Je me suis montré tel que je fus; méprisable et vil quand je l'ai été; bon, généreux, sublime, quand je l'ai été: j'ai devoilé mon intérieur tel que tu l'as vu toi-même, Être éternel. Rassemble autour de moi l'innombrable foule de mes semblables; qu'ils écoutent mes confessions, qu'ils gémissent de mes indignités, qu'ils rougissent de mes misères. Que chacun d'eux découvre à son tour son coeur au pied de ton trône avec la même sincérité, et puis qu'un seul te dise s'il l'ose: Je fus meilleur que cet homme-là.[35]

Deze toon, die toon van: "à tout prendre: je suis le meilleur des hommes," die telkens en telkens weer ons in de ooren klinken, het heele werk door, is niet die van de eerlijke zelfverheerlijking maar die van de in "valsch pathos" zich uitende "geforceerde spanning van het gevoel" van het zelfbedrog. En spreekt hij over het te-vondeling-leggen zijner kinderen, dan, zooals wij later zullen zien, klinken zijn redeneeringen als leeg vaatwerk met barsten, dan wordt 't alles bombast, dan dringen in al zijn uitingen "smakelooze liefde voor het theatrale" en "overdreven huilerige gevoeligheid." En daar heeft hij het toch wel over zijn "persoonlijke ervaringen," zou ik zeggen! Mevr. Holst schijnt wel eens op weg te zijn geweest, om in deze de waarheid te zien. Blz. 203 zegt zij:

Het (zelfonderzoek, v.C.) was voor hem de weg tot zijn apologie en zijn apotheose, tot zelfbehagen, zelfvereering en zelfvergoding.

En blz. 204:

In de "Nouvelle Héloïse, het werk waarin hij zich het vrijst heeft laten gaan—veel vrijer dan in de "Confessions," waar de achtergedachten van zelf-apologie en zelf-apotheose den stroom der herinnering in een bepaalde bedding stuurden....

Indien iemand zooveel psychologisch en hooger-critisch inzicht toont te hebben, dat hij in een werk de neiging tot, en het feit van zelfvergoding, etc., benevens en vooral de "achtergedachten van zelf-apotheose" aanvoelt, hoe is het dan mogelijk, is men geneigd te vragen, dat hij de nòg meer aan de oppervlakte liggende pose, het valsch pathos en al de opgeschroefd-geuite verzekeringen van eigen voortreffelijkheid niet aanvoelt?! Of hoe is 't dan bestaanbaar, dat een dergelijke inzichtsvolle niet inzie, dat de neiging tot zelf-apotheose al die eigenaardigheden ten gevolge moet hebben? Hoe is 't mogelijk, dat iemand, die ter eenre plaats schrijft, dat:

Zijn weeke en toch moeizame natuur behoefde, om stroomend te worden, de liefde; zonder haar adem bleef de kracht in zijn binnenste bevrozen, alles kil en doodsch. De liefde voor vrouwen gelijk hij die meermalen gevoelde.... Slechts eenmaal in zijn leven schreef hij, gedragen alleen door het andere beginsel in hem: het moreele, de hartstocht voor deugd, voor gelijkheid en vrijheid. Wat hij toen schreef werd hol en rhetorisch, van een gloed die niet verwarmde.[36]

en dus de "ontsiering zijner stijl" wijt aan een hem eigen psychisch element, die op een andere plaats verklaart uit "de valsche elementen, het onwaarachtig bestanddeel" in het gevoel der burgerlijke klassen? Wat heeft hier haar blik beneveld, dat zij zich zulk een aantoonbaar-onjuiste subjectieve waarheid vormde?[37] Wel lezer, sla één blik in mijn citaten op de vorige bladzijden en ge weet het: de idealen der burgerlijke klassen waren voos, de daardoor ontstane valsche elementen in hun gevoel zoog hij in, en die zijn schuld aan het theatrale, het valsch pathos en de opgeschroefde gezwollenheid.... Is dit niet het historisch-materialisme pur sang? Vandaar, dat zìj al die leelijke eigenschappen, tegen alle helder als de dag blijkende feitelijkheid in, alleen in zijn maatschappij-beeldingen en niet in zijn autobiographische geschriften zag. Haar perceptievermogen zat ingesponnen in de theorieën harer socialistische aesthetiek!

Maar welk een in-zich-zelf-onjuiste bewering deden haar het historisch-materialisme eenerzijds en de eerbied voor Byron, Schiller, en Rousseau vooral, anderzijds neerschrijven, toen zij ter nadere verklaring van wat naar hare meening, het pathos enz. in hun stijl veroorzaakte, dit zinnetje er aan toevoegde, dat ik gemakshalve hier nog eens citeeren zal:

Hun gevoel was oprecht, evenals dat der revolutionnairen, hun geestdrift was echt, zij geloofden van ganscher harte aan de idealen die zij verheerlijkten, maar die idealen waren innerlijk onwaar en voos....

Vluchtte eerst het onafhankelijk critisch inzicht, hier vlood de logica: indien "hun gevoel oprecht was," indien "zij van ganscher harte in de waarheid hunner idealen geloofden," dan kon dier innerlijke voosheid hun niets doen. Die bestond dan eenvoudig niet voor hen. Iemand kan slechts uiten wat op eenigerlei wijze in hem is. Een ideaal is echter nooit in een mensch, maar zijn zien daarvan, zijn voelen daarvoor. Het echte of onechte van het ideaal kan dus niet in zijn uiting leven. Dat kan alleen het echte of onechte van zijn gevoel ervoor. Òf Mevr. Holst had moeten zeggen: Zij voelden hun idealen als echt, zij geloofden vast erin, maar hun genie was niet groot genoeg om ze te ver-beelden—maar dan had de historisch-materialiste geen gelegenheid gehad om de tekortkomingen hunner schrifturen uit de "voosheid" der idealen van de burgerlijke klassen te verklaren!—òf zij had moeten zeggen: zij voelden de voosheid van hun idealen wel, maar zij bedrogen zich-zelf, doch daarvan weerhield haar natuurlijk behalve haar diepe gevoel voor die Grooten, ook dat van de tastbare onjuistheid eener dergelijke bewering. Over deze stellingen ware echter verder te redeneeren geweest, over de eerste vooral, zooals daar dadelijk blijken zal. Maar nu eerst iets anders, dat wellicht in staat is, Mevr. Holst zelf van het onjuiste harer zienswijze te overtuigen: is zij bereid te aanvaarden wat wij, naar mij dunkt, niet onberechtigd zijn als de consequentie harer stelling te beschouwen? Heijermans is een groot menschenschepper, en zijn Raphaël—in Ghetto—ver-beeldt te midden van een klein- en plat-bùrgerlijke omgeving het socialistisch ideaal, maar desalniettemin is, zoo zeker als twee maal twee vier is, zijn Raphaël één bonk hol pathos, één bonk opgeschroefde gezwollenheid. Moeten wij dit dus, in aanmerking nemend de voortreffelijkheid zijner overige productie, zijner werkelijkheidsbeeldingen, wijten aan de voosheid van het socialistisch ideaal?

Querido is een groot menschenschepper en zijn Heins—in Levensgang—is een schepping, geïnspireerd door het proletarisch ideaal, maar desalniettemin leeft Heins op geen stukken na met de levenswaarheid van bijv. den ordinair-burgerlijken Bresser. Moeten wij dit dus wijten, gezien alweer de voortreffelijkheid der andere beeldingen, aan de voosheid van het proletarisch ideaal? Wat kàn Mevr. Holst hierop antwoorden? Ik vrees, niet veel anders dan dat ik, mijne gevolgtrekkingen makend, haar stelling heb omgekeerd, hetgeen echter, de zooeven genoemde voortreffelijkheid immers in aanmerking genomen, van geen werkelijk belang is.

