HOE LITERAIRE KUNST GELEZEN EN GENOTEN MOET WORDEN

[1]

Ik wil nu met u spreken over literatuur, haar wezen, haar verhouding tot eenige andere grootmachten van het geestelijk leven, het geluk en de veredeling, die zij geeft en hoe deze in u komen kunnen. Wat ik daardoor wellicht vermag, is: u haar te doen begrijpen met uw verstand. Het geluk en de veredeling, waarvan ik sprak, zult ge echter niet deelachtig worden voor gij haar zult begrepen hebben met uw gevoel. Is dat gebeurd—tegelijkertijd zijn zij in u. En gij zult een rijkdom, een troost, een toevlucht bezitten, wier weelde, wier innigheid, wier beveiliging aan niets geleken kan worden, dat ge vóór dien bezat. Maar ook het eerstgenoemd begrijpen is geen geringe winste, en zal voor sommigen uwer allicht het middel blijken te zijn, het laatstgenoemde te bereiken. Veel zal afhangen van uw aanleg, uw ernst, uw wil, uw al of niet inzien van de waarheid, dat op dat hooger levensplan, waarop wij allen toch wenschen, dat ge eens zult staan, dit begrijpen noodig is als bróód, als wèrk. De bibliotheek-statistiek van onzen Bond is niet bemoedigend. Ware die de steunstaf van mijn hoop, zij deed beter met niet op weg te tijgen; zinnelijkheid en lust tot grof romannetjes-geprikkel, verlangen naar verhit "geboeid"-zijn, deze, leert die statistiek, zitten bij de massa uwer voor, zijn haar raadgevers bij het boeken-kiezen. Maar mijn hoop leunt op een anderen staf: de adeldom van uw strijd, de worsteling uwer klasse. Die strijd is ook de groote Drijver, die u drijft. Zelf edel, stoot hij u het edele van het leven tegemoet. Hij de hijgend zwoegende, bezweet en zwart, worstelt uw massa òp de hooge wegen, waar de blanke, lichte gedaanten staan: Wetenschap, Kunst, Vrijheid. Gij moogt weerstaan of niet, hij stóót u op. En telkens gaat zijn vorschersblik omhoog en zwaar ademend berekent hij den afstand, de terugwenteling stuitend op zijn reuzenborst; dan ziet hij weer naar ons, de medehoeders, mede-werkers, die in spanning wachten of zij mogen helpen.... Soms mogen wij dan, een enkel maal kunnen we.... Dit stuk wil zulk een hulp zijn.


Begin met dit goed te begrijpen: een voorwerp is altijd min of meer voor eenige doeleinden geschikt. Al naar uw inzicht, oogenblikkelijke behoefte, of door noodzakelijkheid gedreven, zult ge 't voor een dier doeleinden gebruiken, maar afgezien van waarvoor gij 't gebruikt zal het uit zijn eigen aard voor een of eenige van die verschillende doeleinden het meest geschikt zijn. En luister nu goed: wendt ge 't aan, waartoe 't het meest geschikt is, dan gebruikt ge 't, wendt ge 't echter voor iets anders aan, dan misbruikt ge 't. Ten overvloede, zoo ik meen, zal ik u dit met een concreet voorbeeld verduidelijken: een tafel, niet waar, kunt ge als tafel, maar ook als stoel, maar ook als brandhout gebruiken! Behoef ik U nu te zeggen, dat ge hem alleen als tafel gebruiken, als stoel of als brandhout slechts misbruiken kunt?! Zoo is 't op stoffelijk, maar zóó ook op geestelijk gebied. Nemen we nu ook een concreet voorbeeld op geestelijk gebied en kiezen we daartoe een roman, welke tevens een literair kunstwerk is, Zoo'n roman dan is een geschiedenis van zekere menschen. Die menschen, die natuurlijk ook spreken in dien roman, verkondigen meeningen; het blijkt u, dat ge 't eens zijt met die meeningen, of dat ge 't oneens zijt, ja, ze zelfs verfoeit! Verder: de toestand, waarin de menschen in dien roman verkeeren, schijnt u te pleiten vóór uwe overtuiging of levensbeschouwing, of wel daartégen; of: er worden door die roman-menschen sexueele handelingen gepleegd, waarvan het meer of minder uitvoerig relaas ùwe zinnelijkheid prikkelt. Waartoe moet die roman, die dit alles doet, vertelt en bevat, maar ook een kunstwerk is, u nu dienen? Moet ge blij zijn, omdat die roman-menschen meeningen verkondigen, die met de uwe strooken, of treurig zijn om het tegendeel? Moet ge verheugd zijn, omdat de toestand, waarin die roman-menschen verkeeren, vóór uw levensbeschouwing pleit, of verdrietig en toornig, wijl hij ertegen schijnt te bewijzen? Moet ge door 't relaas der sexueele handelingen uwe zinnelijkheid làten prikkelen? Of wel, moet ge dien roman als kunstwerk op u laten inwerken en dus ervan hebben: dat hooge geestelijke genot, die veredeling, die vèr van kleine blijdschap, vèr van toorn, vèr van verdrietelijkheid, vèr van innerlijken strijd zijn: een zoete effenheid, toch niet zóó effen of zij rimpelt heuveltjes van glinsterende verrukking op, als een deinend water onder zonlicht?

Behoef ik U nog wel te zeggen, dat die roman, die een kunstwerk is, het meest uit eigen aard geschikt is, om als kunstwerk te worden genoten en dat ge hem dus misbruikt en niet gebruikt, zoo ge iets anders er mee doet! En hoedt u voor misbruik van geestelijken rijkdom! Ge kent wel het begin der schade, maar het verre einde niet: de algeheele verwarring van denkbeelden, het ongemerkt-langzaam maar zeker verergerend gebrek aan onderscheidingsvermogen, de verstomping en verblinding van het verstand en het gevoel door eenzijdige ontwikkeling. Misbruik is verspilling, en een opkomende en worstelende klasse heeft niets, geen splinter zelfs, te verspillen.


