon waren den Pentateuchus en het Evangelie te lezen, en Mahomet dikwijls onder hunne toehoorders telden, als hij langs dien weg kwam (Al Zamakhshari, Al Beidâwi, Zie Prideaux. Life of Moh. p. 32). Een ander verhaalt ons, dat het zekere Aish of Yaish was, een knecht van al Haweiter Ebn Abd al Uzza, die een zekeren graad van kennis verworven en het Mahomedanisme omhelsd had (Al Zamakhshari, Al Beidâwi). Een ander weder veronderstelt, dat het zekere Kais, een christen, wiens huis door Mahomet werd bezocht (Jallalo’ddin); nog een ander, dat het Addas was, een dienstknecht van Otha Ebn Rabia (Al Zamakhshari, Yahya), en een ander, dat het Salman, de Perziër was. Overeenkomstig sommige christelijke schrijvers (Ricardi Confut. Legis Saracenicae, c. 13. Joh. Andreas, de Confus. Sectae Mahometanae, c. 2. Zie ook Prid. Life of Moh, p. 33, 34), zou Abdallah Ebn Salam, een Jood, die zeer bevriend met Mahomet was (welke door den een, overeenkomstig den Hebreeuwschen tongval, Abdias Ben Salon en door een ander Abdala Celen, wordt genoemd) hem in het samenstellen zijner openbaringen geholpen hebben. Deze Jood wordt door Dr. Prideaux verward met Salman, den Perziër, die een geheel verschillend persoon was, zooals door schrijvers uit den lateren tijd (Gagnier not. in Abulf. Vit Moh. p. 74 en Sake, the Koran) is opgemerkt. Het is dus niet ongepast, met het oog op hetgeen later nopens Salman zal worden medegedeeld, hierbij een kort uittreksel te doen kennen van zijne levensgeschiedenis, zooals die door hem zelven wordt medegedeeld. Hij behoorde tot eene goede familie van Ispahan, die in zijn jeugdigen ouderdom den godsdienst van zijn land verliet om het Christendom te omhelzen. Toen hij in Syrië reisde, werd hem door zekeren monnik van Amurië aangeraden, naar Arabië te gaan, waar men, omstreeks dien tijd, de verschijning van een profeet verwachtte, die den godsdienst van Abraham zou bevestigen, en dien hij onder anderen ook zou kennen door het zegel der profecy tusschen zijne schouders. Salam deed die reis en ontmoette Mahomet te Koba, waar hij zich gedurende zijne vlucht naar Medina ophield. Hij bevond spoedig dat deze de persoon was dien hij zocht, en beleed den Islam (Ex Ebn Ishak. Zie Gagnier, not in Abulf. Vit. Moh. p. 74). Het algemeen gevoelen der christenen is echter, dat de voornaamste hulp, die Mahomet bij het samenstellen van zijn Koran genoot, van een Nestoriaanschen monnik was, Sergius genaamd, die verondersteld wordt dezelfde persoon te zijn als de monnik Boheira, met wien Mahomet op jongeren leeftijd eenigen omgang te Bosra had, waar die monnik zijn verblijf hield (Zie Prid. t. a. pl. 35, enz. Gagnier, t. a. pl. p. 10, 11. Marrac. De Alcor, p. 37). Om deze veronderstelling te staven, is eene plaats van een Arabisch schrijver aangevoerd (Al Masudi), die vermeldt, dat de naam van Boheira, in de werken der christenen Sergius is, doch dit is slechts eene veronderstelling, en een ander (Abul Hasan al Becra) verhaalt, dat zijn ware naam Saïd, of Felix, was en zijn toenaam Boheira. Maar hoe het ook zij, indien Boheira en Sergius slechts een en dezelfde persoon waren, dient men te weten, dat men bij de Mahomedaansche schrijvers niet de minste aanduiding vindt, dat hij ooit zijn klooster verliet om naar Arabië te gaan, zoo als door de christelijke schrijvers wordt beweerd; en zijne kennis met Mahomet te Bosra viel te vroeg in, om de meening te staven, dat hij hem bij het vervaardigen van den Koran zou hebben geholpen, hetgeen lang daarna geschiedde; doch het is mogelijk, dat Mahomet door zijne gesprekken met hem eenige kennis van het christendom en van de schriften hebbe verkregen, welke door hem bij den Koran zijn gebruikt. Uit het antwoord op deze plaats van den Koran gegeven, op de tegenwerping der ongeloovigen; zijnde, dat de persoon, die door hen verdacht wordt gehouden, de hand in den Koran te hebben gehad, eene vreemde taal sprak, en dus met geen schijn van mogelijkheid verondersteld kan worden bij het samenstellen van een stuk in de Arabische taal, en wel met zulk een groote sierlijkheid te hebben geholpen, is het duidelijk dat die persoon geen Arabier was. Het woord Ajami dat hier is gebruikt, beteekent eene vreemde of onbeschaafde taal in het algemeen; maar de Arabieren passen het meer bijzonder op het Perzisch toe; waaruit door sommigen de gevolgtrekking is gemaakt, dat Salman de bewuste persoon was. Indien het echter waar zij, dat hij niet tot Mahomet kwam dan na de Hedjira, zoo kan hij ook de hier bedoelde man niet zijn, of wel dan moet dit vers, in strijd met het algemeene gevoelen, te Medina zijn geopenbaard.