Maar niettemin kan òns, om het ware antwoord te vinden, een uiting onzer schrijfster uitmuntenden dienst bewijzen. Over Rousseau, Byron en Schiller sprekend zegt zij dit, in een noot:

Alleen Shelley is onder de burgerlijke dichters die de vrijheids-idealen verheerlijkten, geheel vrij van valsch gevoel.

Ongetwijfeld mag men Mevr. Holst hier vragen, hoe dat komt, dat Shelley wel vrij van valsch gevoel is en de anderen niet. Hoe ook de Engelsche bourgeoisie van Shelley's tijd moge verschild hebben van de Fransche van 1789, de voosheid, die immers veroorzaakt werd volgens Mevr. Holst, door hetgeen de lezer hieronder vindt aangehaald,[38] kan dan ook niet aan hare idealen ontbroken hebben en die moeten dan dus ook hun nadeeligen invloed op Shelley's geschriften hebben uitgeoefend! Waarom deden zij dat niet? Hield hij er misschien een apart-burgerlijk-ideaaltje- voor-eigen-gebruik op na? Wacht maar niet op het antwoord, lezer. Mevr. Holst gééft hier geen antwoord op! Wij echter, wien een historisch- materialistische aesthetica niet hare dorre hand op den mond leggen, allicht wel: de kunstenaar die een werkelijkheid beeldt in kunst, doet als 't ware een fata morgana spiegelen boven en naar het beeld eener stad; de kunstenaar, die een ideaal beelden wil in kunst, wil een stad bouwen onder en naar een fata morgana. Het eerste kunnen alle kunstenaars, genieën en talenten, groote en kleine; zij maken dan kunst, groote of kleine, naar hun aanleg. Het laatste kan maar één wellicht in duizend jaren, één begenadigde onder geslachten en geslachten van kunstenaars, één vorst onder zijn broeders, een profeet onder de wáár-zeggers! En als de laatsten dat voor hen onmogelijke tòch beproeven, dan vernevelt de ideëele fata morgana voor hun oogen, en zij zien niet meer, zij zìen niet meer, maar maken zich diets dat zij nog zien, en hun bouwsel wordt een verwarde doolhof; hun gevoel wordt valsch gevoel, hun uiting valsche pathos en opgeschroefde gezwollenheid. Zéker ligt het dus niet aan de "voosheid" van hun ideaal, maar ook evenmin kan hen de oprechtheid van hun gevoel ervoor redden; het hangt er alleen van af—och, het is zoo eenvoudig, zoo zonder diepzinnigheid—of zij een Shelley zijn al dan niet. En nu zal het u ook duidelijk zijn, waarom niet alleen in de beelding van het burgerlijk ideaal maar ook wel degelijk in de zelf-beelding der Confessions, zooveel pathos en gezwollenheid zit. Niet alleen, dat, zooals wij reeds hebben gezegd, "achtergedachten van zelf-apotheose" in een schrijver altijd zijn stijl onzuiver moeten maken, maar er was ook nog een andere oorzaak daarvan, een zelfde in de Confessions als in de beeldingen van het burgerlijk ideaal: de unique, de alleredelste, de le-meilleur-des-hommes-persoonlijkheid van Rousseau—de lagere persoonlijkheid wel te verstaan!—bestond niet. De "schrijver der Confessions moest hier dus wel geen stad maar een—Rousseau scheppen, onder en naar een luchtspiegeling, met natuurlijk hetzelfde gevolg, hier als daar! Och, als dat waar zou zijn: dat de voosheid van een ideaal de werken der daardoor geïnspireerden nadeelig beïnvloedt! Zou er dan wel één werk bestaan, dat daarvan vrijgebleven is? Want zijn alle idealen niet voos in dien zin, dat zij in hun verwezenlijking, precies als het burgerlijk ideaal der groote Fransche revolutionnairen, niet geven wat zij beloofden en integendeel weer op hun beurt veroorzaken nieuwen strijd en nieuwe smart, maar ook nieuwe bevrediging en vreugde èn nieuwe—idealen!

Wij hebben dus nu als oorzaak van Mevr. Holst's onjuiste critische verklaringen het feit gevonden, dat zij, door verreweg te veel gewicht aan den invloed der maatschappijverhoudingen te hechten, geheel of gedeeltelijk de psychische oorzaak der door haar te beoordeelen verschijnselen uit het oog verliest. Welnu, dit is een euvel onafscheidelijk aan de gewoonte van het historisch-materialistisch denken verbonden en voortvloeiend uit zijn aard. Onderzoeken wij nu haar psychologisch-biographische inzichten omtrent Rousseau. En dan valt onmiddellijk op, dat:

1°. hare ontledingen volmaakt gaaf zijn, zoolang zij niets minderwaardigs in hem te boekstaven hebben;

2°. dat zij echter een sterk verfraaiende tendenz krijgen, zoodra dat wel zoo is;

3°. dat wanneer zij, schijnbaar met deze bewering in strijd, ook in het laatstgenoemde geval zuiver zijn, dit veroorzaakt wordt doordat de betreffende biecht in de Confessions zoo ondubbelzinnig is, dat alleen oneerlijkheid de oogen er voor zou kunnen sluiten. Het bewijs van de juistheid mijner eerste bewering zal de lezer mij wel willen schenken. Ik, de bestrijder van Mevr. Holst's analysen en der oorzaak van wat ik noem hun ondeugdelijkheid, heb er immers geen noemenswaardig belang bij te beweren, dat hare analysen onder zekere omstandigheden wel zuiver zijn! Wat de beide laatste betreft, zij mij echter alvorens ik verder ga, het leveren van bewijs en het geven van voorbeelden toegestaan. Dus ad 2:

Zijn aard was niet uit één stuk gesmeed, maar tweeslachtig: trotsch zoowel als teeder zijn hart, zijn gemoed vrouwelijk en ontembaar, zijn neiging aldoor dobberend tusschen zwakheid en moed, deugd en meegesleept worden. Zoo lag hij levenslang in strijd met zich-zelven en moest zoowel het genot als wijsheid derven.[39]

Men kan hier het streven naar objectiviteit zeer zeker waardeeren, maar, als men dit gedaan heeft, zich ook verplicht voelen op te merken dat van dat "dobberen tusschen deugd en meegesleept worden," als gevolg van een neiging en kracht in de lagere persoonlijkheid, niet veel te bespeuren valt: waar de verzoeking was, daar werd hij ook meegesleept, tenzij niet de deugd maar egoïstische ijdelheids- of utiliteitsredenen, of overwegingen voortvloeiend uit zijn latere waanvoorstellingen hem de overwinning op de verzoeking deden behalen. Men denke aan de walgelijke scène tusschen [p.156] "la papesse Jeanne," Grimm, Diderot en hem-zelf als gasten van baron Klupffel, maar vooral aan het naar de Enfants-Trouvés brengen zijner twee eerste kinderen, zonder dat hij één oogenblik "dobberde" tusschen wel en niet doen, zonder dat iets in hem zich daartegen verzette, meegesleept als hij was—dit alles naar zijn eigen getuigenis—door de opvattingen en gesprekken zijner tafelgenooten elken dag. Als Mevr. Holst dan ook vervolgt:

In zijn jeugd liet hij zich geheel drijven op aandoeningen en indrukken en wat omstandigheden en omgeving van hem maakten, dat was hij.[40]

en dus de scheidingslijn tusschen het tijdperk van meegesleept-worden en dat van 't "dobberen tusschen" laat samenvallen met die tusschen jeugd en mannelijken leeftijd, dan weerspreken de zooeven genoemde feiten haar—hij was toen respectievelijk 37 en 38 jaar—. Neen, de scheidingslijn tusschen de twee eerstgenoemde tijdperken blijkt duidelijk te trekken precies ten tijde, dat zijn genie zich openbaart. Dit feit te zien—waarmee ons trouwens Rousseau-zelf, gelijk men zoo dadelijk zal ontwaren, heeft bekend gemaakt—is van het hoogste gewicht voor de kennis zijner lagere persoonlijkheid, gelijk het ook boekdeelen spreekt voor mijne bewering, dat het Scheppend Vermogen ook als een heerscher, leeraar en opheffer in de lagere persoonlijkheid werkt! Waarom dit feit van zoo hoog gewicht is, laat mij het verklaren, na zijn bestaan-zelf te hebben bewezen: (Het Discours, waarvan Rousseau in het nu volgend citaat spreekt is ook volgens Mevr. Holst het eerste werk van zijn eigenlijk Genie.)