"Maar," vraagt ge nu, "hoe bereiken we dit, zulk een roman als kunstwerk te genieten. Wij erkennen, we voelen ons verheugd als het verhaal en de toestand der menschen in het verhaal vóór onze levensbeschouwing, vóór onze politieke inzichten, vóór de juistheid van ons geloof of ongeloof pleiten, toornig en verdrietig vaak bij het tegenovergestelde. Ja, wij erkennen, dat er onder ons menigeen is, die leest, om zijn zinnelijkheid te prikkelen. Zeg gij ons nu hoe we dit alles vermijden kunnen en hoe we kunnen geraken tot dat hooge genot, dat gij bedoelt. Want als gij zegt, dat deze onze blijdschap en onze toorn, dit ons leed en ons verdriet niets met kunstgenot te maken hebben, ja, dat we dit laatste zelfs kunnen hebben van een kunstwerk, welks geheele inhoud lijnrecht tegen onze inzichten schijnt in te druischen, dan begrijpen wij zelfs niet wàt kunstgenot is."

Welnu, ik verlang niets liever dan u dit alles duidelijk uiteen te zetten. Juist met die bedoeling heb ik mij nu aan het werk gezet. En indien ge maar welwillend en met volle aandacht naar mij luisteren wilt, dan kàn ik 't ook. Want ik zeg niet quasi-bescheiden, dat ik 't méén te weten, maar ik zeg stellig en vast, omdat ik 't aldus vòèl, dat ik 't onwrikbaar zeker weet. Gij zult ook later inzien, dat de meening van velen voor wie gij hoogen eerbied hebt en die dien eerbied ten volle verdienen, met de mijne in strijd is. Maar daarom moogt ge nù niet aan mij twijfelen, doch daar ik uw raadsman ben, aannemen wat ik zeg, tot ge-zelf oordeelen kunt tusschen hen en mij. Bij eenigen uwer, begaafden, zullen mijn woorden als een voleindende verheldering zijn. Zij zullen plotseling veel in hun eigen voelen begrijpen, wat hun verstand tot nu toe niet verklaren kon. Dezen hebben met hun gevoel begrepen, vóór zij 't met hun intellect konden doen. Bij de anderen zal mijn betoog echter, gelijk reeds werd gezegd, slechts een begrijpen-met-het-verstand veroorzaken, vóór ook dezen zich-zelf tot een begrijpen-met-het-gevoel zullen gebracht hebben, zullen zij niet mogen oordeelen.


Zie eerst het onderscheid tusschen wetenschap en kunst: Wetenschap is: het onderzoekende, betoogende en bewijzende. Kunst is: het intuïtief-ontvangende en het in-schoonheid-en-blijdschap-herscheppende. Vraag daarom aan de kunst geen onderzoek, geen betoog en geen bewijs. Vraag haar schoonheid en afspiegeling van scheppingsvreugde alleen.

Wetenschap is het keurende, schiftende, scheidende. Kunst echter is het alles-omvattende. Verwonder u daarom niet, dat alles wat bestaat in haar verheerlijking wordt opgenomen. Wat bestaat in de stoffelijke en wat bestaat in haar eigen verbeeldingswereld. Zij herschept en verheerlijkt—want dit is één voor haar—zoowel het kleine leven der dieren. (Maeterlinck) als het supreme leven der onstoffelijke werelden (Dante). Zij herschept en verheerlijkt een rottend lijk (Velasquez) zoowel als het heerlijkst ontbloeien van jong leven (Herman Gorter: Mei, bijv. en ontelbare Anderen.) Zij herschept en verheerlijkt de diepste afgronden van het misdadige en zinnelijke denk-voelen (Les Chants de Maldoror) zoowel als het tegelijkertijd heerlijke en smartvolle zich verliezen in een ander, wat een zeer liefdevolle en hooggestegene bereikt heeft (Epipsychidion van Shelley). Gij ziet, ik bewéér niet, dat zij dit alles doet, maar ik bewijs het u. Wat is haar dan "onderwerp," wat zijn haar "meeningen" en "overtuigingen"! En wat mogen zij u dan zijn, terwijl gij tot haar komt, gij, die haar wilt genieten! Zij herschept het alles in vreugde en die vreugde is om hare eigen scheppingskracht. Die vreugde te hergenieten, dat is het kunstgenot. Ik zal u ook van deze stelling, voor zoover dat kan, een verduidelijkend voorbeeld geven: In een vriendenkring, waartoe ik behoorde, las een voor uit Gorter's Mei—Balders afscheid van Mei.—De voorlezer was zoo door aandoening overmand, dat over zijn gelaat die eigenaardige huiveringen bleekten en om zijn lippen die glimlach van opperst en edel geluk was, welke aan de gelaatsuitdrukkingen van de Verklaarden der middeleeuwen, in religieuse extase, doen denken. Toen hij geëindigd had en vrijwel uitgeput en zwaar uitademend met gebogen hoofd voor zich staarde, de edele glimlach tot een trek van moeheid-door-geluk vervaagd, zei een der vrienden tot hem: "Jij had den glimlach van het genie van den maker op je gezicht." En zoo was 't ook: hij had 't opperst kunstgeluk gehad. Want, nog eens: Het opperst geluk, door kunst te verkrijgen, is: het hervoelen van de verrukking, die de schepper van het kunstwerk bij het scheppen had.


Noodwendig moet nu echter, na dit alles te hebben gelezen, een twijfel in u ontstaan. "Kunst verheerlijkt dus wat zij herschept," zoo zult ge vragen, "kunst maakt dus mooier wat zij ziet, zij siert dus op, wat is dat anders dan de dingen leugenachtig voorstellen?! Trouwens, zij moet wel alles in een begoocheling zien, hoe kan zij anders, een rottend lijk afbeeldend, een schoon kunstwerk maken!"

Dien twijfel zal ik nu van u wegnemen: Het zien der kunst ont-dekt de hoogste door menschen te doorvoelen waarheid, maar ùw zien stelt u de dingen leugenachtig voor. Gij ziet ze oppervlakkig, kent ze niet in hun èchte, dièpe wezen, noch in hun samenhang met het andere; de kunst echter ziet ze in hun menschelijk-erkenbaar diepste wezen, kent ze bij intuïtie tot in dièn grond van hun aard èn in hun samenhang met het andere.[2] En overal, waar die diepste aard van een ding gekend en allernauwkeurigst weergegeven wordt, is die weergave en de daad van het weergeven: Schoonheid. En die schoonheid is de verheerlijking.

