Het uurwerk in de hut gevonden.
Het uurwerk in de hut gevonden.
De kwartijn heet: “Die zeevaart ofte conste van ter zee te varen, van den excellenten pilote Mr. Peetor de Medina, Spaignaert, enz; met noch een ander nieuwe onderwijsinghe op de principaelste puncten der navigatie, van Michel Coignet.” Dit boek is in het jaar 1580, bij Hendrick Hendricksen te Antwerpen gedrukt.
Het kleinste boekje eindelijk, in vorm aan een zakboekje gelijk, is getiteld: “D’Historie ofte beschrijvinghe van het Groote Rijck van China, eerst in Spaensch beschreven door Mr. Jan Gonzales van Mendoza, monnik van d’oorde van St. Augustijn, ende nu uyt het Italiaensch nieuws in Nederlandsche tale overgebracht (door Cornelis Taemsz), ghedruckt by Jacob de M.... boekdrucker der stad Alcmaer, voor Cornelis Claesz, boekverkooper woonende op ’t Noord...... vergulden bijbel tot Hoorn, aº.....”—De heer de Jonge vermoedt, dat dit boekje in of omstreeks 1595 in het licht is verschenen.
Even opmerkelijk is eene gansche collectie van prenten, afdrukken van kopergravuren. Blijkbaar zijn deze platen stijf op elkander bevroren geweest, en waarschijnlijk in dien toestand, door den val van een of ander hard voorwerp, gebroken, zoodat zij, bij daarop volgende ontdooiing, tot eene onafscheidbare massa zijn saamgeperst. Vermoedelijk zijn deze prenten als koopmansgoederen medegenomen.
Een eigenaardigen indruk maken zij op u, deze onaanzienlijke, zeer alledaagsche voorwerpen, eenvormig grijs van kleur, en voor het meerendeel, wat althans de grooteren betreft, meer of minder geschonden. Relikwieën zijn het inderdaad: op zich zelf zonder waarde, maar al hunne waarde en al hunne beteekenis ontleenende aan hunne geschiedenis, aan de machtige, groote, aandoenlijke herinneringen, die zij opwekken. Voorwaar, wel moogt gij ze met eerbied aanstaren: met niet minder eerbied dan zoo menig wapen, in den strijd met vaste heldenhand gevoerd, zoo menige vlag, op het slagveld met kogels doorhageld of op den vijand veroverd. Ook deze voorwerpen zijn trofeeën, tropeeën van een ernstigen, geduchten, tot uitputtens en bezwijkens toe volgehouden, en toch, naar der menschen schatting, haast roemloozen strijd. Ook zij getuigen van de groote daden, van het lijden en strijden, het werken en worstelen en streven onzer vaderen, in den schoonsten tijd onzer historie. En daarom, ze met eerbiedige belangstelling begroet, die relikwieën uit onzen heldentijd, deze in hunne nederigheid zoo kostbare overblijfselen uit de krachtvolle, heerlijke jeugd onzes volks, waarvan het verhaal ons schier als nauw geloofbare mythe in de ooren klinkt, Och, of ze vermochten iets op te wekken van dien geest, die de vaderen tot deze dingen in staat stelde, maar van de kinderen welhaast geweken schijnt.......
De hut op Nova-Zembla. Facsimile van eene oude prent van 1598.
De hut op Nova-Zembla. Facsimile van eene oude prent van 1598.
Nog eene bede. Der regeering dank voor haar zorgzamen ijver in het verwerven van dezen schat, die voor immer verloren scheen. Maar nu dan ook dien schat niet weggestopt in een of ander onbekend en ongeschikt lokaal; nu gezorgd voor eene behoorlijke bewaarplaats. Men heeft toch niet afgezien van het zoozeer aanbevelenswaardige denkbeeld, om deze voorwerpen, die zeker wel het belangrijkste deel hebben uitgemaakt van het schamele ameublement der woning onzer kloeke ballingen, weder zooveel mogelijk in hunne natuurlijke omgeving te plaatsen, in de welbekende, zoo licht na te bootsen hut? Dan eerst zouden zij tot hun volle recht komen, en niet, als in een winkel, ordeloos op een hoop behoeven te staan. De vraag naar de kosten mag en kan toch hier geene vraag zijn. Worde dan het goed begonnen werk niet ten halve gedaan: maar toone Nederland—maar al te zeer het verwijt verdienend, dat het de schatten van zijn verleden veronachtzaamt en verloren laat gaan—althans ditmaal, dat het de gedenkteekenen zijner historie weet te waardeeren, door hun de plaats te bereiden, waarop zij aanspraak hebben.