L'année suivante, 1750, comme je ne songeois plus à mon Discours, j'appris, qu'il avoit remporté le prix à Dyon. Cette nouvelle réveilla toutes les idees qui me l'avoient dicté, les anima d'une nouvelle force....[41]

En daarna:

Tandis que je philosophois sur les devoirs de l'homme, un événement vint me faire mieux réfléchir sur les miens. Thérèse devint grosse pour la troisième fois. Trop sincère avec moi, trop fier en dedans pour vouloir démentir mes principes par mes oeuvres, je me mis à examiner la destination de mes enfants.[42]

Men weet dat hier het "dobberen tusschen" niet eindigde in een omslaan naar de zijde van het goede; het scherpte alleen maar zijn verstand in het vinden van plausible uitvluchten, zooals wij later zullen zien, maar, waar het thans op aankomt: Zie nu eens den weg, waarlangs hij ertoe kwam, te gaan nadenken ten minste over het lot zijner drie laatste kinderen: Als een profetisch gezicht, een onverwachte, helle openstraling van het genie, komt de visie van zijn Discours op den weg naar Vincennes over hem—hij zelf heeft ons dat treffelijk verhaald[43]—en de herinnering aan de scheppende gedachten, die toen uit het "onbewuste" op hem neerdaalden, die is het, welke nu zijn lagere persoonlijkheid schaamtevol tot zich-zelf inkeeren doet. Hij is zich trouwens daarvan wel bewust geweest, evenals van het feit, dat er in zijn lagere persoonlijkheid qualitatief-potentieel niets veranderd was:

D'ailleurs les principes élévés que je m'étais faits devoient me rendre désormais bien supérieur à de telles bassesses, et il est certain que depuis lors je l'ai d'ordinaire été: mais c'est moins pour avoir appris à vaincre mes tentations que pour en avoir coupé la racine—d.w.z.: zichzelf de gelegenheid, om meegesleept te worden, te hebben benomen; zie maar verder:—et j'aurois grand'peur de voler comme dans mon enfance si j'étois sujet aux mêmes désirs. J'eus la preuve de cela chez M. de Mably.[44]

En zoo is het ook met de andere neigingen zijner lagere persoonlijkheid gebleven. Men kan het reageeren van deze op den invloed van het Scheppend Vermogen aldus kenschetsen: Zijn lagere persoonlijkheid schaamde zich voortdurend voor het op haar neerblikkend gelaat van zijn verheven genie. Al ontstond deze schaamte niet uit louter zijn eigen innerlijkheid rakende overwegingen, maar voor een groot deel ook uit bepeinzing van wat de menschen wel zeggen zouden van iemand die zóó leeraarde en zùs deed.—En wat is nu de beteekenis van dit thans door mij en ongetwijfeld ook door de lezers, die al het voorafgaande goed in zich opgenomen hebben, bewezen geachte feit? Geen andere dunkt mij, dan dat de klaarblijkelijke meening van Mevr. Holst als zou er in den loop der jaren een qualitatief-potentieele ontwikkeling ten goede in Rousseau's lagere persoonlijkheid hebben plaats gegrepen, door de feiten en de door hem-zelf bekend gemaakte overwegingen gelogenstraft wordt, en dat er slechts een zich aanpassen in daden, strevingen en woorden—de beide laatste vooral!—van de lagere aan de Hoogere valt te constateeren, zonder dat er in de neigingen dus iets veranderde, waaruit weer blijkt, dat sommige dier neigingen geen "reminiscenties uit zijn lakeientijd" waren, zooals Mevr. Holst meent, maar saamgegroeid met, inhaerent aan zijn geheele wezenscomplex.

Thans ad 3:

Nu kwam hij in een omgeving, die al de lagere aandriften en neigingen in hem naar boven haalde en al het zachte en edele verschrompelen deed. Zijn meester was ruw, lichtzinnig en hardvochtig, hij sloeg het kind, gaf het niet genoeg te eten, terroriseerde het op alle manieren. Al de ellende van het leerlingstelsel, dat is de ellende voor een kind van overgeleverd te zijn aan harde vreemden, van dag en nacht te verkeeren onder den druk van hun bevelen, hun snauwen, hun spot, hun liefdeloosheid, maakte hij door. Hij durfde zich nooit meer vrij uiten, hij leed altijd honger, hij voelde zich aldoor afschuwelijk bekneld. Als een knecht behandeld, als een slaaf verschopt, leerde hij de ondeugden van knechten en slaven. Hij werd lafhartig, wrokkig, diefachtig, verleugend. Zijn gemoed verhardde, zijn liefkoozend wezen sloot zich in verbitterde zwijgzaamheid, zijn levendige aard versufte. Eerst in later dagen werd hij zich pijnlijk-bewust hoe snel zijn karakter in korten tijd was vervallen.[45]

Voor dit stukje mogen wij der schrijfster onverdeeld-dankbaar zijn. Er is hier—men lette op den door mij gecursiveerden zin—niets verfraaid, niets uitgewischt. Maar hier scheen dan ook zulk een fel licht uit de Confessions-zelf, dat de schrijfster door haar onbewuste verfraaiïngs- en uitwisschings-tendenzen niet kon verhinderd worden te zien. Want de geniale zelfbeluisteraar, die waarheid sprak als zijn artisticiteit hem ertoe drong, d.w.z.: die moest uiten wat zijn Scheppend Psychologisch Vermogen in hem zelf ontraadseld had—die groote zelfbeluisteraar heeft, van dien zelfden tijd sprekend, het veel vlijmender gezegd:

Il faut que, malgré l'éducation la plus honnête, j'eusse un grand penchant à dégénérer, car cela se fit trés rapidement, sans la moindre peine, et jamais César si précoce ne devint pi promptement Laridon.[46]

En het is dan ook ongetwijfeld op deze uiting, dat Mevr. Holst zinspeelt, als zij zegt, dat hij zich in later dagen daarvan pijnlijk bewust werd.