Weer een voorbeeld: waarom zijt gij, die dit leest, zoo vaak gedachteloos en zonder iets te voelen door uchtend- of avondschemering gegaan en waarom zijt ge dan zoo verrukt en voelt zoo vreemde raadsels in háár èn in u-zèlf, als een kunstenaar ze heeft herschapen? Omdat die kunstenaar haar diepste essentie heeft doorvoeld en dat diepe wezen heeft afgebeeld. Heeft hij die avondschemering nu vermooid en opgesierd? Neen, neen, dan zoudt gij die beelding als een leugen voelen. Maar integendeel, gij voelt, dat u nu eerst de oogen opengaan, dat ge pas nù de wáárheid ziet. En ge bekent u-zelf, dat hij haar heeft gegeven, zooals zij wèrkelijk was, gij echter slechts, om eens zoo te spreken, haar altijd aan 'r oppervlakte hadt gezien en dus niet, zooals zij wèrkelijk was.


"Maar," zoo zult ge nu vragen, "als dit alles zoo is, waarom komt het dan zoo dikwijls voor, dat één kunstenaar zich, bijvoorbeeld, uitsluitend aangetrokken voelt tot het afbeelden van bloemen, 'n ander tot het afbeelden van menschen, een derde weer zich alleen tot dieren bepaalt. Hun moest toch alles even lief zijn, daar zij van alles, het eigen, diepe wezen eens ontdekt, een kunstwerk scheppen kunnen? Maar dit niet alleen: als deze kunstenaar zich dus al afwendt van het eene en die van 't andere, hoe kunnen wij, niet-kunstenaars, dan in alles de schoonheid zien en de blijdschap erom voelen?!" En ziehier mijn antwoord: de gewoon-menschelijke neigingen van den kunstenaar, de graad van ontwikkeling zijner psychische gaven zullen bepalen, dat voor het verborgen, eigen, diepe wezen van het eene ding zijn oogen geopend, voor dat van een ander ding zijn oogen gesloten zullen zijn, dit laatste zal hij dus niet in kunst kunnen herscheppen. Met u is het echter anders gesteld: van u wordt niet geëischt, dat gij de omhulde diepte van de dingen in de natuur onthullen zult. Van u wordt slechts geëischt, dat gij dat diepe wezen zien zult zooals het, reeds door den kunstenaar onthuld, in een kunstwerk voor u staat.

Indien een kunstenaar niet tot het kernwezen van bijv. menschen kan doordringen, dan beteekent dit, dat de uiterlijke verschijningsvorm van die menschen iets in zich heeft, wat hèm dat belet. Indien gij echter een kunstafbeelding van menschen voor u krijgt, dan kan er in den uiterlijken verschijningsvorm van die menschen niets zijn, dat U dit belet, om de eenvoudige reden, dat—er geen alleen-uiterlijke verschijningsvorm meer is en de innerlijke met volle openbaring van kernwezen daarvoor in de plaats is getreden!

Zoo meen ik u dus, voor zoover het mij in dit korte bestek mogelijk was, te hebben aangetoond: het wezen van kunst; de aanwezigheid van scheppingsvreugde bij het scheppen van een kunstwerk; dat het hoogste kunstgenot het hervoelen van die scheppingsvreugde en het beschouwen van de scheppingsdaad in haar bewegingen is; dat men daartoe komt door de hooge waarheid van een kunstwerk in te zien; dat de heerlijkheid en schoonheid van iets in kunst gebeeld, bestaan uit de allernauwkeurigste, innigst-ware weergave van het meest eigene, diepe van dat iets. Hiermede heb ik de hoofdzaken gerecapituleerd. Maar nog niet heb ik u duidelijk genoeg gezegd, hoe ge u zelf opvoeden en op-leiden kunt tot dat zóó-zien van een kunstwerk, tot dat zóó-hervoelen der scheppingsvreugde. En dit zal ik nu doen.


Er is zeer veel overeenkomst tusschen een kunstenaar en den waarlijk genietenden beschouwer van een kunstwerk: de kunstenaar beschouwt, doorgrondt, herschept en voelt vreugde en evenzeer de waarlijk-genietende beschouwer, ziet, doorgrondt, erkent ten slotte als waar en voelt vreugde. Waar de wegen dus zoo parallel loopen en ten slotte zelfs eindigen in hetzelfde punt, zal het ongetwijfeld groot nut hebben, zoo we nauwkeurig en van nabij den weg van den kunstenaar bezien. Ten eerste dus: hoe geraakt een kunstenaar ertoe den diepsten aard van een wezen te zien? Door op dien tijd zich-zelf af te sluiten voor het weten der begrippen, waarin de wetenschap: ethica, politieke economie, enz. enz. haar waardebepaling van dat wezen heeft neergelegd. Hij moet dieper zien dan de ethica, de politieke economie, enz. enz., hij moet de opperste, innigste, onvervreemdbaar-eigen waarde van dat wezen zien, en de waarde-bepalingen van de ethica, de politieke economie, enz. enz. kunnen hem slechts misleiden en verblinden. Hoe zou zich die misleiding en verblinding, in hem, uiten? Hij zou zich afkeerig of bewonderend, toornig of welwillend voelen. Dus niet onpartijdig en objectief. En hij moet wèl objectief zijn.[3] Ten tweede: wat gebeurt er nu in hem, terwijl hij door objectief aanschouwen den waarlijk-eigen aard van een wezen of ding erkend heeft? De drang ontstaat in hem, om alles wat hij gezien heeft, te herscheppen. Terwijl hij dit doet en, al doend, voelt te zullen slagen, is er een zeer hooge en groote vreugde in hem, èn om de schoonheid van zijn erkennen èn om die zijner macht, dat wat hij erkend heeft te herscheppen. Het zijn deze: de schoonheid van des kunstenaars erkennings- en herscheppingsvermogen, en zijn vreugde daarover, die de eigenlijke schoonheid van de bovengenoemde "allernauwkeurigste, innigst-ware weergave" zijn en dus levens, nu ten diepsten grond gepeild, de eenige waarachtige schoonheid van een kunstwerk uitmaken.[4]

Doet een kunstenaar dit willekeurig: zich-zelf sluiten voor al wat niet is het doorvoelen van den eigen, diepsten aard van een wezen of ding? Neen, dit is hem aangeboren, hij moèt dit doen. Het is hem aangeboren alles te vergeten voor dit eene, terwijl hij aanschouwt en herschept. Een opperst concentratievermogen van het denk-voelen wordt hier vereischt. Zoo ergens, dan is hier het woord waar: "Niemand kan twee heeren dienen." Geen mensch kan schrijven om den roem, geen om het geld, geen om te hervormen en tegelijkertijd een kunstwerk scheppen. Alleen, wanneer hij op het objectief aanschouwen van den diepsten, eigen aard van een wezen of ding zijn geheele denk-voelen concentreert, kan hij 't. En omdat dit concentratievermogen zoo uiterst sterk moet zijn, kan niemand het door den wil verwerven, maar het moet van zelf aanwezig zijn en integendeel den wil beheerschen. Dan is men kunstenaar.

