Dit (dat Rousseau haar volkomen bleef vertrouwen en niet in het "complot" betrokken zag. v.C.) kon natuurlijk alleen zoo zijn doordat Thérèse niet inging tegen zijn waan, maar met hem meepraatte; de biografen maken haar daarvan een verwijt, zij beschuldigen haar van Rousseau in zijn valsche voorstellingen gestijfd te hebben. Maar hoe zou zijn leven geweest zijn, zoo zij onophoudelijk tegen die voorstellingen ware ingegaan?[58]
De verfraaiing van Thérèse en de ontzenuwing van de beweringen der biographen is hier mogelijk geworden door het niet-vermelden van de veel zwaardere beschuldigingen, die tegen haar zijn ingebracht. Zulke als deze:
... La maniere dont elle s'est conduite après sa mort suffiroit pour mettre la chose hors de doute, si déjà la preuve n'en étoit bien acquise par le témoignage unanime de tous ceux qui ont frequenté Rousseau à toutes les époques de sa vie. Or il est constant qu'à Motiers, à Wootton et partout où elle a suivi son maître, jusqu'à ses derniers moments, elle a fait naître et entretenu en lui l'ombrage et la méfiance prompte à lui rendre suspects tous ceux qui l'approchoient et qui parvenoient à lui plaire, pour posséder seule sa confiance et le dominer avec plus d'empire. Si cette femme, s'ennuyant à Motiers, ne négligea rien pour en rendre le séjour insupportable à Rousseau, que ne dut elle pas faire dans la solitude de Wootton où elle devoit n'avoir rien plus à coeur que de le mettre dans la nécessité d'en sortir! Or tout assure que, pour donner plus d'appui à ses suggestions calomnieuses et perfides, elle brisoit les cachets des lettres adressées à son maître, qui, dupe de cette manoeuvre, en tiroit mille inductions, mille consequences plus étranges les unes que les autres, mais dont il n'y a plus dès lors droit de s'étonner.[59]
"Hume, Mercier, d'Escherny, Dusaulx, tous ceux qui ont écrit sur Rousseau, sont d'accord sur ce point," zegt dezelfde schrijver.—Hier blijken dus doodgewone misdaden, uit eigenbelang bedreven. Dat is niet meer: het niet-bestrijden van den waan, om van den waanzinnige het eenige schepsel niet te vervreemden, dat hij nog vertrouwt; dat is: het perfide hevig-versterken van den waan, om maar niet langer op die vervelende landgoederen en kasteelen te moeten leven. Dat Thérèse daar telkens vandaan wilde, erkent ook Mevr. Holst:
Het is vermakelijk om te lezen hoe de meeste biografen er Thérèse een ontzettende grief van maken, dat zij het wonen op die eenzame kasteelen—eerst in Engeland, later in Frankrijk—met een zenuwzieken man en een bediendenstoet om zich heen waartegen zij zich niet opgewassen voelde—alleronaangenaamst vond en hunkerde om er vandaan te komen. Zij was toch ook een mensch, zou ik meenen, met eigen neigingen en gewoonten! Dit leven ging tegen alles in haar in.[60]
Zeker, dit alles zij grif toegegeven. Maar lang niet vermakelijk te lezen is, door welke middelen zij dat doel poogde te bereiken. Daarop komt het aan ter doorgronding van Thérèse's persoonlijkheid!
"Dat zij kort voor het eind van zijn leven, als oude vrouw al, een gril zou gehad hebben voor een stalknecht moge min smakelijk zijn...."[61] Neen maar, zou ik tot Mevr.
Holst weer willen zeggen. Wat gaat ons nu de al of niet-smakelijkheid daarvan aan! We zijn toch geen aan ethiek verslaafde en moraliseerende preekers en rechters! Wij willen een mensch leeren kennen, dat is ons eenig verlangen. En bovendien—dat vertelt Mevr. Holst er weer niet bij: Zij heeft niet alleen kort voor het eind van Rousseau's leven een gril voor dien Ierschen stalknecht van den Markies de Girardin gehad, maar zij heeft nog een geruimen tijd na Rousseau's dood met hem geleefd en een zeer aanzienlijk bedrag met hem er doorgejaagd!
Wat is er nu in deze vrouw, "die nederige goede vriendin," "dat eenvoudige plebejerskind," dat "liefhebbende hart," omgegaan, dat zij zich zoo kon vergooien onmiddellijk na den dood van den man dien zij had "liefgehad," dien zij "verzorgd" had, enz. enz.? Dat wenschen wij te weten, dat opgehelderd te zien, daarvoor luisteren wij gaarne naar een scheppend psycholoog! Dat het niet "smakelijk" was—nu ja, dat weten we waarachtig allemaal wel! Heeft mevr. Holst niet gevoeld, dat hier de tragedie van een geheel leven te doorvoelen viel? Neen, klaarblijkelijk heeft zij er niets van gevoeld; de scheppend-psychologische biograaf zweeg hier in haar; de proletarisch-voelende socialiste, die het kind uit het volk had te verdedigen en dat niet op de juiste wijze kon doen, omdat Rousseau zelf er dan bekaaid af zou komen, èn daarmee de historisch-materialistisch-opgebouwde synthese tusschen zijn hoogere en lagere persoonlijkheid in den hoek zou liggen, beheerschte hier de scheppende kunstenares en achtte alles genoegzaam verklaard door die mantel-der-liefde-achtige woordjes!
Zelfs reeds het ontstaan hunner verhouding wordt dan ook reeds—wat Rousseau betreft—door onze schrijfster verfraaid voorgesteld:
Geen lust was het die hem dreef, en ook geen hartstocht, maar voornamelijk behoefte aan innigheid.[62]
Dat is nu precies, inplaats van de waarheid in de armen te loopen, haar rakelings voorbijschuiven. Immers, Rousseau-zelf zegt:
Je n'avois cherché d'abord qu'à me donner un amusement. Je vis que j'avois plus fait et que je m'étois donné une compagne. Un peu d'habitude avec cette excellente fille, un peu de réflexion sur ma situation, me firent sentir qu'en ne songeant qu'à mes plaisirs, j'avois beaucoup fait pour mon bonheur.[63]
Gij voelt nu wel al lezer, dat beteekenisvolle verschil in nuance tusschen Mevr. Holst's en zijn woorden: neen, zeker, geen lust was 't die hem dreef, maar evenmin eenige hoogere geestelijke behoefte aan innigheid. Dat hij ook die bij haar bevredigen kon, ontdekte hij immers pas later! Wat hem dreef was doodeenvoudig de prozaïsche, primair-natuurlijke behoefte aan sexueelen omgang. Nog al bang in dit opzicht uitgevallen—men herinnert zich uit de Confessions zijn angst na zijn visite met Vitali bij de Padoana?—was hij heel blij—och ja, het is heel-laag-bij-den-grond, plat zoo ge wilt, maar het is zoo—dat hij háár gevonden had! Jubelkreten slaakt hij als hem blijkt, dat Thérèse's aanvankelijke aarzeling zich hem te geven, niet voortkomt uit dat door hem zoo gevreesde!
En dan: weet Mevr. Holst wel, dat als zij aan Rousseau's vrienden verwijt, dat hun "klassegevoel en intellectueele hoogmoed" niets dan "een onbeschaafde waschvrouw" etc. in Thérèse zagen, zij met dat verwijt aan het verkeerde adres is? Helaas, het kon alweer niet tot haar doordringen, dat zij hiermede bij Rousseau-zelf moest zijn.
Autrefois j'avois fait un dictionnaire de ses phrases pour amuser Madame de Luxembourg, et ses quiproquo sont devenus célèbres dans les sociétés où j'ai vécu.[64]
Arme Jean-Jacques! Zelf vertelt hij, dat hij altijd, bij de conversatie in de kringen zijner geleerde en adellijke vrienden met den mond vol tanden zat. Hij voelde dan ten leste eigen zwijgen zoo pijnlijk worden, dat hij er maar wat uitflapte, om maar iets te zeggen, wat dan achteraf een "balourdise" bleek. Máár, heer-in-den-hemel! daar valt hem Thérèse met al haar onbewuste grappighedens in. Welk een mijn, welk een onuitputtelijke rijkdom aan stof. Nu niet langer op je stoel zitten draaien in 'n benauwing van verlegenheid, nu geen stommiteiten meer vertellen, om maar wàt te zeggen, nu ook eens geestig zijn, ook eens de vrienden laten lachen—ten koste van de vrouw, "wier engelhartig hart hij roemt." O, Mevrouw, het is te begrijpen: zeker, alles is te begrijpen. Maar welk een gebrek aan fijngevoeligheid—der lagere persoonlijkheid!—welk een grove ijdeltuiterij. Welk een gebrek aan eerbied ook voor—zich zelf! Tenzij hij wist—let wel!—dat die vrienden ook wel begrepen, dat zij voor hem een vrouw slechts in den lageren zin was, maar wat blijft er dan van de "innigheid" en al dat fraais over? En wanneer Rousseau-zelf aldus Thérèse tot een "onbeschaafde waschvrouw" stempelt, kan men dan wel anderen kwalijk nemen, dat zij niets anders dan zulk een waschvrouw in haar zagen? Gaan wij er nu toe over, zelf Thérèse te beschouwen en toonen wij aan, dat op àndere gronden dan die van Mevr. Holst—gronden, die echter voor le-meilleur-des-hommes-Rousseau geen standplaats bieden!—haar verdediging met vrucht te voeren valt.
Thérèse dan blijkt klaar een onbedorven, goed en gewetensvol meisje te zijn geweest, met iets zelfs van uitzonderlijke en aangeboren reinheid in zich, want men moet niet vergeten, dat van wat wij, in een anderen tijd levend, als iets min of meer van-zelf-sprekends beschouwen, juist het tegendeel als het van-zelf-sprekende zou ik bijna zeggen, in het Parijs harer dagen werd beschouwd. Haar aarzeling, zich hem te geven, sproot uit iets anders dan het door hem gevreesde voort. Laat Rousseau-zelf u verhalen wat het was, en merk dan tevens uit zijn verwondering, hoe uitzonderlijk in dien tijd haar scrupules waren.
Enfin nous nous expliquâmes: elle me fit en pleurant l'aveu d'une faute unique au sortir de l'enfance, fruit de son ignorance et de l'adresse d'un séducteur. Sitôt que je la compris, je fis un cri de joie: Pucelage! m'écriai je: c'est bien à Paris, c'est bien à vingt ans qu'on en cherche![65]
Bovendien blijkt die kuische aard uit hare houding, als dienstmeisje in het hotel, onder de schunnige moppen der abbés, tegen wie Rousseau haar in bescherming neemt. Zóó was Thérèse Le Vasseur, rein te midden van een al groeiende zedenverdorvenheid, toen zij zich Rousseau gaf. Laat ons nu zien: Zij, het gevoelige dienstmeisje, met die sentimenten in zich, wèlke moet zij wel in den geliefde-zelf, dien zij zoo ver boven zich stelde, aanwezig hebben gemeend?! Zij, de bijna-analphabete—die niet wist, dat talent of genie soms niets met noblesse hebben te maken—welk een wereld van àl-soortige verhevenheid moet zij niet in Rousseau geloofd hebben te bestaan, in dien man, die haar nog bovendien tegen de gemeenheden der anderen verdedigd had! Als haar nu langzamerhand het tegendeel blijkt, is het dan niet onafwendbaar, dat zij niet alleen het geloof in hem, maar op de wijze aller onontwikkelden, die het bijzondere zoo gaarne veralgemeenen, ook het geloof in de waarde van deugd-zelf verliest? En dat zij dóórsláát, dóórhólt naar den anderen kant?
Onderzoeken wij dus nu door wèlke feiten haar dat tegendeel kan zijn gebleken—voor zoover dan die feiten te onzer beschikking staan: er zijn natuurlijk nog tallooze kleinigheden, voor ons verloren, die ertoe hebben medegewerkt haar de waarheid duidelijk te maken.
Daar is dan ten eerste het geval met "la papesse Jeanne," de maîtresse van Kluppfel. "Une faute," zegt Petitain, "qu'elle l'a généreusement pardonnée." Jawel, vergéven, maar kon ze 't ook vergéten? Liet het geen wrange nasmaak van beleedigde vrouwelijkheid in haar gemoed? Deed het bovendien niet de gedachte bij haar ontkiemen, dat de berisper van destijds al niet beter dan de berispten was, en dat zij met haar scrupules eigenlijk een onnoozel halsje, een onwetend mallootje was geweest?
Maar dàn... en hoe zinkt alles, wat zij hem, wat hij haar aan kwaads moge gedaan hebben in het niet bij die vreeselijke daad vijf maal betaald: het haar ontnemen van haar kinderen tegen haar zin.
Je m'y déterminai gaillardement sans le moindre scrupule; et le seul que j'eus à vaincre fut celui de Thérèse, à qui j'eus toutes les peines du monde de faire adopter cet unique moyen de sauver son honneur. (Sic!) L'année suivante, même inconvénient et même expédient, au chiffre près qui fut négligé. Pas plus de réflexion de ma part, pas plus d'approbation de celle de la mère: elle obéit en gémissant.[66]
Peilt nu, gij allen, die ooit een kind zaagt geboren worden en die ontzettende vertwijfelende worsteling met de smart hebt gezien; die dan bij de eerste geluidjes van het kleine schepsel, op het pijn-verwrongen gezicht der moeder, die plotselinge ontslaking, een glimlach als een licht zaagt schijnen; gij die dan de àlle-smàrt-vergételheid, de als overmoedige en jeugd-dronken vreugde, den zaligen trots zaagt stralen, tot die weer ebde, heel zacht, ter zoete zelf-inkeer, het zich-zelf tot rustig-zijn dwingen, om zóó groot heil niet te verbeuren; gij, die ooit beluisterd hebt die eerste moeder-woordjes, als kleine bloemen ontrankend de màchtig-sterke, de van zelfbedwang èn popelend verlangen bévend-vàste liefde; ontbloeiend de diepste diepten van de ziel en het hart, als òpen, rèikende kelken, naar het kindje toe—peilt gij, wétenden, de ontzettende en nooit te heelen wonde, het afgrondige leed van de moeder, die na zóó kort dien hemel te hebben genoten, met den vloek der kinderloosheid, menschelijk-moedwillig wordt belast; peilt gij den haat, den wrok, het gevoel van verlatenheid, de wanhoop aan alle deugd, de verstarring tot egoïsme, die in die vrouw zullen gaan leven, leven hun bestaan van monsters, waar engelen hadden kunnen zijn.... En hèbt ge dit alles doorvoeld.... Och... ja.... Zàl ik u dan nog wel vragen of Thérèse Le Vasseur aan haar misdrijven, welke ze ook mogen geweest zijn, in waarheid schuldig staat, dan wel de man, die haar dàt aandeed?... Maar gij wendt u af, ge ziet naar uw eigen kinderen, uw blikken gaan zegenend naar hen uit... en ik versta u: zonder mijn vraag te wachten en zonder te antwoorden, hèbt ge haar beantwoord....
Want ook dit weten wij, nietwaar: één deugd voor alle moet door ons geleerd worden, het is zij, die alle bevat. Die haar in volkomenheid zou bezitten—maar geen mènsch kan dat—kan intreden tot alles wat waardevol is; de sleutel tot het hooger denkvoelen, de ingang tot de waarheid en het onschokbare geluk is zij: het altruïsme, in haar hoogsten vorm, voor ons onbereikbaar: de volkomen ik-vergetelheid. Maar de Natuur, de Al wijze, die geen haast kent, die van graad tot graad en van trede tot trede de wezens laat opwaarts klimmen, heeft drie groote Liefden in hun zielen opgericht, drie onderrichters van het altruïsme, die achtereenvolgens in hun bewustzijn verschijnen, met het wonder hunner gestalte en van hun stem. De eerste is nog geen straffe Leerares. Zij onderricht het altruïsme spelenderwijze. Hoe zou zij ook anders: even, slechts éven na het eerst ontwaken van het bewustzijn, verschijnt ook zij, een engeltje even klein en speelgenoot van het kindje, groeit zij daarmee op. Zij is de kinderliefde, de egoïstische, die veel vraagt en weinig schenken kan. Maar al opgroeiend komen er toch tijden, dat het kind zelfs zijn hartebloed voor zijn ouders zou willen geven.... En zie nu, zie: dat kleine speelgenootje heeft dan toch niet slechts met het kindje gespééld, het heeft, met hem opgroeiend en slechts weinige zijner egoïstische en levenshongerige nukken weerstrevend, klaarblijkelijk óók hem onderricht—in altruïsme.—Dan komt er een tijd.... Zij verlaat haar speelgenoot niet, maar treedt achteruit: de tweede groote Liefde verschijnt, een strenger Leerares: de liefde tusschen man en vrouw; veel egoïsme weerstreeft zij, veel opofferingen vraagt zij, veel ontzegging van de genoegens en verlangens van het ik; maar veel egoïsme duldt zij nog—de Alwijze gebood haar, niet tè streng in het onderricht te zijn. Ook is haar sfeer zuiver noch doorzichtig, vooral niet in den man. De driftige zinnen dringen om haar heen, hun hoog opgeheven flambouwen werpen smokerige en roode gloeden, trekken misvormende schijnsels over haar Venusgelaat. Ja, soms zijn haar de zinnen voortrennende paarden: dàn leidster en meegevoerde, stralend in de overwinningen, de slapen omkranst, vaart zij, een grond-opwervelende storm, een lichtende davering voorbij.—Maar ten leste verschijnt der Drie hoogst tronende: uittreding van de Ziel der wereld op dier gelaat is zij, éénig beeld van de oneindigheid, want ook de grenzen van haar wezen zijn nimmer gevonden; ouders kennen haar zeeën van gevoel, doch hun diepte of breedte zijn niet te kennen; ouders zien haar hemel, hun kinderen zijn de gesternten daaraan, maar zijn hoogte is niet te weten.... Egoïsme wordt in haar niet gekend, het is een onverstaanbaar woord uit andere tijden, uit andere landen. Zij leeraart niet, zij is het altruïsme, zij is ook niet straf, niet streng, zij kàn het niet zijn: de opofferingen, die zij verlangt, worden niet als opofferingen gevoeld; de afstand, dien zij eischt van zooveel begeerten van het ik, worden een rìjker-worden bevonden! Voor het eerst dan van zijn leven wellicht, voelt een mensch het altruïsme nìet een bedwinging zijner begeerten, voor het eerst niet als een moeilijk te verkrijgen en lastig te volgen deugd, voor het eerst niet als een sfeer, waarin hij slechts bezwaarlijk leven kan. Integendeel: zijn begeerten zijn altruïstisch, zònder die deugd kan hij nu niet leven en in háár sfeer beweegt hij zich nu opperst gelukkig, natuurlijk en vrij als in den staat, die zijn meest ongerepte natuurlijkheid het best past. Gelukkig de man en de vrouw, die dit hebben gekend, voor zij sterven, zij hebben niet tevergeefs geleefd. Rijker aan eigen waarde keeren zij terug van waar zij werden gezonden. Want kinderen leeren den ouders oneindig meer, dan ouders den kinderen. Jonkheid ontlokt Ouderdom zijn schoonste gevoelens. Zij u de zon het stralend symbool daarvan, wier glanzende jeugd der oude en verkillende aarde alle de schoone gestalten der bloemen, dieren en menschen ontlokt....—
Langs den weg van ons gevoel zijn wij van ons uitgangspunt heengetrokken. En deze, die geen dwaalweg was, heeft ons, naar onzen wensch, daarheen teruggebracht. Zeg mij nu: van deze groote leering-in-altruïsme, van het onderricht in die deugd, welke alle deugden omsluit, van dit opperst geluk, deze blijde natuur werd Thérèse Le Vasseur menschelijk-moedwillig beroofd. Heeft men nu nog van noode, ten einde haar verdediging te voeren, hare ondeugden te bedekken, of is er eenige reden voor ons deze waarheden te verzwijgen, om de blaam, waarmede zij den man treffen, die haar dat aandeed?...
Ik zie haar gaan door de dagen, alléén in haar onwetendheid, alléén met haar wrok, alléén met het schrijnende bewustzijn van haar gemis, naast den man, dien zij daarvan de oorzaak weet en die, verzonken, dàn in de droomen van zijn genie of van zijn eerzucht, dàn in die zijner liefde of zijner angst, vaak zelfs haar bestaan niet schijnt op te merken. Alléén weet zij zich, een eenzame huissloof, al het nederige werk doende; achter haar rug uitgelachen—hoe zal haar dit hebben gestoken!—door haar man, die grapjes op haar onwetendheid maakt, bij wiens voorname vrienden zij zelden komt, aan wiens tafel zij zelfs niet zit, wanneer hij een dier vrienden te gast heeft; in haar gezicht uitgelachen door de bedienden van Rousseau's gastheeren, die in haar een dienstmeid zagen en niets meer. Hoe vaak zal zij aan haar kinderen hebben gedacht, die haar steun hadden kunnen zijn, vleesch van haar vleesch, bloed van haar bloed; met wie zij had kunnen praten, die haar hadden begrepen en met haar zouden hebben meegeleefd in haar kleinheid en onwetendheid, wellicht; die, zéker, haar een vertroosting zouden zijn geweest voor veel. Hoe moet zij soms dien man hebben gehaat, toch zorgvuldig met haar boersche sluwheid, haar onovertrefbare slimheid van niet veel meer dan analphabete, wier verstandskracht door niets anders wordt verbruikt, haar voelen verbergend—en tòch daarin niet slagend bij Rousseau's vrienden! die zagen juist, Mevr. Holst!—in de eerste jaren daartoe gedwongen door, en onder leiding van haar megera van 'n moeder, in wier karakter schraapzucht, valschheid en lust tot intrigeeren al het andere overheerschten; in de latere jaren, met veel behendigheid, uit eigen inzicht en zònder hulp alles doende, goed of slecht, wat verhinderen kon, dat Rousseau aan haar invloed ontsnapt; alles doende wat hem sterker aan haar binden kan. Waarom? Zie haar op het eind van haar leven, aan de deur van de Comédie Française de hand ophouden voor een aalmoes, en ge weet het! Eénmaal gedurende de lange jaren van haar leven met hem, schijnt haar beleedigde vrouwelijkheid haar te sterk te zijn geworden. Rousseau spreekt namelijk van een "refroidissement dans Thérèse" en wijt deze aan de abstinentie waartoe hij zich verplicht voelde, zoowel met het oog op zijn wankelende gezondheid, als om niet in een herhaling van zijn vijfvoudig herhaald misdrijf te moeten vervallen. Dat was echter hoogstwaarschijnlijk de ware oorzaak niet. Die moet gezocht worden in zijn verhouding tot Mad. d'Houdetot: onder Thérèse's oogen hadden de maneschijn-wandelingen plaats gevonden, onder haar oogen was de geheele geschiedenis afgespeeld. Welke vrouw zou zich hier niet beleedigd hebben gevoeld, ten eerste, door het feit-zelf, maar dan, en wellicht vooral, door de minachting jegens haar, die uit de omstandigheid sprak, dat haar man niet de minste moeite deed, iets ervan voor haar te verbergen[67]. Zoo heeft zij, in hardnekkig zelfbedwang, zich vast aan hem gehecht, hem nimmer loslatend, hem overal volgend, hem met haar invloed omwikkelend als met een web, gehaat daarom en in haar drijfveeren door allen doorzien, die haar dan ook "une cerbère odieuse" noemden, door Rousseau alleen niet doorzien. Zij heeft met hem de jaren doorgebracht, wrokkend zonder twijfel, hatend zonder twijfel, toch soms ook weer, dunkt mij, neigend naar een zachte verteedering en liefde voor hem, bij het zien zijner ongelukken en hulpeloosheid. Maar dan kwam altijd weer die stekende gedachte aan haar verloren kinderen, die haar kracht moet hebben gegeven te doen wat zij deed; die, dra na het ontluiken weer, al de zachtere gevoelens deed verwelken; die haar moet hebben ingefluisterd, dat zij het recht had, tegenover hem, die haar den natuurlijken steun van haar ouden dag had ontroofd, door èlk middel en trots alles te zorgen, dat het levensonderhoud, dat haar van hem, bij zijn leven en na zijn dood, kon geworden, haar niet ontging. Zoo hebben in dit hart—ik herhaal het: àl zijn vrienden hebben het gezien!—monsters gewoond, omdat—'t geen zijn vrienden en ook Mevr. Holst nièt hebben gezien—Rousseau de engelen had verdreven. Zoo heeft zij stil gewacht.... Dan sterft hij... de dwang is uit, al haar weggedrongen instinkten sprìngen nu op.... Nu, op haar ouden dag gaat zij zich uitleven.... Na het leven met dien man, dien zij niet meer liefhad; na het leven met hem, dien zij de wereld een Groote hoort noemen, maar die tegenover haar met dat al zijn simpelste plichten met voeten getreden had, wil zij nu een van haar soort, die dan wel niet die verhevenheid heeft, waarvan zij toch niets begrijpt, maar die haar, in zijn gewone menschelijkheid, wel niet zoo behandelen zal als hij heeft gedaan. De schuchterheid, de kuischheid, die ze in haar jeugd, gelijk we zagen, bezat, het geloof in de deugd, och kom, dat is nu alles gekheid voor haar geworden.... Ze heeft veel gezien en veel ondervonden.... Niet voor niets heeft zij de handelingen van Rousseau jegens haar gezien, niet voor niets de groote wereld jaren lang bespied.... Ingetogenheid is goed voor zulke domme mallootjes uit het volk, als zij in haar jeugd er een was!... Genieten moet je, genieten, zooals allen om je heen! En met haar stalknecht jaagt ze er dan in een paar jaar een burgermanskapitaal doorheen, als vroolijke erfgenamen, die, in juichende brooddronkenheid, het geld van een gehaten of hun onverschillig geweest zijnden erflater verkwisten.... Neen, die Thérèse Le Vasseur's leven kent, doorvoelt, behoeft te harer verdediging haar figuur niet te verfraaien. Hare slechtheden waren geboet vóór zij ze beging, door de oorzaak, waaruit ze ontstonden. Arme vrouw, misleid door onwetendheid en door haar mishandelde instincten; moeder, die hare kinderen niet heeft gekend, en zij had ze zoo gaarne gekoesterd; die nu, op hare beurt, hun steun missen moet: op tachtigjarigen leeftijd bedelt zij op straat haar dagelijksch brood!...
Met het leven van twee vrouwen is dat van den mensch Rousseau langdurig vervlochten geweest. Het onderzoek van zijn gedrag zoowel jegens de eene als de andere, wijst op oneindig meer leelijks dan schoons in zijn karakter. Zijn uit alles blijkend neerzien op Thérèse verhinderde hem te begrijpen, wat hij háár had aangedaan. Wat Madame de Warens aangaat, jegens haar noemde hij zich-zelf "ingrat," al heeft hij ook daar allerlei schoonschijnende redenen bij de hand, om die zelfveroordeeling haar scherpte te ontnemen. Behaagden hem dan ook in Thérèse slechts de frisch-open zinnelijkheid, de gezonde kracht en de eenvoudige huiselijkheid van het volkskind, aan Madame de Warens verbonden hem een diep-gewortelde psychische overeenkomst èn een diep-geworteld —verschil. De overeenkomst bestond daarin, dat zij beiden uiterst impulsive menschen waren, wezens van gevoel vóóral. Het verschil: bij Rousseau ging dat gevoel denken vooraf. Het moeizaam-schrijdend volk zijner denkbegrippen trok nimmer op, vóór hen de lichtende wolk van een droom den weg wees. Beter is het wellicht te zeggen, dat Rousseau's denken zùlk een arbeider geleek, die immer ter verkwikking zijn weg neemt langs een dichtbegroeid land, wanneer hij zich in den vroegen ochtend naar de strenge en harde fabriek begeeft, om daar den loop der onverbiddelijk in elkaar grijpende raderen te bewaken, en die in het vrije middaguur wéér ter verpoozing naar dat land gaat en zich vlijt in het hooge gras.... Want naar zijn eigen getuigenis werd zijn denken ook telkens onderbroken door divageerend gedroom.... Bij Madame de Warens echter ging het gevoel handelen vooraf; elke droom, elke fantasie veroorzaakte bij haar een hàndelen, dat, gelijk het denken bij hem, telkens door opnieuw-fantaseeren werd onderbroken. De psychologische verklaring van: de rust, de volkomen tevredenheid, de afwezigheid van al ongedurigs en gejaagds, die Rousseau in tegenwoordigheid van Mad. de Warens gevoelde, ligt dan ook mijns inziens nergens anders dan in die overeenkomst en dat verschil: wat hèm ontbrak, waarom hij vaak zich-zelf minachtte en welk gemis hij, wellicht onbewust, weet aan het predomineeren van zijn gevòel: het snel-doortasten, de moed tot de daad, dat zag hij bij haar juist uit het gevoel ontkiemen! Zoo, tegelijkertijd, verzoende het hem met den grondslag van zijn wezen èn voelde hij dit, in de tweeëenheid van hun beider bestaan, bevredigend en berustigend aangevuld.—
En wat nu zijn korte, maar voor de vrijmaking van zijn genie hoogst beteekenisvolle, verhouding tot Madame d'Houdetot betreft, dèze heeft Mevr. Holst, gelijk ik reeds vroeger zei, prachtig doorvoeld. Die verhouding bleef dan ook beiderzijds rein en edel, zoodat de uit Mevr. Holst's historisch-materialistische aesthetiek voorspruitende verfraaiïngstendenzen hier tot het vertroebelen harer visie geen aanleiding hadden.—
[34] Mevr. Holst, J.J. Rousseau. Blz. 158, 159, 160.—Cursiveering van mij.
[35] Les Confessions, blz. 1. Cursiveering van Rousseau.
[36] H. Roland Holst, J.J. Rousseau, blz. 33. Cursiveering, ook in de beide voorafgaande citaten van mij.
[37] Hier kunt ge nu, lezer, mocht ge er lust toe gevoelen, als arbiter tusschen mijn literairen criticus en mij optreden! Hij meende, dat Mevr. Holst de klaarblijkelijk juiste subjectieve waarheid wel bezeten heeft, maar dat haar tendentieuse lagere persoonlijkheid die verminkt heeft tot 't dan onechte, dat wij nu kennen. Ik neem liever aan, dat zij niet in haar was. Veel doet 't er niet toe, wie gelijk heeft, want in beide gevallen, zooals wij zullen zien, valt op den invloed der historisch-materialistische aesthetiek de schuld.
[38]...maar die idealen waren innerlijk onwaar en voos, want de overwinning der burgerlijke klassen bracht niet vrijheid en gelijkheid, niet vrede en recht, zooals zij geloofden, maar meer ellende, dan de aarde ooit gekend had; riep niet in den mensch de aandriften van broederlijkheid wakker, maar van hebzucht en heerschzucht en nijd." Blz. 159.
[39] H. Roland Holst, J.J. Rousseau, blz. 23.
[40] Zie noot vorige pagina. ([39])
[41] Confessions. Cursiveering van mij.
[42] zie noot 2 vorige pagina. ([41])
[43] ibid.
[44] Zie Seconde lettre à M. de Malesherbes.
[45] H. Roland Holst, J.J. Rousseau, blz. 23.
[46] Confessions.
[47] Hoe Rousseau inderdaad aan deze mogelijkheid gedacht heeft, moge de volgende uitlating bewijzen: De tout ce que j'ai dit jusqu'à présent, il en est resté quelque trace dans tous les lieux où j'ai vécu....—Einde Livre IV, Confessions. De voorvallen, waarvan hier sprake was en zijn zal, behooren dus alle tot die, die "een spoor hebben achtergelaten."—
[48] H. Roland Holst, J.J. Rousseau. Blz. 36.
[49] Confessions.—Cursiveering van mij.
[50] Er is nog een andere en zeer beteekenisvolle zijde aan de zaak, welke echter pas belicht kan worden bij de behandeling der Le Vasseur-figuur.
[51] Confessions.
[52] Confessions. Cursiveering van mij.—
[53] Ik geloof, dat dit over 't algemeen het "wilde" leven van vele groote artisten verklaart. Men zie overigens mijn 3den "Brief over Literatuur."
[54] Dans ces temps-la même où Rousseau entretenoit l'Europe de ses souffrances, je ne l'ai jamais vu incommodé; il cheminoit, gambadoit, atteignoit avant les autres le sommet des montagnes, et mangeoit de fort bon appetit" (d'Escherny, geciteerd bij Petitain.)
[55] d'Escherny.
[56] Schetsen en Critische opstellen, blz. 149—150.
[57] H. Roland Holst, J.J. Rousseau, blz. 87: "Het wordt tijd dat eindelijk eens andere oogen over u heenbuigen, oogen minder bevooroordeeld door klassegevoel," enz. enz.
[58] H. Roland Holst. J.J. Rousseau, blz. 82.
[59] G. Petitain, Appendix aux Confessions.
[60] H. Roland Holst. J.J. Rousseau, blz. 252.—
[61] Ibid., blz. 83.—
[62] H. Roland Holst, J.J. Rousseau, blz. 83.
[63] Confessions. Cursiveering van mij.—
[64] Confessions. Cursiveering van mij.—
[65] Confessions.—
[66] Confessions.—
[67] Men zie eens wat Petitain, in een noot bij de Confessions, van de d'Houdetot-geschiedenis met betrekking tot Thérèse zegt. En deze schrijver is waarlijk geen vriend van Thérèse.—
Conclusiën.
Enige overwegingen, verband houdend met den meer practischen kant van het leven onzer tijden, mogen dit opstel besluiten; overwegingen, die eensdeels de literaire onderrichter van het intelligent en talrijk in den Diamantbewerkersbond georganiseerd proletariaat, anderdeels de letterkundige criticus, het óók op ervaring steunend recht meent te hebben, hier zonder omwegen te uiten: Indien de marxistische aesthetiek verderfelijk is voor de kennis van de waarheid, zoowel betreffende den aard van het Scheppend Vermogen der kunstenaars als van hun werken, hòe verderfelijk zal zij dan wel niet zijn voor de opvoeding tot kunstgenieten van breede volkslagen, wier uitteraard blinde en strompelende oordeelskracht, het den bodem besnuffelende hondje dezer kunstleer cadeau krijgt, om haar te leiden!
Dàt is wel het meest beteekenende aller dingen, die met dit geheele vraagstuk in verband staan. Dàt is wel de voornaamste vraag, die zich aan elken onderzoeker dier aesthetiek zal voordoen, de voornaamste ook die ik zag, maar niettemin het laatst te berde bracht, omdat ik wilde, dat mijn voorafgaand betoog, mij in de oogen van, ik twijfel er niet aan, ieder aandachtigen en onbevooroordeelden lezer het recht zou geven, de vraag of deze aesthetiek verderfelijk is als beantwoord te beschouwen en slechts de mate, waarin zij het is, nog voor discussie vatbaar te achten. Die mate!... Ik denk hier aan Francesca di Rimini in den Inferno. De wervelstorm, die haar meevoert en omvangt, laat haar met den geliefde even vrij, als Dante nadert; zij spreken tot elkander, het is een zoet oogenblik van troost voor haar, één oogenblik van rust.... Ik denk daar nù aan, omdat het de historisch-materialistische aesthetici zijn, die de Kunst verhinderen het omstormde proletariaat te naderen als een verademing-brengende troost. Ik denk daar nù aan, omdat zij het volk niet de kunst doen zien, als een machtig wezen, in zijn diepste essentie staande buiten de bewogenheid der tijden en hun wisseling, dat voor elken geluk en rust en verademing behoevenden mensch zijn armen open spreidt, maar omdat zij, in dwaling bevangen, haar het volk doen zien, als zèlf een macht van den storm, die hen omslingerend jaagt. En zóó doende—en dat is het jammerlijkste—laten zij het proletariaat het veredelende van den strijd alleen, het schokkend genot van de overwinning, het opvoedend leed van de nederlaag, maar ontnemen het de veredeling door de rust, de sereene en klare, die diepe bevrediging, welke zuiver kunstgenot schenkt.—Het was dan ook geen kunstmaniak, geen verslaafde l'art-pour-l'art-lettré, die hier sprak; niet iemand, die buiten het leven staat, of wien de nooden en behoeften van het proletariaat vreemd zouden zijn, maar juist iemand, die door leven, werkkring en denken hen zeker even diep en innig kent als de door hem bestredenen; maar juist iemand, die vooral ter wille van het proletariaat, de kunst wil doen zijn, 't geen zij van nature is, in dezen tijd, gelijk in alle tijden.
Zoude dan voor mij: "de kunst de zin van het leven zijn," "de wereld een ding om afgebeeld te worden"?! Neen, neen, zóó is het niet. Maar elke mensch, die niet geheel van algemeen inzicht is ontbloot, het leven en zijn broeders liefheeft en hen dienen wil, bepaalt zich er toe hen te dienen op die wijze als met zijn aanleg het natuurlijkst strookt. Dan dient hij hen ook 't best. De kunstenaar dus: door zonder bewuste bijoogmerken kunst te maken, en, indien hij tevens criticus is, door kunstwerken in hun essentie te doen begrijpen, niets meer. Het wijze exclusivisme van het l'art pour l'art beteekent dan ook niet: de kunst te dienen als ware zij het hoogste in het heelal en het einddoel van menschelijk streven, maar haar zoo te beoefenen als ieder scheppend werker zijn vak beoefenen moet: met volle toewijding aan, met volle concentratie zijner vermogens, terwijl hij werkt en schept, op het werk alleen; zijn aandacht zùiver houdend, opdat hij eens der wereld zijne schepping moge geven, bijna zóó schoon als hij haar van de Natuur ontving. Zóó verricht hij zijn werk het best en zóó dient hij dus 't leven het best. Het is dan ook niet een pueriele opvatting van het leven, gelijk die aan de de-kunst-om-de-kunst-aanhangers caricaturiseerend-vervalschend wordt toegeschreven, maar het is juist het zien van 't leven als een oneindigheid, het is de deemoed tegenover het wijd-overkoepelende leven, dat hen leert zich te bepalen bij hun werk, klein of groot, waarvoor zij voelen geboren te zijn, en als een zijde worm, een kleine spin te zijn, die zijn draadje spant, zijn kleine webje weeft, nièts meer, dàt is genoeg ... en daarbij, zoo hun ook dat veroorloofd wordt, diep-tevreden, die als voltooiende gedachte te denken, die heerlijke zekerheid te voelen al hunne strevingen kronen: niet ik, zwakkeling, maar een Ander, zal eens, liefdevol, ook met mìjn web Menschheid's wonden stelpen, de Meesterwever ook mìjn draad in Menschheid's bruidskleed weven.... Wat zouden zij meer kunnen wenschen dan dat geluk?...
Keeren wij nu nog èven na deze korte toelichting van het schijnbaar enge, maar inderdaad zeer ruime principe der m.i. meest inzichtsvolle, burgerlijke literaire aesthetiek, tot de diametraal daaraan tegenovergestelde, ons eigenlijk onderwerp, terug. Vestigen wij nog kortelijk op een andere, ontwijfelbaar ook gewichtige, zijde van het vraagstuk de aandacht. De waardeloosheid en de schadelijkheid der marxistisch-aesthetische begrippen voor de literaire critiek werd uitvoerig in dit opstel aan het werk der meest beteekenende aanhangers dier begrippen, in ons land, aangetoond. Mij dunkt, dat men, na dàt gezien te hebben, het recht heeft te vragen: wàt zullen de mindere goden wel produceeren, als zij volgens deze methode gaan werken? En dat zullen zij! Want juist voor dezulken, die uit zich-zelf nièts over kunst kunnen voelen of denken, opent zij de welkome gelegenheid, om meters druks te vervaardigen over het bijkomstige in een kunstwerk, het eenige waar zij bij kunnen, en dat niets ter zake doet! En daar ligt een tweede, een waarlijk niet te onderschatten gevaar van het stelsel. Dat gevaar, men begrijpe mij wel, ligt dus volstrekt niet daarin, dat deze critici de bas étage, deze phrasen-kooplui uit de literaire voddenkelders tendentieus zouden worden! Och neen, werden zij 't maar! Tendentieus zijn in den zin, waarin ik 't thans bedoel, gepossedeerd zijn door 't een of ander naar een hoog ideaal gericht streven, dat is toch après tout iets van een voornamen geest.... En zij en een voorname geest!... Dàt zou 'n áárdige vooruitgang voor hen zijn, komaan! Ik heb eens hun, al zeg ik 't zelf, welgelijkend portret geteekend. Daardoor, gelukkig! behoef ik het thans niet meer te doen. Ik heb toen aangetoond wat zij zijn en niet zijn. Maar wel beschouwd wàs voorheen iets dergelijks overbodig. Tot nu toe werd toch eigenlijk niemand hun dupe. Ten slotte voelde ook het botste publiek de phrase, het idiote volmaakt-niet-begrijpen in hun geschrijf. Want tusschen den waren, den kunstenaar-criticus, den eenige, die literaire critiek mag beoefenen, omdat alleen hij 't is, die intuïtief een kunstwerk doorvoelen kan, en deze phraseurs was er een tè enorm verschil. Maar zoodra deze kunstenaar-critici zelf gaan doen alsof het literair-critisch doorvoelen toch eigenlijk meer een wetenschap dan een kunst is en minstens evenzeer een aanleerbare vaardigheid als een gave, dan ... ja, dan zullen er zooveel voddenkelders, zooveel broodwinningnerinkjes, zooveel muffe en duffe winkelhuizen vol walmende petroleumlampen en kleverige rollen drop en vliegenpapier voor de smoezelige ruiten verrijzen, een klit van voetklemmende en gordelende parasieten, rondom—o heiligschennis!—de kerken en paleizen der literatuur, dat de latere dichters, de latere schoonheidsbegeerigen zich niet zullen kùnnen neerzetten aan hun voet, om zich vredig en niet-gestoord weg te denken in 't leed, in de vreugde, in de gedachten en het scheppingsgenot van wie hen schiepen, tenzij dan dat er een opsta onder hen, die mokerend heel dien achterstegen-bouw weer tot puin verbrijzelt.
Aug.—Sept. 1913.
Blz. 101 Mestra:
Dochter van den koning Erisychtheion. Men zie de Metamorphosen van Ovidius Naso.
Blz. 123 There are:
Er zijn veel dichters, die nimmer hebben geschreven.
Blz. 137 Then from:
"Toen uit de spelonken van mijn droeve jeugd ik sprong," enz.
Blz. 148 C'est le pardon:
Het is de vergiffenis om der wille van de glorie.
Blz. 149 Je me suis montré:
Ik heb mijzelf getoond, gelijk ik werkelijk was, verachtelijk en laag, wanneer ik zoo ben geweest; goed, grootmoedig, indien ik aldus was. Ik heb mijn innerlijk ontsluierd, zóó als gij zelf het hebt gezien, Eeuwig Wezen. Vergader rondom mij de ontelbare menigte mijner medemenschen; dat zij luisteren naar mijne bekentenissen, zuchten over mijne laagheden, blozen over mijn ellende. Dat elk hunner op zijn beurt en in dezelfde oprechtheid zijn hart uitstorte aan den voet van uw troon, en dat dáárna één enkele het wage te zeggen: Ik was beter dan deze.
Blz. 149 à tout prendre:
Alles bij elkaar genomen, ben ik een uiterst goed mensch.
Blz. 156 L'Année suivante:
Het volgend jaar, 1750, toen ik heelemaal niet meer aan mijn verhandeling dacht, vernam ik, dat zij te Dyon bekroond was. Deze tijding deed al de denkbeelden, die mij bij het schrijven hadden vervuld, opnieuw ontwaken en bezielde hen met nieuwe kracht....
Blz. 156 Tandis que je philosophois:
Terwijl ik aldus philosopheerde over de plichten van den mensch, dwong een gebeurtenis mij beter na te denken over mijne eigene. Thérèse werd voor de derde maal zwanger. Te oprecht tegenover mij-zelf en innerlijk te fier om mijne principes in mijn daden te verloochenen, zette ik mij er ernstig toe, over het lot mijner kinderen na te denken.
Blz. 157 D'ailleurs les principes élévés:
Bovendien moesten mij wel de hooge principes, die ik mij had eigen gemaakt, boven dergelijke laagheden verheven doen zijn, en het is dan ook zeker, dat ik dat sedert dien gewoonlijk wel geweest ben. Maar dit vond toch niet zoozeer zijn oorzaak daarin dat ik de verleiding zou hebben overwonnen, maar veeleer in het feit, dat ik de oorzaak der verleiding vermeed en ik zou zeer bevreesd zijn evenzoo te stelen als in mijn kindschheid, zoo ik weer aan dezelfde begeerten onderworpen werd. Het bewijs daarvan had ik ten huize van den heer de Mably.
Blz. 159 Il faut que:
Mij moet wel trots de meest eerbare opvoeding een sterke neiging tot ontaarden eigen zijn geweest, want dat voltrok zich heel snel en zonder eenigen innerlijken weerstand te ontmoeten, en nimmer verviel eenig vroegrijp Cesar zoo snel tot een Laridon.
Blz. 159 délire inconcevable = onbegrijpelijke razernij.
Blz. 159 délire = razernij, delirium.
Blz. 160 De tout ce que:
Van alles wat ik tot hiertoe gezegd heb is er in alle plaatsen, waar ik geleefd heb, eenig spoor achtergebleven.
Blz. 161 Je ne regarde:
De ellende en verlatenheid beschouw ik zelfs niet als de grootste gevaren waaraan ik haar heb blootgesteld. Wie weet hoever op haren leeftijd, de moedeloosheid der belasterde onschuld iemand brengen kan?
Blz. 161 Qui sait: = wie weet.
Blz. 161 Moi qui ne fit:
Ik, die nooit iemand kwaad deed....
Blz. 163 cette horreur du mal:
... deze afschuw van het kwaad in elken vorm, deze onmacht om iemand te haten of te schaden en zelfs om dat te willen; deze verteedering, die levendige en zachte bewogenheid, die ik bij den aanblik van alles, wat deugdzaam, grootmoedig en beminnelijk is, gevoel—kan dat alles in een en dezelfde ziel bestaan naast de verdorvenheid, die zonder eenig gewetensbezwaar de lieflijkste der plichten met voeten treedt? Neen, ik voel het en spreek het luide uit: dat is niet mogelijk. Nooit heeft Jean Jacques één oogenblik van zijn leven een man zonder gevoel, zonder erbarmen, een ontaard vader kunnen zijn. Zeer zeker heb ik mij kunnen vergissen, maar mij verstokken niet. Zoo ik mijne redenen zeide, ik zei te veel. Daar zij mij immers hebben kunnen verleiden zouden zij dat ook vele anderen kunnen doen; ik wil de jongeren, die mij eens zouden kunnen lezen, er niet aan blootstellen, het slachtoffer van dezelfde dwaling te worden.
Blz. 164 petites bonnes gens = goede luidjes.
Blz. 164 grand hommes de nos jours = groote mannen onzer dagen.
Blz. 164 les raisons déterminantes = de beslissende redenen.
Blz. 164 Out of season = misplaatst.
Blz. 165 jeunes gens = jonge lieden.
Blz. 165 Enfants-Trouvés = Vondelingenhuis.
Blz. 167 Si jamais rêve d'un homme eveillé:
Zoo ooit de droom van iemand in wakenden toestand een prophetisch visioen geleek, dan was het wel deze.
Blz. 167 et ce qui m'a frappé:
En wat mij het meest in de herinnering aan deze mijmering heeft getroffen, was, dat toen zij zich verwezenlijkt had, ik mij van precies dezelfde voorwerpen omringd vond als die ik mij destijds had verbeeld.
Blz. 167 ... la peur de l'enfer:
... de vrees voor de hel maakte mij nog dikwijls opgewonden. Ik vroeg mij af: In welken staat ben ik? Zoo ik op dit oogenblik-zelf stierf, zou ik verdoemd worden? Ik zei tot mij zelf: Ik zal dit steentje tegen dien boom daar vlak tegenover mij werpen, zoo ik hem raak, is dat een teeken van heil, mis ik hem, dan beduidt het verdoeming. Aldus sprekend werp ik mijn steentje met bevende hand en terwijl mijn hart vreeselijk klopte.... Sedert dien heb ik niet meer aan mijn zaligheid getwijfeld.
Blz. 168 Fontaine de Hiéron: een instrumentje om goocheltoeren mee te doen.
Blz. 170 Lapidation: steeniging.
Blz. 170 Dans ces temps-la:
In diezelfde tijden, waarin Rousseau Europa met klachten over zijn kwalen bezig hield, heb ik hem nooit ongesteld gezien; hij stapte voort, maakte luchtsprongen, bereikte vóór de anderen de bergtoppen en at met zeer goeden eetlust.
Blz. 171 Il partit donc:
Hij vertrok dan en verliet dengeen, wiens hart hij had gewonnen.
Blz. 171 Lascia le donne e studia matematica = Laat de vrouwen maar met rust en bepaal je ertoe wiskunde te studeeren.
Blz. 176 La manière dont elle s'est conduite:
De wijze, waarop zij zich na zijn dood heeft gedragen, zou voldoende zijn elken twijfel op te heffen, indien wij ons niet reeds volkomen zeker voelden door het eensgezinde getuigenis van allen, die Rousseau op verschillende tijdperken zijns levens hebben bezocht. Het staat dan vast, dat zoowel te Motiers als te Wootton en overal, waar zij haar meester heeft gevolgd, ze, tot in zijn laatste oogenblikken, haar best heeft gedaan, argwaan en wantrouwen in hem te verwekken en te voeden en dat zij met het doel, met niemand zijn vertrouwen te moeten deelen en hem aldus beter te kunnen beheerschen, allen verdacht bij hem maakte, die in zijn nabijheid kwamen en erin slaagden, hem te behagen. Wat moet deze vrouw, die, toen zij zich te Motiers verveelde, niets verzuimde te doen wat er Rousseau het verblijf onverdragelijk kon maken, wel niet gedaan hebben in de eenzaamheid van Wootton, waar haar niets zoozeer na aan het hart moet hebben gelegen dan hem in de noodzakelijkheid te brengen, het te verlaten. Men kan dan ook verzekerd zijn, dat zij, om meer schijn van waarheid aan haar lasterlijke en valsche ingevingen te verleenen, de zegels van de aan haar meester gerichte brieven verbrak, die, dupe van dezen streek, er duizend gevolgtrekkingen uit afleidde, de eene nog vreemder dan de andere, over wier zonderlingheid zich echter niemand, die dit alles in aanmerking neemt, langer verwonderen kan.
Blz. 177 Hume, Mercier:
Hume, Mercier, d'Escherny, Dusaulx, allen, die over Rousseau hebben geschreven, zijn 't op dit punt eens.
Blz. 179 Je n'avois cherché d'abord:
Aanvankelijk had ik niets meer beoogd dan mij een amusement te verschaffen. Ik merkte echter, dat ik meer had gedaan en mij een gezellin had gegeven. Een weinig omgang met dit uitmuntende meisje, een weinig nadenken over mijn toestand, deden mij gevoelen dat ik, slechts denkend aan mijn vermaak, mijn geluk had gevonden.
Blz. 179 Autrefois j'avois fait:
Vroeger had ik van haar uitdrukkingen een woordenboek samengesteld, om Mevrouw de Luxembourg te amuseeren, en hare kluchtige vergissingen zijn dan ook beroemd geworden in de kringen, waarin ik heb geleefd.
Blz. 180 Enfin nous nous expliquâmes:
Eindelijk vond er een verklaring tusschen ons plaats: schreiend bekende zij mij een enkelen misstap, vrucht van hare onwetendheid en de sluwheid van een verleider, tegen het einde harer kindsheid gebeurd. Zoodra ik haar begreep, slaakte ik een vreugdekreet. Maagdelijkheid! riep ik uit, wie zou die dan in Parijs, bij een twintigjarig meisje nog denken te vinden!
Blz. 181 "Une faute":
"Een vergrijp," zegt Petitain, "dat zij hem grootmoediglijk heeft vergeven."
Blz. 182 Je m'y déterminai gaillardement:
Luchtig-weg nam ik het besluit, en zonder het minste gewetensbezwaar; het eenige, dat ik had te overwinnen, was dat van Thérèse, die ik al de moeite van de wereld had, dit eenige middel, om haar eer te redden (sic!) te doen aanvaarden. Het volgend jaar dezelfde zwarigheid en dezelfde uitweg, slechts vergaten wij ditmaal een naamcijfer aan de kleertjes te hechten. (Met behulp van zulk een naamcijfer kon men dan later, als een kind door de ouders werd opgeëischt, dit onder de menigte der in de vondelingenhuizen verpleegden terugvinden, v.C.) Overigens niet meer nagedachten mijnerzijds noch goedkeuring van den kant der moeder: kermend gehoorzaamde zij.
Blz. 186 Refroidissement dans Thérèse = Verkoeling in Thérèse.
Blz. 186 "une cerbère odieuse" = een afschuwelijke Cerberus.
Blz. 188 Ingrat: ondankbaar.
Het woord didactisch, vóór dit gedeelte van den bundel geplaatst, moge veel van aard en bedoeling der navolgende opstellen benevens de uitvoerigheid der daarin voorkomende analysen en de lengte der citaten verklaren—zekere eigenaardigheden van stijl en inhoud: de gemeenzame toon en de, feitelijk buiten het gebied der literatuurcritiek liggende, min of meer moraliseerende uitweidingen, eischen, dunkt mij, willen zij niet ontstemmend op een algemeen lezerspubliek werken, nog korte toelichting. Deze opstellen, op een enkele uitzondering na, werden geschreven voor en verschenen in Het Jonge Leven, het onder redactie van den heer Henri Polak staande ontwikkelingsblad van den A.N.D.B. Houdt de lezer dit in het oog, dan zal hij zich nu ongetwijfeld zoowel de aanwezigheid der bovengenoemde lichtelijk moraliseerende gedeelten kunnen verklaren—immers tot mijn lezerspubliek behoorden ook zeer jonge lieden, wien mijn gevoel mij drong het eene, dat zij al evenzeer van noode hebben als het andere, niet te onthouden, terwijl ik hun dat andere gaf—als den, hier en daar heerschenden, gemeenzamen toon, dien ik mij zeker niet zou hebben veroorloofd tegen een algemeen publiek aan te slaan, gesteld al, dat ik daartoe neiging zou hebben gevoeld, 't geen niet waarschijnlijk is. Hoe geheel anders echter lag hier het geval! Zelden heb ik bij het schrijven dezer opstellen het gevoel gemist, voor een vriendenkring te schrijven, en allerminst toen ik de zekerheid kreeg, dat de ouderen vooral mijne artikelen met genegenheid en aandacht lazen, een omstandigheid die mij bevestigde in de overtuiging, dat zij ook buiten de grenzen van den A.N.D.B. een invloed konden uitoefenen, die het doorvoelen en begrijpen van literatuur in ons land, ten goede komen kan. En moge menigeen glimlachen bij de gedachte, dat deze "vriendenkring" van lezers zeker wel niet onder de twintigduizend menschen tellen zal, niet hij die de eensgezindheid in den A.N.D.B. kent, de georganiseerde verwerkelijking van het zoo moeilijk te verwezenlijken "Een voor allen en allen voor een", de onderlinge trouw en het ver boven materieel winstbejag uitgaande gevoel van saamhoorigheid; niet hij, die wel eens een "Bondsvergadering" heeft bijgewoond, waar al die duizenden wel elkaar schenen te kennen, en als vrienden zoo gemoedelijk-intiem, voor de opening der bijeenkomst in rustig vertrouwen met elkander praatten; waar bij alle soms hooggestegen verschil van meening, nooit de kalm-zekere genegenheid van de blijmoedige gelaten verdween, nooit ook de joviale toon van hartige volksboertigheid werd gemist, als wisten al die menschen wel, dat die ruzietjes best en waarachtig wel als kleurige verzetjes op den effen en diepen stroom hunner eensgezindheid mochten drijven en wat rook en roet uitpuffen ook, wel ja—wat hinderde dat die breede en klare rivier! Hoe vaak heb ik daar blijde van de naar het podium in den lichtglans omhooggeheven gezichten gelezen die wellicht soms nauwelijks bewust maar enorm sterk werkende zekerheid, hier schouder aan schouder met vrienden en niets dan vrienden te staan, hier veilig te staan in éénheid en door noest werken veroverde macht, hier heerlijk de menschen-waarde van zich-zelf en zijn lotgenooten te voelen, herwonnen op broodnijd, plat en bruut individualisme en concurrentie-haat.—Welnu, dit alles bedenkend, zal, vertrouw ik, de lezer zich door het gemeenzame in den toon der hier navolgende opstellen niet gekwetst voelen niet alleen, maar ook, begrijpend, hoe het voortsproot bij den schrijver niet uit een zich hooger voelen, doch uit een diepe en innige genegenheid, 't billijken, dat hij uit piëteit voor eigen gevoel—de eerste plicht eens schrijvers!—het liet zoo het was.
Is hiermede mijn inlichtend woord tot den lezer van dit deel van den bundel geëindigd, de overtuiging, dat "wie aan den weg timmert veel ... bekijks heeft" legt mij de verplichting op, hier nadrukkelijk het volgende te verklaren: zoo dit mijn werk een blijvend nut zal blijken te hebben gebracht; zoo er harten door zijn opengebloeid in liefde tot het schoone, geesten erdoor gebracht zijn tot het begrijpen en doorvoelen van kunst, dan prijze men hen vooral, die de gelegenheid ertoe schiepen: het Bestuur van den A.N.D.B. en in de allereerste plaats zijn voorzitter, den Redacteur van Het Jonge Leven, mijn waarden en geëerden vriend Polak, die door de ruime en hooge opvatting van zijn taak, het rijke genot, voor mij aan mijn arbeid verbonden, zéér heeft verhoogd en dus niet weinig tot het welslagen zal hebben bijgedragen; doch zoo het mocht blijken te hebben gefaald, dan prijze men hen niet minder, maar lake uitsluitend mij, die in volkomen onafhankelijkheid schrijvend wat ik wilde, een van de kostbaarste gelegenheden, zij het met de beste bedoelingen, zou hebben misbruikt.
Maart 1914. DE SCHRIJVER