Ik gewaagde daar van den "genialen zelfbeluisteraar, die waarheid sprak, als zijn artisticiteit hem daartoe drong." Zeker, ik bedoelde: als dit niet het geval is, dan.... Want het blijkt wel duidelijk, dat hij betreffende die drijfveeren, die hij niet als artist in zich-zelf ontdekt, maar die zoo zijn, dat hun aard voor zijn gewone menschelijkheid klaar open ligt, meestal de waarheid niet zegt. Een treffend voorbeeld daarvan is alles wat hij beweert omtrent het te-vondeling-brengen zijner drie laatste kinderen.—Ook is er nog een groep daden, waarvan het twijfelachtig moet genoemd worden, of hun drijfveeren tot de laatstgenoemde soort behooren, of dat hij inderdaad de waarheid omtrent hen niet heeft gekend, omdat ook zijn artistiek-psychologisch vermogen erop is afgeketst. Van dezulken zegt hij dan soms, dat zij ontspringen uit zijn "délire inconcevable." Dat Mevr. Holst dit "délire" niet psychologisch doorlicht heeft, mag ongetwijfeld een ernstige leemte in haar werk worden geacht. Is zij ook daarvan instinktief en door haar verfraaiïngstendenzen geleid afgebleven? Ik waag het, die vraag bevestigend te beantwoorden. Want hebben wij nu reeds gezien, dat die tendenzen in werking treden, zoodra er iets minderwaardigs in Rousseau valt te boekstaven en de Confessions-zelf hen niet krachteloos maakt, wij zullen allereerst bij het beschouwen der gebeurtenissen, voortspruitend uit, of in verband staande met het "délire," hun invloed op onze schrijfster als zoo sterk-beheerschend kunnen bewijzen, dat zij haar met een totaal gebrek aan psychologisch inzicht doen heenijlen in een paar onbeteekenende woorden over voorvallen, welke voor den objectieven psycholoog, die voortschrijdt, zonder de waarschuwende stompen van een hem bewakend en vervolgend dogma telkens in den rug te krijgen, van het hoogste belang zijn. Zoo geeft de ontzettende daad jegens het kamermeisje Marion, na den dood van Mad. de Vercelli—hij was toen ongeveer 19 jaar—Mevr. Holst slechts aanleiding te spreken van een "nietig voorval op zich-zelf." Wel, wel, als dat eens Voltaire, "die kleine, minne ziel, geel en uitgedroogd door afgunst", of Grimm, de "baron van het heilige Duitsche Rijk" gedaan hadde! Ge zegt: jawel, maar die zouden niet groot en edel genoeg zijn geweest om de daad te biechten. Maar ik antwoord: Rousseau evenmin, indien hij niet in het schrijven der "Confessions" het vormen van een verpletterend wapen tegen het "Complot" zou hebben gezien. Doch om de Confessions tot dat wapen te maken mocht hij dan ook geen feit, dat hem in een ongunstig daglicht stelde, weglaten. Want kwam dan zoo'n feit later voor den dag, waar toch altijd kans op is,[47] dan ware de geheele Confessions waarde- en krachteloos. Aan de drijfveeren mocht hier en daar een beetje gemorreld en gewrongen worden, de feiten moesten verhaald worden. Dáár was niets aan te verhelpen! Wat voor gevolgen overigens dit "nietige voorval" waarschijnlijk gehad heeft—en uiteraard moest hebben—laat 't hem-zelf hier verhalen:

Je ne regarde pas même la misère et l'abandon comme le plus grand danger auquel je l'aie exposée. Qui sait, à son âge, où le découragement de l'innocence avilie a pu la porter?

Voor Mevr. Holst bewijst deze daad slechts, hoe klein de "zedelijke kracht is in den jongeling;" voor mij: hoe zij 't ook is gebleven in den man. Want had deze in zijn geheele leven geen poging moeten doen, Marion terug te vinden, om zooveel mogelijk goed te maken, wat hij bedorven had?—"Qui sait?" Hij had moeten weten. Goed! èven aangenomen, dat hij, gelijk hij beweert, inderdaad de kracht miste, de daad ooit aan een vriend, zelfs aan Mad. de Warens te biechten, dan nog had hij kunnen en moeten pogen háár te vinden. Daarvoor had hij de kracht en de deugd moeten hebben. Hij had ze niet. Dáár ligt de zedelijke depravatie van den man. Indien Mevr. Holst zegt, dat uit zijn katholiek worden blijkt, "dat de zedelijke gloeden van het kind zijn ondergegaan in den knaap" en er dan aan toevoegt: "eens zullen zij weer opleven: het kind is vader van den man," dan is dat wel een mooie psychologische ... gemeenplaats, maar de toepasselijkheid op het geval-Rousseau—let wel: wat de daden en vooral de gevoelens der lagere persoonlijkheid betreft!—laat zich zoeken en het meest in de zaak Marion. Deze man, die zègt nauwelijks een dag zonder wroeging te zijn geweest, schrijft aan Mad. d'Epinay: "Moi qui ne fis jamais de mal à personne." Deze man, die zegt nooit de daad te hebben durven biechten, leest in ter auditie van de Confessions bijeengekomen gezelschappen van soms 'n twintigtal personen, het relaas dier daad voor, 't geen nog heel wat anders is dan het neerleggen ervan in een werk, dat men niet voor zijn dood wenscht gepubliceerd, en zelfs nog heel wat meer kracht vereischt dan het biechten aan een vriend.—"Als hij haar biecht in de Confessions schreeuwen zijn vijanden over de verdorvenheid van zijn aanleg, bazuinen zijn vrienden zijn waarheidsliefde uit," zegt Mevr. Holst. Welnu, zijn vijanden, beweer ik, al hadden zij ongelijk zijn vijanden te zijn, hadden daarin gelijk, en zijn vrienden stonden klaarblijkelijk niet objectief-psychologisch voor de zaak, anders hadden zij de oorzaak dier nuttelooze want te laat gekomen waarheidsliefde, in een man, die niet nobel genoeg was, om het kind, dat hij ongelukkig had gemaakt, te zoeken en te hulp te komen, anders begrepen dan zij deden. Dan hadden zij haar begrepen, gelijk ik haar begrijp.

En dan het geval met den ongelukkigen Le Maître. Dit verhaalt Mevr. Holst aldus:

"... maar toen de arme musicus in Lyon op straat door een aanval van vallende ziekte werd getroffen, krijgt opnieuw een van die plotselinge opwellingen, waartegen de jongeling niet geleerd heeft te strijden, macht over hem: hij holt weg, zonder zich verder om den zieken meester te bekommeren."[48]

Wat gaat ons nu in 's hemelsnaam hier aan of "de jongeling niet geleerd heeft daartegen te strijden"?! Wanneer ik een kind van 'n jaar of tien, zijn vleesch-en-aardappelen in plaats van met vork en mes, met zijn vingers zie bewerken, dan vraag ik misschien: "Hé, heeft Pietje nu nog niet geleerd, hoe men behoort te eten?" Ik vraag dat dan zóó, omdat 't er wel iets, maar toch slechts heel weinig voor den psychischen aanleg van dat kind op aan komt, dat het niet uit zich-zelf meer beschaafde manieren heeft; maar wanneer ik omtrent een twintig jarigen man verneem, dat hij zijn leeraar, die hem belangeloos heeft onderwezen, die hem altijd vriendelijk en welwillend bejegend heeft, te midden van vreemden als een vod op straat heeft laten liggen en wegliep, toen die man, in zeer penibele omstandigheden verkeerend, door hem naar een vreemde stad begeleid, een epileptischen aanval kreeg—dan zeg ik allicht: "Dat is òf 'n verdorven òf een krankzinnig mensch." Het is dan uw goed recht, o psycholoog, mij te antwoorden: "Neen, die man is geen van beide," mits gij mij dan maar verklaart, hoe hij dat niet zijn kan en dit toch doen. Maar vertel mij alsjeblieft niet, dat de reden is, dat hij niet geleerd heeft er tegen te strijden. Dat zou mij iedere gevangenispredikant allicht vertellen. Het vreeselijke is dat het in hem zit. Waarom is dat niet zoo vreeselijk, als het er wel uitziet—gelijk gij klaarblijkelijk meent. Daarvoor heb ik u noodig, menschen-herscheppend psycholoog! Maar Mevr. Holst, onze psycholoog, antwoordt niet.... "Een plotselinge opwelling." O ja, dank u, nu weet ik 't wel!

