En hij begreep niet, waarom de heele familie niet naar Italië ging, om daar 'n behoorlijke rooverij optezetten. Maar Pennewip (de schoolmeester, v.C.) hoefde niet mee, dacht-i, en Slachterskeesje (een medescholier v.C.) ook niet.
't Zou hem benieuwen wat er gebeuren zou met zijn vers....
Alle Woensdagen namelijk leverden de leerlingen die 't minst ondeugend waren geweest, en daarom waard gekeurd werden meetedingen naar den lauwer der eer, een gedicht op 'n onderwerp dat de meester had opgegeven. Wouter had ditmaal "de deugd" tot z'n deel gekregen, niet zonder toespeling op z'n vroegtijdige verdorvenheid, en den wenk dat die dichtoefening mocht dienstbaar wezen aan z'n zedelijke verbetering. Maar Wouter had al zoo dikwijls op de deugd gerijmd, en hij vond dit onderwerp zoo droog, zoo uitgeput, zoo vervelend, dat-i de vrijheid had genomen iets anders te behandelen, en wel wat hem 't naast aan 't hart lag, de rooverij.
Dit gedicht en alles wat daardoor veroorzaakt wordt: de boosheid van meester Pennewip, de ontzetting van Woutertje's familie, het optreden van den dronken "huisdominee,"—dit betrekkelijk kleine deel van het boek zou het al tot iets prachtig-geestigs maken. Je giert van het lachen onder 't lezen, en tegelijkertijd ben je verrukt over de levenswaarheid—op 'n paar stukjes na—der weergave!
Hij-zelf was, als alle schrijvers—en menschen—zeer ingenomen met z'n werk. Hij hield zich overtuigd dat de meester dit ook wezen zou, en hem om den wille der voortreffelijke uitvoering de afwijking van de deugd vergeven zou. Het vers zou zeker naar den Burgemeester gezonden worden, die er kennis van geven zou aan den Paus, waarna deze Wouter tot zich zou roepen, en hem aanstellen als hoofdroover.
Hoe moet de schrijver niet doorgedrongen zijn geweest in het denk-voelen van zijn Woutertje, om zoo schitterend dit echt-kinderlijke, wild-fantastische luchtkasteelen-bouwen te hebben kunnen weergeven. Wellicht is dat laten denken aan den Paus door dit protestantsche jongetje, dat rilt als hij Pater Jansen over Jezuiten hoort spreken, een fout. Wellicht echter zou men kunnen zeggen, dat "Paus" voor het kind Woutertje niets meer dan een woord is waaraan zich een vage, romantische voorstelling verbindt. Maar dit laatste is, gezien de platte en bekrompen "godsdienstige" omgeving van Woutertje, nièt waarschijnlijk.
Zoo droomde hij, en wierp hij strootjes in het water. (Hij staat bij 'n slootje. In de nabijheid zijn twee houtzaagmolens.—Het stukje wat nu volgt is allervoortreffelijkst. Er wordt nu niet langer van Wouter verhaald, maar zijn denken en handelen worden, in hun natuurlijk verband, gebeeld. Ik geloof niet, dat ik grooter bewondering voor iets kan gevoelen, dan voor dit onovertrefbaar zich-ingeleefd-hebben in den kindergeest! Lees maar eens verder! v.C.) Ze dreven langzaam voort, en verdwenen tusschen de groen-bemoste balken. Onwillekeurig begon Wouter's verbeelding verband te scheppen tusschen de richting der strootjes en zijn indrukken. Daar ging de gravin met haar sleep, maar ze haakte aan den kant en bleef steken in de modder. De kuische Amalia had geen beter lot, en raakte verward in 't kroos. Nu Wouter-zelf: (Wouter-zelf meegevoerd door zijn droomen, vereenzelvigt zich dus ook met een strootje! Verrukkelijk van geniaal doorvoelen door den schrijver, niet waar? v.C.) hij naderde Amalia's kroos, en juist toen-i hoopte haar te redden uit haar gevangenschap, of die te deelen zoo 't behoort, werd-i opgeslokt door 'n eend. Die daaraan zeer verkeerd deed. Want het was Wouter's laatste strootje, en in 't geklapper van den molen hoorde hij duidelijk Amalia's verwijtend geklaag:
Warre, warre, warre, wou,
Waar is warre, warre, wou....
Wouter die me redden zou?
Dit maakte hem verdrietig, en hij kon zich niet weerhouden een steen te werpen naar de eend die door z'n gulzigheid oorzaak was van Amalia's twijfel aan zijn riddereer. (Al maar door is de kinder-fantasie uitstekend volgehouden! v.C.) De eend koos de beste partij, en vertrok, na Wouter te hebben uitgescholden zoo goed hij kon. Maar de molens schenen zich niet te storen aan de gebeurtenissen van den middag en klapperden dapper voort. Wouter hoorde in hun gekraak en gezaag allerlei liedjes, en vergat weldra Amalia en den Paus, om te luisteren naar de vertellingen die ze hem deden. Om den lezer niet te brengen in de verkeerde meening dat er iets bijzonders was in de molens, haast ik mij te zeggen dat ze knarden en knersden juist als andere houtzaagmolens, en dat alles wat Wouter meende te hooren en te verstaan, niets anders was dan de weerklank der aandoeningen in zijn eigen gemoed.
't Gebeurt meermalen dat we gelooven iets gewaar te worden van buiten, wat voortkomt uit ons-zelf, en even dikwijls meenen wij zelf iets te hebben uitgedacht, dat eigenlijk afkomstig is van 'n ander.
Dit is 'n soort buikspraak die dikwijls aanleiding geeft tot ongenoegen en vijandschap.
Dat beeld van de buikspraak is aardig, maar ook niet meer dan dat. Het is nml. vrij onjuist. Men kan, een buikspreker hoorend, meenen dat een ander dan hij gesproken heeft, maar nimmer dat men-zelf heeft gesproken, noch, indien men het zelf heeft gedaan, meenen dat 'n ander, al of niet buikspreker, het deed! Multatuli heeft hier misschien aan het zoogenaamde "maagbrommen" gedacht, een nerveus verschijnsel naar ik meen. Hierbij is 't wel mogelijk, dat men, zelf de geluidvoortbrenger zijnde, meent dat een ander het is, en omgekeerd. In elk geval zou het beter geweest zijn, indièn hij dááraan gedacht èn het gezegd had, al ware het 'n tikje "onaesthetisch" geweest.
Wie 't snelste draait? Wel ... me dunkt ... neen ... gelijk beginnen.... Zóó! Neen, de Arend was vóór! Nogeens ... nu! Och, weer verkeerd!
Hoe voortreffelijk Multatuli het denken, den toon van het innerlijk-spreken kon beluisteren en weergeven!
Wie nu 't eerst boven is ... neen dat gaat niet ... nog eens ... van die wolk af. Morgenstond, pas op ... (Arend en Morgenstond zijn de namen van de houtzaagmolens, v.C.) mis weer! Ik kan er geen oog op houden ... wat 'n gedraai!
Zoo, ben je moe? 'k Wil 't wel gelooven!
Als ik eens op zoo'n wiek zat ... ik zou me goed vasthouden ... wat zou de molenaar gek kijken!
Waarom heet je Morgenstond? Heb je wat in den mond? En.... Arend kun je vliegen? Wil je mij meenemen? Ik zou wel willen ... wat 'n ruimte daarboven ... en geen school!
Hoe is toch de eerste school begonnen? Wat was er 't eerst ... 'n school of 'n meester?
Maar die eerste meester moest toch op school geweest zijn ... en die eerste school moest toch 'n meester gehad hebben....
Of zou de eerste meester vanzelf....
Vanzelf? Neen, dat kan niet.
Met dat stukje over die "school" en dien "meester" begint onze schrijver eruit te raken. Hij begint zijn houvast op Woutertje te verliezen en zet daarom z'n eigen denken in de plaats van dat van Woutertje! Het is zijn eigen wijsgeerig peinzen over het Begin van het Heelal. Ik ontken niet, dat Woutertje 't kan gedacht hebben. Hij is 'n geniaal, 'n buitengewoon kind. Maar in verband met 't zeer slechte, wat nu bijna onmiddellijk volgt, waarin niets van Woutertje en alles van Multatuli is, vermoed ik dat deze hier al begon subjectief te worden.