42 Deze vier laatste woorden werden bijgevoegd met het oog op het gebeurde met Ammar Ebn Yasa en sommige anderen, die, toen zij door de Koreïshieten waren gegrepen en gemarteld, hun geloof uit vrees verlieten, hoewel hunne harten niet met hunne monden instemmen (Al Beidâwi, Al Zamakhshari, Yahya). Het schijnt, dat Ammar de standvastigheid niet bezat van zijne ouders Yasar en Sommeya, die hetzelfde vonnis op denzelfden tijd met hunnen zoon ondergingen, maar die standvastig weigerden te herroepen, en beiden ter dood werden gebracht. De ongeloovigen bonden Sommeya tusschen twee kameelen, en, staken eens lans door hare schaamdeelen (Al Beidâwi). Toen Mahomet het bericht werd gebracht, dat Ammar het geloof had verloochend, zeide hij, dat het niet kon zijn; want dat Ammar vol van het geloof was, van de kruin zijns hoofds tot de zool zijner voeten, daar het geloof met zijn vleesch en bloed vermengd en in hem verlichaamd was. Toen Ammar daarop zelf weenende tot den profeet kwam, veegde hij zijne oogen af en zeide: Wat was uwe misdaad, indien zij u dwongen? Maar hoewel het hier wordt gezegd, dat zij die alleen schijnbaar afvallig worden, om doop of marteling te ontgaan, op Gods vergiffenis mogen hopen, is het echter thans eenparig door de Mahomedaansche leeraars aangenomen, dat het verdienstelijker en aangenamer in de oogen van God is, met moed en standvastigheid in het ware geloof te volharden, en eerder den dood te ondergaan, dan, al zij het ook slechts met woorden van dat geloof afstand te doen. Ook ontbreken de martelaars in den ergeren zin des woords niet aan den Mohamedaanschen godsdienst, waarvan wij hieronder, behalve het hierboven medegedeelde, nog twee voorbeelden zullen geven. Het eene is van Khobair Ebn Ada, die verraderlijk aan de Koreïshieten verkocht, en daarna door hen op eene afschuwelijke wijze ter dood gebracht werd, door verminking en door hem zijn vleesch stuksgewijze af te snijden. Toen hem te midden dezer martelingen gevraagd werd, of hij niet zou wenschen, dat Mahomet in zijne plaats ware, antwoordde hij: Ik zou niet willen wenschen bij mijn gezin, mijn vermogen en mijne kinderen te zijn, op voorwaarde, dat Mahomet, zij het ook slechts door een doorn, zou worden geprikt. (Ebn Sohohmah). Het ander voorbeeld is dat van een man, die door Moseilama bij de volgende gelegenheid werd ter dood gebracht. Die valsche profeet had namelijk twee van Mahomets volgelingen gegrepen. Hij vroeg aan een van hen, wat hij van Mahomet zeide: De man antwoordde daarop, dat deze Gods gezant was. En wat zegt gij van mij, voegde Moseilama er bij, waarop hij antwoordde: Gij zijt mede Gods gezant, waarop hij onmiddellijk in vrijheid werd gesteld. De andere persoon, die door Moseilama werd gegrepen, gaf hetzelfde antwoord op de eerste vraag, maar weigerde iets op de tweede te zeggen: hij werd daartoe drie verschillende malen aangemaand, maar gaf voor doof te zijn, en werd daarom gedood. Men verhaalt dat Mahomet, toen hem het gebeurde met deze mannen werd medegedeeld, zeide: De eerste hunner nam toevlucht tot Gods barmhartigheid, maar de laatste beleed de waarheid en zal daarvoor zijne belooning vinden (Al Beidâwi).

43 Zooals Ammar deed. Sommigen, die het woord met verschillende zelfklinkers lezen, vertolken daardoor de laatste woorden met: na de ware geloovigen te hebben vervolgd”, en halen al Hadrami als voorbeeld aan, die een zijner dienstknechten dwong van het Mahomedanisme afstand te doen, maar daarna te gelijk met den dienstknecht hetzelfde geloof beleed en derhalve vluchtte (Al Beidâwi).

44 Dat is: ieder mensch zal bezorgd zijn voor eigene zaligmaking, en zich niet met den toestand van een ander inlaten; maar uitroepende: mijne eigene ziel, mijne eigene ziel! (Al Beidâwi).

45 Zie Hoofdstuk V, vers 1, 47, 9598 enz.

46 Toestaande wat God heeft verboden, en zich bijgeloovig onthoudende van hetgeen hij heeft vergund. Zie Hoofdstuk VI, vers 139148.

47 Zijnde in Hoofdstuk VII, vers 147 en volg.

48 Dit waren de Joden, aan welke door Mozes bevolen werd, den vrijdag (den dag die thans door de Mahomedanen als rustdag wordt beschouwd) te stemmen, om God te aanbidden. Zij weigerden het echter en kozen den Sabbatdag, omdat God op dien dag van zijn Scheppingsarbeid had gerust. Daarom werd hun bevolen, den dag dien zij hadden gekozen, op de meest strikte wijze in acht te nemen (Al Beidâwi, Jallalo’ddin).

49 Men veronderstelt, dat deze plaats te Medina geopenbaard werd, bij gelegenheid dat Hamza, de oom van Mahomet, in den slag van Ohod werd gedood. De ongeloovigen schonden zijn lijk, door het de ingewanden uit het lijf te nemen, en zijne ooren en neus af te snijden, toen Mahomet het zag en zwoer, dat, indien God hem een goeden uitslag verleende, hij die gruwelen aan zeventig Koreïshieten op gelijke wijze zou vergelden. Door deze plaats werd hem echter verboden uit te voeren, wat hij had gezworen, tengevolge waarvan hij zijnen eed krachteloos maakte (Al Beidâwi, Jallalo’ddin). Abu’lfeda beweert, dat het getal Koreïshieten, waarop Mahomet gezworen had zich te zullen wreken, slechts dertig bedroeg (Abu’lf. Vit. Moh. p. 68); maar tevens moet men hier doen opmerken, dat de vertaler van dien schrijver die plaats aldus teruggeeft: God heeft mij geopenbaard, dat ik zal wedervergelden enz., inplaats van: Indien God nog eene overwinning over de Koreïshieten verleent, zal ik weder vergelden, enz., hetgeen veroorzaakt werd, doordat hij Lah. adhharni in plaats van adhjerni heeft gelezen. God, wel verre van den profeet dit plan door openbaring in te geven, verbied hem uitddrukkelijk, het tot uitvoering te brengen.