Doch een der meest teekenende omstandigheden vind ik, dat onze schrijfster bij het àl tè vluchtig behandelen van het feit, dat Rousseau zijn kinderen naar de Enfants-Trouvés liet brengen, niets zegt van de zeer onechte apologie in de Confessions. Hier ware een prachtige gelegenheid geweest, den mensch uit zijn werk zelfstandig op te bouwen; de waarheid aan het licht te brengen, die er tègen zijn wil uit blijkt, en hem dus niet na te beelden zooals hij zich-zelf gelieft voor te stellen, maar hem te beelden, zooals hij zich ondanks zich-zelf ten toon stelt, werk dus der inderdaad "hoogere" critiek!

"... cette horreur du mal en tout genre, cette impossibilité de haïr, de nuire (Nu, nu, dat hebben we toch wel anders gezien! v.C.) et même de le vouloir, cet attendrissement, cette vive et douce émotion que je sens à l'aspect de tout ce qui est vertueux, généreux, aimable: tout cela peut-il jamais s'accorder dans la même âme avec la dépravation qui fait fouler aux pieds sans scrupule le plus doux des devoirs? (Zeker, het blijkt dat dit kan! Want bij het te vondeling brengen der twee eerste kinderen was er immers volgens zijn eigen getuigenis, geen sprake van eenige overweging noch van eenige scrupule! v.C.) Non, je le sens, et le dis hautement, cela n'est pas possible. Jamais un seul instant de sa vie Jean-Jacques n'a pu être un homme sans sentiment, sans entrailles, un père dénaturé. J'ai pu me tromper mais non m'endurcir. Si je disois mes raisons, j'en dirois trop. Puisqu'elles ont pu me séduire, elles en séduiroient bien d'autres: je ne veux pas exposer les jeunes gens qui pourroient me lire à se laisser abuser par la même erreur.[49]

Het is duidelijk dat dit een uitvlucht is. Zoo het waar is, dat het bekend maken dier redenen jonge menschen had kunnen verleiden, omdat zij hem hebben kunnen verleiden, dan is het ook waar, dat 't bekend-maken der overwegingen, die hem later die redenen als dwalingen hebben doen beschouwen, evenmin zijn uitwerking op die jonge lieden zou hebben gemist. Hij moet toch hebben ingezien, dat het verzwijgen èn van de redenen èn van datgene, dat hen in zijn eigen oordeel tot dwalingen stempelde, de zaak voor de jongeren pas recht gevaarlijk maakte: nu blééf hun alleen een slecht voorbeeld gegeven door een groot man. En overigens zal men mij wel willen toegeven, dat deze bezorgdheid al zeer vreemd aandoet in den mond van iemand die wel zeer gemoedelijk spreekt over zekere sexueele hebbelijkheid, waaraan hij verslaafd was, 't geen niet alleen heel wat prikkelender op jonge gemoederen kan werken dan dit, maar ook heel wat gevaarlijker is, omdat het zooveel makkelijker kan worden nagevolgd. Waar bleef toen wel die bezorgdheid? Men begrijpe mij wèl: ik acht er de Confessions en hun schrijver des te hooger om, dat toen die "bezorgdheid" er niet was. Zij is geheel out of season in een werk, dat nu eenmaal, zonder zich om de meer verwijderde en bijkomstige gevolgen te bekommeren, een biecht wil zijn en niets dan dat.—Máár—waarom dan alleen bij deze gelegenheid van dat standpunt afgeweken? Dàt geeft te denken—wat ìk heb gedacht!—Het is dan ook waarlijk wel volkomen te begrijpen, dat er onder de lezers van den Emile waren, die lezend wat hij daar omtrent de plichten van den vader leert—en niet wetend, dat de Hoogere Persoonlijkheid wel verwant met, maar toch een geheel andere dan de lagere is—minachtend hun schouders optrokken over 't geen zij voor huichelarij moesten houden, en de sarcastische noot daar ter plaatse, waarin de "petites bonnes gens" Cato en Augustus worden vergeleken met de "grands hommes de nos jours," die te gewichtige zaken aan het hoofd hebben, om hun ouderplichten na te komen, kortweg een onbeschaamdheid noemden.—Wat nu de werkelijke reden moge geweest zijn, 't geen wij thans niet zullen onderzoeken—hij-zelf heeft 't later voorgesteld alsof "les raisons déterminantes" voortsproten uit vrees voor en afkeer van Thérèse's familie—zeker is, dat hij, die hier terwille der jonge lieden zoo bezorgd was, in de Rêveries die bezorgdheid geheel heeft verloren en daar weer zegt, dat zijn verstand hem geen enkel verwijt doet, en dat indien hij er weer toe genoopt ware hij er nog met vrij wat minder aarzeling toe zou overgaan als destijds! Arme jeunes gens! Nu ziet ge dus, dat 't zelfs geen dwaling was.... Ik vrees dan ook, dat indien gij in het gelukkig bezit van een intrigante schoonmoeder en diefachtigen zwager waart, ge uw kinderen wel hals over kop, na het lezen diér passage, naar de zoo aangeprezen Enfants-Trouvés zult hebben gebracht![50]


Alvorens nu echter over te gaan tot het bespreken van het verband dat er tusschen de door mij thans aangetoonde verfraaiïngstendenzen in Mevr. Holst's psychologisch-biographische beschouwingen van de Rousseau-figuur, en den invloed van het marxistisch-aesthetisch systeem bestaat, zij het mij vergund ter aanvulling mijner voorafgaande, alle min of meer negatieve, opmerkingen, een zéér schetsmatig positief Rousseau-beeld te ontwerpen. Ik vertrouw dat daardoor de juistheid dier opmerkingen den lezer des te duidelijker blijken zal. Het aanbrengen van een paar trekjes slechts zal ik ook thans, ten einde niet in herhalingen te vervallen, moeten opschorten tot de bespreking van Thérèse Le Vasseur.

Ik geloof dan, dat de grondaard van Rousseau's persoonlijkheid een lichtelijk-pathologisch-erotische is geweest en dat daarin nagenoeg het geheele complex van eigenschappen valt op te merken, dat vaak bij zulk een erotischen aard behoort, zooals: actief-mystische aanleg, bij Rousseau wel is waar slechts ééns, maar zeer duidelijk en sterk blijkend, èn neiging tot mystiek gelooven; een hysterische behoefte de aandacht op zich te vestigen en—zeer typisch daarvoor!—altijd te klagen over zijn gezondheid, ook wanneer daar geen reden voor was; een onder-normale capaciteit om zich kennis eigen te maken, verergerend tot volslagen onmacht, zoodra hij onder leiding van anderen studeeren moet; onontvankelijkheid voor door anderen hem opgelegde discipline; snoep- en vooral daardoor diefachtig; vaak grootmoedig en vrijgevig, zooals de meeste niet alleen-sensueele maar ook geestelijk-erotische naturen—het lichamelijk-eruptive weerspiegelt zich namelijk vaak en gemakkelijk in hun geestelijkheid—; vaak berouwvol, doch het berouw weer wegredeneerend met hooggestemde uitweidingen over eigen deugdzaamheid en deugd in 't algemeen—sommige erotische neigingen en de laatstgenoemde eigenaardigheden vindt men in zeer verhevigde, maar daardoor ook zeer verduidelijkende projectie in Van Oordt's Warhold—dikwijls dus een mooiprater, die zich... met schrijven moest behelpen, omdat, alweer zeer typisch, hij een verward en moeizaam denker en zoo zwak van geheugen was, dat hij elke gedachte bijna onmiddellijk na haar geboorte vergat. Uit dezen aard, zooals bijna altijd, vergezeld van een zwakken ethischen wil—geen zwak ethisch bewustzijn!—en welke, omdat hij in een kunstenaar voorkwam, die als alle kunstenaars onwillekeurig en voortdurend zich-zelf zag en doorschouwde, noodwendig gepaard moest gaan en dan ook ging met beschaamdheid, timiditeit en min of meer groote vrees voor omgang met menschen; uit dezen vrij geringen aard dus, die eigen geringheid kende, maar óók eigen genie: die beïnvloed werd door het Scheppend Vermogen en, ook in de handelingen van het lager bewustzijn telkens reageerde op het feit, dat het Scheppend Vermogen door haar werkte—daaruit is, dunkt mij, alles en alles in Rousseau te verklaren. Dàn blijft hij niet langer een "vat vol tegenstrijdigheid"! Laat mij nu even deze beweringen, voor zoover zij bewijs behoeven en door het hun voorafgaande niet reeds bewezen zijn, aan sommige levensfeiten en daden van Rousseau toetsen. Indachtig aan het feit, dat deze psychologisch-biographische beschouwingen middel en geen doel in dit opstel zijn, zal de lezer mij wel de telegram- en horoscoopstijl in dit gedeelte willen vergeven, terwijl hij ook wel in het oog gelieve te houden, dat ook ik natuurlijk elke daad het gevolg acht van de wisselwerking aller neigingen en krachten der persoonlijkheid, die de psychisch-oorzakelijke sfeer dier daad kunnen beïnvloeden, en dat ik dus door het op den voorgrond brengen van enkele dier neigingen, die m.i. de hoofdoorzaak van een zekere daad vormden, den invloed der andere allerminst wensch te ontkennen.