Kenje draaien vanzelf? Door den wind? kunje omkeeren, andersom-draaien vanzelf? Doe 't eens, Arend ... toe krijg den Morgenstond ... gauw, gauw ... pak 'm beet ... mooi!
Nu weer alléén, laat los ... los ... goed zoo.
Nu weer samen ... karre, karre, kra, kra ... steek uit je armen ... neem me mee ... wil je niet? Goed, Arend! Zet je hoed op ... wat fladderen die linten ... hoe heetje? Warre, warre, warre, wou ... ik kan 't niet helpen ... 't was die eend. Zeg, hoe heetje? (En nu komt dat zeer slechte, waarvan ik zooeven sprak en waarop ik ook in den aanvang van mijn artikel doelde, v.C.): Fanne, Fanne, fan fan ... heetje Fan? en jij, Morgenstond, hoe is je naam? Sine, sine, sine, si ... wat is dat voor 'n naam, si? Nu tegelijk, komaan ... samen ... zingt 'n liedje samen:
Fanne, fanne, fan, fan....
Sine, sine, si, si....
Fanne, sine, fanne, sine,
Fanne sine.... Fan ... cy....
Fancy ... wat meen je daarmee? Heetje Fancy? En ... wat is dat ... heb je vleugels?
Ja, "d'Morgenstond" en "den Arend" waren ineengesmolten, hadden vleugels, en heetten Fancy. Fancy nam Wouter op en voerde hem mee.
De fantasie-figuur Fancy—het woord zelf beteekent verbeelding—speelt een hoofdrol in Multatuli's werk. Soms is zij hem personificatie[11] van het Al, het Zijnde; soms de Muze: degeen, die hem zijn werken influistert, hem inspireert; een ander maal: de Causaliteit.[12] In hun diepste beteekenis dekken trouwens deze begrippen elkander, naar zijn meening. En de personificatie van déze hooge, wijsgeerige begrippen, dragend den naam, die zij uitsluitend in zijn, Multatuli's, denken draagt, laat hij nu verschijnen in het denken van het kind Woutertje!! Teugelloozer uit den-band-springen is wel niet mogelijk, ergerlijker knoeien met psychologie wel niet denkbaar. En ziet ge 't nu zelf dat ik gelijk had, met in mijn inleidend Multatuli-artikel te spreken van: "zijn ontzaglijk doorvoelings- en uitbeeldings-vermogen, dat echter geschaad wordt door een groot gebrek aan objectiviteit"? Want, hoe kon ik u zóó van dat vermogen doen genieten, indien het niet ontzaglijk ware, en daarentegen tevens in de gelegenheid zijn, op zùlke grove fouten te wijzen, als ik gedaan heb, zoo het niet geschaad werd door een groot gebrek aan objectiviteit?!
Maar nu nog een ernstig woord, voor we voor ditmaal scheiden: de meeste lezers hebben een weerzinwekkend hebbelijkheidje: ze onthouden wat er voor leelijks over 'n schrijver door zijn bespreker is gezegd, maar wat deze heeft geprezen, dàt vergeten zij! Past daarvoor op! dat is iets zeer leelijks, iets zeer gemeens. Dat vindt z'n oorzaak in leedvermaak, in de, vaak onbewuste, afgunst van het kleine op het groote, in het blij-zijn omdat het groote toch ook smetten van kleinheid heeft.... Ik doe u de fouten in schrijvers zien, uitsluitend, om u onderscheiden te leeren, en tot dat onderscheiden behoort óók: het begrijpen, dat onze middelmatigheid gemakkelijk kleine foutjes hebben kan, maar dat waar groote gaven zijn, meestal uiteraard óók groote gebreken zijn. Dit begrijpen zal ons ingetogenheid leeren en ons van belachelijke waanwijsheid of leedvermaak verre doen zijn.—
De maatschappij waarin wij leven, die anarchistische dooreenstrengeling van ongebreidelde, niet-geleide of slecht geleide krachten—een kluwen zóó verward en zóó langzaam zich ontwarrend, dat we wel zeker weten, dat niet meer bij òns leven de Tijd een schoon weefsel ervan spinnen zal—die maatschappij van de mededinging, van de afgunst, van den haat maakt ons allen, in haar levenden, tot slechter menschen, dan we tengevolge van onzen natuurlijken aanleg, te midden eener betere samenleving, zouden zijn geweest. Want zij is 't, die de edelste neigingen ver doet terugkrimpen in 't meest verborgene van 't hart, om daar een kwijnend bestaan te leiden, ja, dikwijls, te sterven, wijl er voor hen in 't wijd-open, gemeenschappelijk menschen-leven geen voedingsbodem, geen ontwikkelingsruimte is. En zij is 't alweer, die de onedele driften oproept, hen laat treden en werken in der edele plaats, hun dier naam, gewaad en aanzien geeft—zoodat de waanzinnige angst-wreedheid van, het doodelijk gevaar tegemoet gejaagde, soldaten, na zich de trekken te hebben kalm-gehuicheld en zich de handen te hebben gewasschen van 't bij 't "neerleggen" vergoten bloed, den naam en de eer van den heldenmoed uit de handen van vrome regeerders ontvangt; zoodat de sluwheid, noodig, om in de hijgende jacht naar winst, anderen te doen vallen en hen dan voorbij te rennen, als wijsheid en schoone behendigheid wordt geprezen; het huwen-om-geld liefde wordt genoemd en als zoodanig zalvend door geestelijken wordt be-zegend; de zucht tot uitbuiting van vreemde landen en volken zich kan vermommen als brengster van wetenschap en klaarder godsbegrip....
En geen andere dan zij is 't dus, die ons gemoed, onze ziel aan een veronachtzaamd huis gelijk maakt, waaruit de meesters zijn vertrokken en waarin het brooddronken knechtenpak het bezit dier meesters in liederlijke moedwilligheid vervuilt en verbrast, zich op hun plaatsen zet en hun manieren grijnzend nabootst. Zoo komt het, dat wij aan het bestaan van een volkòmen eerlijk, volkomen deugdzaam mensch nauwelijks meer gelooven. Ja, wij wenden voor aan zulk een nog zekerlijk te gelooven, doen zelfs soms, om onze eigen onschuldige braafheid maar te toonen, alsof we zoo iemand iets heel gewoons en "normaals" vinden, doch óók die veinzerij is—een van dat knechtenpak: zij is de lage naäapster van den sinds lang vertrokken meester: het geloof in elkaars goedheid, dat menschen hebben, die niet door de maatschappij tot elkanders roofzuchtige vijanden zijn gemaakt. En zoo gebeurt het, dat, ontmoeten wij een uitmuntend mensch in 't léven, we ons onmiddellijk afvragen: "Zou die man nou wel ècht zoo zijn; heeft-ie met al die goedheid niet de achterbaksche bedoeling zijn eigenbelang te dienen?" En allicht is onze conclusie: "nee die is mij te braaf, die is mij te fijn!" En ontmoeten we zulk een figuur, de beelding van zoo'n edel mensch, in een boèk, o dàn is 't heelemaal mis, dan áárzelen we zelfs niet, dan veroordeelen we, bijna immer, dadelijk. "Wat zoetig," meenen we, "wat overdreven braaf, hoe opgesierd, 'n echte boek-held." Ja, dit spreekt van zelf: wij zijn te zeer aan het onedele gewend, we zijn te zeer gewoon het onedele 't masker van 't edele te zien dragen, dan dat wij nu zouden kunnen gelooven dat edele in waarheid voor ons te zien. Toch, waar er echte, waar er gróóte kunst is, daar worden we gedwòngen te gelooven, want deze maakt haar beelding als ware 't doorzichtig, wij zien niet langer met ònze oogen, wij zien niet langer alleen het uitwendige van een figuur noch behoeven ons dus met onze gissingen en twijfelingen te behelpen, máár wij zien met de oogen van dien grooten kunstenaar, wij zien het uiterlijk-en-innerlijk als één klare, geheimloos openliggende waarheid, en gissing noch twijfel kùnnen meer in ons opkomen. Zulk een kunstenaar nu was onze Multatuli, toen hij de Pastoor-Jansen-figuur schiep, en aan zulke groote en echte kunst had hij toen het overgelukkige voorrecht, het aanzijn te geven. Het kost mij moeite, mijne bewondering voor deze voortreffelijke schepping, en mijn diepe liefde voor haar schepper, niet zoo te uiten als ik ze gevoel. Maar dit moet nu eenmaal achterwege blijven, want hoofddoel blijft toch, die bewondering en liefde op u te doen overgaan, en dat lijkt mij vooralsnog alleen te bereiken door kalme beschouwing en ontleding.