L'art pour l'art—De kunst om de kunst, d.w.z., dat de kunst uitsluitend om haar-zelfs wille en zonder eenige bijgedachte of eenig bijoogmerk gediend moet worden, is daarom een volmaakt juiste stelling.


Hoe moet gij nu, leerend uit het bovenstaande, handelen, om de schoonheid van een kunstwerk te zien en de vreugde van zijn maker te hervoelen?

Gij moet, gelijk hij, u-zelf sluiten voor alle die begrippen, waarvoor hij zich sluit.

Waarom kunt gij dit willekeurig, terwijl hij dat toch niet kan? Omdat er een ontzaglijk groot verschil is tusschen de benoodigde sterkte van uw concentratievermogen en die van het zijne. Het zijne moet sterk genoeg zijn, om door de misleidende omhulling, tot de kern van het te herscheppen wezen of ding door te dringen. Voor het uwe biedt die kern, door hèm onthuld, open en bloot zich aan. Het uwe volstaat dus met van slechts zoo zwakken aard te zijn, dat het zich door ieder normaal mensch willekeurig door oefening laat verwerven.

Wat moet gij dus, nu in bijzonderheden herhaald, laten?

Gij moet, bij het zien van een kunstwerk, nalaten eraan te denken, wat de zedeleer van den inhoud der voorstelling zegt, wat uw politieke opvatting ervan zegt, wat uw economische ervan zegt. Gij moet u niet laten beïnvloeden door het feitelijke der voorstelling: niet toornig gestemd, niet welwillend gestemd en niet zinnelijk worden.

En wat moet gij dan wel doen?

Gij moet u zoo volkomen mogelijk overgeven aan het denk-voelen, dat niet dralen zal bij u op te komen, indien gij het bovenstaande slechts laat. Wat is dit denk-voelen, in woorden uitgedrukt? Ongeveer dit: "Hoe heerlijk waar en echt is deze voorstelling, hoe schitterend mooi en juist heeft de kunstenaar dit gezien en weergegeven." Dan zult gij de hooge vreugde hervoelen, die ook hij gevoeld heeft. En gij zult die vreugde voelen om het vermogen van een ander! Want in u-zelf zult gij juichen: Hoe blij ben ik en hoe in-gelukkig dat er zulk een mensch, die dàt kan, bestaat, en hoe houd ik van dien mensch....

Wat is meer altruïstisch, wat veredelender dan dit....

Dàn zijt ge in wáárheid kunst-genieter.


"Maar," zoo zult ge nu vragen, "als die stelling: "De kunst om de kunst" juist is. Als wij door een kunstwerk bijvoorbeeld niet langer het ongeluk van het proletarisch bestaan des te vlijmender mogen voelen, niet langer ons laten aanvuren in onzen mooien strijd, doen wij dan wel goed ons aan kunstgenot over te geven? Wij voelen als eersten plicht onzen strijd te strijden, en alles wat ons daar niet in helpen kan moeten wij laten."

En zeker, antwoord ik, met dit laatste hebt gij gelijk. Maar de zaak is, waaraan gij niet denkt, dat juist het genieten van kunstgenot u helpen zal in uw strijd. Telkens als gij zoo zult genoten hebben, zult gij een beter mensch zijn geworden, al weet en voelt gij dat zelf niet dadelijk; een beter mensch is een sterker mensch en hoe sterker hij is, hoe meer hij vermag.

Omdat uw strijd edel en goed is, helpt gij hem onwillekeurig strijden, telkens wanneer ge iets goeds doet, wanneer gij zelf edeler wordt.

Als gij u rein houdt in woord en in daad, strijdt gij uw strijd! Als gij u goed voedt, als gij uw maatschappelijk inzicht scherpt, als gij eerlijk tegen vriend en vijand zijt, strijdt gij uw strijd. En als gij kunstgenot voelt, rein en diep en onvermengd, dan niet minder strijdt gij uw strijd![5]

30 Augustus 1909.


OVER MULTATULI EN ZIJN GESCHIEDENIS VAN WOUTERTJE PIETERSE.

I.

Na 't Hollandsch laagland met z'n gevaarlooze wegen, z'n kabbelende rivieren, zijn gecultiveerde bosschen, z'n heldre dorpen met kerk en torentje, z'n langzaam op-schemerenden ochtend en neerschemerenden avond; na de Hollandsche wei met de haasteloos-mummelende koetjes; na de Hollandsche binnenkamers met hun stoffage van begouwenaarde burgerheeren en, meest 'n weinig houterig, vrijende jongelingen en jonge dochters, na al dit gemoedelijke, zich-zelf gelijk blijvende en veilige—plots nu een tropisch bergland, met ravijnen en neerdonderende stroomen, met oerwouden, waar leeuw en tijger brullen, en gij, zoo ge u er waagt, de beet en omkronkeling van slangen zult hebben te vreezen; een land met rook-bepluimde vulkanen, wier inwendig vuur de wijngaarden en olijfbosschen op de hellingen eerst koesterend doet zwellen van olie en wijn, om dan, vroeg of laat den krater uitgebarsten, zijn eigen teelt te vernielen in één brandende giftuitstrooming, door één slag; met dorpen, des nachts vol zwoelheid van doffe geuren en zwaarmoedige deunen, waar, daags, een wijsgeer u als bedelaar nadert, en wien ge voor een Grande hieldt, een bedelaar blijkt; waar de liefde geen braaf-burgerlijke vrijage, maar hartstocht en heet begeeren is; een land waar nauwelijks afkeer zijn kan, of zij groeit tot haat. Een Indisch land, waar de ochtend bruusk den nacht afwerpt, als een mensch zijn kleed, en de dag niet langzaam heengaat, maar zich snel het masker van den nacht voorbindt, als had hij zich verlaat en schoot het hem plòts te binnen, dat hij den wezens de rust moet gunnen, die onder de stralen van zijn gelaat niet mogelijk is.... Een land, waar alles grillig, uitbundig en snelwisselend is....

In minder woorden: na het talentvolle, het geniale; na het afgepaste en zeer wel vermoedbare, het uitbruischend onberekenbare.... Ziedaar: na Hildebrand: Multatuli![6]


Ik erken het volmondig: een geweldenaar als Multatuli, met zóó vrouwelijke zachtheid als zijn gemoed bezat; een hater mèt zóóveel liefde; een beeldstormer met dat ééne verlangen: plaats vrij te maken voor zijn reuzenbouw van rechtvaardigheid en menschenmin en schoonheid; zulk een met zóó groote fouten en ontzaglijke deugden, is voor de jeugd vol gevaars. Want zijn deugden trekken haar maar aan voor korten tijd: zóó deugdzaam te zijn is wel een tikje moeielijk! Maar zijn gebreken, wellicht, in zekeren zin, niet minder grootsch en schoon van sterke menschelijkheid, die zijn makkelijker en genoeglijker na te bootsen! Zoo denken ten minste de mannen en vrouwen in den dop. En dìt is het gevaar. Men moet het echter onder de oogen zien, men kan 't niet mijden, tenzij men een bedeesd en braaf moederskindje is, dat aan huiskamers en warme kachels, benevens beekjes, wolkjes en molentjes dicht bij honk, zat genoeg heeft en nooit naar bergen en bergstroomen, olijfbosschen en wijngaarden verlangt.

Multatuli heeft in onze kringen, lang vóór de stichting van onzen Bond, een geweldige rol gespeeld. En dit sproot nu juist niet voort uit de bijzondere beschaving in die kringen, uit ontvankelijkheid voor het subtiel-schoone en fijn-geestige—och och heere neen, ook hier heeft de Bond bijna àlles te doen gehad....—maar uit twee geheel andere oorzaken. De eerste was, dat men in Multatuli's werk zag een vrijbrief voor, een rechtvaardiging van 'n soort gêne-looze en zich op zich-zelf beroemende bandeloosheid; de tweede echter, van edele natuur: dat die onontwikkelde, maar daardoor wellicht des te frisscher menschen voelden, dat er iets nieuws, schoons, machtigs en van-kracht-heerlijks in hen openbrak, door hem. Wilt ge weten wàt dat was?... 't Was hun revolutionnair gevoel! Dat, vrienden, is misschien het mooiste in een mensch. Het is 't opstandsgevoel tegen rechtsverdraaiïng en leelijkheid in het leven. Dat wrokt en brandt in zoo'n jongen mensch. Toch brandt het maar met 'n heel klein vlammetje dikwijls, maar het leven vraagt daar niet naar, gooit elken dag weer nieuwe brandstof op, die door dat kleine vlammetje niet verteerd wordt.... Dat geeft een teveel, dat geeft een drukking.... Zoo nu en dan schiet het vlammetje weer wat hooger op, maar er zijn nog dompers: "fatsoen," traditie en verkapitalistischt, vermaatschappelijkt, verwrongen kerkgeloof, en zoo waar, zoo'n jongmensch gebruikt die dompers zelf! Dat heeft men hem zoo geleerd. Tot daar plotseling zoo'n kerel, zoo'n reus bij hem binnenkomt, en die vraagt hèm niet of hij 't goed vindt en ook niet aan "de menschen die zooveel ouder en wijzer zijn dan hij," maar die slaat kort en goed voor zijn oogen al z'n dompers stuk. En daar schiet zijn vlam omhoog en gaat ze heerlijk branden.... En hij begrijpt dat die man een weldoener van hem is ... o God, wat heeft z'n jong hart hem dan lief ... hij zou hem om den hals wel willen vliegen.... Welnu, zulk een man was Multatuli, en daarom hadden die verachte diamantslijpers hem zoo lief en dwéépten met hem en omarmden hem.... Och neen, ze begrépen hem niet, wat je begrijpen noemt, geen denken aan; wat kunnen hun zijn fijnheden, de rapheid zijner wendingen, het overdonderende zijner strijdhaftige geestigheid geweest zijn; máár zij begrepen, zij voelden, dat dit de stem was van hun eigen, gesmoorden haat; het ziende oog van hun hulploos, onbestemd en blind verlangen; de sterke hand, die hun tastende zwakke handen greep; zij zagen eindelijk eens het ongekende wonder van een héérlijk mensch, die máling had aan de machtigen, aan de rijken; het wonder van een mensch, door wien een god had mogen spreken, en die nochtans niet anders dan der àrmen en verdrùkten mond wou zijn! Wat schatten van liefde en dankbaarheid heeft hun ziel zich door hem verworven. Hoe hebben zij toen, in hun donker leven, door hèm de hèilige geestdrift gekend. En wie weet, of niet hij 't was, die voor 't eerst dat mooi-menschelijke in hen wekte, welks prachtige opvaart hun eenheid in den Bond verrijzen deed....

Maar met dat al: dwepers kunnen geen maat houden. En daarvoor wil ik u behoeden. En trouwens, wat hun 't noodigste was, is het nog daarom u niet. Gij behoeft niet meer gewekt te worden. Gij zijt wakker, daar ben ik zeker van. En die brandstof in u, die voedt geen persoonlijk-revolutionnair, geen klein-flikkerend vlammetje meer, maar hij helpt mede-voeden dat zekere en klare licht, dat socialisme heet. Daarom: gij zult en moet Multatuli kalmer genieten, gij zult onderscheiden leeren. En o, vóóral, gij moogt niet in de fout vervallen, waarin zij vervielen:

... Een ieder mensch, een mensch, die met een Groote verkeert, voelt vroeg of laat den drang, dien te gelijken. Die drang kan hem heilzaam, maar ook onheilbrengend zijn. Heilzaam is zij hem, wanneer hij denkt: Die groote mensch, dien ik zoo liefheb, is toch een mensch, hij moet dus gebreken hebben. Laat ik oppassen dat ik niet, door mijn overgroote liefde verblind, die gebreken overneem. Want die fouten, welke in 't geheel van zijn ontzaglijke persoonlijkheid zoo gering lijken, zouden mij, kleìne, verpletteren. Laat mij groeien en genieten van zijn voortreffelijkheden. Maar laat mij ook hierin wijs zijn: laat mij hem niet nabootsen in zijn deugden, want naäpen, dat is het werk van apen; de plicht en het verlangen van menschen is: blijde te zijn met, te genieten van het goede; hun wijsheid: te weten dat dáárdoor hun wezen van zelf groeit en natuurlijk en geleidelijk beter wordt. Wat voor uw wezen van zijn voortreffelijkheid geschikt is, dat eigent het zich van zelf toe, mits gij u maar zoover opwerkt, dat ge die voortreffelijkheid kunt begrijpen en beminnen. Maar nabootsen, vooral niet! Een mensch, die van de zon geniet, moet daarom niet voor zon willen gaan spelen, noch zich verbeelden, dat hij stralen schiet.... Om u nu reeds in dit inleidend stuk het onderscheiden van Multatuli's deugden en gebreken makkelijker te maken, zeg ik dit: zijn deugden waren: een sterk ontwikkeld bewustzijn van eigen hooge waarde; een machtig revolutionnair sentiment; een onbegrensde menschenliefde: een heftig begeeren naar waarheid (welke hij echter nog minder vaak kon bereiken dan hij anders had gekund, wijl hij gehinderd werd, ten eerste: door de bitterheid van zijn geest, ontstaan door het ondervonden onrecht; ten tweede: door zijn groote menschelijke en kunstenaars-ijdelheid, waardoor hij niet nalaten kon te "poseeren"); een in-staat-zijn zich op te offeren en een onwrikbaar vasthouden aan wat hij goed en recht achtte.

Zijn deugden, als kunstenaar, waren: een ontzaglijk doorvoelings-en uitbeeldings-vermogen (dat echter geschaad werd door een groot gebrek aan objectiviteit); een vlijmscherp taal-begrip; een buitengewoon geestig vernuft (dat m.i. slechts overtroffen wordt, maar dan ook ver, door den grooten Heine, van wien hij trouwens veel geleerd heeft); een rijke fantasie.

Zijn gebreken, ik heb er reeds eenige genoemd, waren meest de keerzijden van zijn deugden: een anarchistische neerhalingswoede (keerzijde van zijn revolutionnair sentiment); een soms zeer lichtzinnig oordeelen over alles, wat hij maar gemoette (keerzijde van zijn uiterst-vlug-denken-kunnen); een soms enorme zelfoverschatting en minachtend neerzien op de allergrootsten (keerzijden van zijn hooggestemde zelfachting); een uittartende en pralerige opzichtigheid (keerzijde van zijn heldenmoed).—Gij moet dus, ik herhaal 't, zeer critisch tegenover hem staan, u voor kinderachtige naäperij, waartoe deze suggestieve persoonlijkheid iemand makkelijk verleidt, zorgvuldig bewaren en bovenal dit goed begrijpen: dat de ontkennende, de negatieve houding van zijn geest, die hem schoon stond, wijl hij groot was, en leefde in een tijd, die dat noodig had en 't als 't ware zelf deed geboren worden, u leelijk zou staan, niet alleen wijl gij niet groot zijt, maar omdat gij in een tijd leeft, die óók en bovenal een positieve, een bevestigende geesteshouding noodig heeft: het innig geloof in de waarachtigheid van het socialisme. Vroeg zijn tijd een ongebreideld, een naar eigen begeerte kampend mensch, deze vraagt gehoorzame soldaten voor het groote leger, dat strijdt in alle landen voor menschenrècht en menschengelùk, soldaten nièt gedrild tot tucht, maar uit eigen weten en eigen vrije keus de tucht verkiezend boven tuchtelóósheid. Houdt ge u aan dit alles, wat ik u heb gezegd, dan kunt ge zonder vrees dat oostersch-vreemde en prachtig land, dat Multatuli's werk is, bereizen en moedig de hellingen van dien trotschen berg beklimmen, waarop bosschen vol van sappige vruchten staan. Wat mij betreft, ik zal het nu bij deze, naar mij dunkt niet ongemotiveerde, waarschuwing en uiteenzetting laten, en in de volgende artikelen de Geschiedenis van Woutertje Pieterse, haar zooveel mogelijk los makend uit de Ideeën waarvan ze een deel is, zuiver letterkundig behandelen, gelijk ik dat met Hildebrand's Familie Kegge heb gedaan.[7]


OVER MULTATULI EN ZIJN GESCHIEDENIS VAN WOUTERTJE PIETERSE

II

In de Geschiedenis van Woutertje Pieterse, zooals die nu, helaas onvoleindigd, voor ons ligt, hebben wij in de allereerste plaats te zien een poging tot weergave der geleidelijk voortschrijdende geestelijke ontwikkeling van een geniaal kind—Woutertje-zelf—; in de tweede plaats een schets van: het Hollandsche volksleven:—Femke en haar moeder, Gerrit Sloos, Klaas Verlaan, de joodsche familie Roebens, de illuminatie-avond, enz.—; de klein-burgers:—de Pietersen, juffrouw Laps, e.d.—; de "deftige" burgerij:—de Kopperlith's: typen van het dwaze, opgeblazen parvenudom, met zijn sleep van kruiperige loonslaven, en de Holsma's: ietwat geïdealiseerde beelding eener verstandige, liefderijke, boven alle vooroordeelen hóógstaande doktersfamilie—; de geestelijken, vertegenwoordigd door de kluchtige, verachtelijke figuur van den huisdominee, en de heerlijk-gebeelde, kinderlijk-reine persoonlijkheid van pastoor Jansen; "allerhoogste" personages, zooals de groote Napoléon, op wien wij even in den schouwburg een vluchtig kijkje krijgen, de Paltsgravin, prinses Erica, enz.; in de derde plaats.... Maar nee, ik ga zóó niet verder, die zin werd veel te lang, te vermoeiend door zijn lengte, zelfs als jullie op al die "plaatsen" even waart gaan zitten, wat nog zoo gek niet zou zijn geweest, want, laat me je verzekeren, je hebt vandaar heerlijke inkijkjes en prachtige vergezichten....

Wat ik verder wou zeggen, kwam in 't kort hierop neer, dat het geheele werk één worsteling van het hooge met het gemeene, één Multatuliaansch-heftig-beukende, maatschappelijke meubelen, ruiten, hééle heilige huisjes stuk-rinkinkende pràchtige worsteling is.

Men zou, wellicht interesseert jullie deze mededeeling, ons boek kunnen indeelen bij: romantisch realisme.... Maar hoe! ik zei: "wellicht interesseert 't jullie" ... het moet je interesseeren, want het geldt hier niet, je 'n paar geleerde woorden naar 't hoofd te smijten, of je 'n kruieniersachtig suiker-rijst-boonen-indeelingsgewoontetje in te stampen, maar het gaat erom, je de begrippen, de zeer veel verheldering veroorzakende begrippen, waarvan die termen namen zijn, bij te brengen, èn om de te behandelen stof, de letterkunde dus, door verdeeling meer overzichtelijk en begrijpelijk te maken.

Wat ìs Romantiek?

Nou, om 't 'ns erg kort en populair te zeggen: een kunstbeelding van, zeer wel bestaanbare, uitzonderingsfiguren, levend in zelden voorkomende omstandigheden; daardoor heel vaak verschijnend als een "overdrijving" van de algemeene werkelijkheid, want die uitzonderingsfiguren maken, door hun levenswaarheid, op den gemiddelden lezer den indruk van vertegenwoordigers der algemeene werkelijkheid te zijn.[8]

De romantiek nu, in dit romantisch-realistische werk, uit zich niet slechts in het feit der beelding van sommige personen van het tweede plan—prinses Erica bijvoorbeeld—, ook niet alleen in het doen plaats hebben van gebeurtenissen, die, wanneer we ons het totaal-beeld voor oogen brengen, dat de werkelijkheid ons van den loop der dingen voorhoudt, een sterken bijsmaak van onwaarschijnlijkheid krijgen, maar die romantiek uit zich al dadelijk heel principieel in den opzet en op het hoofdplan van het werk: het beschrijven der zielsgeschiedenis van een geniaal mensch. En nu ga ik verder en zeg dit: omdat een geniaal mensch zelf "een stuk romantiek" is, door de Natuur, te midden van Háár dag-dagelijksch "realisme" neergezet, botst hij daarmee, verstoort hij er in zekeren zin de harmonie van (zeer zeker: om tot een hoogere harmonie te geraken, en: de botsing is een heilzame, maar dat verandert voor 't oogenblik aan 't onaangename van de zaak niets. Multatuli-zelf is hier een uitstekend voorbeeld van) en zóó, en daarom verstoort de afbeelding van een geniaal mensch in een werk als dit—voor driekwart een afbeelding der algemeene werkelijkheid—de harmonie van dat werk. We voelen een onaangenaam aandoende ongelijksoortigheid en zelfs tegenstrijdigheid der deelen. (Multatuli heeft dat, geloof ik, zelf gevoeld, vandaar dat het klaarblijkelijk zijn plan was, zijn Woutertje, langzamerhand, naar den kant der romantische prinses Erica uittedringen. Ik voor mij ben er zeker van, dat, had hij het werk voleindigd, dit, uit aan de Wouterfiguur ontsprongen noodzaak, al meer en meer verromantiseerd zou zijn geworden. En verder ben ik van oordeel, dat het dit bewustzijn, met wat er verder aan vast zit, bij Multatuli-zelf, is geweest, dat hem den lust benomen heeft verder aan zijn verhaal te werken, en niet "ergernis over de Van Vloten's" enz.—Stel je voor, omdat de kleine menschjes je aftakelen, heb je geen lust meer aan de levende schoonheid in je ziel, die je-zelf zoo heerlijk weet! Terwijl toch juist het natuurlijk beloop is, dat die schoonheid je over alles troost en heenhelpt! Neen, geloove wie 't kan, ìk kan 't niet. De zaak is mijns inziens, dat hij geen vreugde meer aan die schoonheid zelf hadom bovengenoemde redenen.)


Ik zeide u daar straks dat je van al die "plaatsen" zulke aardige inkijkjes en vergezichten zoudt kunnen hebben. Nu eerst een inkijkje. Zie toe: daar wriemelen, maken zich belachelijk, worden gegeeseld door hun eigen bespottelijkheid, de Pietersen, de Lapsen, de Stoffels en hoe al dat tuig verder heeten mag, vlak onder je neus.... Maar hé, wat is dat? Je wijkt terug ... je denkt, daar zal wel 'n luchtje aan zitten. En je hebt gelijk, je denkt er nog te licht over: er is geen luchtje, er is een stànk aan. Maar, o wonder! hier hebt ge van dien stank geen last; let maar op: wat ge voelt, dat is genòt, blìjdschap; je trekt geen vies gezicht, maar je schatert. Wat is de oorzaak van dat wonder? Ah, éven wachten. Zie eerst, lach eerst en allicht vindt ge dan zelf die oorzaak.
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —[9]

Ziezoo, klaar voor dezen keer. En nu maar aannemend, dat er wel enkelen uwer zullen zijn, die nog maar altijd niet weten, waarom zij niet gewalgd hebben bij het zien van al dat gedoe der Lapsen en Pietersen en integendeel hebben genoten, precies gelijk ik trouwens, die toch geen clown, gezwegen dan van een Laps of 'n Pieterse, kan of kon zien, zonder 'n weerzin en 'n schaamte te gevoelen over zulk een vernedering van het mensch-zijn,—dat nu maar aannemend, geef ik u daarvan de volgende verklaring: dat wat gij bewonderd, waarvan je genoten hebt, is de weergave, de afbeelding van het leven, niet dat leven-zelf. Het doet er niet toe wat afgebeeld wordt, maar steeds hoe het afgebeeld wordt. Nòg eens: lees mijn artikel in den catalogus.[10]

Zooals ik reeds zei: dit nu was een inkijkje, in het volgende hoofdstuk zet ik u op een plaats vanwaar ge een vergezicht hebt.—


OVER MULTATULI EN ZIJN GESCHIEDENIS VAN WOUTERTJE PIETERSE

III.

In het vorig hoofdstuk beloofde ik, u op een plaats te zetten, van waar ge een vergezicht hebben zoudt. Welnu, ik hoop, dat ge na lezing van dit stuk zult moeten erkennen, dat ik mijn belofte gehouden heb. Want, jongere en oudere vrienden, zult ge het geen vergezicht noemen als ik hier voor u laat oprijzen dat mooie verleden van uw kindsheid, nu al min of meer ver verwijderd? Dat verleden, welks wellicht slechts vage herinneringen u nog doen glimlachen, als ge kinderen spelen ziet....