Actief-mystische aanleg en neiging tot mystiek gelooven. Wat de eerste betreft: het visioen in Annecy. Hij zelf zegt daarvan: "Si jamais rêve d'un homme éveillé eut l'air d'une vision prophétique, ce fut assurément celui-la," en kenschetsend voor zijn luciditeit op dat oogenblik is 't geen hij er aan toevoegt: "et ce qui m'a frappé le plus dans le souvenir de cette rêverie, quand elle s'est réalisée, c'est d'avoir retrouvé des objets tels exactement que je les avais imaginés.[51] (Het verhaal van dit visioen is dan ook van niet te overtreffen en als onstoffelijke en volmaakt-verpuurde taal-schoonheid). Wat de tweede betreft: men zie 't voorval van het steenen-werpen naar een boom om zekerheid te verkrijgen of hij, zoo hij dan mocht sterven, verdoemd of zalig-gesproken zou worden (hij is dan 24 jaar oud):

... la peur de l'enfer m'agitois encore souvent. Je me demandois: En quel état suis je? Si je mourois à l'instant même, serois je damné?... Je me dis: Je m'en vais jeter cette pierre contre l'arbre qui est vis à vis de moi, si je le touche, signe de salut; si je le manque, signe de damnation. Tout en disant ainsi, je jette ma pierre d'une main tremblante et avec un horrible battement de coeur.... Depuis lors je n'ai douté de mon salut....[52] Men lette ook op het willen-neerleggen van het manuscript der "Dialogues" op het altaar der Nôtre-Dame.—Deze neiging, één of ten nauwste samenhangend in hem, met die van immer iets te verwachten van het wonderlijke, van het nu-nog-niet-te-begrijpen-onverwachte, dat straks komen en helpen zal, is ten deele oorzaak van zijn, in sommige gevallen, uiterst luchthartig gods water over gods akker laten loopen: Madame de Warens gaat zienderoogen financieel achteruit, hij—wel is waar onder het zelf-accompagnement van veel Warholdiaansche schoone plannenmakerij, betuigingen en speeches—blijft meeëten, pleizierreisjes maken en helpt zoodoende nog een beetje sneller den boel naar den kelder. Hij verklaart dan ook, nooit ongerust te zijn geweest, wanneer hij doodarm was. Ook zijn hierdoor ten deele een paar uitingen van zijn "délire inconcevable" te verklaren; zoo bijv. het kattenmuziek-concert bij de Treytorens: hij wéét, dat hij nagenoeg niets bezit van de technische kennis, vereischt om muziek te componeeren; hij wéét, dat 't dus voor iemand als hij aan het krankzinnige grenst, zoo iets te ondernemen; jawel, alles goed en wel, máár—de wonderbaarlijke hulp op het beslissende oogenblik, wenkt hem in de vage verte... alles zal wel terecht komen....—En zoo ook: het verlaten der Gouvons, zonder eenig bestaansmiddel dan: de goocheltoertjes met een fontaine de Hiéron! Toch worden deze buitensporigheden, zooals ik reeds zei, slechts ten deele door bovengenoemde neiging verklaard. Zij komt immers in tallooze personen voor, zonder hen zoover te brengen. Om dat wel te kunnen is het dan ook noodig, dat zij enorm en op een geheel eigenaardige wijze wordt versterkt door een haar bijna gelijke, maar uit geheel andere bron ontspringende eigenschap, welke alleen in hen wordt gevonden, door wie het Scheppend Vermogen werkt, of die psychisch voorbestemd zijn, dat het door hen werken zal: artisten. Kunstenaars zijn namelijk zulke menschen, die in hùn bewustzijn voortdurend gaven ontvangen van het hun-Onbewuste; die voortdurend in hùn bewustzijn tooneelen beleven, beelden zien oplichten, welke zij niet hebben samengesteld of gevormd; in 't kort: die allerlei onverwachts in zich-zelf zien gebeuren. In zulke menschen leeft daardoor de neiging, ook in 't dagelijksche leven hunner lagere persoonlijkheid, allerlei dingen van het niet-ik te verwachten, welke een gewoon mensch er nimmer van verwachten zou.[53] En deze neiging bezit hun lagere persoonlijkheid reeds voor het Scheppend Vermogen zich in haar openbaart. Zonder die neiging zou de gewenschte verhouding van den lageren mensch tot zijn hem beheerschend genie niet mogelijk zijn. Zij maakt den eerste geschikt voor het nederig-receptieve, en voor de zelfvergetelheid-in-aanvaarding van de gaven van het laatste! Zulk een mensch, zulk een kunstenaar nu was Rousseau. En in de aanwijzing dier samenwerking van beide genoemde neigingen in hem, ziet de lezer dus niet slechts zulke uit zijn "délire" voortkomende daden als de hier beschouwde, verklaard, maar hij heeft daardoor tevens gelegenheid gehad, in een paar voorbeelden op te merken, het reageeren der lagere persoonlijkheid, in hare handelingen, op het feit, dat het Scheppend Vermogen door haar werkt of werken zal.—

Als ten dééle veroorzaakt door zijn moeizaam denken, of liever: door zijn nièt-kunnen-denken in sommige gevallen—alles wordt dan één chaotisch-warrelende zinneloosheid in zijn brein—blijkt ook het geval-Marion te moeten worden beschouwd: het vermiste lint wordt bij hem ontdekt; de schrik sláát zijn denkvermogen; het feit, dat hij 't haar ten geschenke wilde geven—dit heeft hij zelf verklaard—doet nog de reddende gedachte in hem opspringen, te zeggen, dat hij 't van haar gekregen heeft, maar dan is 't ook uit met denken in zijn verwilderd brein; dan treedt de chaos in: zelfs de angst voor de schande bestaat dan niet meer in hem: hij is als een locomotief, die geen bestuurder meer heeft en door alle wissels heen rijdt en alles reddeloos vermorzelt op zijn weg, hij is een menschelijke machine, die alleen herhalen, zinneloos herhàlen kan wat hij eens heeft gezegd. Maar let wel: zonder het ethisch defect ware de primaire gedachten-associatie niet in hem ontstaan en, indien al ontstaan, onmiddellijk neergeslagen, gelijk hij ook, daarzonder, een uur later tot bezinning gekomen, naar den Comte de la Roque ware gegaan, om dien alles te bekennen, of zooals ik reeds vroeger zei, later gepoogd zou hebben te herstellen wat nog te herstellen viel.—