Welnu dan: waardoor is de auteur erin geslaagd, de in hèm levende en klaar-opene visie van dien nobelen mensch ook òns zoo overtuigend-waar voor oogen te stellen, voor ons zoo "doorzichtig" te maken? Heeft de schrijver dit bereikt door, in groote mate en zeer nauwkeurig, sommige middelen der realistische persoonsbeelding aan te wenden, d.w.z. heeft hij deze figuur zekere telkens terugkeerende gebaren, kleine eigenaardigheden en haar alleen eigen spreekwijzen—die alle dan natuurlijk in logisch verband staande met haar innerlijk—verleend, zoodat wij daardoor verleid worden, óók den haar eigen buitengewonen adeldom van ziel als waar aan te nemen, ofschoon wij dien eigenlijk onwaarschijnlijk achten? Neen, dit is niet zoo, de trekjes van deze soort zijn nauwelijks aanwezig, bovendien, wij erkennen juist dien adeldom als echt. Of zou 't dan wellicht komen, doordat wij de kinderlijkheid van Pastoor Jansen, die kinderlijkheid in een volwassen mensch, als een gebrek beschouwen en dit gebrek dezen mensch genoegzaam onvolmaakt in onze oogen maakt, om ons zijn—volmaaktheid aannemelijk te maken? Neen, ook dit kan de oorzaak niet zijn, want een gebrek, en dan nog wel een geestelijk gebrek, kan nimmer zulk een hart-veroverenden, behoorlijken indruk wekken als deze kinderlijkheid van Pastoor Jansen doet.[13] Máár de oorzaak is, dat de kinderlijkheid van dien mensch hem als met een glans van aandoenlijke en nederige heiligheid omgeeft, die ons stil maakt, zoodra we in zijn nabijheid komen, ons zacht doet treden, wijl we voelen op, door hem, geheiligden grond te staan en ons in die klare stemming van begrijpen-door-liefde brengt, die alles doorzichtig en hel-doorlicht maakt. Die kinderlijkheid is 't, die al zijn woorden, al zijn daden, die dragers van zijn noblesse, als een phosphoresceerende, hen belichtende vloeistof drenkt. Maar niet alleen aldus zien wij haar, doch—wel verre van haar als een gebrek te beschouwen!—zien we 'r integendeel ook als een heerlijke gave, dezen mensch verleend, om zijn blanke reinheid onbezoedeld door het leven te brengen, en zoo—terwijl zij ons de op zich-zelf schoone schrijn blijkt, die het juweel zijner goedheid behoedt—denken wij, aldoor dieper overtuigd wordend: hoe waardevol moet deze laatste zijn, dat de Natuur het noodig vond haar zoo sterk-beveiligend te omhullen! En ofschoon wellicht buiten het kader dezer beschouwingen vallend, wil ik niet nalaten, hier nog aan toe te voegen, dat uit die gedachte onmiddellijk bij mij deze voortkwam: hoe blijkt ook hier weer de wijsheid, dat alles vereenende, dat alles aan elkaar dienstbaar makende, dat met één middel véél bereikende der Natuur, want door die kinderlijkheid de prachtige ziel van dezen mensch sluitend voor het kwade, opent zij haar tevens voor het goede. (Immers, door die kinderlijkheid hebben wij haar volledig begrepen, daardoor zijn wij van haar waar- en echt-zijn overtuigd geworden, dáárdoor zijn we dus in staat gesteld, van haar te genieten en te leeren. En dit is het goede. En zoo heeft dus de Natuur twéé groote doelen met één middel bereikt....)[14]
En nu ga ik een stuk tekst afdrukken, dat, met mijn tusschengevoegde ontledingen, u veel van het zooeven gezegde ongetwijfeld duidelijker maken zal.
Pastoor Jansen en Wouter zijn op weg naar Haarlem. Pastoor Jansen is aan 't woord:
"Maar ik zou je wat van die kyrie (een katholiek gebed. v.C.) zeggen. Als Koens hem zingt.... O! (Koens is pastoor van dezelfde kerk als Jansen en woont naast deze. v.C.) In z'n kamer, meen ik, want in de kerk doet-i 't niet graag. Stijn (Jansen's huishoudster, v.C.) heeft ervan gehuild, want het is heel gehoorig bij ons, we kunnen elkaar best hooren zuchten ... maar ik zucht nooit. Waarom zou ik zuchten?
Hierin ligt al, zoowel het maar naïef-weg babbelen, als de blijmoedigheid van 'n kind.
Nu, Stijn huilde, en ik kreeg kippevel. En weet je wat ik erbij dacht? Ik dacht: God, God, wat ben ik 'n prul bij pastoor Koens!"
"Hé, m'nheer!"
"'t Is de waarheid! Maar ik van mijn kant ben weer veel sterker van bouw en spieren. Dat is ook iets, niet waar? Godbewaarme voor ondankbaarheid. Als m'n vader me op z'n smederij gedaan had, zou ik net zoo sterk geworden zijn als m'n broer, maar de theologie maakt 'n mensch 'n beetje lebberig, vind je niet?
Prachtig! Iemand als Jansen houdt er geen bijzondere deftige of edel-klinkende termen op na, als hij over God of godsdienst spreekt: zijn reinheid maakt hem, onbewust, als 't ware met God gemeenzaam en vertrouwd.
En toch ... verbeeldje, ik heb thuis 'n Vulgata (de door de katholieke kerk aangenomen latijnsche bijbelvertaling, v.C.) Daar staat wat in! Ze is in kwarto, zóó dik, en dat in 't vierkant, en in leer gebonden ... 'n heele vracht! En er zijn sloten aan, ook. Stijn schuurt ze alle weken blank. (Merk nu die onschuldige en naïef geuite trots van het groote, lieve kind, omdat ie zoo sterk is! v.C.) Welnu, ik pak een van die koperen lippen met m'n pink, en Stijn zegt Paters (het Pater Noster = 't Onze Vader. v. C.) op, en ik houd m'n Vulgata—altijd met die ééne pink, moet je denken—tot quotidianum (= dagelijksch, voorkomend in den zin: "geef ons heden ons dagelijksch brood." v.C.) van de derde. En Stijn is niet eens heel vlug met 'r Paters. Als ik ze zelf zei, bracht ik 't zeker tot remitte (voorkomend in den zin: "en vergeef ons onze schulden," v.C.) van de vierde, of misschien wel tot amen. Maar ik moet je 'r bijzeggen, dat wij katholieken geen kracht, macht en heerlijkheid hebben. (Het Katholieke Onze Vader eindigt met: "Maar verlos ons van den booze." Het protestantsche heeft nog dezen zin erbij: "Want U is het koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid in der eeuwigheid, amen." Jansen zou dus een sterker krachttoer doen als-ie de Vulgata aan z'n pink liet hangen gedurende 4 protestantsche Pater Nosters dan nu hij 't doet gedurende 4, kortere, katholieke! v.C.) Dat scheelt altijd 'n beetje. En ... er is niets apocriefs in de Vulgata (De z.g. apocriefe boeken: toevoegingen van later datum aan het Oude, zoowel als het Nieuwe Testament, die niet hetzelfde gezag als deze hebben en er niet mee op een lijn worden gesteld. De Vulgata is dus minder zwaar dan een protestantsch bijbel-boek waarin die apocriefen wel zijn af gedrukt. De goeie man vertelt dat allemaal, om zich niet "grooter voor te doen dan hij is"! v.C.) Met een protestantschen bijbel zou ik 't wel laten, dat vat je wel." Neen, Wouter vatte het niet! of althans hij begreep niet alles. Maar de conclusie nam-i goedig aan. Hij hield zich overtuigd dat pater Jansen bijzonder sterk in z'n pink was, en zou voor die overtuiging in den dood gegaan zijn.
"Ja, 't is 'n heel ding niet waar? En dàt kan nu pastoor Koens weer niet. Zoo zieje dat God altijd ieder 't zijne geeft. Maar ik heb Stijn verboden 't hem te zeggen. Hij mocht eens verdrietig worden omdat-i 't me niet na kan doen, en dit hoeft niet, want zulke dingen komen toch in ons vak maar zelden te pas.