O, natuurlijk, ge zult in het beeld, dat ik u zal toonen, niet uwe feitelijke jeugd herkennen, met háár voorvalletjes, gevoelens, begeerten en schuchtere droomerijen, want gesteld dat gij tot diegenen behoort, die zich op later leeftijd dit alles duidelijk en klaar kunnen te binnen brengen, wat den meesten onzer waarlijk niet gegeven is, dàn zéker zoudt ge spoedig door vergelijking tot de erkentenis komen, dat kinderen evenzeer van elkaar verschillen als volwassenen.

Toch, de jonkheid van ons allen heeft iets gemeen: door de jaren-gangen van ons later leven loopend, hooren we uit de verte blijde stemmen soms, zien we een plotse sprankeling van licht glànzen uit de feestzaal onzer jeugd, waarheen we nooit meer zullen keeren. 't Is dan of haar deur zich éven opende en snel weer sloot, uitlatend-en-afsnijdend klanken van feestgeroes, een helle straling van veel luchters. Maar duurde dat kort, één oogenblik, het duurde toch lang genoeg om ons als de geur, het innigste onzer jonge jaren nog eenmaal te doen kennen; hoe benaderen we dan opnieuw hun blijdschap en verdrieten. We staan even stil en mijmeren in ons-zelf. Een glimlach ontstrakt zachtkens ons gezicht.... Dan gaan we weer verder door de soms donkere gangen van ons later leven.... Het is ook die glimlach, waarvan ik u sprak, die ouderen hebben als ze kinderen spelen of stilletjes droomen zien. Dan ging die feestzaal, begrijpt ge, even open, het geluk der jonkheid heeft hun hart geraakt.... Maar rijker, maar voller wordt ons dat heerlijke geschonken, als een groot kunstenaar, zich verplaatsend in het kinderlijk denken en voelen, dit voor ons beeldt. Ja, dan is het waarlijk, of 't ons vergund werd te keeren op onze schreden, de wijde hal onzer jonge jaren nog eenmaal binnen te gaan, onze oogen vol te laten stralen van haar licht, de handjes der speelgenooten in de onze te houden en zelf weer de heilige kinderen te zijn, in wier nabijheid al het leven op zijn reinst en bevalligst en feestelijkst moet verschijnen. Ook dat nu heeft Multatuli voor ons gedaan. Het beeld, dat ik u wilde toonen, is een brok droomleven van zijn Woutertje. Toch—het schijnt mijn ietwat onaangenaam lot te zijn, nooit iets onverdeeld te kunnen prijzen!—moet ik u waarschuwen, dat dit schoone niet zoo volmaakt is geworden als we 't van 't genie van zijn schepper ongetwijfeld hadden mogen verwachten. De schrijver heeft zich namelijk weer eens niet genoegzaam kunnen bedwingen, zich niet, door zijn gebrek aan objectiviteit, kunnen onthouden, brokjes van zìjn wijsheid, zìjn wijsgeerig denken in het prachtig-gegeven droomleven van zijn Woutertje te mengen. Ik zal u, ouder gewoonte, zoowel op de heerlijke schoonheid als de fouten opmerkzaam maken. En ge moet u nu maar, eens voor al, voornemen niet boos op mij te zijn, omdat ik, door dit laatste te doen, zoo'n beetje uw genot bederf. Want het is juist mijn doel, u er aan te wennen, geen genot en zeker geen kunstgenot te willen, dan wat de keur van uw allerzuiverst gevoel en rede kan doorstaan. Ook de hoogste verrukking, die kunstgenot geeft, heeft niets gemeen met een roes en met een vertroebeling en verduistering der geestelijke, naar waarheid zoekende krachten in ons, maar zij maakt in wisselwerking die krachten integendeel sterker, edeler en meer doordringend.


Ziehier het bedoelde stuk:

Na Glorioso namelijk, (Glorioso is de naam van den roover-roman, dien Wouter "gehuurd" heeft voor het geld, dat hem het verkwanselen van zijn "Nieuwe Testament met Gezangen" opbracht, v.C.) en de onmogelijkheid om dat boek waardig te vervangen, (Multatuli geeft hier natuurlijk Woutertje's meening weer. Dat hij dit doet zonder er eenige schertsende of spottende aanmerking van zich-zelf aan te verbinden is voortreffelijk. Er ontstaat hierdoor, èn blijft ongerept, een zekere fijne humor. v.C.) was-i in de namiddagen die hij vrij had, onwillekeurig weergekeerd naar de plek waar-i kennis had gemaakt met de boekerige roman-wereld, en hoe grof ook de kleuren waren van 't eerste beeld uit die wereld dat zich aan hem voordeed, ja, misschien juist òm de grofheid van die kleuren, hij voelde zich daardoor zóó aangetrokken, dat-i zich-zelf geheel veranderd voorkwam, en niet meer begreep hoe hij ooit z'n genot had kunnen zoeken in die taartjes op den hoek.

Een vreemd verschiet had zich voor hem ontsloten. Hij droomde van dingen waaraan-i geen naam kon geven, maar die hem bitter ontevreden maakten met z'n werkelijken toestand. Hij wilde graag alles doen wat voorgeschreven is om in den hemel te komen, maar 't bidden zou zooveel beter gaan, meende hij, in 'n grot met kaarsen. En wat het eeren van zijn moeder betrof, waarop deze altijd zoo aandrong ... waarom had ze geen sleep, zooals die gravin? Hij had z'n bijbel niet moeten verkoopen ... dat is waar ... ook zou-i 't nooit weerdoen, dit had-i vast beloofd ... maar dan behoorde hij toch ook 'n kistje te hebben met dukaten, en 'n veer op z'n muts, zooals in 't boek stond. (Merkt ge hier al niet, hoe uitstekend de romantische neiging in den kindergeest, en vooral zooals zij moet bestaan in dien van het nobele Woutertje, is weergegeven? v.C.)

Ook verveelde hem zijn broer Stoffel, en zijn zusters, en juffrouw Laps, en huisdominee, en alles.


Dit verveeld worden door zijn familie en zijn omgeving ontstaat schijnbaar wel bij Woutertje naar aanleiding van iets zeer kinderlijks, maar de diepere en ware oorzaak is zijn veel hooger en edeler beaanlegd zijn dan zijne omgeving, waardoor hij daarin niet op zijn plaats is. Het is een dezelfde botsing—in kinderlijke verhoudingen—als waarvan ik in het vorig hoofdstuk sprak: tusschen het hoogere en lagere, het bijzondere en het alledaagsche.