Het geval Le Maître kan ten dééle worden verklaard uit chronisch angstgevoel voor de menschen, dat niet anders was dan de vrees, zijn eigen lagere persoonlijkheid, wier betrekkelijke geringheid hij-zelf zoo wel kende, door de menschen te laten doorzien; chronische angst ook voor geestelijke degenstooten, die hij te traag-denkend was, om bij tijds te kunnen pareeren. En op sommige oogenblikken, oogenblikken gelijk er toen een was, werd die menschenvrees acuut. Toen hij die menigte daar zag, zich verdringend om hem en dien bezwijmden man, de vreemdheid van de gelaten, van de huizen, van àlles, hem, den hulpelooze en verwarde, koud-ondervragend aanstuurschend, moet hem die onredelijke angst adem-benemend in de keel gekropt hebbend, verwilderend in zijn denken gestegen zijn! Als bij een kind, dat verdwaald om moeder huilt, flitst dan, in die felle benauwing de reddingsvolle gedachte aan het zoo lieve en zachte tehuis bij "Maman" in hem op. Het wenken van de veiligheid, van het voor harde vreemden afgesloten intieme, is dan tè groot, tè verlokkend: hij snelt weg. Ten deele, zei ik, is die daad uit dit alles te verklaren, want zonder het zedelijk-defecte in hem, zou, in dit geval, de menschenvrees het plichtsgevoel niet hebben kunnen overwinnen.—

Wat nu de hysterische behoefte betreft, de aandacht op zich te vestigen: deze heeft niet alleen aanleiding gegeven tot allerlei onschuldige pueriliteiten, zooals hoogstwaarschijnlijk het dragen van Armenische kleeding, e.d., die nog met een weinig goeden wil kunnen worden geacht, uit ijdelheid voort te komen, maar ook tot ernstiger dingen, als het vragen om hulp, zonder die noodig te hebben—van uit Ermenonville—; het klagen over zijn kwaal, ook in een tijd, dat hij bergtoeren ondernam en niemand van zijn omgeving iets van ziekte of ongemak bij hem kon bespeuren;[54] het bekoesteren van het martelaarschap, zijn, volgens geloofwaardigen, sterk-overdrijven van de "lapidation" te Motiers,[55] benevens, voor een goed deel tot die handelingen welke Dusaulx vlijmend-juist kenschetst met de woorden: "Il partit donc, quittant celui dont il avoit fait la conquête.—

Alles samenvattend kan men zeggen, dat Rousseau's leven vooral tragisch is geweest door de worsteling van zijn betrekkelijk-geringe lagere persoonlijkheid met zijn geweldige Hoogere, zijn edel Genie. Een gering mensch, die telkens als hij iets doet of denkt wat tot die geringe natuur behoort, plotseling de diepe, treurige oogen van een Christus op zich voelt gevestigd, die hem overal begeleidt. Maar meest openbaarde het zich niet zoo in zìjn bewustzijn, hij voelde vaak slechts als een terughoudenden ruk, maar wist niet wie daar rukte; een verkillende tot bezinning brengende greep, en hij wist niet wie daar greep. Zoo heeft hij ook nooit de grondoorzaak van zijn zonderling gedrag bij de schoone Zulietta in Venetië doorvoeld. Deze was die grondoorzaak. Midden in een hartstocht-opwelling viel soms een ijzige kilte op hem neer... hij bezon zich en dacht dan koel, plotseling een ander mensch, aan allerlei dingen.... En hoe kwam dat nu toch in hem.... waarom moest hij nu zoo vreemd-koel denken?... zoo mijmerde hij dan, al het andere dáárvoor vergeten... maar hij wist het niet, en een vreemde schaamte kwam in hem, die toch nauwelijks schaamte was, en hoe hij ook wroette, hij kende niet, hij vond niet de oorzaak van dat alles.... Dan ontwaakte hij, zag iemand, die hem uitlachte, en werd dan eerst recht beschaamd en verward.—"Lascia le donne e studia matematica," voegt Zulietta hem verachtelijk toe. Ja, ja, zoo kon zich zelfs deze op dit punt zoo zeer ervaringrijke jonge dame vergissen! Want ik geloof, dat van nature Rousseau wel voor niets minder dan "matematica" en voor niets meer dan "le donne" geschikt was!

Zeker, zijn gevoel van niet te passen in die koud-vernuftige, gevatte, geestige kringen der encyclopaedisten, der plutocraten en van den adel; zijn bewustzijn van daar niet tegen op te kunnen en een ongelukkig figuur te slaan; van behept te zijn met den echten esprit de l'escalier, dat alles noopte hem de maatschappij te vlieden. Maar toch, het dient gezegd: wat hem verbitterde was niet alleen gekrenkte eigenliefde, maar ook beleedigd rechtsgevoel. Het was onrecht, zoo moet hij 't gevoeld hebben, dat hij, het genie, "balourdises" zei: niet alleen niet wist te schitteren in de salons, maar zelfs niet één woord bijna zeggen kon, of hij ontdekte later, een domheid te hebben gezegd; het was onrecht, dat die anderen, zijn minderen, aldus over hem heerschen konden, in stede van hij over hen. Arme Jean-Jacques! Hij geleek een koningszoon, die door een boozen toovenaar veroordeeld is, in de gestalte eens geringen door het leven te gaan. Slechts op die oogenblikken, zoo heeft de wreede gezegd, als het onbaatzuchtig genie van een waarachtig en goddelijk heerscher in u komt en ge dàt zult moeten uiten, hetzij in spreken of in schrijven, dàn zal het u gegeven zijn, uw verheven vorstelijkheid te doen schitteren; maar te anderen tijde.... waar de luister uwer princelijkheid u-zelf den omgang met medemenschen tot een rijke en zoete vreugde zou maken, dan zult ge een geringe zijn....—Maar o, lezer, was die booze toovenaar wel een toovenaar en boos? Was hij niet de alwijze Noodwendigheid, wier werken immer zijn te prijzen? Want indien de mènsch Rousseau, de ijdele en sensueele, ook de lagere geneugten zijner vorstelijkheid had kunnen genieten, zou hij dan daarin niet zijn ondergegaan? Of zoo hij al een groot kunstenaar ware gebleven, zou hij wel Rousseau, de Leeraar der groote revolutie, het zwaard, de ploeg en de zaadkorf der armen en verdrukten, het lichtbaken der volgende geslachten geworden zijn?....