Uit het eerste, door mij gecursiveerde, deel van dezen zin blijkt u Jansen's goedheid, maar het wekt tevens de hinderlijke gedachte bij u op: hij zelf vertelt het, hij pronkt ermee, en daardoor gaat ge twijfelen aan het echt-zijn dier goedheid I Maar het tweede is van zulk een bekoorlijke naïefheid—vooral dat "vak"!—dat ge inziet, dat hij 't niet vertelt om ermee te pralen, maar uit louter onbewuste, kinderlijke openhartigheid! Gij hebt hier dus voor u een sterk bewijs voor de waarheid van wat ik hierboven zei: die kinderlijkheid drenkt en belicht zijn zedelijke schoonheid, en door de eerste erkent ge de laatste als echt.
Maar eens toch heb ik er echt schik van gehad ... niet van die Vulgata, meen ik, maar dat God me zoo sterk gemaakt heeft. Hij doet niets voor niemendal, houd je dáár maar aan vast! Verbeeldje, ik was op 't Simmenarie, en daar woonde-n'n boer in de buurt, 'n rijke boer. Hij heette Koremans, maar hij was heel rijk, en hij had veel arbeiders in z'n dienst, meiden en knechts, allemaal boerenmenschen, dat begrijp je wel. Een van de meiden heette Trineken, en ik dacht dat Koremans goed en gul was, maar och, ik heb er geen pleizier in, je dat te vertellen. (Jelui zult later wel merken waarom, v.C.) Waartoe dient het? Liever vertel ik je-n'n ander stukje, iets van hèm, van pastoor Koens. Dàt moet je hooren!" 't Speet Wouter dat-i niets van Trineke te weten kwam. Met allen eerbied voor de gaven van pastoor Koens, gaf-i de voorkeur aan 'n boeremeisje. Hij was in de jaren que tout ce qui porte jupon intéresse; (= dat alles wat 'n japon draagt, belang inboezemt, v.C.) en in z'n verbeelding vertaalde hij elk onbekend vrouwspersoon in "Femke" of ... iets als Femke, (het meisje, waarop hij "verliefd" is. v.C.) Maar hij begreep toch dat-i den goeden Jansen niet dwingen mocht in de keus van z'n onderwerpen, en hij luisterde zoo aandachtig mogelijk.... (Wij doen dit niet, om —ruimte te winnen, en luisteren pas weer, als Wouter aandringt de geschiedenis van Trineke te hooren. v.C.)
"Maar, m'nheer, wat was er met die Trineke?"
"Och, ik heb me verpraat. Ik had den man z'n naam niet moeten noemen, want het past me niet, iemand zwart te maken na z'n dood."
"Wat had-i gedaan met die Trineke?"
Uit dat gedaan, blijkt dat het romantische Woutertje op zijn minst aan 'n half dozijn onteeringen of iets dergelijks denkt!
"Gedaan? Niets! Ik wil 't je wel vertellen, maar spreek er nooit over. Misschien leven z'n kleinkinderen nog, en hoe zou jij 't vinden als men kwaad sprak van je grootvader? Koremans was juist niet minder dan andere boeren, en daarom zou 't me leelijk staan z'n naam te bekladden, maar waar is waar! Hij was héél rijk, en goed voor de kerk, o best! In onze kapel—want we hadden 'n kapel in 't Simmenarie—hing 'n geelkoperen Sebastiaan ('n heiligbeeld. v.C.) met z'n lijf vol pijlen, wel duizend pond zwaar ... nu, die was van hèm. En opschepperig was-i als we hem bezochten, goedgeefs ... je hebt er geen begrip van! Aan brood of kaas of karnemelk was nooit gebrek, al kwamen we met z'n twintigen ... net 'n zoete-n-inval! En z'n dochters zetten rozijnen op brandewijn, en daar dronken wij simmenaristen van dat het 'n aard had. Maar dat kregen we alleen als er feest was, doopen of paschen of trouwen, of zoowat. En eens zou een van z'n dochters trouwen—'t was al de derde, want daar de mâskes veel meekregen, wou ieder ze hebben—en wij kwamen gelukwenschen en werden best onthaald, maar de bruid keek sip, (je zult later wel zien, waarom! v.C.) en we dronken brandewijn op rozijnen, en er was 'n pret van belang ... op de bruid na! Maar op eens ... och, jongeheer, ik had 't je eigenlijk niet moeten vertellen. Je belooft me toch zeker dat je er nooit over spreken zult?"
"Nooit, nooit, m'nheer, op m'n woord van eer!"
"Wàt? Nu, je belooft het, dat 's genoeg."
Dat "op m'n woord van eer" van Woutertje, die zich voortdurend een ridder of zoo iets droomt, is kostelijk. Maar nog kostelijker is Jansens verbaasde "Wat?" daarop, en allerbest dat hij in z'n eenvoud heelemaal niet begrijpt, dat Woutertje daar iets heel plechtigs mee bedoelt, integendeel, hij schijnt het iets minder dan een gewone, eenvoudige verzekering te achten, maar enfin, denkt hij, hoe gek ook, hij hééft 't beloofd, dat is genoeg!
Dat ik schik van de zaak gehad heb, is waar, en nòg! Want je zult hooren hoe sterk ik geweest ben, en toch was ik nog niet eens terdeeg uitgegroeid. Je begrijpt, 'n jongen in theologie-tweede is anders nog niet veel mans. Nu, we aten en dronken, en er zou gedanst worden ook. Dit mocht eigenlijk niet, en als 't in 'n ander huis gebeurd was, zouden we zeker straf gekregen hebben, maar Rector zag wat door de vingers als 't bij Koremans gebeurde, om dien Sebastiaan, weet-je, en ook omdat-i weleens in z'n wagen naar stad reed en roomkaas kreeg. Ik was dol op dansen ... in dien tijd. Nu zou 't niet meer staan! En ik zou dansen met de bruid, die ik graag lijden mocht ... vroeger.
Hier schijnt onze groote kunstenaar "er even uit." Immers dat "vroeger" beteekent: nu ik priester ben, zou mij dat niet geoorloofd zijn "haar graag te mogen lijden." Welnu als dit een soort liefde was, die hem als priester niet geoorloofd is, dan was het hem, den hoogreine, ook niet geoorloofd, terwijl hij zich van die liefde bewust was, met Lies te dansen. Neen, hij was toen nog geen priester, máár: hij zou 't worden èn zij was immers met een ander verloofd. Jansen, mag, wil zijn figuur volmaakt gaaf blijven, niet geweten hebben dat zijn liefde een "zondige" was, en Multatuli laat het hem klaarblijkelijk wèl weten. Maar begrijpen we 't goed: nu weet ie-'t, toen wist hij 't niet. Men zie mijne ontleding van de geheele figuur aan 't eind van dit hoofdstuk.
En ze hield van mij ook wel, dat weet ik zeker.
Dit is schitterend. Jansen blijkt hier duidelijk de naïef-reine, tot wien het heelemaal niet is doorgedrongen zelfs op dit oogenblik, dat Liesje niet alleen "van hem hield" maar dat zij hem liefhad als een vrouw een man.
Juist toen we beginnen zouden, bemerkte ik, dat Trineke er niet was en ik vroeg: waar is Trineke? Want anders was ze-n-'r altijd bij, net als de andere knechts en meiden, maar nu was zij er niet. En dat zag ik, en ik vroeg er naar aan Lies, en ook aan Koremans zelf. Lies was de bruid, weet-je, die met me dansen zou, en wel 't allereerst, omdat ik 'n weddingschap van haar vrijer had gewonnen ... ook al over sterkte. "Trien is ziek," zei Koremans, "en ga nu je gang maar met Lies." "Is Trineke ziek," vroeg ik, "en waar is ze dan?" Want dàt wou ik weten. "En," zei ik, "ik ga nu me gang met Lies niet, voor ik weet waar Trineke is."
.........................................................................................................................................................................
"Nu moet ik je iets zeggen, jongeheer, dat me in de ziel leed doet...."
"Ik zal er heusch niet over spreken," beloofde Wouter, die meende dat-i 't geheim van 'n moord te bewaren kreeg en bang was dat Jansen 't verhaal afbreken zou.
"O, dit mag je wel vertellen, 't kan soms nuttig wezen dat men 't weet. Ik wou je dan zeggen—maar 't spijt me toch—dat de boeren ... soms niet heel lief omgaan met hun volk. Die oude Trineke...."
