1 Al Ara is de afscheiding tusschen het paradijs en de hel; zoo als in dit hoofdstuk wordt verklaard.

2 Misschien met uitzondering van vijf of acht verzen.

3 Volgens sommigen kent alleen God de beteekenis van deze letters. Anderen meenen echter, dat daarmede worden aangeduid de woorden: Allah, Gabriël, Mahomet, vrede zij met hen. Zie Soera I, vers 2 in de noot.

4 Zie Hoofdstuk II: vers 32.

5 Uit hoofde er niet bijzonder bepaald is, tot welken tijd de straf voor den duivel is uitgesteld, zeggen de uitleggers, dat zijn verzoek niet geheel werd toegestaan, maar dat hij, evenals andere schepselen op het tweede trompetgeschal zal sterven. (Al Beidâwi, en d’Herbelot, Bibl. Oriënt, art. Eblis).

6 De boven- en onderzijde zijn weggelaten, om, zooals de uitleggers zeggen, aan te duiden, dat de macht van den duivel beperkt is. (Al Beidâwi).

7 Het Mohamedaansche evangelie van Barnabas zegt, dat de straf die God over de slang uitsprak, omdat hij den duivel in het paradijs had gebracht, daarin bestond (zie Hoofdstuk II: vers 34 en de noot), dat zij niet alleen uit het paradijs verdreven, maar dat hare voeten door den engel Michaël, met Gods zwaard afgehouwen zouden worden, en dat de duivel zelf, omdat hij onze voorouders onrein had gemaakt, veroordeeld werd hunne uitwerpselen en die van hunne nakomelingschap te eten.

8 Die zij te voren niet hadden opgemerkt.

9 Naar men beweert, zouden dit vijgebladeren zijn geweest (zie Hoofdstuk II: 33 en de noot).

10 Niet alleen geschikte grondstoffen, maar ook vindingrijkheid des verstands en vlugheid van hand, om daarvan gebruik te maken (zie Hoofdstuk II: vers in de noten op vers 22–33).

11 Door de fijnheid hunner lichamen en hunne kleurloosheid. (Jallalo’ddin).

12 Deze plaats werd geopenbaard om eene onwelvoegelijke gewoonte der afgodendienende Arabieren te wraken, welke de gewoonte hadden, den Caaba naakt te omringen; daar kleederen, gelijk zij zeiden, de teekens van hunne ongehoorzaamheid aan God waren (Jallalo’ddin, Al Beidâwi). De sonna beveelt, dat indien iemand gaat bidden, hij zijne goede kleederen moet aantrekken, uit eerbied voor de goddelijke majesteit, voor welke hij zal verschijnen. Maar ofschoon de Mahomedanen het onvoegzaam achten, eensdeels om op eene slordige wijze in Gods tegenwoordigheid te verschijnen, zoo gelooven zij anderdeels, dat men in geene te rijke of prachtige kleederen voor hem moet komen, en bijzonder niet in kleederen met goud of zilver versierd, omdat men dan den schijn van trotschheid zou hebben.

13 Daar de boozen, die eveneens van de zegeningen van dit leven genieten, geen deel zullen hebben in de geneugten van het volgende.

14 Zijnde de engel des doods en zijne helpers.

15 Dat is: het volk, welks voorbeeld hen tot afgodendienarij en andere boosheden heeft gebracht.

16 De eenen, omdat zij zich niet alleen verdierven, maar ook de aanleiding waren van het verderf der overigen, en de anderen, om hun eigen ongeloof en hunne navolging van een slecht voorbeeld. (Jallalo’ddin, Al Beidâwi).

17 Dat is: als hunne zielen na den dood ten hemel zullen stijgen; maar zij zullen op een mesthoop onder de zevende aarde worden geworpen (Jallalo’ddin, Al Beidâwi).

18 Deze uitdrukking is zeer gewoon in het oosten en wordt er als spreekwoord gebezigd: vergelijk Matth. XIX vers 24.

19 Zoodat, indien er verschillen of vijandschap tusschen hen gedurende hunnen leeftijd mochten hebben bestaan, die thans vergeten en door liefde en vriendschap vervangen zullen zijn.

20 Al Araf is volgens Mahomet, de naam van een muur of afscheiding tusschen de hel en het paradijs.

21 Uit deze omstandigheid schijnt men te mogen afleiden, dat de meening de meest waarschijnlijke is, volgens welke dit tusschengedeelte eene soort van vagevuur is voor hen, die hoewel zij niet verdienen in de hel te worden gezonden, geene toereikende aanspraak hebben om de onmiddellijke toelating tot het paradijs te erlangen, en hier eenigen tijd in verzoeking gebracht zullen worden, door hen de gelukzaligheid dier plaats te doen aanschouwen.

22 Zijnde de aanvoerders en drijvers der ongeloovigen. (Al Beidâwi.)

23 Dit waren de minder aanzienlijken en armen onder de geloovigen, welke deze gedurende hunnen leeftijd, als Gods gunst onwaardig, verachtten.

24 Deze woorden zijn in het bijzonder gericht tot de arme en verachte geloovigen, waarvan in de vorige noot wordt gesproken.

25 Zijnde van de andere vloeistoffen of vruchten van het paradijs.

26 Dat is: het vervullen der daarin vervatte beloften en bedreigingen.

27 Hoofdstuk VI, vers 24, noot.

28 Die zich gedurende het gebed aanmatigend gedragen, of met eene schreeuwende stem, of met eene menigte woorden en ijdele herhalingen bidden. (Al Beidâwi).

29 Zijnde, nadat God zijne profeten gezonden en zijne wetten geopenbaard heeft, tot hervorming en verbetering van den mensch.

30 Of die uitspreidt over eene groote uitgestrektheid lands. Sommige afschriften hebben hier in plaats van noshram, goede tijdingen, boshram daar het opsteken van den wind, onder zulke omstandigheden de voorlooper van regen is.

31 Of een droog en verdord land.

32 Noach, de zoon van Lamech, was, volgens de Mahomedaansche schrijvers, een der zes voornaamste profeten, doch hij had geene geschreven openbaringen, welke hem werden overgeleverd (Zie Reland de Relig. Moh., p. 34). Hij was tevens de eerste die na zijn overgrootvader Edris of Enoch verscheen. Dat Noach het goede onder de booze ante-deluvianen predikte, wordt door de schrift bevestigd (2 Petr. II : 5). De Oostersche Christenen zeggen, dat, toen God aan Noach beval de ark te bouwen, hij hem tevens den weg wees om een houten werktuig te vervaardigen, gelijk aan datgene, waarvan nog heden ten dage, in het Oosten in plaats van klokken gebruik wordt gemaakt, om het volk naar de kerk op te roepen, en dat in het Arabisch Nâkûs en in het nieuwe Grieksch Semandra wordt genoemd. Noach moest dit werktuig gebruiken om daarop driemaal per dag te slaan, ten einde de werklieden bij elkander te roepen, terwijl ’t hem gelegenheid zou geven, zijn volk dagelijks te waarschuwen, voor het dreigende gevaar van den zondvloed, die hen zekerlijk zou verdelgen, indien zij geen berouw gevoelden (Eufych, Ann. p. 37.)

33 Uit deze woorden en andere plaatsen van den Koran, waar van Noachs prediking wordt gesproken, blijkt het, dat, volgens de meening van Mahomet, eene voorname zonde der ante-diluvianen afgodendienst was (Zie Hoofdstuk XI.)

34 Hetzij de dag der opstanding, hetzij die waarop de zondvloed begon.

35 Zijnde zij, die hem geloofden en met hem in dat vaartuig gingen. Hoewel er eene overlevering bij de Mahomedanen bestaat, die gezegd wordt van den profeet zelven ontvangen te zijn, en volgens welke, evenals in de Heilige Schrift gezegd wordt, niet meer dan acht personen door de ark werden gered, wordt dat getal echter door sommigen van hen verschillend opgegeven. Eenigen stellen zes, tien, twaalf, achtenzeventig en tachtig van beiderlei kunne (Al Zamakhshari, Jallalo’ddin, Ebn Shohnah), en daaronder Jorham, die, volgens sommigen, de bewaarder der Arabische taal was. Zie Pocock. Orat. praefix. Carm. Tograi.

36 Ad was een oude en machtige Arabische stam van afgodendienaren. (Abulfeda.)

37 Deze wordt gezegd dezelfde persoon als Heber te zijn.

38 Dat is, nopens de afgodsbeelden en uitgedachte voorwerpen van uwe aanbidding, aan welke gij, in de boosheid uws harten, de namen, eigenschappen en eer geeft, die alleen den waren God toekomen.

39 Thamoed was een andere Arabische stam, die tot den afgodendienst overging.

40 De Thamoedieten drongen op een mirakel aan, en sloegen Saleh voor, met hen naar hun feest te gaan, waar zij hunne goden en hij de zijne aanroepen zou, onder de belofte, de godheid te volgen, die antwoord gaf. Maar nadat zij hunne afgodsbeelden gedurende eenigen tijd, zonder eenigen uitslag, hadden aangeroepen, wees Jonda Ebn Amroe, hun vorst, op eene alleenstaande rots, en verzocht Saleh daaruit een wijfjeskameel met een jong te doen voortkomen, terwijl hij zich plechtig verbond, indien Saleh dit deed, te zullen gelooven; zijn volk beloofde hetzelfde. Het gevraagde wonder had daarop plaats.

41 De stam van Thamoed woonde eerst in den omtrek van de Adieten, doch daar hun getal toenam, verhuisden zij naar het grondgebied van Hejr wegens de bergen; hier hieuwen zij zich woningen in de rotsen, die nog ten huidigen dage bestaan.

42 Gelijk hevige en herhaalde donderslagen, die volgens sommigen niets anders waren, dan de stem van den engel Gabriël, die hunne harten verscheurde. (Abulfeda, Al Beidâwi.)

43 Toen Mahomet in de expeditie van Tabûc, die hij in het negende jaar der hedjira tegen de Grieken ondernam, door Hejr trok, waar deze oude stam had gewoond, verbood hij zijn leger, niettegenstaande het door honger en dorst werd geteisterd, hier eenig water te putten, terwijl hij hun beval, indien zij van dat water hadden gedronken, het uit te spuwen, of, indien zij daarmede meel hadden gekneed, dit aan hunne kameelen te geven, (Abulfeda. Vit. Moh. p. 124) en nadat hij zijn gezicht in zijne kleederen had gehuld, gaf hij zijn’ muilezel de sporen, uitroepende: Betreedt het huis van deze snoode menschen niet, maar ween veeleer, anders zou u kunnen gebeuren wat hun overkwam; nadat hij dit had gezegd, rende hij in vollen galop en met omsluierd aangezicht voort, tot hij de vallei was doorgetrokken. (Al Bokhari.)

44 Zie Hoofdstuk XI, omtrent nadere bijzonderheden van Loth.

45 Zijnde Loth en zij die in hem geloofden.

46 Zie Hoofdstuk XI.

47 Zie hetzelfde Hoofdstuk.

48 Madian of Midian, was eene stad in Hejâz, en de woonplaats van de afstammelingen van Midian, de zoon Abraham uit Ketura (Gen. XXV : 2), die, naar het schijnt, zich later met de Ismaëlieten vereenigde. Deze stad lag aan de Roode Zee en is ontwijfelbaar dezelfde als Modiana; wat daarvan in Mahomets tijd was overgebleven, werd in de opvolgende oorlogen (Zie Golii, not. in Alfrag. p. 143) verwoest, en verkeert in onzen tijd in een treurigen toestand. Het volk in den omtrek beweert de put te bezitten, waaraan Mozes de kudden van Jethro drenkte. (Abulfeda, Desc. Arab. p. 42. Geogr. Nub. p. 109.)

49 Sommige Mahomedaansche schrijvers maken dezen tot den zoon van Mikail, den zoon van Yashjar, den zoon van Madian (Al Beidâwi, Tarikh Montakhab). In het algemeen veronderstellen zij tevens, dat hij dezelfde persoon was als de schoonvader van Mozes, die in de Heilige Schrift Reuel of Raguel en Jethro wordt genaamd Exod. II : 18, III : 1.

50 Hij zou zijn schoonzoon de wonderdoende roede hebben geschonken (Al Beidâwi, Zie ook Shalshel. Hakhab, p. 12), waarmede deze de verschillende wonderen in Egypte en de woestijn verrichtte, en waardoor hij tevens uitstekenden raad en onderricht gaf (Exod. XXVII: 13 enz.); weshalve hij den bijnaam van Khatîb Al Anbiyâ, of prediker der profeten verkreeg (Zie d’Herbelot, Bibl. Oriënt. Art. Shoaïb.)

51 Een der groote misdaden waaraan de Midianiten schuldig waren, was het gebruik van verschillende maten en gewichten, en wel groote en kleine, waarvan de eerste bij in-, de andere tot den verkoop dienden. (Zie d’Herbelot, t. a. pl. Al Beidâwi, Deut. XXV : 13, 14.)

52 Zie hiervoren bladz. 195 vers 54 en de noot.

53 Hierdoor wordt figuurlijk de wijze uitgedrukt, hoe God met trotsche en ondankbare menschen handelt, door hen te vergunnen, de maat hunner onrechtvaardigheid vol te meten, zonder hen door kastijding en droefenis tot besef van hunnen toestand te brengen, tot zij, op het oogenblik, dat zij dit het minst verwachten, geheel verloren zijn. (Al Beidâwi.)

54 Door niet daarin te gelooven.

55 De Arabische schrijvers vermelden vele fabelen van deze slang. Zoo verhalen deze, dat zij behaard en van zulk eene uitgestrekte grootte was, dat, als zij den muil opende, hare kaken 80 elleboogslengten van elkander waren verwijderd en als zij met hare onderkaak op den grond lag, het bovenste kakebeen tot aan den top van het paleis reikte. Zij voegen er tevens bij, dat Pharao daarop Mozes bij God bezwoer, die hem had gezonden, de slang weg te nemen, en beloofde, niet alleen in hem te gelooven, maar tevens de Israëlieten te laten vertrekken; doch toen Mozes gedaan had, wat Pharao verlangde, trok hij zijn woord terug, en behandelde hen even slecht als vroeger. (Al Beidâwi.)

56 De Arabieren noemen verschillende dier toovenaars, behalve hunnen opperpriester Simeon.

57 De uitleggers voegen er bij, dat toen de slang al de staven en koorden had verslonden, zij zich onmiddellijk tot de toeschouwers wendde, en hun zooveel schrik aanjoeg, dat zij vluchten, en een aantal hunner in het gedrang werden gedood. Daarna nam Mozes de slang op en zij werd weder een staf als te voren. De toovenaars verklaarden daarop, dat het geene tooverij kon zijn, daar in zulk een geval hunne staven en koorden niet zouden zijn verdwenen. (Al Beidâwi.)

58 Dat is: uwe rechter hand en uwen linker voet.

59 Sommigen zeggen, dat Pharao de eerste uitvinder dezer straf was.

60 Zijnde de sterren of andere afgoden.

61 Door wiens wil en besluit zij zoozeer werden bedroefd, als eene straf voor hunne boosheid.

62 Daar er in de Mozaïsche wet van geene dergelijke overstrooming sprake is, zoo veronderstellen sommigen, dat deze plaag eene pestziekte of eenige andere besmettelijke ziekte was. (Al Beidâwi.) Het woord Toefan, dat op deze plaats wordt gebruikt, en in het algemeen met overstrooming wordt vertaald, kan ook, meer algemeen, verwoesting of sterfte beteekenen.

63 Deze gebeurtenis wordt in de Xe en XXe Hoofdstukken meer bijzonder besproken.

64 Dat is het land van Syrië, waartoe de Oostersche aardrijkskundigen Palestina rekenen te behooren, en waarin, volgens de uitleggers de kinderen Israël, de koningen van Egypte en de Amalekieten opvolgden. (Al Beidâwi.)

65 Vooral den hoogen toren, dien Pharao had doen bouwen, om den God van Mozes te kunnen aanvallen. (Zie hoofdstuk XXVIII en Hoofdstuk XL.)

66 Men zegt dat hunne afgodsbeelden nabootsingen van ossen waren, die het eerste aanleiding gaven tot het maken van het gouden kalf. (Al Beidâwi).

67 De Arabieren rekenen bij nachten, zooals wij bij dagen. Deze gewoonte komt ontwijfelbaar uit de bijzondere hitte van hun klimaat voort. Als de zon ondergaat, verlaten zij de tenten en genieten de koelte en den meest verrukkelijken hemel. De nacht is dan ook in groote mate voor hen wat de dag voor ons is. Hunne dichters bezingen ook nooit de bekoorlijkheden van een schoonen dag, maar de woorden Leili! Leili! O nacht, o nacht! worden in al hunne liederen herhaald. (Savary.)

68 Zonder de bemiddeling van een ander, en van aangezicht tot aangezicht, zooals hij met de engelen sprak (Al Beidâwi). Zie d’Herbel. Bibl. Oriënt p. 650.

69 Deze berg wordt door de Arabieren al Zehir (Heb. הר שעיר) genoemd.

70 Sommige uitleggers beweren, dat God den berg leven gaf en het vermogen om te zien.

71 Deze woorden moeten niet in hunne strikte beteekenis worden opgevat. Zie in Hoofdstuk VI. vers 14 eene dergelijke uitdrukking.

72 Volgens sommigen waren deze tafels zeven in getal, volgens anderen tien. Naar het gevoelen van andere uitleggers waren zij uit eene soort Lotusboom gesneden, die in het Paradijs Al Sedra werd genaamd. Anderen wederom zeggen, dat zij van chrysoliten, smaragden, robijnen, of van gewonen steen waren (Al Beidâwi); ieder van tien of twaalf ellebogen lengte. Ook veronderstellen zij dat deze niet alleen de tien geboden vertoonden, maar dat de geheele wet daarop was geschreven.

73 Dat is eene volkomen wet, bevattende alle noodige onderrichtingen, zoowel nopens godsdienstige en zedelijke plichten, als omtrent het eigenlijk beheer.

74 Dat is, volgens de opvatting van sommigen, samengesteld uit vleesch en bloed, of, volgens anderen, een eenvoudig lichaam, of eene metaalmassa, zonder ziel (Al Beidâwi). Zie ook Hoofdstuk XX en de noot op Hoofdstuk II, vers 48.

75 Zie de beide genoemde Hoofdstukken en de noot op het laatste Hoofdstuk.

76 Zooals hunne gouden en zilveren ringen en armbanden (Al Beidâwi).

77 Door zijne voorschriften te verwaarloozen, en door u zijne wraak over den hals te halen.

78 Die allen verbroken en in den hemel opgenomen werden, uitgenomen eene enkele; deze bevatte, zooals zij zeggen, de bedreigingen en gerechtelijke bevelen, en werd later in de ark nedergelegd. (Al Beidâwi, Zie d’Herbelot p. 649.)

79 Zie Hoofdstuk II, vers 48–57.

80 Of de stukken van het overgeblevene.

81 Volgens Savary werden zij door eene aardbeving verzwolgen. Zie ook nopens deze plaats Hoofdstuk II, t. a. pl. en Hoofdstuk IV, vers 152.

82 Dat is Mahomet.

83 Zie Hoofdstuk III, vers 44.

84 Zooals het eten van bloed en varkensvleesch, het nemen van woeker, enz.

85 Zie Hoofdstuk II, vers 286.

86 Dat is: aan alle menschen in het algemeen, en niet aan een bijzonder volk, zooals de vroegere profeten werden gezonden.

87 Zie Hoofdstuk II, vers 57.

88 Zie Hoofdstuk II, vers 54.

89 Zie omtrent de uitlegging van deze plaats Hoofdstuk II, vers 55.

90 Deze stad was Ailah of Elath, aan de Roode Zee. Sommigen veronderstellen echter, dat het Median was, en anderen Tiberias. Zie voorts Hoofdstuk II, vers 61, in de noot.

91 Dat wij onzen plicht hebben gedaan, door hen van hunne snoodheid terug te houden.

92 Zie Hoofdstuk II, vers 61 in de noot.

93 Door steekpenningen aan te nemen, om een vonnis te verdraaien en voor de vervalsching van afschriften van den Pentateuchus, enz. (Al Beidâwi).

94 Vooral door uit te strooien, dat God hunne verdorvenheid zonder oprecht berouw en boetedoening zou vergeven.

95 Zie Hoofdstuk II, vers 60, in de noot.

96 De uitleggers verhalen, dat God over Adams rug streek, en uit zijne lendenen zijne geheele nakomelingschap voortbracht, het eene geslacht na het andere; dat deze menschen verzameld werden in de gedaante van kleine, met verstand begaafde mieren, en dat zij, na hunne afhankelijkheid van God te hebben betuigd, op nieuw in de lendenen van hunnen aartsvader terugkeerden (Al Beidâwi, Jallalo’ddin, Yahya. Zie ook d’Herbelot. Bibl. Oriënt, p. 54). Uit deze verdichting blijkt, dat de leer van het voortbestaan den Mahomedanen niet onbekend is, en dat er eene kleine overeenkomst is tusschen dit en de nieuwere theorie van de generatie ex animalculus in semine maritum.

97 Sommigen achten dit Bileam, den zoon van Béor, wel bekend, ten minste met een gedeelte van de schrift, daar hij zelfs met eenige openbaringen van God was begunstigd. Dezen werd door zijn volk verzocht, Mozes en de kinderen Israëls te vloeken. Eerst weigerde hij dit, zeggende: Hoe kan ik hen vloeken, die door de engelen worden ondersteund? Maar later werd hij door giften overgehaald, en nauwelijks had hij het gedaan, of hij stak zijn tong uit, als een hond, en deze hing op zijne borst neder. (Al Beidâwi, Jallalo’ddin, Al Zamakhshari. Zie ook d’Herbelot. Bibl. Oriënt. Art. Balaam.)

98 Door het loon der onrechtvaardigheid te beminnen en gretig, als belooning, op dwaling azende. 2 Petrus II : 5, Richteren II.

99 Door het uitdrukken van zijne attributen. Marracci telt er negen en negentig op, die bij de Arabieren in gebruik zijn (In Alc. p. 414.)

100 Zooals Walid Ebn al Mogheira deed, die op het hooren dat Mahomet aan God den titel van Al Rahman, of de genadige gaf, luid begon te lachen en zeide, dat hij niemand van dien naam kende (Marracc. Vit. Moh. p. 19), of, zooals de afgoden dienende bewoners van Mekka deden, die de namen hunner afgoden van die van den waren God afleidden, zooals b.v. Allàt, van Allah, Al Uzza, van Al Aziz, de machtige en Manat van Al Mannan, vol van goedheid (Al Beidâwi, Jallalo’ddin.)

101 Door hen te vleien met voorspoed in dit leven en hun toe te staan, in eene onverstoorbare zekerheid te zondigen, tot zij bevinden, dat zij onverwachts ten gronde zijn gericht. (Al Beidâwi)

102 Al Beidâwi zegt, dat de Koran op deze plaats Kosai, een van Mahomets voorouders, en zijne vrouw bedoelt, die God om kroost smeekten, en die den vier zonen, welke hem werden verleend, de namen Abd Menaf, Abd Shains, Abd ul Uzza en Abd al Dar gaven, naar de namen der vier voornaamste afgoden der Koreïshieten. De genoemde uitlegger veronderstelt ook, dat de volgende woorden op hunne afgodendienende nakomelingen moeten worden toegepast.

103 Als zijnde aan het volstrekte bevel van God onderworpen. De hoofd-afgoden der Arabieren waren: de zon, de maan en de sterren.