En nu: wàt heeft de verfraaiïngstendenzen ten opzichte der Rousseau-figuur in Mevr. Holst veroorzaakt? Wel, dunkt mij, niets is duidelijker: het pogen de synthese tusschen hoogere en lagere persoonlijkheid langs den historisch-materialistischen weg te bereiken. Indien men het kunstwerk in zijn geheel, maatschappelijk- en psychisch-geologisch, om 't nog eens weer zoo te noemen, uit de productieverhoudingen en de lagere persoonlijkheid wil verklaren en daarbij tevens aanneemt, dat er in die lagere persoonlijkheid niets aan maatschappij- of natuur-invloed aanwezig is, dat niet zijn uiting vindt in de schepping der Hoogere, 't geen Mevr. Holst, de marxistische aestheticus, inderdaad meent; indien men wat wij den aanleg, het talent, het genie noemen, in zijn volle kracht en schoonheid der menschelijke, lagere persoonlijkheid acht te ontstijgen, en daarbij tevens aanneemt, dat er niets in die lagere persoonlijkheid aan neigingen, krachten en zwakheden aanwezig is, dat niet de een of andere wijziging in de scheppingsbeweging-zelf van het talent of genie te weeg brengt, 't geen Mevr. Holst inderdaad meent; indien men dan ziet, dat er in het werk van dat talent of genie, meeningen worden voorgestaan, theorieën verkondigd, die in de menschelijke keuringssfeer "goed" of "zedelijk" en dat wel in den hoogsten graad heeten, terwijl er daarentegen geen enkele theorie of meening in wordt verkondigd, welke in die sfeer "slecht" of "onzedelijk" wordt genoemd—dan wordt men er immers onweerstaanbaar en onbewust toe gebracht, de "onzedelijke" en de "niet goede" dingen der lagere persoonlijkheid niet, of zoo microscopisch-klein te zien, dat het dáárdoor verklaarbaar wordt, dat zij geen merkbaren invloed gehad hebben; dan wordt men er dus immers onbewust toe gebracht de lagere persoonlijkheid te verfraaien! In hoeveel vrijere positie komt men daarentegen ten opzichte van het kunstwerk en de lagere persoonlijkheid des kunstenaars te staan, indien men aanneemt zooals ik, dat door haar algemeene ontvankelijkheid voor bevruchting, de lagere persoonlijkheid eens kunstenaars het Scheppend Vermogen aantrekt, zooals aarde zaad, en de bloem den bestuivenden vlinder, maar met dien verstande en met die beperking, dat zij slechts die scheppende krachten kan aantrekken, wier aequivalenten in menschelijk-onvolmaakten staat, maar in voldoend-sterke mate, zij-zelf in zich heeft. Zoo was Rousseau's lagere persoonlijkheid grootmoedig en medelijdend; zoo was zij erotisch; zoo blaakte zij van een ontembare vrijheidsbegeerte en kon den geringsten dwang niet dulden. En deze eigenschappen waren sterk genoeg in hem ontwikkeld, om de aequivalente krachten der Scheppende Natuur tot zich te roepen. En zoo verschenen deze dan ook, in-zichzelf-volmaakt, puur en eeuwig, in zijn werk. Zoo werd hij dus een edel revolutionnair denker en een erotisch-bewogen kunstenaar.—Waar nu, vraagt ge, is dan bijv. de geringheid van zijn zedelijke wilskracht gebleven? Maar, natuurlijk waar zij blijven moest: in zijn lagere persoonlijkheid; omdat zij iets louter negatiefs was: een tekort aan zedelijke kracht, een zwakheid, die haar positieven vorm: "misdadigheid" niet kon zijn en dus niet krachtig genoeg was, om haar scheppend aequivalent tot zich te roepen. Ware dat wel het geval geweest, dan zou Rousseau inderdaad kunstwerken hebben geschreven, gelijk zoo menig kunstenaar heeft gedaan, welke in de menschelijke ethische keuringssfeer onzedelijk of misdadig zouden zijn geheeten. Nù kon die zwakte van zijn zedelijk willen, uitsluitend eigenschap van de lagere persoonlijkheid blijvende, slechts kunstbedèrvend werken. Zij moèst dat niet doen, zij kòn het doen en hééft het gedaan, zooals wij bij de behandeling van Confessions-fragmenten hebben bemerkt. Voor Mevr. Holst echter, die in Rousseau's Scheppend Vermogen, evenmin als wie ook, iets van dat zedelijk-defecte zag of kon zien, bestond het dus, op grond van haar leerstellingen, ook in zijn geheele persoonlijkheid slechts in niet noemenswaardige mate. Aldus neem ik aan, is nu voldoende aangetoond en ontleed, hoe nadeelig een invloed de marxistische aesthetiek op Mevr. Holst's psychologisch-biographische Rousseau-beschouwingen heeft geoefend en op welke wijze dit is gebeurd. Maar één twijfel, die te dien opzichte nog in mijn lezers kan bestaan, dien ik weg te nemen.

Een feit is het, dat, zooals ik vroeger elders heb aangetoond,[56] Mevr. Holst wel in zeer hooge, wellicht de hoogste mate die kracht van liefdevolle overgave aan te beelden figuren bezit, welke een groot menschenschepper mòet bezitten, maar dat iets anders, dat dezen even onontbeerlijk is, haar ontbreekt: het aangeboren bewustzijn van den heerscher, dak zich zelf ongerept, in die overgave, bewaart. Zoowel de heerscher als de minnaar moeten beiden in den grooten menschenschepper leven: de eerste mòet blijven keuren, overwegen en rechtvaardig beschikken, hoe hartstochtelijk ook des laatsten liefde zij. De lezer nu, die aan dit alles denkt, zou dus niet zonder schijn van recht kunnen vragen: moet veel van wat hier aan de historisch-materialistische aesthetiek werd verweten, eigenlijk niet worden toegeschreven aan het feit dier liefdevolle, maar onbeheerschte overgave; aan het feit, in één woord, dat Mevr. Holst een groote lyricus, maar volstrekt geen epicus, geen menschenschepper is? Maar indien hij slechts even let op het enorm verschil in eigenlijke mensch-beeldende kracht, zooals eenerzijds bijv.: de romanschrijver, die naar het òndoorlichte leven beeldt, van noode heeft, en anderzijds de psychologische biograaf, die kunstwerken, d.i. het doorlichte leven, en ander reeds bewerkt materiaal slechts opnieuw bewerkt, dan zal hij-zelf niet aarzelen die vraag ontkennend te beantwoorden.


Beschouwen wij nu Mevr. Holst's Thérèse Le Vasseur. En ik durf bij voorbaat beweren, dat, zóóals hier den lezer het verderfelijke der marxistische aesthetiek zal blijken, het hem bezwaarlijk elders blijken kan. Hebben wij gezien hoe deze aesthetiek onze schrijfster er toe bracht den mensch Rousseau te flatteeren, thans zullen wij zien hoe dit tot noodzakelijk gevolg had, dat ook Thérèse Le Vasseur geflatteerd werd en wel in een nog zooveel sterker mate dan Rousseau-zelf, dat ik geen oogenblik aarzelen mag, de psychologisch-biographische beelding dier figuur volslagen onjuist en pueriel-goedgeloovig te noemen.

Waarom of het eerste 't laatste tot noodzakelijk gevolg had? vraagt ge. Och, gelieve maar even naar mij te luisteren: Mevr. Holst werd door haar proletarisch-voelen—waarvan ik de diepte en uitingsschoonheid in 't tweede hoofdstuk dezer studie zoozeer bewonderd heb—er onweerstaanbaar toe gedreven Thérèse te verdedigen.[57] Haar intuïtie zei haar zeer te recht, dat die verdediging met vrucht te voeren is. Maar wat haar intuïtie haar niet zei—omdat deze te dien opzichte verzwakt was door haar onbewuster tendenz, Rousseau te flatteeren—is: dat die verdediging van Thérèse alleen te voeren is ten koste van Rousseau. Om haar nu desalniettemin toch door te zetten werd het noodig ook Thérèse veel edeler voor te stellen dan zij was.—Toetsen we dit alles nu aan Mevr. Holst's boek, de historische feiten en de gevolgtrekkingen, die daaruit redelijkerwijze kunnen worden afgeleid.

Voor Mevr. Holst is Thérèse de nederig-dienende zorgzaamheid in Rousseau's leven geweest, heeft zij de materieele basis gevormd, waarop bijv. de "schoone, zacht-gelaten levens-philosophie in zijn laatste geschrift" heeft kunnen bestaan. Er is hierin veel waars. Jawel, maar luister nu eens even naar wat onze schrijfster verder zegt: