1 Zie hierna de noot van vers 30.

2 Zie de noot van het 1e vers, vorige soera.

3 De onderscheiding is een der titels van den Koran, omdat die leert, het goede van het kwade, het geoorloofde van het ongeoorloofde te onderscheiden.

4 Men onderscheide hier wel de beteekenis der woorden: grondzuilen (of moeder) des boeks, hier in den zin van grondslag gebruikt, van die des anderen, wordende het eene op het eerste hoofdstuk van den Koran, het tweede op den prototype van den Koran toegepast, die in den Hemel bewaard en ook het duidelijke boek genoemd wordt.

5 Het woord ahl, dat gewoonlijk door huisgezin wordt vertaald, beteekent, in meer algemeenen zin gebruikt, volk, aanhangers van, of lieden van.

6 Het teeken of mirakel, hier bedoeld, was de overwinning, in het tweede jaar der Hedjira, door Mahomet behaald op de heidensche bewoners van Mekka, die door Aboe Sofian werden aangevoerd, en welke in de vallei Bedr plaats had, die gelegen is nabij de zee tusschen Mekka en Medina. Mahomets strijdkrachten bestonden slechts uit 319 man, terwijl het leger van den vijand bijna 1000 man sterk was. Niettegenstaande dit verschil, noodzaakte hij hen te vluchten, nadat hij zeventig der voornaamste Koreïshieten gedood en verscheidene gevangen gemaakt had, met een verlies van slechts veertien man van zijn eigen volk. (Elmacin, Hottinger, Hist. Oriënt. Abülfed, Vit. Moham, enz.). Dit was de eerste overwinning die door den profeet werd behaald, en hoewel het geene zeer belangrijke gebeurtenis moge schijnen, toch was het een groot voordeel voor hem en voor de grondvesting van al zijn volgende macht en geluk. Daarom is deze gebeurtenis beroemd in de Arabische geschiedenis en meer dan eens in den Koran vermeld. (Zie lager in deze soera en de soeras 8 en 32) en als een gevolg van de goddelijke hulp aangehaald. Het genoemde mirakel bestaat naar men zegt uit drie zaken: 1º. Mahomet nam op order van Gabriël, eene handvol zand en wierp het, tijdens den aanval, naar den vijand, zeggende: Mogen hunne aangezichten beschaamd worden, waarop zij onmiddellijk vluchtten. Maar hoewel de profeet zelf waarschijnlijk met het zand wierp, wordt toch in den Koran (8e Soera voorste ged.) gezegd, dat God daarmede zou hebben geworpen; dat is, door tusschenkomst van zijnen engel. 2º. De Mahomedanen rekenden de ongeloovigen twee maal sterker te zijn dan zij, hetwelk hen zeer ontmoedigde, en 3º. God zond eerst duizend engelen te hunner hulp en daarna drie duizend engelen, aangevoerd door Gabriël, die op zijn paard Haïzûm was gezeten; en volgens den Koran (8e Soera) werd dit alles door de hemelsche helpers uitgevoerd, hoewel de Mahomedanen zich verbeeldden het zelven te doen, en dus op hetzelfde oogenblik dapper vochten

7 Eigenlijk gemerkte paarden, zijnde de edele paarden, die men met zorg bewaart en van het naamcijfer des bezitters voorziet.

8 Hiermede worden de heidensche Arabieren bedoeld, die geene kennis der schriften hebben (Jallalo’ddin, Al Beidâwi). Het Arabische woord is hier echter niet datgene waarvan de Koran zich gewoonlijk bedient, waar hij over afgodendienaars spreekt. Het is het woord ommin, lieden van het volk. Het woord ommi (enkelvoudig) ongeletterde, wordt echter ook op Mahomet toegepast.

9 De Joden.

10 Deze plaats werd geopenbaard bij gelegenheid dat Mahomet twist had met eenige Joden, hetgeen door de uitleggers op verschillende wijze wordt verhaald. Al Beidâwi zegt, dat, toen Mahomet eens in eene synagoge ging, Naïm Ebn Amroe en Al Hareth Ebn Zeid hem vroegen, van welken godsdienst hij was. Hij antwoordde: van Abrahams godsdienst. Zij hernamen, Abraham was een jood, maar op Mahomets voorstel, dat de Pentateuchus het geschil zou beslechten, wilden zij op geenerlei wijze daarin toestemmen. Jallalo’ddin verhaalt, dat twee Joden overspel hadden bedreven, waarop Mahomet hen veroordeelde om ingevolge de wet van Mozes, gesteenigd te worden. De Joden weigerden dit uit te voeren, zeggende, dat er geen dergelijk verbod in den Pentateuchus was, maar toen Mahomet dat boek tot getuige riep, werd die wet er in gevonden. Daarna werden de misdadigers gesteenigd. Het is zeer opmerkelijk, dat deze wet van Mozes betreffende het steenigen van overspeligen in het Nieuwe Testament (Joh. VIII : 5) is vermeld hoewel sommigen de echtheid dier geheele plaats betwisten, doch nu is het noch in de Hebreeuwsche of Samaritaansche Pentateuchus, noch in de Septuaginta te vinden, daar er slechts wordt gezegd, dat die ter dood gebracht zullen worden (Lev. XX : 10. Zie ook Whistons, Essay towards restoring the true Text of the Old Testament, bladz. 99 en 100). Op deze bijzonderheid wordt door de Mahomedanen aanhoudend gewezen als een bewijs van de verminking der wet van Mozes door de Joden. Het is mede opmerkelijk, dat er eens een vers in den Koran bestond, waarin geboden werd de overspeligen te steenigen, en dat de uitleggers zeiden, dat de woorden slechts waren afgeschaft, hoewel de zin of wet van kracht bleef.

11 Zie de tweede Soera, vers 74.

12 Imran, Amran of Imram is volgens de Mahomedaansche overlevering, den naam van twee verschillende personen. De een was de vader van Mozes en Aäron, en de ander was de vader van Maria (Al Zamakhshari, Al Beidâwi) welke bij sommige christen-schrijvers Joachim wordt genoemd. De uitleggers veronderstellen, dat de eerste, of eigenlijk dat beide op deze plaats bedoeld worden, hoewel men aanneemt, dat de persoon op de volgende plaats bedoeld, laatstgenoemde was, die behalve Maria, de moeder van Jezus, ook een zoon had, welke Aäron werd genaamd (Koran 19e soera) en eene zuster Ishà of Elisabeth, die met Zacharias huwde en de moeder was van Johannes den Dooper; weshalve deze profeet en Jezus gewoonlijk door de Mahomedanen De twee zonen der tante, of de neven worden genoemd. Hier verwart de Koran Maria de moeder van Jezus met Maria of Mirjam, de zuster van Mozes en Aäron, hoewel het uit andere plaatsen van den Koran duidelijk blijkt dat Mahomet wel degelijk wist, dat Mozes verscheidene eeuwen voor Christus leefde.

13 De persoon Imram, hier bedoeld, was de vader van Maria; de naam zijner vrouw was Hannah of Anna, de dochter van Fakudh.

14 Dit is: dat een meisje geene priesterlijke diensten kon verrichten, evenals een knaap.

15 Deze uitdrukking staat in verband met eene overlevering, dat Abraham, toen de duivel hem beproefde, God niet te gehoorzamen, door zijn’ zoon niet te offeren, den boozen geest verdreef, door met steenen naar hem te werpen. Tot aandenken dezer gebeurtenis werpen de Mahomedanen, bij den pelgrimstocht naar Mekka, in de vallei van Mina een aantal steenen, met zekere ceremoniën naar den duivel.

16 Ofschoon het kind geen jongen was, bood heur moeder haar toch den priesters aan, die met het opzicht in den tempel belast waren, als eene aan God gewijde. Nadat zij haar hadden ontvangen, werd zij aan de zorg van Zacharias toevertrouwd, die haar een vertrek in den tempel bouwde en haar van het noodige voorzag. (Jallalo’ddin, Al Beidâwi, enz.)

17 De uitleggers zeggen, dat niemand in Maria’s vertrek mocht komen behalve Zacharias, en dat hij zeven deuren achter haar sloot. Desniettegenstaande vond hij haar in den winter van zomervruchten en in den zomer van wintervruchten voorzien.

18 Dat is Jezus, die volgens een der uitleggers (Al Beidâwi), zoo werd genoemd, omdat hij, door bevel van God, zonder vader ontvangen was.

19 Het oorspronkelijke beteekent iemand, die zich niet alleen aan de vrouwen, maar ook aan alle andere genoegens en begeerten zal onttrekken.

20 Zacharias was toen negenennegentig jaar oud, en zijne vrouw negenentachtig. (Al Beidâwi). Vergelijk de voorzegging aan Abraham (Gen. XVII : 17).

21 Zijn aangezicht ter aarde doen bukken en de knie buigen, geschiedt bij het gebed der Muzelmannen. Mahomet schijnt deze uitdrukking hier opzettelijk te bezigen, om zijne leer vast te hechten aan die der rechtvaardigen van het Oude Testament.

22 Toen Maria voor het eerst in den tempel werd gebracht, twistten zij onder elkander, omdat zij de dochter van een hunner opperhoofden was, wie met hare opvoeding zou belast worden. Zacharias stond er op, dat hij de voorkeur zou hebben, dewijl hij met hare tante getrouwd was, maar de anderen stemden daarin niet toe. Zij kwamen toen overeen, dat het lot tusschen hen zou beslissen, waarop zevenentwintig naar de rivier de Jordaan gingen en hunne roeden er in wierpen, waarop zij eenige plaatsen der wet hadden geschreven; alle zonken zij, behalve die van Zacharias, die op het water dreef. Daarop werd hem de zorg over het kind toevertrouwd. (Al Beidâwi, Jallalo’ddin, enz.)

23 Behalve het verhaal hiervan gegeven door de Koran (19e soera), geeft een Mahomedaansch schrijver (die echter niet veel gezag heeft) twee verhalen; een, dat Jezus sprak, terwijl hij nog in het lichaam zijner moeder besloten was, om haren neef Joseph te bestraffen, over de onrechtvaardige verdenking, die hij van haar voedde (Sikii, notas in Evang. Infant, pag. 5) en een ander sprookje, dat hij aan denzelfden persoon een antwoord zou hebben gegeven, kort nadat hij geboren was. Want Joseph, die door Zacharias was uitgezonden, om Maria op te zoeken, welke de stad bij nacht had verlaten, om hare bevalling te verbergen, begon haar te onderhouden toen hij haar had gevonden; maar ze gaf geen antwoord, waarop het kind zeide: Verheug u, o Jozef! en wees tevreden; want God heeft mij voortgebracht uit de duisternis van het moederlijf, voor het licht der wereld, en ik zal tot de kinderen Israëls gaan en hen noodigen tot gehoorzaamheid aan God (Al Kessai). Dit schijnt geheel ontleend te zijn aan de vele fabelachtige overleveringen der oostersche Christenen, waarvan eene tot ons is gekomen in het aprocryphe evangelie van de kindsheid van Christus, waar wij vinden, dat Jezus sprak, tijdens hij nog in zijne wieg lag, en tot zijne moeder zeide: Waarlijk ik ben Jezus, de zoon van God, wiens woord gij hebt voorgebracht, zooals de engel Gabriël u heeft verklaard: en mijn vader heeft mij gezonden om de wereld te redden.

24 Sommigen zeggen dat het eene vledermuis was (Jallalo’ddin); maar anderen veronderstellen, dat Jezus vele vogels van verschillende soorten maakte. Deze omstandigheid is mede ontleend aan de volgende fabelachtige overlevering, welke in het bovengenoemde apocryphe evangelie is te vinden. Toen Jezus zeven jaar oud was, speelde hij met eenige kinderen van zijnen ouderdom; zij maakten uit klei verschillende vormen van vogels en andere dieren, om zich te vermaken en ieder gaf zijn eigen werk de voorkeur. Jezus vertelde hun, dat hij die wilde doen loopen en springen, hetwelk zij op zijn bevel ook deden. Hij maakte ook vele figuren van menschen en andere vogels, die weg vlogen, of op zijne handen bleven staan, al naar hij het hun beval en ook aten en dronken, als hij hun spijs en drank aanbood. De kinderen vertelden dit aan hunne ouders, die hun verboden, nimmer meer met Jezus te spelen, dien zij voor een toovenaar hielden. (Evang. Infant. pag. 111 enz.).

25 Jallalo’ddin vermeldt drie personen, welke Christus in het leven terug bracht, en die onderscheiden jaren daarna nog leefden en kinderen hadden, zijnde: Lazarus, de zoon der weduwe, en de dochter van den herbergier (waarschijnlijk van het opperhoofd der synagoge). Hij voegt er bij, dat hij ook Sem, den zoon van Noach, heeft opgewekt, die, zoo als een ander (Al Thalabi) schrijft, dacht, dat hij ten oordeel werd geroepen, en met een half grijs hoofd uit zijn graf kwam, ofschoon de menschen in zijne dagen niet grijs werden. Daarna stierf hij onmiddellijk weder.

26 Hier staat in den tekst: inni motewafika. Dit woord wordt gebruikt in de beteekenis van den dood te doen ondergaan, sprekende van God, die de menschen oproept en tot zich ontvangt, bij het einde van hun leven. De uitleggers, door deze plaats, welke in tegenspraak is met de meening dat Jezus niet gestorven is, maar dat God een ander in zijne plaats stelde, in verlegenheid gebracht, denken dat dit woord, hoewel het eerste in den tekst geplaatst, echter, wat den zin betreft, de andere in deze orde moet volgen: Ik zal u tot mij opheffen, en aan het einde zal ik u geheel als de andere menschen doen sterven. Eenige verklaarders gelooven, dat Jezus werkelijk gestorven is voor zijne hemelvaart, en wel gedurende drie uren, en dat hij niet is gekruisigd. Overigens wordt deze plaats op verschillende wijze verklaard.

27 Enige Mahomedanen zeggen, dat dit door tusschenkomst van Gabriël geschiedde; maar anderen zijn van meening, dat een sterke dwarrelwind hem van den berg Oljvet opnam (Althalabi, zie ook 2 Koningen II : 1 en 11).

28 Namelijk omtrent Jezus.

29 Om deze plaats te verklaren, wordt door de uitleggers het volgende verhaald: Verschillende Christenen kwamen met hunnen bisschop, Abn Hareth genaamd, tot Mahomet, als afgezanten van de bewoners van Najran of Nedjran (land van Arabië), en vingen aan met hem te twisten over godsdienst en de geschiedenis van Jezus. Zij stemden er eindelijk in toe, de genoemde zaak den volgenden ochtend te behandelen, als een korte weg om te beslissen, wie van hen in het ongelijk was. Mahomet bracht zijne dochter Fatima, zijn schoonzoon Ali en zijn beide kleinzonen Hassan en Hoessein mede, en hij verzocht de Christenen te wachten, tot hij zou hebben gebeden. Maar toen zij hem zagen knielen, ontbrak hun de moed, en dorsten zij het niet wagen, hem te vloeken, maar onderwierpen zich aan hem (Jallalo’ddin, Al Beidâwi). Deze plaats wordt mobaheleh genoemd en is van groot gewicht bij alle Muzelmannen, maar meer bijzonder bij de Chiiten (volgelingen van Ali), omdat Mahomet, die Fatima, Ali, Hassan en Hoessein had medegebracht, de woorden gebruikt: onze zielen en de uwe, hetgeen ten bewijze strekt voor de innige verbinding en ondeelbaarheid van Mahomet en zijn gezin.