"Hé?"
Wouter krijgt 'n slag op z'n hart, nu hij hoort, dat Trineke oud was. Hij had van een of andere romantische geschiedenis van een jong, natuurlijk "beeldschoon" boerinnetje gedroomd. Prachtig is dat weer, hoe Multatuli Woutertje doorvoeld heeft!
... die oude Trineke kon haast niet meer voort, en ik had al meer gemerkt, dat men haar achteraf-zette en wegdeed als er wat vroolijks voorviel op den deel. En ik vroeg weer, waar Trineke was, en zei dat ik niet dansen wou voor ik wist wat haar scheelde. Want toen ik den vorigen keer bij Koremans was, had ik al gemerkt dat ze erg hoestte, en nog kaduker was dan gewoonlijk. Ze was 'n beetje mank ook, maar ze had altijd braaf gewerkt.... O, bij Koremans z'n ouders al! En daarom vroeg ik waar ze was. "Ze is op 'r bed," zei Lies, "en ik begrijp niet wat je hebt uittestaan met dat ouwe mensch. Kom dans maar!" En ze wenkte den speelman dat-i beginnen zou. Maar ik liep weg om Trineke te zoeken, want het was me alsof God me ingaf—dit gebeurt soms—dat ze slecht behandeld werd. En Lies me na! En Koremans ook! Je moet nu geen kwaad van dat meisje denken omdat ze me naliep. 't Was maar dat ze niet wou dat ik Trineke zou vinden, en weten waar ze lag. Want ...ze lag in den stal. Maar dat wist ik niet, en Koremans zei 't me niet—dat begrijp je wel—maar 't was of God 't me ingaf. En ik stond vóór den stal, en vroeg: "is ze hier?" maar Koremans durfde niet antwoorden, en Lies riep weer: "wat wil je toch met dat ouwe mensch?" Maar ik zei: "met jou dans ik niet!" en 't speet 'r. Toen vroeg ik aan Koremans of-i de deuren van den stal wou openen? "Neen," zeid-i, "en ze is er niet!" En ik zei dat ze er wel was, en vroeg 't hem nòg eens, want men moet 'n mensch altijd tijd laten om zich te beteren. Dat doet God ook. Maar hij zei weer neen, en Lies wou me vasthouden, maar ik duwde haar weg, en zette m'n schouder tegen de staldeur dat ze kraakte, en ... ik was erin, hoor! Vindt je dat niet sterk? Ik heb er nog schik van.
"En Trineke, m'nheer?"
"Welzeker, daar lag ze-n-als de reiziger uit 's heeren Schrift! 't Was naar en akelig om aantezien. Heel lang heeft ze niet meer geleefd, maar ... ze is toch behoorlijk gestorven op 'n kristelijk bed. Want ik heb Koremans onder handen genomen, dat verzeker ik je!"
.........................................................................................................................................................................
"En Liesje, m'nheer?"
"Ze had er veel weet van dat ik zoo driftig geweest was, en toen Trineke op 'n bed lag, vroeg ze-n of ik nu met haar dansen wou? Maar ik wou niet. En toen bracht ze Trineke een glas brandewijn met rozijnen en krentenkoek, dat heel versterkend is bij de boeren, en toen vroeg ze weer of ik met 'r dansen wou, en ik deed het, maar zonder veel pleizier. Ik schoof maar zoo'n beetje heen-en-weer, en Liesje was ook anders. En ze wou haar huwelijk uitstellen, maar Koremans was er kwaad om, en haar vrijer ook. Ik geloof dat-i me niet lijden mocht ... zeker om die weddenschap."
Let op de gedachtenverbinding bij Jansen. Hij vertelt dat Liesje's vrijer boos was, omdat zij het huwelijk wilde uitstellen, en dadelijk daarop zegt hij: "Ik geloof" enz. Daarmee verklapt hij onwillekeurig, zich ervan bewust te zijn, dat de vrijer Liesje's plan haar huwelijk uit te stellen, weet aan iets, dat in verband stond met Jansen's persoon, maar dat niet de Trineke-geschiedenis was! Hij bemerkt echter onmiddellijk, dat hij zich verklapt heeft en om Wouter op een dwaalspoor te brengen, voegt hij er gauw bij: "zeker om die weddenschap."
Hier zweeg Jansen 'n oogenblik: en 't scheen wel of z'n gedachten minder vroolijk waren dan naar gewoonte. Misschien "schoven ze maar zoo'n beetje heen-en-weer, zonder veel plezier."
Een toespeling op Jansen's verhaal van hoe hij met Liesje danste na de Trineke-geschiedenis. Deze toespeling heeft dus de waarde van een voortreffelijke vergelijking, een mooi "beeld," en geeft hetzelfde genot!
Wouter was wreed genoeg, de herinneringen van den ouden man aantezetten tot wat gehuppel. Ja zelfs hij verwachtte een flinken sprong, 'n saut périlleux (= 'n gevaarlijke sprong, v.C.). De onkunde der jeugd is wreed—cet âge est sans pitié, (= deze leeftijd kent geen medelijden, v.C.) zei de fabeldichter—en Wouter wist niet wat-i deed, toen hij vroeg: "En is Liesje met haar vrijer getrouwd, m'nheer?"
Immers deze vraag moet Jansen, die Liesje op 'n heel andere manier heeft liefgehad, dan hij zelf indertijd wist, schrijnende pijn doen.
.........................................................................................................................................................................
"En, m'nheer, bezocht u Liesje niet? (Nadat ze getrouwd was en "bleek en verdrietig en ziek was geworden." Ze leefde ook niet lang meer. v.C.) Neen, want haar man was niet heel vriendelijk als ik naar haar vroeg. Ik geloof dat-i bang was dat ik iemand mee zou brengen, dien-i misschien liever niet zag. Want Liesje ... kijk de zaak was zóó. (Jansen ziet in, dat hij tegenover Wouter zich niet langer van het voorwendsel van die weddenschap kan bedienen! v.C.) In 't dorp zei iedereen dat ze liever 'n ander had, als ze 't maar had durven zeggen. Maar dit durfde ze juist niet, omdat die ander van de kerk was. Ja, ja, ik weet wel wie 't was, ook!"
"Hé?" vroeg Wouter die 't ook meende te weten.
Wouter denkt, zeer terecht, dat 't Pater Jansen zelf was. Vandaar z'n verbaasd "Hé?" nu hij gaat inzien dat de Pater meent, dat 't een ander was.
"Ja, maar zeg 't niemand. Ik had al lang gemerkt dat ze zoo best op de hoogte was van onze uitgangsuren, en als we-n-om karnemelk kwamen, stond zij aan 't venster. Ook soms aan 't hek, maar zoodra we naderbij kwamen, ging ze naar binnen, net als iemand, die niet weten wil dat-i uitgekeken heeft. Zoo zijn de meisjes, en dit wist ik heel goed, want nergens doet men zooveel menschenkennis op als op 'n Simmenarie."
Dit is heerlijk.' Humor van de allerbeste soort. Op 't zelfde oogenblik, dat hij blijk geeft zoo onschuldig te zijn als 'n pasgeboren kind, zegt hij, zooveel menschenkennis op 't Simmenarie te hebben opgedaan!
Nu, dat ze-n-altijd zoo uitkeek, was zeker om Kruger, 'n besten, besten jongen!
O, hoe prachtig is dit: met dit "'n besten, besten jongen!" verdedigt Jansen zijn vriend tegen eigen innerlijk misprijzen, 't Beteekent zoo iets als: Neen, ik wil geen kwaad van hem denken.
En dat haar man zoo stuursch tegen me was, zal ook zeker om Kruger geweest zijn. Misschien dacht-i dat ik hem zou meebrengen, en dat zou ik ook misschien wel eens gedaan hebben, want Kruger was m'n beste vrind, en hij hield bijna net zooveel van Liesje als ik. O, heel veel!