1 Dit bericht is overgenomen uit het boekje van Jhr. Mr. J. K. J. de Jonge, waarop wij straks terugkomen.
2 Nova-Zembla.—De voorwerpen door de nederlandsche zeevaarders na hunne overwintering aldaar in 1597 achtergelaten en in 1871 door kapitein Carlsen teruggevonden, beschreven en toegelicht door Jhr. Mr. J. K. J. de Jonge, Adjunct-Rijksarchivaris.—Uitgegeven op last van Zijne Excellentie den Minister van Buitenlandsche Zaken, Baron Gericke van Herwijnen.—’s Gravenhage Martinus Nijhoff. 1872.
Niet ver van het dorp Ottenhöfen, midden in een der schoonste berglandschappen van het schilderachtige Schwarzwald, verheffen zich, op eene romantische, eenzame plek, de ruïnen van de weleer zoo beroemde abdij van Allerheiligen. Een heerlijke weg, door prachtige, indrukwekkende bosschen, waar eeuwenheugende, koninklijke beukenstammen, fier en krachtig, als de zuilen van een gothischen dom, ten hemel rijzen; waar ge, beurtelings rijzende en dalende, voortwandelt in de koele schaduw dier breede forsche takken, die met hun dicht gebladerte als eene groene tente boven uw hoofd uitspannen, en u bijwijlen geheel omhullen met de geheimzinnige schaduwen van het ongeschonden woud;—zulk een onvergetelijke weg voert u naar de oude abdij.
Hoe heerlijk ligt het daar, het nu verlaten heiligdom, in de frissche groene bergvallei, twee duizend voeten boven de zee, omringd door statige berghellingen, door prachtige rotsen, door een breeden gordel van eeuwenheugende wouden; terwijl in de nabijheid de kristallen bergstroom murmelt en ruischt en zijn melodisch lied zingt. Voorwaar, de mannen, die zich hier eene woonstede kozen, zij hadden een geopend hart om de poëzie der natuur te verstaan en te gevoelen. Hoe stil en vredig is het hier, ver, ver van de onrustige wereld met haar luidruchtig, haar bedwelmend, haar verdoovend, hart en gemoed zoo vaak verstompend gewoel en gerucht. Hier ademt kalmte, heilige vredige kalmte, u tegen; hier zijt ge alleen, alleen met u zelf, alleen met God, wiens stemme bijna hoorbaar om u ruischt. O, hoe menig gewond, verstooten, onrustig, boetvaardig hart mag hier, in deze ernstige eenzaamheid der ongerepte natuur, in de plechtige stilte dier gewijde muren, rust en verademing gevonden hebben: rust en verademing, overal elders vergeefs gezocht. Hoe menige zwerveling op de hobbelige, moeilijke levensbaan mag hier eindelijk, zorgens en zwervens en strijdens moe, zijn neergezonken, met die ééne bede op de lippen, uit het verbrijzelde, afgetobde hart opgeweld: vrede! vrede!—een vrede, lang vergeefs nagejaagd, in het eind gevonden. Konden ze spreken, die kloostermuren, konden ze verhalen van wat ze gezien en gehoord hebben: hoe menige roerende, hartaangrijpende geschiedenis zou daar worden onthuld, allen toch slechts episoden in het groote onsterfelijke drama van het lijdende, worstelende, hopende menschenhart.
Eene niet onaardige legende hecht zich aan de stichting dezer abdij. De hertogin Uta van Schauenburg, de dochter van den rijken paltsgraaf Gottfried van Calw en de schoone Luitgarde van Zähringen, wenschte een klooster te bouwen voor de monniken der orde van den heiligen Norbert; maar hoe lang zij ook peinsde en met wien zij ook raadpleegde, zij kon het met zich zelf niet eens worden over de plaats, waar het godshuis verrijzen zou. Eindelijk besloot zij, de keuze dier plaats aan hooger macht over te laten. Zij liet eenige met geld gevulde zakken op een ezel laden, en beval dat men het dier geheel vrij zijn eigen weg zou laten gaan; waar hij stilhield, zou het klooster worden gebouwd. De ezel vertrok van den Schauenburg, het kasteel der hertogin, gevolgd door eenige bedienden; hij dwaalde nu in de eene vallei, dan in de andere, en had eindelijk den top van den Sohlberg bereikt. Daar, van de lange wandeling vermoeid en door dorst gekweld, sloeg het dier met zijnen poot op den grond: en oogenblikkelijk borrelde eene frissche, kristalheldere bron uit den rotsigen bodem op. Na zich verfrischt te hebben, vervolgde de ezel zijn weg, tot in eene hooge, van alle kanten door bergen ingesloten vallei. Daar wierp hij zijn vracht op den grond, en wentelde zich in het dichte, frissche, geurige gras.—In deze hooge, nog schaars door menschen betreden vallei verrezen nu weldra de gewijde kloostergebouwen, en beurde de kleine kerk hare slanke spits omhoog. De bouw, in 1192 aangevangen, was reeds twee jaren later geheel voltooid. Groot was het heilige huis aanvankelijk niet: het werd slechts bewoond door een prior en zes monniken van de orde der Premonstratensers. Maar door de milde gaven der geloovigen, won en wies het weldra in omvang en beteekenis, in rijkdom en aanzien; mettertijd werd het een der rijkste kloosters van geheel Zwabenland. Van de wereld afgezonderd, gedurende de helft van het jaar schier ontoegankelijk voor de bewoners der valleien, wisten de monniken zich toch bezig te houden en nuttig werkzaam te zijn. Ook dit klooster was, als zoo talloos vele anderen, een brandpunt van beschaving en ontwikkeling voor geheel de omliggende streek, vanwaar licht en leven en frissche opwekking naar alle zijden uitgingen, en waar de kostbare overblijfselen der aloude beschaving, kunst en wetenschap met godsdienstige eerbied werden bewaard. De abdij bezat niet alleen eene kostbare bibliotheek, maar ook eene beroemde school, waarop doorgaans ruim vijftig jongelieden hunne opleiding ontvingen.