30 Behalve van andere afgodische daden beschuldigt Mahomet de Joden en Christenen, dat zij een al te blind geloof schenken aan hunne priesters en monniken, welke zich de macht hebben toegeëigend, uit te maken, welke zaken wettig en welke onwettig zijn, en van het volgen van Gods wetten te ontslaan.

31 Hier worden de Joden en Christenen andermaal beschuldigd, de schriften te hebben vervalscht en de profetiën omtrent Mahomet te hebben verduisterd.

32 De uitleggers zeggen, om deze plaats te verklaren, dat Caab Ebn Al Ashraf en Malec Ebn Al Seif (twee Joden van Medina), hunne gezellen roepen, toen de Kebla was veranderd, te doen alsof zij geloofden, dat die door God was gegeven, door des ochtends te bidden naar den Caaba gewend, en dat zij des avonds, zooals gewoonlijk, naar Jeruzalem gekeerd, zouden bidden, opdat de volgelingen van Mahomet, die zich verbeeldden, dat de Joden betere rechters dan zij op dit punt waren, hun voorbeeld zouden volgen. Anderen zeggen echter, dat het zekere Joodsche priesters of khaibar waren, die sommigen van hun volk bevalen, des ochtends voor te geven, dat zij den Mahomedaanschen godsdienst hadden omhelsd, maar aan het einde van den dag te zeggen, dat zij hunne boeken der schrift nagezien en hunne rabijnen geraadpleegd hadden, doch dat zij niet konden vinden, dat Mahomet de persoon was, in de wet beschreven en bedoeld; door welke list zij hoopten, twijfel in de harten der Mahomedanen te doen ontstaan (Al Beidâwi).

33 In het Arabisch staat voor het woord talent: kintar, dat duizend dinars of goudstukken waard was. Als een voorbeeld van deze plaats halen de uitleggers Abd’allah Ebn Salâm aan, een jood, die zeer bevriend was met Mahomet (Prideaux, Life of Moham, pag. 33), aan wien een der Koreïshieten 1200 oncen goud leende, welke hij zeer stipt op den bepaalden tijd betaalde (Al Beidâwi, Jallalo’ddin).

34 Mahomet spreekt hier van de Christenen, die, volgens hem, aan Jezus, zoon van Maria en eenvoudig sterveling, eene taal in den mond leggen, welke hij, als profeet en oprecht vereerder van God, nimmer heeft kunnen voeren. Al Beldâwi voegt er bij, dat twee Christenen, Abn Râfè al Koradhi en Al Seynd al Najrâni, aanboden, Mahomet als hunnen God te erkennen en hem te aanbidden, waarop hij geantwoord had: God verbiedt, dat wij iemand naast hem zouden vereeren.

35 Dat is: hen te aanbidden en rabb (meester, heer) te noemen, hetwelk men slechts aan God schuldig is.

36 Becca of Mekka. Mahomet ontving deze plaats toen de Joden zeiden, dat hunne Kebla, of de tempel van Jeruzalem, ouder was dan die der Mahomedanen, of de Caaba.

37 Letterlijk: Houdt vast aan de koord van God, d.i. verzekert u zelven, door den Islam aan te nemen, welke hier figuurlijk wordt uitgedrukt door “koord,” omdat het een zeker middel is, hen te redden, die anders eenen godsdienst belijden, waardoor zij hiernamaals verloren zouden zijn, daar het vasthouden aan een touw het voorbehoedmiddel is tegen het vallen in een put of andere plaats. Men zegt dat Mahomet, om de zelfde reden, den Koran Habl Allah al matiu noemt, d.i. de zekere koord van God (Al Beidâwi).

38 Als de Joden en Christenen, die omtrent de eenheid van God enz. twistten.

39 Zoo als Abd’allah Ebn Salâm en zijne metgezellen (Al Beidâwi) en diegenen van de stammen Al Ans en Al Khazraj welke het mahomedanisme hebben omhelsd.

40 Die namelijk welke het islamismus hebben aangenomen.

41 Dat is, tot eenen anderen godsdienst.

42 Dit was de slag van Ohod, een berg op vier mijlen ten Noorden van Medina. De Koreïshieten hadden namelijk, om hun verlies bij Bedr (zie het begin van deze soera) te wreken, in het volgende jaar, zijnde het derde der Hedjira, een leger van 3000 man te zamen getrokken, waaronder 200 paarden en 200 man, die met maliënkolders waren gewapend. Deze strijdkrachten werden aangevoerd door Aboe Sofiân en maakten te Dhu’lholeifa, een dorp op zes mijlen afstands van Medina halt. Mahomet, wiens leger veel minder talrijk was dan dat zijner vijanden, had eerst besloten, hen in de stad af te wachten, maar later volgde hij den raad van sommigen zijner makkers en rukte tegen hen op, aan het hoofd van 1000 man (sommigen zeggen hij had 1050 man, anderen 900, waarvan 100 met maliënkolders waren voorzien, maar hij had slechts één paard, behalve het zijne, in het geheele leger). Met deze strijdkrachten vormde hij een kamp in een dorp bij Ohod, welken berg hij in den rug verlangde te hebben, om het voordeel, zijne manschappen tegen omsingeling te behoeden, waartoe hij nog 50 boogschutters in de achterhoede plaatste, met streng bevel, hunne posten niet te verlaten. Toen het gevecht begon, was het voordeel eerst aan Mahomets zijde, maar later verloor hij den slag door de schuld zijner boogschutters, die de gelederen verlieten om te plunderen, en zoodoende toelieten, dat de paarden der vijanden de Mahomedanen omsingelden en hen in de achterhoede aanvielen. Mahomet had daarbij echter zijn leven verloren, daar zijn leger door eene hagelbui van steenen aangevallen, en door twee pijlen in het aangezicht gewond werd, waardoor hij, toen men die uittrok, twee zijner voorste tanden verloor. Van de Moslems waren 90 man gedood, waaronder Hamzoe, de oom van Mahomet en van de ongeloovigen 22 (Abulfeda). Deze plaats moest dienen om den slechten uitslag van dit gevecht te verontschuldigen, en den nedergeslagen moed zijner volgelingen weder op te wekken.

43 Dit waren sommigen van de gezinnen van Banoe Salma van den stam van Al Khagraj en Banoel, Nareth van den stam van Al Aws, die de beide vleugels van Mahomets leger vormden.

44 Deze plaats werd geopenbaard, toen Mahomet gewond werd in den slag van Ohod en uitriep: Hoe zal het volk kunnen zegepralen, dat het aangezicht van zijnen profeet met bloed heeft bevlekt, terwijl hij hen tot hunnen God riep: De persoon die hem wondde was Otha de zoon van Abboe Wakkâs (Al Beidâwi).

45 Toen zij te Bedr werden geslagen. Het is opmerkelijk, dat het getal der Mahomedanen die bij Ohod werden gedood gelijk is aan dat der afgodendienaars die de Bedr vielen. Dit was zoo door God bevolen, om eene elders op te geven reden (VIIIe Soera).

46 Deze plaats heeft betrekking op vele van Mahomets volgelingen, die niet te Bedr tegenwoordig waren geweest, en welke de gelegenheid wenschten te hebben, in een ander gevecht dezelfde eer te genieten als zij die als martelaren in den slag vielen, maar ontmoedigd werden, toen zij het grooter getal afgodendienaars in den slag van Ohod lagen.

47 Ten einde de klachten van zijn volk om hunne nederlaag des te krachtiger te stillen, stelt Mahomet het zóó voor, als ware de levenstijd van iederen mensch vooraf bij God bepaald, en dat zij, die in den slag vielen, hunnen dood niet zouden hebben ontgaan, indien zij te huis waren gebleven, terwijl zij nu het glorierijke voordeel genoten, als martelaars voor het geloof te vallen.

48 Dat is: de overwinning en den buit.

49 Zeggende: komt hier tot mij, o dienaren van God! Ik ben Gods gezant. Hij, die terugkeert, zal in het paradijs komen. Maar niettegenstaande al zijne pogingen om zijne lieden te verzamelen, kon hij niet meer dan dertig van hen daartoe brengen.

50 Na het gevecht werden zij, die in den slag pal bleven staan, terwijl zij in het veld lagen, door een aangenamen slaap verkwikt, zoodat hun de zwaarden uit de handen vielen; maar zij, die zich slecht hadden gedragen, werden verontrust, en hunne harten verbeeldden zich, dat zij aan het verderf waren overgegeven (Al Beidâwi, Jallalo’ddin).

51 Dat is: Is hier eenige schijn van goed gevolg, of van de goddelijke gunst en ondersteuning die ons is toegezegd? (Al Beidâwi, Jallalo’ddin).

52 Indien God ons ondersteunt, volgens zijne belofte, of, zooals anderen die woorden teruggeven, indien wij den raad van Aballah Eboe Obba Sollûl hadden gevolgd, en in de stad Medina waren gebleven, hadden onze makkers het leven niet verloren (Al Beidâwi, Jallalo’ddin).

53 Volgens het zeggen van sommigen in deze plaats geopenbaard bij de verdeeling van den geplunderden buit te Bedr, toen sommigen der soldaten Mahomet verdacht hielden, zich in het geheim van een zijden dekkleed, dat zeer prachtig was, en hetwelk vermist werd te hebben meester gemaakt (Al Beidâwi, Jallalo’ddin). Anderen veronderstellen, dat de boogschutters, die oorzaak waren van den slag van Ohod, hunne gelederen verlieten, omdat zij zich verbeeldden, dat Mahomet geen deel aan den buit zou geven, naardien hij eens, zoo als verhaald wordt, een deel vooruit zond, en in denzelfden tijd den vijand aanviel, waarvan hij den ruimen buit onder degenen verdeelde, die met hem in het gevecht waren, en niets gaf aan het korps, dat wegens plichtsvervulling afwezig was.

54 Volgens eene overlevering van Mahomet, zal hij, die in deze wereld zijn naaste zal hebben bedrogen, op den dag der opstanding verschijnen, met de voorwerpen op den schouder welke hij door bedrog heeft verkregen, en bedekt met schande.

55 Zijnde: de Sonna (Al Beidâwi).

56 Het was het gevolg van uwe ongehoorzaamheid aan de bevelen van den profeet, en door dat gij uw post verliet om te plunderen.

57 Deze plaats werd geopenbaard voor de oproerige en ongehoorzame Mahomedanen, die tot Mahomet hadden gezegd, dat, indien hij een ware profeet was, hij gemakkelijk de wezenlijk geloovigen van de huichelaars kon onderscheiden (Al Beidâwi).

58 Men zegt dat Mahomet heeft verklaard, dat degeen die zijne wettelijke bijdrage aan aalmoezen niet stipt betaalde, op den dag der opstanding, eene slang om zijn hals gedraaid zal hebben.

59 Mahomet met den Koran.

60 Zoo als sommigen verhalen, werden deze woorden in den Koran gevoegd, omdat Omm Salma, een der vrouwen van den profeet, hem verhaalde wat zij had opgemerkt, dat God dikwijls melding maakt van de mannen die hunne woonplaatsen verlaten voor de zaak van het geloof, maar van de vrouwen niet gewaagt (Al Beidâwi).

61 De oorspronkelijke uitdrukking beteekent eigenlijk: goeden uitslag in de zaken van het leven, bijzonder in den handel. Men zegt dat deze plaats werd geopenbaard, omdat velen van Mahomets volgelingen den voorspoed der afgodendienaars opmerkten en benijdden, en hun leedwezen uitdrukten, dat die vijanden van God in zulke vreugde en overvloed leefden, terwijl zij zelven van honger en vermoeidheid stierven (Al Beidâwi).

62 Om den korten duur.