In dat "bijna net zooveel" ligt een wereld! Pater Jansen moge zich-zelf onder bedwang hebben, hij moge z'n afkeurende gedachten over 'n vriend het zwijgen opleggen, hij make zich-zelf diets, dat pastoor Koens zoo'n beste jongen was—wij weten en hij weet o.a., dat jonge fatsoenlijke meisjes niet graag bij hem biechten gingen!—als hij denkt aan zijn eigen liefde voor Liesje, dan is het met dat zich-diets-maken uit. Hij ziet plots de smetteloos reine verschijning zijner liefde, en daarnaast, daar ver onder: de waarschijnlijk zinnelijke, oppervlakkige van Pastoor Koens. En wilde hij ze al gelijk stellen, het woord besterft hem op de lippen. Hij voelt dat dat heiligschennis wezen zou en hij mòet 't zeggen, dat heerlijke, ook ter wille van Liesje: dat zijn liefde grooter was. Maar in 'n laatste poging zich-zelf neer te buigen en z'n vriend omhoog te tillen, verkleint hij den afstand tusschen beide liefden: "bijna net zooveel." O, het is om te schreien en te juichen tegelijk....
Tot zoover was Jansen gevorderd met z'n vertrouwelijkheden, toen 't paar de Haarlemmerpoort bereikte. Wouter had gaarne meer vernomen van de roerende tragedie die niet recht scheen begrepen te worden door een der hoofdpersonen zelf.
Immers Liesje was op Jansen verliefd en deze denkt dat ze 't op Kruger was.
Hij voelde wel dat Jansen eigenlijk meer verteld had dan-i zich veroorloofde te weten. Of wist hij meer?
Er zit hier een moeilijkheid. We moeten daar even bij stilstaan. Indien men zegt dat iemand meer vertelt dan hij zich veroorlooft te weten, dan beteekent dit ongetwijfeld, dat het juist heel zeker is dat die verteller het weet, maar dat hij eigenlijk zich-zelf of anderen niet bekennen wil dàt hij 't zéker weet. Daarna dan bij wijze van tegenstelling te vragen: "of wist hij meer?" heeft geen zin. Wij moeten dus aannemen, dat Multatuli tegen het gewone spraakgebruik in met dat "meer dan-i zich veroorloofde te weten," bedoelde: meer dan-i werkelijk wist. (Dus ironisch. In den zin van: meer dan-i zich de weelde veroorloofde te weten.) En dáárop volgt dan logisch: "Of wist hij meer?" Het antwoord wordt in het volgend stukje tekst te gissen gegeven.
Gedurende het doorgaan van de duistere bochtige poort had de man gezwegen. De eigenaardige galm die door dat zonderlinge gewelf dreunde en 't spreken moeilijk maakte, was daarvan zeker de oorzaak. Maar toen ze weer in de open lucht kwamen, klaagde Jansen over den vreeselijken tocht die hem de oogen vol zand gewaaid had. "Zou je wel gelooven, jongeheer, dat ze 'r van tranen? En ik ben moe ook."
Jelui zult al wel begrepen hebben, dat hij geschreid en dáárom ook niet gesproken heeft.—En nu het antwoord op de vraag, of hij meer wist? Dit antwoord moet m.i. aldus luiden: In zijn jeugd, terwijl de geschiedenis met Liesje voorviel, dacht hij, dat Liesje niet hem, maar Kruger liefhad. Zoowel zijn naïveteit als zijn zelf-geringschatting verklaren dit voldoende. Trouwens, ware het anders, dan zou deze smetteloos-reine toch onmiddellijk den omgang met Liesje afgebroken hebben om haar liefde niet aantewakkeren. Vandaar dan ook, dat hij zegt, dat hij misschien Kruger wel eens zou meegenomen hebben. D.w.z. hij zou misschien toegegeven hebben aan den aandrang van den vriend, om hem mee te nemen, maar met zijn volle instemming zou hij dat niet gedaan hebben. Immers hij was natuurlijk van meening, dat Kruger haar liefde niet mocht aanwakkeren. En dit is dan ook de reden hier, waarom hij, zooals we merkten, innerlijk Kruger geen "beste jongen" vindt. Daarna, bij 't klimmen der jaren echter, zijn hem, in zijn stil peinsleven, de oogen opengegaan. Hij heeft toen begrepen, dat Liesje hem heeft liefgehad. Maar dan, om zijn gemoedsrust te bewaren en de nijpende smart om het verloren geluk tot zwijgen te brengen, is hij zich gaan diets maken, wat hij eerst in wáárheid geloofde, nml. dat zij Kruger liefhad. Als men weet hoe gemakkelijk menschen langzamerhand in de waarheid van eigen vaak herhaalde onwaarheden gaan gelooven, dan begrijpt men zeker, hoe betrekkelijk licht dit ook dezen priester van een suggestief wondergeloof, in zijn lang leven moet gelukt zijn. Op 't oogenblik dus, dat hij Wouter vertelt, dat Liesje Kruger liefhad, vertelt hij geen bewuste onwaarheid. Maar dan weer, door de aandoenlijkheid van zijn verhaal—bij dat bijna net zooveel—uit zijn zelf-gesuggereerde denk-sleur geheven, staat plotseling één vreeselijk oogenblik, de lang weggeduwde, de diep verborgen waarheid, groot en ontzettend voor zijn oogen, en in de duisternis van de poort snikt hij zijn wee uit, om 't verloren heil ... de nutteloos uitgebloeide liefde....
Hiermede zij de behandeling van Woutertje Pieterse beëindigd.
En nu een bekentenis: vóór het schrijven heb ik altijd een zekeren angst, dat ik mijn onderwerp niet voldoende recht zal doen wedervaren, of, op deze plaats, te moeilijk zal zijn, daarnà—zelden het gevoel geslaagd te zijn....
Wat zal jelui na het lezen hebben? Mag ik mij vleien, dat het de begeerte zal wezen, zelf het kunstwerk in z'n geheel te genieten?
[1] Voor 't eerst gepubliceerd als inleiding tot de literatuur-afdeeling van den boekerij-catalogus van den A.N.D.B.
[2] Op dit laatste: het innig-doorvoeld hebben van de eenheid van het zijnde berust dit, wellicht edelste, vermogen van den literairen kunstenaar: het maken van treffende vergelijkingen (het "scheppen van beelden"). Want dit is niet anders dan het weten der eigenschap, die overigens uiteenloopende dingen gemeen hebben.
[3] Zie, na dit geheele betoog ten einde te hebben gelezen, de noot op blz. 216. (zie noot [5] hieronder)
[4] Zie hierin tevens het bewijs en de verklaring van de stelling (zie pag. 211) waarom noodzakelijk elke weergave-in-kunst schoonheid is.
[5] Ik heb vermeden, 't geen ik nu zeggen ga, in het voorafgaande betoog op te nemen, om eenigen niet ervaren lezer het verstaan niet noodeloos te bemoeilijken en hem van den hoofdweg af te leiden. Nu moge het echter tot juister en vollediger begrip hier een plaats vinden. Overal, waar in het betoog sprake was van "objectiviteit" bij het waarnemen en weergeven, werd dit nimmer in absoluten zin bedoeld. Het is bijna onnoodig te zeggen, dat onze subjectiviteit altijd waarneming en weergave kleurt. "Objectieve waarneming en weergave" wil dus, zoo kort mogelijk gezegd, hier niet anders beteekenen dan die waarneming en weergave, waarin geen enkel ander element van subjectiviteit aanwezig is, dan hetgeen onvermijdelijk voortvloeit uit den aard der natuurlijke individualiteit van den waarnemer en weergever.
[6] In Het Jonge Leven was een Hildebrand-artikel aan dit opstel voorafgegaan.
[7] De moeite van dit "losmaken" werd mij intusschen bespaard door de voortreffelijke uitgave van Woutertje Pieterse der UitgeversMij. Elsevier.
[8] Verwekt dus ook de goede romantiek soms in den daarvoor ontvankelijken lezer, een overdreven voorstelling van de werkelijkheid,—de slechte romantiek is die "overdrijving" in zich-zelf. Zij vervalscht den gewonen middelslag-mensch tot een grooten mensch, groot zoowel in het goede als in het kwade, doet hem leven in omstandigheden, waarin zulk een mensch niet leeft en laat hem daden verrichten, die zulk een mensch niet kan verrichten.—
[9] Hier volgde in het oorspronkelijk artikel het schitterende "Avondje bij juffrouw Pieterse." Slechts één door mij bij het citeeren gemaakte opmerking—de andere zijn voor een algemeen publiek te weinig belangrijk—zij hier herhaald: De dialoog in dat gedeelte van ons boek, staat slechts ten deele in dialect. Multatuli achtte zich na het toonen van een staaltje daarvan, ontheven van den kunstenaarsplicht, den dialoog aldus weer te geven. Zeer onjuist èn jammer ook, omdat nu iets van de groeps-karakteristiek verloren gaat.