Het ruwe bergklimaat beviel echter maar half aan sommige priors, die het niet zeer aangenaam vonden, omstreeks twee duizend voet boven de zee te wonen, en zes maanden lang weinig anders te zien dan besneeuwde bergtoppen en naakte wouden. Een dezer weeke kluizenaars, die zelf bijna altijd in het klooster te Lauterbach, in het zachte zwoele Renchthal, woonde, wilde ook den zetel der broederschap derwaarts overbrengen. Maar de monniken kwamen daartegen in verzet: op eene vergadering van het kapittel, ten jare 1484 gehouden, werd bepaald dat de prior voortaan niet meer te Lauterbach zou mogen wonen, tenzij dan slechts voor korten tijd, omdat een langer verblijf lichtelijk oorzaak zou kunnen worden “dat de heilige plaats, waar de beenderen der stichteres en der weldoeners van het klooster begraven waren, zou worden verlaten: hetgeen de algemeene verontwaardiging zou opwekken, en den ondergang van het vrome gesticht na zich slepen.”
Nog zouden er ruim drie eeuwen verloopen, eer de ure van den ondergang voor de eerwaardige abdij sloeg. In het begin dezer eeuw werden ook in Baden, als elders, ten gevolge der fransche omwenteling, de kerkelijke goederen door den staat verbeurd verklaard,—om aan den onverschoonlijken diefstal een glimp te geven, werd dit, met een uitheemsch woord, secularisatie genoemd;—en de geestelijke gestichten opgeheven. De laatste abt van Allerheiligen, Willem Fischer, vestigde zich te Lauterbach, en stierf in 1824 te Oberkirch, zijne geboortestad. Hij had zijn klooster vele jaren overleefd. Op den 6den Juni van het jaar 1803, het jaar volgende op dat der opheffing van de abdij, pakten zich donkere onweerswolken samen boven de enge vallei, waar zich, eenzaam en zwijgend nu, het verlaten gesticht verhief. Knetterend rolde de donder, door de echo’s der bergen weerkaatst; de rosse bliksem schoot door de zwarte lucht en trof het heiligdom: weldra gingen van alle kanten de wilde vlammen op, en door geen menschenhand gestuit, woedden zij voort in hare vratige drift: binnen weinige uren lag de eerwaardige abdij in puin. Bijna niets bleef er over, dan enkele muurbrokken, bogen en zuilen, met de bouwvallen van een paar torens. Het minst geteisterde gedeelte werd later hersteld en tot boschwachters woning ingericht. Deze woning is tegenwoordig een uitnemend logement, waar ge, midden in eene wildernis, alle gemakken en weelden der beschaving vindt.
De aanblik der kloosterruïne is indrukwekkend schoon, hoewel de gebouwen zelf, uit het oogpunt der kunst, geene bijzondere waarde hebben. De oude kloosterkerk werd in 1470 door brand vernield; de latere, waarvan ge hier de ruïnen ziet, dagteekent uit een tijd, toen de eigenlijke bloei der gothische architectuur reeds voorbij was. Maar deze muren, deze torens, spitsen, bogen en gewelven, die u, indien ze nog ongeschonden waren, waarschijnlijk tamelijk onverschillig zouden laten, ze trekken u nu aan met onweerstaanbare macht: want hunner is de weemoedige bekoorlijkheid van het wegkwijnend verval, de onuitsprekelijke poëzie der ruïnen. Door de gaten en scheuren, door de gapende wanden, ziet ge overal den stralenden hemel en de donkere bosschen; gouden, rooskleurige wolken trekken langs de ledige vensternissen, als zwevende engelengestalten in lichtgewaad. Om de grauwe, geblakerde muren weven zich bloemfestoenen en slingerplanten; op een nog half overgebleven toren van het portaal verheffen zich eenige dwergachtige pijn- en berkeboomen, wier schraal gebladerte, door den avondwind bewogen, als een droevig klaaggezang hooren laat. Rondom in het gras liggen hier en daar grafsteenen verstrooid, waarvan de opschriften meerendeels zijn uitgewischt. Van enkelen kunt ge nog de namen lezen, onbekende namen van abten en priors en monniken: maar wie zal zeggen, welke geschiedenis achter ieder dezer namen ligt?
In de groote zaal van het logement hangt eene met de pen geteekende afbeelding van de abdij, zooals zij zich ten tijde van haren bloei vertoonde. Zij besloeg toen eene aanzienlijke oppervlakte, en bestond uit een aantal groote en kleine gebouwen. Behalve de kerk, was er een kloosterhof met weide; een kapittelhuis; eene woning voor den abt; een collegie voor de scholieren; een ziekenzaal; werkplaatsen, waar allerlei zaken en voorwerpen van huiselijk gebruik vervaardigd werden: een slachthuis, een houtzolder, stallen, een zaagmolen en eene herberg of vreemdelingenhuis voor de bezoekers of de vermoeide reizigers, die in het gastvrije gesticht wenschten te overnachten. In één woord, ook deze abdij was, als zoo menige andere, eene stad in het klein, eene wereld op zich zelf; de monniken konden hare poorten sluiten en in al hunne behoeften voorzien, zonder iemands hulp van buiten te behoeven. De woning van den abt lag eenigszins afgezonderd tegenover de saamgesloten groep der andere gebouwen; zij was omringd door een kleinen tuin, met een hekje afgesloten, waarvan de overblijfselen nog zichtbaar zijn. Achter de werkplaatsen bevond zich de groote bloem- en moestuin, waarnaar men langs een breede trap afdaalde; aan den oever der beek, de Grindenbach, die hier een kleinen waterval vormt, staat een eenvoudige koepel. Welk een plekje om te mijmeren en te droomen!
Ik keerde terug van eene wandeling naar de watervallen van Allerheiligen, wellicht de schoonste van het Schwarzwald, in de onmiddellijke nabijheid der abdij. Met langzame, onwillige schreden volgde ik, in gepeins verloren, mij ganschelijk overgevende aan den indruk der ernstige, verhevene, wonderschoone natuur om mij heen, het slingerend pad door de statige, zwijgende bosschen, thans in de diepe schaduwen van den avond gehuld, en als huiverende van heiligen eerbied. In droomen verzonken wandelde ik voort: uit het geheimzinnige woud en van de hooge bergtoppen, nog schemerende in het wegstervende zonnelicht, fluisterden mij stemmen toe, ruischten verhalen en heilige wondervolle woorden en tonen en klanken, waaraan ik vergeefs zou pogen naam en uitdrukking te geven. Daar rees de maan boven de omringende bergen, en wierp hare wemelende stralen tusschen de slanke stammen der dennen, door het geheimzinnige tooverachtig verlichte woud. Een fantastische tooverwereld omringde mij; ik wandelde voort, bijna zonder te weten waar ik was: daar opende zich plotseling de hooge vallei; daar straalden de lichten in het logement; maar daarnevens verhief zich, in het bleeke, matte schijnsel der maan, de weemoedige ruïne der aloude abdij, eenzaam, zwijgend, als met een bovenaardschen nimbus omvloeid: schoon, schoon, schoon boven alle beschrijving. Getroffen stond ik stil; allerlei gedachten overstelpten mij; eene bonte reeks van beelden trok langs mij heen, opdoemende uit het wemelend verleden; en terwijl mijne oogen dien grijzen bouwval met verrukking aanstaarden, en de herinneringen aan het roemrijk verleden van dit godgeheiligd gesticht mij toefluisterden uit de plechtige stilte, herhaalde ik de woorden van onzen dichter:
En nu, het is voorbij! Zij, die hier vreugd genoten,
En zij, wier tranen hier, als ’t murmlend beekjen vloten,
Welk reisgewaad hun de aarde gaf—
Hun voet heeft hier het pad ten einde toe betreden;
Hun lot is lang beslist, hun doodstrijd lang gestreden,
En ’t avondrood beschijnt hun graf.
Maar Hij die ’t al regeert, en bergen, rotsen, dalen,
De schitterende avondster, die ik omhoog zie pralen,
Schiep in zijn grenzenlooze macht—
Hij, Hij verandert niet; en eeuwig is de woning
Die, in het vast paleis van aller heemlen Koning,
De ziele die gelooft, verwacht.
Ruïnen van Allerheiligen.
Ruïnen van Allerheiligen.