[11] De voorstelling van een begrip, een zaak, als persoon.
[12] Causaliteit = oorzakelijkheid, het verband tusschen oorzaak en gevolg. (Denk aan het fransche cause = oorzaak). Het is hier natuurlijk de plaats niet om uitteweiden over alles wat hieraan vast zit. Genoeg zij 't, dat Multatuli tot die wijsgeerig-denkenden behoorde, die meenen, dat elke oorzaak noodwendig het gevolg heeft, dat eruit voortspruit, m.a.w.: zij had nimmer een ander gevolg kunnen hebben. Waarom hij dan ook aan de causaliteit den naam Fancy geeft, zal u nu wel duidelijk zijn. Immers: het kunstvoortbrengen, zegt hij, is niet iets willekeurigs, dat hij doen of laten kan wanneer het hem belieft, maar hij doet het slechts, wanneer hij door zijn innerlijken drang ertoe wordt gedwongen. Die drang is de resultante, het uitvloeisel van de factoren, die te zamen den mensch Multatuli vormen. Hij is dus een gevolg, een werking van de causaliteit, van al de oorzaken namelijk, die den mensch Multatuli en zijn denken en doen tot noodwendig gevolg hadden. En, zegt hij óók, Fancy inspireert, fluistert hem zijn scheppingen in. Fancy is dus één met de causaliteit, een personificatie ervan.—
[13] Multatuli-zelf ziet deze kinderlijkheid wel als een gebrek. Het eenige wat ik daarvan zeggen kan is—dat de vader hier zijn eigen kind niet goed gekend heeft! 't Geen niet behoeft te verwonderen. De verklaring ligt voor de hand, waarom dit verschijnsel juist bij gróóte schrijvers voorkomt. De voortreffelijke G.K. Chesterton geeft er in zijn onlangs verschenen Criticisms and appreciations of Charles Dickens' Works eenige aardige bij Dickens voorkomende staaltjes van. Tusschen haakjes: ik kan den Engelsch-kennenden onder mijne lezers, dit luchtig en geestig geschreven en zooveel juist inzicht bevattend werk warm aanbevelen.—
[14] Menigeen zal het gek vinden, dat ik zoo voortdurend van Pastoor Jansen als van een werkelijk geleefd hebbende persoon spreek. Maar men bedenke, dat het 't levensware is, dat iets geschikt maakt er levenswaarheden aan te demonstreeren, en dat is evenzeer bij een door de Kunst als door de Natuur geschapen mensch aanwezig.—
Is het voor den lezer en bespreker van de Historie van Mej. Sara Burgerhart ongetwijfeld immer een voorrecht dezen roman-in-brieven in de uitgave van de W.B. voor zich te hebben, in deze warmte vooral voelt men 't als een onschatbaar genot, dank zij den heer Prof. Knappert, die het werk van eene inleiding en verklarende aanteekeningen heeft voorzien, niet genoodzaakt te zijn, om, bibliotheek in, bibliotheek uit, naar de beteekenis van verouderde uitdrukkingen te speuren, of te beproeven zich zelfstandig in 't historisch milieu te orienteeren. Bedoelde inleiding en aanteekeningen maken al een zeer sympathieken indruk, niet alleen door den zoo duidelijk blijkenden ernst en de nauwgezetheid, waarmede zij zijn samengesteld, maar óók door het feit, dat de heer Knappert in een zeer gewichtige aangelegenheid zijn eigen weg is gegaan en zich niet door den beroemden Busken Huet een dwaalweg heeft laten inloodsen. Anders dan deze, die eene der boezemvriendinnen, en wel Agatha Deken, het mede-auteurschap der, naar beider ondubbelzinnige verklaring, gezamenlijk geschreven romans ontzegt, verklaart onze geleerde en scherpzinnige commentator: "Maar haren roem danken Betje en Aagje terecht aan haar wezenlijk gezamenlijk geschreven romans." Om met den gullen Abraham Blankaart, Saartje's voogd te spreken: "Dat klinkt je wat anders voor den snoet" dan de quàsie-vernuftige critische bewering van Huet. 't Is waarlijk geen gering vergrijp op zoo wankele gronden[1] als door deze voor zijn meening kunnen worden aangevoerd, het niet alleen aan te durven, deze vrouw, die zich niet verdedigen kan, van haar roem bij het nageslacht te berooven, maar ook de moreele smet aan te wrijven, dat zij zich eer en lof heeft laten aanleunen, die haar niet toekwamen en letterlijk op de talenten van haar weldoenster en hartsvriendin zou hebben geparasiteerd. Want Huet moge daar luchtigjes overheen redeneeren en, de kool en de geit pogend te sparen, het als iets loffelijks in Aagje voorstellen, dat zij niet weigeren wilde, Betje's roem te deelen, in waarheid zou zulk een handelwijze niet anders gequalificeerd kunnen worden, dan ik heb gedaan. En het schenkt mij dan ook niet geringe voldoening en vreugde, dat de heer Knappert anders oordeelt. Intusschen, hoe gaarne ik langer over diens bijzonder waardevollen arbeid zou uitweiden, we zullen nu maar eens aan den roman-zelf onze aandacht geven. Al lezend zullen wij gelegenheid te over hebben, door van de inlichtingen van onzen gids gebruik te maken, hem de beste hulde te brengen, die iemand gebracht worden kan.—
Ziehier de zeer kort saamgevatte "inhoud": Sara Burgerhart, eene wees, 'n zeer begaafd, zeer geestig en bevallig kind van 'n jaar of twintig, is bij een oude, kwezelachtige tante in huis, Juffrouw Hofland, die zich te goeder trouw bij de zoogenaamde "fijnen" aangesloten hebbend, hun dupe wordt. (Bij dat woord "fijnen" hièr moet ge niet denken aan een zeker soort van vrome menschen, die, ofschoon lastig en onverdraagzaam voor hunne omgeving, toch deugdzaam zijn en hunne godsdienstigheid oprecht meenen, neen, déze "fijnen" zijn integendeel doortrapte huichelaars, die, onder den schijn van streng godsdienstig te zijn, de meest schurkachtige daden bedrijven!) Het arme kind wordt echter zoo door die tante en haar verfoeilijk gezelschap, "Broeder" Benjamin en "Zuster" Slimpslamp, benevens 'n dronken tobbe van 'n dienstmeid, Brecht, genegerd en geplaagd, dat ze met toestemming van haar uitmuntenden voogd, Abraham Blankaart, die haar vaders boezemvriend was, ontvlucht en haar intrek neemt bij een waarlijk verstandige en deugdzame vrouw, de Wed. Buigzaam. Daar wint zij niet alleen de vriendschap van haar hospita en, op één enkele uitzondering na, die van de bij deze inwonende jonge dames, maar zij leert er ook den man kennen, die haar echtgenoot wordt: Hendrik Edeling. Voor zij echter trouwt, is zij door haar sterken zin voor uithuizige vermaken en het argeloos vertrouwen van haar jong, rein hart, bijna het slachtoffer geworden van een adellijken losbol en gewetenloozen meisjesverleider, den heer R.[2]
Ook deze roman is een realistisch werk. En ik geloof het daarom niet te onpas eens even vluchtigjes te onderzoeken in welke verhouding de innerlijkheid van dit werk en de fundamenteele geaardheid zijner auteurs staan tot die van de beide andere, in deze serie[3] reeds behandelde boeken en schrijvers: Hildebrand met zijn De Familie Kegge, Multatuli en zijn Woutertje Pieterse. Zou men aanvankelijk geneigd zijn te beweren, dat Wolff en Deken in hun Hollandsche degelijkheid en de geschiktheid van hun roman "voor den Meridiaan des Huiselijken levens," meer overeenkomst vertoonen met den kalmen aspirant-burger- huisvader Hildebrand, dan met den geweldigen Multatuli, den afbreker, den spotter en de schrik van alle brave huisvaders en afgebakende- levensweggetjes-bewandelenden—men komt al heel spoedig van die meening terug. Zooals Hildebrand wel schijnbaar, en ten deele met Multatuli overeenkomt in het gering achten van eigen kunst en artistieke vermogens—de eerste, zooals wij indertijd gezien hebben, vindt zijn schetsen-schrijven een jeugdspel, dat den rijperen leeftijd niet meer voegt, terwijl de laatste voor niets grooter angst schijnt te hebben, dan om zijn schrijfkunst bewonderd te worden—maar inderdaad in de oorzaken dier geringschatting hemelsbreed van hem verschilt—want ten eerste mag men met grond beweren, dat Multatuli meestentijds niets van dit geringschatten meende, maar ten tweede: dat, ten tijde dat hij 't wèl meende, die meening in hem geboren werd uit zijn ontzaglijk revolutionnair sentiment, terwijl zij bij Hildebrand voortkwam juist uit het tegenovergestelde: het begrip van eigen waardigheid en fatsoen als dienaar van den godsdienst, d.i. van het overgeleverde, het, in zijn oogen, vaststaande en blijvende: een fundamenteel onderscheid dus!—zoo komen, oppervlakkig beschouwd, Betje en Aagje wel met Hildebrand overeen in den eerbied voor een werkelijk godsdienstig leven; in de voorkeur voor het beelden van echt vaderlandsche tooneelen, en zelfs in het verliefd zijn op enkele der door hen geschapen figuren, maar dat alles spruit bij hen uit geheel andere motieven voort dan bij hem. De eerbied voor den werkelijk godsdienstigen en braven mensen maakt zich bij Hildebrand zelden los van de wetenschap, dat ook hij zulk een mensch is, in één woord: hij blijkt soms saamgeweven met eene ergerlijke zelfverheerlijking en zelfverheffing, bij onze Wolff en Deken is daar geen sprake van. Beeldt Hildebrand zich in De Familie Kegge—herinnert ge 't u?—als den onfeilbaar-wijze en den reddenden engel, Betje daarentegen stelt zich-zelf ten toon—ongetwijfeld zich bewust, dat men dit zal begrijpen—als de zeer zeker begaafde, zeer zeker brave en sympathieke, maar niet minder lichtzinnige Saartje Burgerhart, die niet alleen geen anderen redt, maar er rond voor uit komt, dat ze 't alleen God heeft te danken, dat ze niet door een schurk voor haar geheele leven ongelukkig is gemaakt, terwijl Aagje er niets op tegen schijnt te hebben, zich-zelf als de bedilzieke en overijld naar den schijn oordeelende Anna Willis—vriendin van Saartje—te teekenen! En ongetwijfeld: de liefde voor het schetsen van het vaderlandsche milieu is zoowel bij Hildebrand als bij onze schrijfsters zeer sterk, maar welk verschil in omvang en rijkdom hunner menschenwereld! Waardeert men bij Hildebrand een sterk novellistisch talent, in het werk van Wolff en Deken voelt men den adem der groote, heele menschengroepen omvattende epica. En welk een onderscheid ook in de weergave dier wereld! In hoeveel grootere mate dan bij Hildebrand spreken hier de struische Hollanders de stoere Hollandsche taal. Neen, men ziet het: dit is onovertrefbaar: deze menschen kunnen niet anders spreken, dit is het woord, waarin zij-zelf léven, het woord soms hoekig als hun vierkantig gezicht, hun zware lijf, soms rond als hun kaaskop, maar altijd helder-gewasschen als hun grijze en blauwe kijkers....
Ook de verliefdheid op de eigen kunstfiguren is bij Hildebrand iets geheel anders dan bij Betje en Aagje. Bij den eerste wordt zij niet zelden door kleine en uiterlijk-maatschappelijke motie ven beheerscht, bij de laatsten is dit vrijwel nooit het geval: zij zijn op sommige hunner figuren verliefd, omdat die hun de personificaties zijn van zekere kenmerkende en uitstekende eigenschappen van hun eigen ras en volk, of van het edele in 't algemeen. Maar die soort van kruiperigheid jegens de "hoogere" standen, zooals die zich bij Hildebrand uit in de Baron van Nagel- en Freule Constance-beflikflooiïng, is in de Sara Burgerhart al evenmin te vinden als zijn beschermheerachtige neerbuigendheid jegens de "lagere" klassen. Meer wezenlijke overeenkomst vertoonen zij met Multatuli. Betje vooral is een allergeestigste spotvogel en wat 't glazeningooierig-kwajongensachtige en 't geestig-moedwillig op den hak nemen betreft, gaat—intrinsiek—de geest van Bekker dien van Dekker niet zooveel uit den weg. 't Verschil in dit opzicht lijkt grooter dan het is, omdat de eerste tot alles wat zij doet geïnspireerd wordt door haar onuitdoofbaren levenslust en blijmoedige guitigheid, de laatste daarentegen door zijn bitterheid, gekwetst rechtsgevoel, haat en teleurstelling. En is er al een onverevenbaar verschil tusschen Multatuli en de beide vriendinnen op 't stuk van bijbel-geloof en godsdienstigheid, zij geven hem niets in heftigheid toe, als het geldt de huichelaars en valsche vromen te lijf te gaan, en—overtreffen hem daarbij in menschscheppend talent. Want kan men den dronken huisdominee in Woutertje Pieterse, trots al het vernuft—en wellicht juist òm dat vernuft—aan zijn uitbeelding ten koste gelegd, niet anders dan een charge[4] noemen, Broeder Benjamin en Cornelia Slimpslamp, de twee huichelachtige "fijnen" en doortrapte schurken in onzen roman, léven, vòlmáákt, en daarmee is het allerbeste gezegd wat men van een literatuurbeeld zeggen kan. Dit leven, deze menschelijkheid-van-vleesch- en-bloed, zij zijn des te meer opmerkelijk, omdat hier niet maar bloot 'n paar huichelachtige menschen zijn geheeld, máár: personificaties van het allerinnigste wezen der huichelarij en valsche vroomheid. Men denkt geen oogenblik als bij Multatuli's huisdominee: "hoe geestig geschreven" en: "hemeltje lief wat moet ik daarom lachen," maar alleen: "hoe ontzagwekkend gebeeld, wat 'n brok innig doorschouwd leven, hoe waar en hoe echt is dit."
Mijn lezers zullen waarschijnlijk nu al gemerkt hebben, dat ik onze Wolff en Deken grooter artisten acht dan èn Hildebrand èn Multatuli. En zeer zeker: dat is mijn meening. Ik aarzel ook niet te zeggen dat zij een veel juister bewust begrip hadden van het wezen van literaire kunst dan dezen hebben bezeten. De wetten der kunst zijn al evenzeer onwrikbaar en onveranderlijk als die der natuur, en dit spreekt ook van zelf, want al is natuur geen kunst, kunst is m.i. wel degelijk natuur.[5] Het kind dat niets van de wetten der laatste kent, verbrandt zich of valt, of iets dergelijks, en het groote kind, de niet voldoende inzichtsvolle mensen, die de wetten der kunst niet kent, schrijft een slecht boek, of vindt, lezend, een slecht boek mooi en een mooi boek leelijk. Nu meen ik te mogen zeggen, dat voor den scheppenden kunstenaar de intuïtieve kennis dier wetten het ééne noodige is, want als kunstenaar schrijft hij niet zonder "geïnspireerd" te zijn, en zoodra hij dit is, is ook die intuïtieve kennis in hem. Maar indien zulk een scheppend kunstenaar nu meent, dat hij op grond van dat intuïtief vermogen, ook spreken kan over kunst, als hij niet geïnspireerd is, dan vergist hij zich leelijk en dat blijkt zoowel bij Multatuli als bij Hildebrand. Daarvoor moet men voor altijd in zich bewust geworden kennis hebben, kennis dus, waarover men beschikken kan wanneer men wil, welks omvang, en hoofdzakelijken inhoud men-zelf volkomen beheerscht. En het is deze kennis, die Wolff en Deken bóven Hildebrand en Multatuli bezaten, en het gevolg daarvan is, dat als zij een eenvoudig stukje schrijven buiten hun scheppenden arbeid om, waarin zij sommige principes uiteenzetten, door welke zij zich bij het wrochten hunner romans lieten leiden, zij duidelijk blijken wáárheden omtrent kunst te kennen, die niet van hun tijd, en niet van dezen tijd alleen, maar 't spreekt van zelf, van alle tijden zijn! Een paar citaten uit de voorredenen van den eersten en tweeden druk zullen ongetwijfeld voldoende zijn, om dit mijn beweren te bewijzen. Ziehier: