Hij stortte als een bewustelooze ineen, met zijn gezicht op den grond, de armen wijd uit, gelijk een menschelijk kruis.

Of: heel die ruzie in de Wijde Gang met die Danteske visie:

Traag, tegen de grauwe muren, kroop de donkerende en grillige middagschaduw als een uit de aarde groeiende schim, 't heele Gang-brok omgrijpend in scheemrende versombering.

Met zijn ook Danteske beeldingen van gedrochtelijke verwringingsstanden van de kijvende buurvrouwen uit de bovenvensters. Of: de tocht op de Zuiderzee; de Hartjesdag; het zwoegen van de sjouwers aan de Wester-Suikerraffinaderij, en vooral niet te vergeten dat juweeltje, dat prachtige, dof-avondlijke idylletje van de kanaries langs Gijs' kroeggevel. Maar jawel, zoo zou ik wel kunnen doorgaan!...

Laat ons liever even de psychologie in het boek van nabij bekijken: In de analyse van Stijn Burk is waarlijk het onovertreffelijke gebeurd. Deze in zichzelf onwaarschijnlijk gecompliceerde mensch, is door de beelding tot een persoonlijkheid geworden, wier leven je niet alleen voelen en tasten kan, maar wier leven je voelen en tasten moet en dat je obsedeert als een onwegduwbare, ontzettende werkelijkheid van den allereersten rang; dat niets onberoerd in je laat; afgrijzen èn een wijd erbarmen, haat en liefde, alles, àlles in je òproept. Want men zie eens dezen woesteling, die bijna zijn zwangere vrouw doodtrapt, zijn kleine kindje naar bed brengen:

Reeds vroeg in den avond zat Sientje op zijn schoot, al zette hij haar telkens op 't stoofstoeltje wanneer er volk inkwam. Met kleine ronde slaapoogjes speelde ze, maar tuimelde telkens tegen de uitgelegde koffiela van den molen, in slaap.

—Mot Siennetje soà ... pies goan?

—Nei ... nei ... drensde ze, terwijl ze weer knikkebolde.

Langzaam ontkleedde Stijn 't kind, nadat hij Koentje ook naar bed had gedragen, met 'n verzoend bakkesje.—Hij was bang dat ze, verveelderig, tusschen slapen en waken zou gaan drenzen. Heel omzichtig moest hij te werk gaan.—Bij elk kleedingstuk, dat hij loshaakte of uittrok, verzong z'n zware stem een mal zinnetje. (Ik sla hier een stukje over v.C.)—Nou ... 't jukkekie ... zong Stijn, omzichtig half-slapende Sientje uit haar rokje werkend ... en nou ... 't siemesetje.... Sau fraàfe de férkies ... de snoetjes!... rrr!... rr!... nou ... 't hàlshempie ... toktoktok ... hòat! sie!... wècht! stoute fliegie ... mô jèi bromme ... in 't auretje fèn liefe Siennie!... Nou ... 't boaije rokkie ... mit 't laàfie!... sss!... sss!... sòejessssse!!... sss ... sss!... hoal-àufer!... nou 't witte rokkekie ... soe ... je ... soe ... je hoal-àufer!... nou 't broekekie ... hoal-àufer!.... en Siennetje is 'n soete schèt!...

—Fèn sau'n mèskeroade hep ikke nie terug ... lachte Neel om Stijns kunstig zoethouden van Sien.—Bij Lien, Mien of Jansje griende ze altijd, in slaap-gestoorde kribbigheid. En nu had ze zich door Stijns zachte deuntjes-stem heelemaal laten omzingen. Zonder een knorretje was bleek Sientje knikkebollend op zijn arm ingeslapen en droeg hij haar de duffe achterkamer in. Muis-stil hipte Stijn in 't alkoofje terug en luisterde of ze drenzen ging zoodra ze vader niet meer tegen zich op voelde.

Men peile ook de diepte van deze analyse van Neel's zuster, de perverse Dien:

Dien was niet alleen jaloersch op haar man, maar werd gepijnd van afgunst op àlle voorspoedige en gelukkige dingen in 't leven van anderen. Dit had ze van moeder Scheendert, hèt stuk chagrijn vroeger van de buurt. Dien leek met gegiste moedermelk grootgebracht. Het twistzieke, humeurig omkantelende van haar wezen las ieder dadelijk van haar gezicht. En liegen, schel en roekeloos liegen kon ze met strakke koon-effenheid, als de wijzerplaat van een kaduuk weegtoestel. (Welk een prachtig beeld is dit, en zoo voortreffelijk passend in den toon van het beschrijvingsgeheel! v.C.) Allerlei vurige en fantastische uitdenksels kon ze met zoo'n hartstochtelijke, bijna boosaardige driftigheid vertellen, dat zij ze zèlf gelooven ging en niet meer vermocht te leven zonder die schielijke leugenarij; voor haar waàrder dan de nijpendste werkelijkheid. Ze hield van 't liegen òm 't liegen. Het werd haar een fel, brandend genoegen te jokken. Ze kreeg zoo'n angstige vreemdigheid over haar wezen als ze loog en later betrapt werd. (Ik oversla een klein stukje, v.C.) Ze kòn nooit iets vertellen, zooals 't gebeurde. En wanneer zelfs haar leugen werd aanvaard als 'n feit, morrelde ze dat den volgenden dag weer los, omdat 't dàn te waar geworden was.

Zooals meermalen in het boek, doch veel minder dan in des schrijvers vroegere werken, is er ook hier in het door mij overgeslagen gedeelte als een herhaling, een overtolligheid, maar het is en blijft voor mij de vraag, of die herhalingen en overtolligheden van een hooger plan dan het gewoon-zinsbouwkundige beschouwd, wel overtolligheden zijn. Men vergelijke hierover mijn artikel over de Studies van dezen auteur, in De Ploeg.[14] Maar bovendien: nimmer heb ik indringender analyse gelezen, vooral dat laatste door mij gecursiveerde....

Wil men een staaltje van wat ik zou willen noemen: plastische psychologiek? Ziehier dan iets over het Jordaansche volk (de verklaring hunner saamhoorigheid, van het niet dulden van vreemde invloeden in hun kringen):

Ze waren van één ras, eene klasse, door eenzelfden levensgolf rondgezwabberd, naar vóór gestooten, naar achter gekanteld op één plek grond.

Of betreffende de waarzeggende "Tante Antje":

Ze waren waarlijk bang voor die vreemde, strak-starende, meer luisterende dan kijkende oogen.

Of wenscht men een enkel bewijs voor mijne bewering, zoowel dat de dialoog in dit boek zoo voortreffelijk is als dat het zulk een rijkdom aan kernige volksuitdrukkingen bevat? Laat mij dan even dit citeeren:

—Vijf van de tien ... vroeg kort-krachtig 'n lichtmatroos, even de sabelbeenen uitgebogen.—

—As je blief Teun....

Vriendelijk hielp Neel nu en vroeg of hij weer honk had.

—Soo je siet moeder....

Zijn stem zong zwaar en vol in 't zonnige winkeltje.

Twee vrouwen loerden uit, bekeken den frisschen, kraakzindelijken matroos-eerste-klas.

Sèl ik stikke.... d'r hei je Teun fèn de Hoarlemmerdaik,... seg ouwe robbeklopper ... wèt bi jei grausig ... jei hep ereis auk wel ereis slinger gefreite!... je laikt me wel 'n kesse-me-jeu....

De matroos keek beduusd, zocht naar naam en wijf in zijn herinnering.

—Nei,... dèt ken ik nie kroppe.... Wèt heb ik nou èn de hènd!... kè je Annemie niet meir.... Annemie uyt de Orènjestroat?... noù, diè kachel brent ... segge d'r seife stomme te g'laàk!... kaàk saàn is kaàke!... goa ik 'r àn?

Plots schoot bezinning bij den matroos terug.

—Nou hep ik je mins!...

—Hou fèst ... spotte een uitdraagster met 'r handen op 'r heupen, de armen als hengsels.

—Annemie van Arie-stront-an-'t-sweepie.... Nou hep ik je ... f'rdikt ... 'n goeie naam is beter as olie.... die drijft nie weg....

Met 'n gullen lach sprong hij bij en drukte zwaar haar handen.—

Neeltje lachte tegen den knappen matroos, die er zoo frisch uitlichtte met zijn blauwe jas, gouden knoopen en witten braniekraag.

Al de vrouwen verbabbelden nu wat met Teun van den Haarlemmerdijk, prettig beroerd door z'n volle stem en z'n zeemansgullen lach.—Hij lei iets zonnigs open in hun hart, als zomervruchten in een ziekenkamer. Het was altemaal open leven, frisch en frank.—

—Het is hier nog desellefde saaite ... verlachtte zwaar z'n stem weer; ... voor 'n bloote riksdaalder sou ik hier nie weer terug wille.... De wind komp hier dwars op je af ... je ruikt hier niks as bakolie ... en fan bove en van beneje hoor je niks as geroep en gekakel.... Dan lieferst an de Suidsei stijf....

Hij lachte en zijn oogen vonkten van de pret.

Annemie lachte mee en de andere wijven ook.—

Neel verknutterde zich in zijn warme, zangerige stem.—Nog 'n ander slag man dan haar suffe Stijn.—Maar Annemie voelde haar buurt bekeven.

—Alleminse ... wét bi jei grausig....

—Ja mins, as 'n roer goed is ken je teuge 'n raauw weertje ... ik ben d'r lieferst op de oceaan as hier onder de walm.... Nou beste siele ... ik licht me anker ... ajusies.... Annemie ... de vijf!...

En heeft men ook op het fraaie door mij gecursiveerde beeld gelet? Munt het niet uit door een prachtige waarachtigheid?—

Ongetwijfeld vormt de beelding van het moederschap van de diep-nobele Neel Burk, die de mogelijkheid van blind-worden trotseert, om haar kind te kunnen zoogen, en haar eindelijke, door een eigenaardige—met diep mystisch begrip door den auteur doorvoelde—zekerheid in haar-zelf vóórzegde, triomf, een van de meest lichtende gedeelten van het boek, maar toch: grooter vreugde schonk mij het gemoeten van dat vrijwel nieuwe element in Querido's werk: het beelden van het kinderleven. En zoo er ooit sprake mocht zijn van een coup d'essai, die een coup de maître was, dan is het hier:

Siempie, die bij Mientje geslapen had, klom stiekem naar de spelenden over. Maar Daantje duwde hem heftig bij zijn blond kopje terug.—Zacht begonnen weer de stemmetjes òp te giebelen. Daantje krabbelde Koentje in zijn hals; Pietje sprong dwars over Sientje en Siempie pakte de beenen van Pietje, die in de lucht zwalkten, met de, er los bij bengelende kousen vol gaten. Weer probeerde Siempie in te klimmen.—

Nei!... hield hardnekkig Daantje vol ... jei, jei ... bin nie trônke ... jei nie ... jei kè nie ... swaaije....

—Mò je eirst slokkies kaupe ... doar ... wees Pietje met haar klein armpje langs Stijn heen, naar een hoek bij de tafel.

—Die heb nog nie aupe ... verdedigde zich Siempie, rillend van kilte in zijn onderbroekje.

—Kaup se den bei maan ... slokkies?... hoefeul?... gierde Pietje, doende alsof ze inschonk.

De zusjes en broertjes gilden en tierden weer als vóór Neels waarschuwenden snauw, die ze even zoo plotseling had stil gemaakt.—Jansie, éérst het bezonnen en bedillende kind-moedertje, had langzamerhand al haar waardigheid ingeschoten, lachte en stoeide nu zelf om 't hardst mee. Ze verdubbelde zelfs de rollen, morrelde er een heele comedie omheen.

—Nou mot jei.... Siempie ... schobber uytjouwe ... hitste ze naar Sien,... en jei ... leileke neitekles! roepe ... en den.... sèl ikke.... sie je.... sèl ikke je arrestere.... bei Swèrte Jèns haur ... ikke bin peliesies.... Enne ... enne ... jei bin auk peliesies ... haur!... stookte ze Siempie op.

Maar dan vooral dit (Pietje, het kleine dochtertje van Stijn en Neel, mist de jonge poesjes, die verdronken zijn):

Maar Pietje bleef heel angstig en huilde met zachte snikjes.

Werendig moedertje,... suste Neel,... de poessies binne femorrege gehoald, faàn!... mit sau'n hauge figelènte ... se wasse siek.... 0! sau siek! liefeling, en nou ... nou binne se ... in 't kètte-gèsthuys....

—Enne ... enne ... vroeg blond Pietje met goddelijke onschuld-oogjes er tegenin ... 'k hèp 't nie gehaurd?...

As jei sloap kè je ommers nie haure,... moedertje,... se legge àllegoar in faàne mandjes ... maor nie oks! deigelik woar ... moedertje ... asse beiter binne ... mèg je se weir sien....

Pietje liet haar wit, versmoezeld boezelaartje van de huiloogjes zakken en snikte verstild in smart, nog maar kleintjes met enkele schouder-schokjes.—

—Enne poes ... dèn? vroeg ze weer met aarzelend stemmetje, zich omweven voelend van onbekende dingen, alle gebeurd in haar donkeren slaap.—

Neel keek Stijn aan, lachte verborgen naar een buurvrouw, die net inkwam om een half pond zout. Dadelijk greep Neel naar haar, om steun.

Niet tènte Truy?... binne de poesies femorrege nou niet afgehaold?

Achter Pietje draaiend, maakte ze naar buurvrouw een inlichtend grimas....

—Nou!.... zei die, óver-geloofwaardig haar, "nou" beklemtonend, zonder te weten, waarover 't eigenlijk ging.

—In 'n figelènte nie?...

—Sau mit raud fleweil!... pronkte buurvrouw erbij.

—En binne se niet naor 't kètte-gèsthuys gebracht?

—Sèlf meigereije!...

Pietje keek heel angstig-onderzoekend nu, achter 't toonbankje staand, de lichtblauwige oogen volgestroomd met goudglans van het gas, dàn naar buurvrouw, dàn naar moeder op.

Ja, ze geloofde nu alles plechtig. Poesies ... waren ziek, lagen in 't gasthuis. En werden teruggebracht als ze beterden.

—En toen ze nu, even in de winkelstilte, weer het klaag-miauwen van de gejaagd rondsnuffelende kat hoorde, in 't gangetje, holde ze op een drafje van de toonbank weg naar het dier en riep met troostend, fijn vlei-stemmetje:

—Stil poessie ... stil moar ... je kindertjes binne siek ... se komme t'rug asse beiter binne....

Neen, dit kan niet overtroffen worden, daar voel ik mij zoo zeker van als van het feit, dat wanneer geslacht na geslacht telkens en telkens weer dit onsterfelijke boek zal lezen, dit boek, dat zonder den geringsten opzettelijken tendenz van even groot sociaal als literair belang is, en een twijfel in zich mocht voelen opkomen aan de dan verdwenen werkelijkheid van die poel van ellende en verwording, waarin een groot deel van Amsterdams hardst-ploeterend volk aan het begin van de twintigste eeuw nog verzonken lag—dat dan zelfs één klein stukje als het zooeven door mij aangehaalde voldoende zal zijn om elken twijfel te smoren: een klaar en zuiver gelaat gelijk, tot een duldenden, zekeren, wijzen glimlach bewogen, zal de diepe menschelijkheid van dit boek den twijfelaar aanzien, en deze, het hoofd buigend, zal, blijde en veilig in het geluk van dit visioen, zacht tot zichzelf zeggen, dat zulk een menschelijkheid niet anders dan wáárheid kan zijn....

ELSE JERUSALEM: HET ROODE HUIS.

Mag men ook het machtige boek van Else Jerusalem, Het Roode Huis, als een symptoom van het krachtig opgestane epische genie der Joden beschouwen? Wat mij betreft, aarzel ik geen oogenblik die vraag bevestigend te beantwoorden: het is bijna onmogelijk, dat de schrijfster, alles in aanmerking genomen, geen Jodin is! Ook in dit werk is het heerschersbewustzijn aanwezig, maar gedeeltelijk, niet zoo volkomen alles doorstralend als bij Querido. Deze bordeelroman, een aanklacht als nauwelijks een andere tegen onze samenleving en tevens zoo fel en scherp een beeld ervan, dat wij als plots met een schok van ontzetting doorvoelen, dat het gelaat harer misdadigheid, zooals wij, lichtgeloovigen, dat kenden, slechts een welgelukte grime is, die oneindig satanischer en meer verworden trekken moet verhullen—deze prachtig-zuiver geschreven, van alle pornografische effekten en lagere bedoelingen ver gehouden roman, kan ongetwijfeld, wat sociale belangrijkheid betreft, naast De Jordaan worden gesteld. En ook wat dramatisch inzicht betreft. Niet licht zal men de moeder vergeten, die in haar kind vrijwel niets anders ziet dan middel tot wraak op den vader, die haar en met haar, onwillens het kind verstooten heeft. Niet licht ook de duldende Janka—de nicht van den verleider, den "prins," den schatrijken heereboer—die met de verstooten moeder en het kind is weggevlucht en zich met hen in een bordeel heeft laten opnemen, niet alleen uit liefde tot de verstootene, maar ook uit een soort van duister gevoel dat zóó, door zelf met de in het verderf gestorten te lijden, de schuld van haar verwant, den verderver en verleider, door haar gedelgd en van het geslacht kan worden afgewenteld. Maar wat de psychologie betreft—schoon nu en dan de hoogste voortreffelijkheid rakend, soms ook rhetorisch-oppervlakkig en vaag—en wat de dialoog aangaat—vaak veel te redevoeringachtig-opzettelijk—en vóóral de beschrijvingskunst—heel vaak vieux jeu—staat het ònder Querido's werk. Compositorisch is het echter weer uitmuntend. Dat het heerschersbewustzijn, zooals ik reeds opmerkte, niet overal in voldoend-sterke mate aanwezig is, zou men kunnen demonstreeren o.a. aan de figuur van Madame Goldscheider, de gewikste waardin, tegen wie nu en dan, zeer ten onrechte, door de schrijfster wordt opgezien, en die door haar merkbaar wordt overschat. Doch dat alles neemt niet weg, dat het werk als geheel straalt van een groote epische genialiteit, een onverschrokken eerlijkheid, een ontembare kracht en een psychisch geluk om eigen vast en zeker kunnen. Het is als een geweldige kerel, die, opduikend uit een moerassig water, handen en gelaat beslijkt, de kleeren gescheurd, maar de oogen stralend van triomf, met een bijna-verdronkene in de armen, den oever bespringt. Mevrouw Barentz-Schönberg, die het prachtige boek op de haar eigen uitmuntende wijze vertaalde, heeft daarmee een goed werk gedaan, niet alleen, omdat zij daardoor den der duitsche taal onkundige de lezing van een sterken kunstarbeid mogelijk heeft gemaakt; niet alleen, omdat zij ons weer eens heeft doen gevoelen, dat de modderige stroom onzer maatschappij zijne groenende en reddende oevers der toekomst heeft, maar vóóral, omdat ons met dit maatschappelijk beeld van elders een waarschuwing bereikt, welke allerminst onder de aanstaande heerschappij onzer gebenedijde "Zedelijkheids"-wetten overbodig heeten mag!—En om dit alles nu kan ik dan ook dit boek mijnen lezers niet sterk genoeg aanbevelen.

L. SIMONS: STUDIES EN LEZINGEN.

En wat is nu naast zoo machtige werken de beteekenis van een schrijver als de heer Simons? Wat ook mijne bedoeling en rechtvaardiging met en van de opname zijner figuur in dit opstel over joodsche schrijvers?

Wat betreft het antwoord op de eerste vraag, behoeft, dunkt mij, niemand lang in het duister te tasten. Zijn werk heeft, im grossen ganzen, de beteekenis, die de arbeid van elk niet geniaal, maar talentvol en scherpzinnig commentator naast dat van geniale menschenscheppers en critici heeft: geringer doch onmisbaar wijl nuttig, maar toch ook dit niet alleen: óók aandoening van schoonheid gevend! Doch dit slechts ervan te zeggen, zou zijn het onrecht doen. Want er zijn drie dingen, die het tot nog iets beters en meer bijzonders maken, dan werk van een talentvol en scherpzinnig commentator. Die zijn: ten eerste: de stijl van zijn opstel over den Gijsbreght van Aemstel. Het archaïsch karakter daarvan, volgens des schrijvers eigen verklaring, door hem aangenomen, om zijn opstel in het kader der in 1893 door de Erven Bohn uitgegeven foliant te doen passen, was dus geheel willekeurig, uit wenschelijkheid, en niet uit innerlijke noodzakelijkheid geboren. Met andere woorden: ware het daarbij gebleven, dan zou dit geheele opstel geen kunst maar kunstenmakerij zijn geworden. Maar het is daarbij niet gebleven. Uitgegaan om een paar ezelinnen te zoeken, vond ook de heer Simons een, zij 't klein, koninkrijk. Het is n.l. duidelijk, dat, zoodra hij aan het schrijven was gegaan, het schrijven-in-dien-stijl, in den stijl des tijds van zijn groot onderwerp, wel degelijk een groeiende noodzakelijkheid, want een onvermoed en, eens gesmaakt, zelfs onontbeerlijk gelukgevend scheppen werd. Het moet hem een zeker zoet genot van grooter eenheid met zijn verheven onderwerp hebben geschonken. Hij moet ook iets als het feestelijk gevoel gehad hebben—ik ga iets subtiels zeggen en het moet subtiel verstaan worden ook—van een kind dat onder de oogen en den lieven glimlach van Vader, in het boek en met de pen van Vader schrijven mag. Hij heeft namelijk de gewaarwording gehad, een liefhebbende, nederige en eerlijke Vondel-bewonderaar te zijn, schrijvend als onder de oogen en glimlach van Vondel, in de taal-nuance van Vondel's tijd. En daarom is het geen kunstenmakerij, maar een kunstwerkje van gewilde maar toch òngewilde stijlnabootsing, het product eener noodzakelijkheid, wier bijkomstige en overigens onbelangrijke eigenschap het was parallel te loopen met eens menschen wil.

Het tweede van den trits, waarvan ik sprak is dit: het werk is van een placide, bijna stugge, rimpellooze eerlijkheid. Het is alsof de schrijver, wijl hij niets te verbergen heeft, en als wilde hij je in de gelegenheid stellen, zijn gelaatstrekken zoo lang te doorvorschen als je-zelf het noodig vind, je klaar en vast aanziet en zijn blik niet neerslaat, vóór je de joue afwend; precies dus het tegenovergestelde van de glibberige, vèrvloèkte, slag-om-den-arm-houdende schrijfwijze van sommige andere critici. En, ten derde, is er het prachtig-bevoegde didactische van den geboren onschoolvossigen leeraar in.

Wat nu het antwoord op mijn tweede vraag betreft: inderdaad, zelfs uitgezonderd zijn origine, en zelfs afgezien van het feit, dat die origine voor mij het beslissende moment is, bestaat er een zeer gewichtige reden hem in een opstel over joodsche schrijvers op te nemen, want in de geheelheid zijner figuur vertoont hij juist eene persoonlijkheid, eene vereeniging van eigenschappen, zooals die vroeger zeer frequent was in en tot groot sieraad van het joodsche volk strekte: die van koopman of werkman, tevens kunstenaar en geleerde, wiens geleerdheid en kunstzinnigheid hem niet verhinderden een practisch en scherpzichtig koopman of deugdelijk arbeider, en wiens koopman- of arbeider-zijn hem niet verhinderde, een ijverig geleerde of gevoelig kunstenaar te zijn. Een levende herinnering dus aan een glorierijk verleden, herrezen in een samenleving, welke toonde deze gelukkige vereeniging van eigenschappen dankbaarder te waardeeren dan die van eertijds. En met de onbescheiden-geuite voldoening over dit alles, zij—om het slot niet te doen uitmunten boven het geheel!—dit alleronbescheidenst, mijn eigen ras verheerlijkend opstel besloten, een besluit, dat, althans voorloopig, tevens, tot mijn leedwezen, het einde mijner medewerking aan dit Maandschrift[15] moet zijn.

Juni 1912.


NOTEN:

[1] 1 Febr. 1912.

[2] Ter nadere opheldering van dezen thans wellicht minder begrijpelijken zin diene, dat bij de eerste publicatie dezer "Brieven" paragraaf-teekens werden gebruikt.

[3] Cursiveering overal van mij.

[4] "Ik mag zoo niet fratsen in mijne brieven," zeg ik met Abraham Blankaart, anders schrapte ik zoowel deze, zij 't ook goedmoedige, spotternijen, als de aan hen verwante, aan het eind dezer critiek voorkomende beweringen. Thans laat ik ze maar staan. Een criticus—iemand, die anderen steeds bedilt!—lijkt mij trouwens wel het allerminst gerechtigd, bij een herdruk van zijn werk vroegere foutieve meeningen te verdonkeremanen. Maar wel moge ook hier thans de rectificatie volgen, die ik drie maanden na het verschijnen van dezen "Brief," in hetzelfde maandschrift—De Boekzaal—deed afdrukken. Men zal daaruit zien, dat ik mijne gevolgtrekkingen uit zeer onjuiste premissen had afgeleid:

"Rectificatie.—Zoo heb ik dan nu tot mijn genoegen de gelegenheid een misslag te herstellen, waarvan het inzien mij weer eens heeft doen voelen, dat de criticus, hij moge pogen zoo conscientieus te zijn als hem mogelijk is, hierin de onfortuinlijke lotgenoot van den schoolmeester is, dat hem het onweersproken-blijven door degenen, die hij op de vingers tikt en bedilt, op den duur wat autoritair maakt en zijn gewaande rechtvaardigheid, door een soort van loszinnigen overmoed, in het tegendeel doet verkeeren! Men zal zich herinneren, dat ik, in mijn derden Brief het door mij geprezen werk De Vreemde Heerschers besprekend, den heer en mevrouw Scharten-Antink meende te moeten verwijten, dat zij "fournisseurs de la cour" waren en dáárom moedwillig de ruwste zijden van het in hun werk uitgebeelde boerenleven zouden hebben verdoezeld, terwijl ik hen ook, na hun Parijsche en Italiaansche romans, geloofde te moeten rangschikken onder degenen, die den prikkel van het uitheemsche behoeven, om tot scheppen te kunnen komen. Welnu, kort daarna ontving ik een brief van den heer Scharten, waarin hij, sprekend op zóó objektieve wijze over de gebreken, die zijn eigen werk in zijn oog aankleven, als ik slechts zelden heb waargenomen en die hem tot eer verstrekt, tevens verklaarde van deze mijne beide beweringen gemakkelijk de onjuistheid te kunnen aantoonen. En ik betuig hier gaarne en openlijk, dat dit inderdaad op overtuigende wijze gebeurd is. Wat het vermeende verdoezelen van zekere ruwe levenszijden aangaat, werd mij door het helder voor oogen stellen van 't natuurlijke en ekonomische milieu, waarin de Italiaansche boeren aan de meren leven—wel te onderscheiden van bijv. de Italianen uit Toscane en vooral de Napolitanen—benevens door de mededeeling van verschillende persoonlijke ervaringen van de auteurs onbetwijfelbaar aangetoond, dat hier niets te verdoezelen viel. Het leven dier boerenbevolking verschilt inderdaad hemelsbreed van dat der door Zola en Querido beschreven boeren. En ofschoon men kan zeggen, dat het boek zóó geschreven had moeten zijn, dat het niet-verdoezelen daaruit bleek, het is duidelijk dat dit niet-blijken evenzeer aan den recensent als aan den schrijver liggen kan, en men hierbij het gebied der subjektieve kritiek betreedt, welke een heel ander iets is dan het vermeend-feitelijke waarop ik mijn beschuldiging grondde, en welke alleen dan ook nimmer uitgangspunt van zulk een beschuldiging mag zijn. Terwijl wat mijn bewering betreft, als zou uit een soort van artistieke onmacht, het vaderlandsche te doorvoelen, het uitheemsche door deze auteurs worden opgezocht, mij ter weerlegging de redenen van hun buitenslands vertoeven werden medegedeeld, die mij bleken niets met eenig literair streven te maken hebben, zoodat men inderdaad in deze schrijvers een nog meer volslagen uitzondering dan, maar toch van dezelfde soort als Van Oordt, heeft te zien, die immers ook door omstandigheden, welke grootendeels van niet-artistieken aard waren, er toe geleid werd, zijn onderwerpen wel niet in een vreemd land maar vroegeren tijd te zoeken.—Ten slotte: indien ik met zooveel genóegen mijne vergissing hier herstel en zelfs den heer Scharten gaarne voor zijne opmerkingen mijn dank betuig, dan is dit omdat die opmerkingen geuit werden op dien toon van waardeering en onvertroebelde erkenning, welke een persoonlijk ongekwetst-zijn en daarmee tevens een persoonlijk-hoogstaan van den opmerker aan den dag legt." Juni, 1912.

[5] 1912.

[6] Alle cursiveeringen zijn van mij, indien niet het tegendeel wordt aangegeven.

[7] Cursiveering van de schrijfster.

[8] Cursiveering van de schrijfster.

[9] Herdrukt in mijne Schetsen en Critische Opstellen, blz. 150.

[10] Deze meening heb ik in Het Jonge Leven van September 1912 aldus nader gemotiveerd:

Het schijnt mij toe, dat de benaming roman voor dit boek zeer ten onrechte is gekozen.

Men kan namelijk een boek als dit, waarin een sterke concentratie ontbreekt; waarin levensbrokken van tallooze menschen, die weinig of niets met het leven der meest vooraanstaande figuren hebben uit te staan, zoo fel en zoo uitvoerig worden uitgebeeld, dat zij qua uitbeelding bijna dezelfde belangrijkheid hebben bereikt als die der meest vooraanstaande figuren, moeilijk een roman heeten, tenzij men het òf als zoodanig ondeugdelijk gecomponeerd wilde noemen, òf bereid was af te zien van alle compositorische eischen, die men tot heden gewend was aan een roman te stellen. Met zulke compositorische eischen bedoel ik: dat er een kern van handeling en een kern van persoonlijkheid zij, maar dat er buiten die kern slechts handeling en persoonlijkheden aanwezig zijn, voor zoover zij de hoofdhandeling en de hoofdpersoonlijkheid moeten belichten, en in onverbrekelijk boek-organisch verband daarmee. Daarvan is hier echter geen sprake. Wij zouden ongetwijfeld geen der in het boek optredende figuren hebben willen missen, want met elk zulk een figuur, ook de schijnbaar vluchtig-aangegevene, ook de minst belangrijke, zouden wij tevens een rijk doorvoelde menschbeelding gemist hebben, maar allerminst kan men zeggen, dat ieders aanwezigheid ter belichting der meer op den voorgrond tredende figuren noodzakelijk is. Doch er is nog een andere eisch aan een roman te stellen, die door dit werk niet vervuld wordt, te weten, dat er een zekere feitelijke of psychologische of dramatische toestand in heersche, die aanvange, zich ontwikkele en zijn ontknooping of eindpunt bereike, maar óók en vóóral, dat dit eindpunt tevens een punt van samenvloeiing is. Met dit laatste bedoel ik dit: een roman zij in den aanvang eene verscheidenheid, welke bij het einde tot een eenheid blijkt vervloeid, niet alleen in hooger-geestelijken maar ook in bloot-compositorischen zin. Een roman zij als het samenstroomen van vele beken die zich vereenen tot een machtige rivier, waarop al verder varende, de reiziger, genietend van de gezichten op haar oevers, van haar zonweertinteling en watergeur, weet, dat aan het eind der reize hem geen gering genot nog wacht: het uitrustende verpoozen in de fraaie stad, welke zij rijk en groot heeft gemaakt, die inderdaad de rivierstad is, waarin alles van háár spreekt, alles van háár leeft en die daarom wel de meest geëigende plek mag heeten, om zich nog eens herinnerend voor den geest te halen, al wat haar wateren en haar oevers hebben geboden op den tocht.—En nu is dit werk wel een machtige stroom en zelden of nooit heeft verscheidenheid mij zulk een gevoel van eenheid-der-dingen geschonken als die van dit boek, doch deze is de hierboven geschetste eenheid van een romangeheel niet, zij is de door geen enkele grens gehinderde eenheid van het boek met het omringende leven, juist dus het tegenovergestelde van de eenheid eener roman, die immers een tot geheel geworden deel van, gesneden uit het omringende leven is!

[11] Het essentiëele, de respectieve waarden aanwijzend en belichtend onderscheid tusschen het niet geheel de objectieve werkelijkheid dekkend gevoel-van-eigenwaarde van een geniaal mensch en het eveneens niet de objectieve werkelijkheid dekkend gevoel-van-eigenwaarde van een maniak, is niet zoozeer van quantitatieven aard, niet zoozeer een kwestie van meer of minder.—Mij lijkt het te liggen in het feit, dat zulk een maniak het beeld der hem omringende werkelijkheid in zijn geest moest vernietigen, om zijn gevoel van eigenwaarde te kunnen redden, terwijl zulk een geniale mensch het beeld dier werkelijkheid in zijn geest niet het geringste geweld behoeft aan te doen, om zijn gevoel van eigenwaarde te kunnen laten bestaan. De verhouding van het gevoel van eigenwaarde tot de werkelijkheid is bij den eerste: die van iemand die zijn mededinger doodt, omdat hij voelt, dal deze machtiger is, bij den tweede echter: die van iemand, die in het sterke bewustzijn van eigen kracht, niet alleen den mededinger naast zich dulden, maar zelfs liefhebben kan!

[12] Ik bedoel dit: (Balzac, Facino Cane,) "Chez moi, l'observation était déjà devenue intuïtive, elle pénétrait l'âme sans négliger le corps; ou plutöt elle saisissait si bien les détails extérieurs, qu'elle allait sur-le-champ au delà; elle me donnait la faculté de vivre de la vie de l'individu sur laquelle elle s'exerçait, en me permettant de me substituer à lui comme le derviche des Mille et une Nuits prenait le corps et l'âme des personnes sur lesquelles il prononçait certaines paroles." Interessant ter vergelijking met de wijze, waarop Querido zijn Jordaan-Studies maakte is het onmiddellijk aan het geciteerde voorafgaande stukje: "Aussi mal vêtu que les ouvriers, indifférent au decorum, je ne les mettais point en garde contre moi; je pouvais me mêler à leurs groupes, les voir concluant leurs marchés et se querellant à l'heure où ils quittent le travail."

[13] Alle cursiveeringen zijn van mij. v.C.

[14] Later herdrukt in mijn Schetsen en Critische opstellen.

[15] De Boekzaal, waarin deze "Brieven" voor het eerst werden gepubliceerd.


VERTALINGEN BIJ "BRIEVEN OVER LITERATUUR'

Blz. 7 Sogar:

Zelfs echter onder het kleine aantal schrijvers, die werkelijk, ernstig en vooraf denken, bevinden zich slechts uiterst weinige, die over de dingen-zelf denken: de overige denken uitsluitend over boeken: over datgene wat reeds door anderen is gezegd. Zij hebben namelijk, om te kunnen denken, de meer nabijë en sterkere opwekking van anderer gedachten noodig.... De eerstgenoemden daarentegen worden door de dingen-zelf tot denken geprikkeld.... En onder dezen zijn alleen zij te vinden, die beklijven en onsterfelijk worden.

Blz. 17 Vague Thoughts on art: vage gedachten over kunst.

Blz. 17 Art is:

Kunst is de verbeeldingsvolle uitdrukking van menschelijke energie, welke ernaar streeft, door technische vertastbaring van gevoel en waarneming, het individu, doordat zij een onpersoonlijke ontroering in hem verwekt, in harmonie met het universeele te brengen.

Blz. 17 Impersonal emotion: onpersoonlijke ontroering.

Blz. 17 If I stand:

Indien ik, een voorwerp beschouwend, word ontroerd door den aanblik zijner kleur en van zijn vorm, zij 't in nog zoo geringe mate en voor nog zoo korten duur en daarbij vrij blijf van eenige bepaalde, feitelijke gedachte—in die mate en gedurende dien tijd heeft het mij aan mij-zelf ontrukt en zich-zelf daarvoor in de plaats gesteld; heeft het mij aan het universeele verbonden, door mij het individueele in mij te doen vergeten....

Blz. 19 For religion:

Voor godsdienst zijn alle menschen gelijk, op dezelfde wijze als alle munten gelijk zijn: hun aller waarde bestaat uitsluitend daarin, dat zij het beeld des Konings dragen.

Blz. 19 He longed to go to school:

Hij verlangde hevig naar school te gaan (een zonderlinge wensch), de universiteit te bezoeken, zich een naam te maken, en hij verlangde niet slechts deze dingen, maar van het meerendeel hunner verwachtte hij stellig, dat zij ook zouden gebeuren. Hij beschouwde zich-zelf als een kind van goeden stand, aan het begin van een voorspoedig leven. Hij beschouwde zijn tehuis en familie als een heel goede springplank, van waar hij zich omhoog kon zwaaien naar de posities, die hij wenschte te bereiken. En bijna juist toen hij op 't punt stond te springen, brak de heele stellage onder hem in elkaar en hij en al de zijnen verdwenen in een duistere diepte.

Blz. 20 Dickens went:

Dickens ging in de Pickwick-club om te spotten, maar bleef er ten slotte om te bidden.

Blz. 20 The modern Shocker:

De moderne sensatieroman is, op zijn allerbest, een tusschenspel in 't leven, maar in die dagen, dat Dickens' werk in afleveringen verscheen, spraken de menschen erover alsof het werkelijke leven een tusschenspel tusschen een aflevering van "Pickwick" en de volgende was.

Blz. 20 ... his Christmas sentiment:

... zijn kerstmis-sentiment. Het heeft die zich verkneuterende, warm beveiligde knusheid, dat zich op z'n gemak voelen, die afhankelijk zijn van het bewustzijn, dat buiten hun begrenzing slechts ongemak is. Het heeft sympathie met den arme, in 't bijzonder met de buitensporigheid van den arme, met datgene wat men zijn tijdelijke weelde noemen kan. Het heeft het sentiment van den haard, dat is: het zien van het open haardvuur als het roode hart van de kamer. Dat open haardvuur is het heilige vuur van Engeland, nog brandend gebleven te midden eener slaafsche beschaving van kachels.

Blz. 21 But considered poetically:

Maar uit een poëtisch oogpunt beschouwd is de Londensche mist niet onverdienstelijk. In onze groote steden hebben wij de zuivere en gezonde duisternis van het land voor goed onmogelijk gemaakt. Wij hebben Nacht vogelvrij verklaard, haar in onbewoonde streken te zwerven gezonden, en ten afweer harer weerkomst eeuwig brandende wachtvuren ontstoken. Een nieuw heelal hebben wij geschapen, bij gevolg ook onze eigen zon en sterren. En dus ook, en welverdiend, was het ons opgelegd, onze eigen duisternis te moeten scheppen. Precies zoo als elke lamp een warme, menschelijke maan is, zoo is iedere fabrieks-dampige mist een rijke, menschelijke avondval. Ware het niet door dit mystiek gebeuren, wij zouden nimmer de duisternis zien, en hij die nooit duisternis zag, zag nooit de zon.

Blz. 21 This life of grey studies:

Dat leven van grijze studies en halve tonen, welks afwezigheid in Dickens ge zoozeer betreurt, is slechts het leven zooals het wordt gezien. Dit leven van helden en misdadigers is het leven, zooals het wordt geleefd. Het leven dat een mensch het innigst kent, is juist het leven, dat hij het volst van wreede zekerheden en gevechten tusschen goed en kwaad ziet—zijn eigen leven. O, zeker, het leven waarmee wij niets hebben te maken kan ons makkelijk een psychologische comedie lijken, het leven van andere menschen: menschelijk studie-materiaal; maar een mensch zijn eigen leven, dat is altijd een melodrama.

Blz. 60 Cette dernière allusion:

Deze laatste toespeling op een weinig aesthetischen rabbijnschen ritus (het dragen der gebedsriemen, v.C.) waaraan door de traditie veel gewicht wordt gehecht, bedoelt den nadruk te leggen op het contrast tusschen de schoonheid der Grieksche cultuur en het gebrek aan smaak der rabbijnen.

Blz. 60 Toutes ces belles choses:

Al deze schoone zaken, welke door krachtlooze mannen, verdorven, vuige en aan het leven vijandige wezens ontroofd zijn aan Shadai-God-Rots (Shadai, een hebreeuwsch woord, beteekent Almachtige, v.C.)—deze ondoordringbare godheid van de woestijn, die de daden van Kanaän's veroveraars bestuurde—en die door hen in het leder der gebedsriemen werden vastgesnoerd.

Blz. 61 Allusion à:

Toespeling op een talmudische passage, welke dengeen, die stilstaat om "een mooien boom of een schoon veld" te beschouwen, verfoeilijk acht.

Blz. 61 Fils de l'homme:

Menschenzoon.... Sta op en ga naar de stad der slachting. Treed er de huizen binnen, om met uw oogen te zien en te tasten met uwe handen, het bloed gestold, het hersenmerg hard geworden op de hagen, de boomen, en het cement der muren.... Daarna zult gij de ruïnen gaan zien, de bressen overspringen, u een weg banen door doorboorde muren en verbrijzelde ovens, daar waar de doorbraak het wijdst, de gaten het grootst zijn. Zij gelijken de gapende openingen van vervuilde wonden, waarvoor geen enkel middel, geen genezing meer bestaat. Uwe voeten zullen er verzinken in de veeren en stooten tegen de scherven van verbrijzelde voorwerpen, tegen de overblijfselen van boeken en perkamenten, te loor geganen rijkdom, de vrucht van bovenmenschelijke inspanning en arbeid.

Maar houd u niet te lang bij die ruïnen op en vervolg uw weg.... En de geur der acacias zal u tegemoet komen, dringen in uwe neusgaten....

En als ware 't om U nog dieper te bedroeven, zal hun vreemde geur, der lente frischheid spreiden in uw hart, en gij zult het verdragen! En de zon zal U raken met myriaden gouden pijlen, die op elke ruitscherf de zeven blijde kleuren van uw ongeluk zullen spiegelen....

Want Jehova riep de lente en de slachting tezelfder tijd. De zon straalde, de acacia ontlook en de beul sloeg neer....

Blz. 62 Dans ce sanglot:

In dezen oppersten wanhoopssnik van een denken, dat zich vastklemt aan het leven, schoon het begrip van het Einde het nimmer loslaat, komt een levende en sympathische gevoeligheid aan het licht, die door onze eeuw van tot het uiterste opgevoerd egoïsme en positivisme verdient te worden gekend.

Blz. 61 La chose: Het Iets.

Blz. 62 Car une chose:

Want Iets heeft zich in ons midden geopenbaard, maar niemand weet wat het beduidt.

Is het de Opgang of Ondergang eener zon? En zoo het een Ondergang is, is het er eene voor eeuwig?

Want de Chaos die ons omringt is onafzienbaar. Hij is vreeselijk deze chaos, een toevlucht wordt niet in hem gevonden.

En zoo wij al te midden der duisternissen wilden smeeken, ons overgeven aan het gebed, welk oor zou ons hooren?

Of zelfs zoo wij uitbraken in Godslasteringen, op welk hoofd zouden zij neerkomen?

Of indien wij tandenknarsend, in woede de vuist zouden heffen, welken nek zou zij treffen? De Chaos, de wind, zij zouden het alles meevoeren zonder een spoor achter te laten.

Er is nergens een rustpunt, nergens een steun, nergens een weg. De hemelen zwijgen.

Zij weten hoezeer misdadig zij jegens ons zijn; het helsche hunner misdaad kennen zij en in stilte dragen zij hun last.

Open dan uw mond, o Propheet van het Einde, en zoo ge iets te zeggen hebt spreek!

Ware uw woord zoo bitter als de dood, ware het dood-zelf, spreek, zeg het!

Waarom zouden wij den dood vreezen, daar reeds zijn engel onzen rug berijdt en het gebit klemt in onzen mond?

En terwijl de hymne der wedergeboorte op onze lippen zingt, in de hoogste extase der vreugd van te leven, snellen wij naar het graf.

Blz. 63 ... C'est la vie réelle:

... Het is het werkelijke leven, de krachtsinspanning, die de dichter den ontaarden zonen van het Ghetto predikt.

Zelf overvloeiend van levens- en arbeidslust, oefent hij daardoor een des te grooter invloed op de lezers, zijn eigen lotgenooten uit.

Hij is zich bewust van zijn rol als vernieuwer en herschepper. Hij is even mild, even gul als de natuur het voor hem-zelf is.

Blz. 63 débordant de joie de vivre: overvloeiend van de blijdschap van te leven.

Blz. 63 Mais non:

Maar neen! Zij sterft niet, de poëzie! Zij sterft nimmer. Zelfs ten dage dat de mensch-worm er in zal slagen zijn heerschappij over de domeinen van den hemel en den afgrond uit te strekken, den donder en bliksem te temmen, en met zijn klaarheden de duisternissen van den poolnacht te verjagen, sterft zij niet.... Midden de omlijstingen van zuiver goud en uit de halssnoeren der rijmen zal opgaan de geestdrift van de dichterziel, màchtig, als het trots gegrom van de zee. Verwijlend bij de heugenis der daden, in verleden tijden door de vaderen volbracht, en in de onmetelijke gelukzaligheid der komende eeuwen, sterft zij niet, zal zij nimmer sterven!...

Blz. 65 Lesen kann ich gar nicht:

Lezen kan ik heelemaal niet en schrijven maar weinig. Sedert een jaar is een oog geheel dicht, het andere zeer zwak en 2/3 van het gelaat, de mond daarbij inbegrepen, is verlamd. Daarbij komt, dat ik levenslustig ben gebleven en heelemaal geen trek heb mij kalmpjes onder de voet te laten loopen. Integendeel, de teenen jeuken mij en God zij het zitvlak genadig, dat zij eerstdaags zullen schoppen.

Blz. 65 Im Laufe des Gespraches:

In den loop van het gesprek nam ik een fransche krant op en nadat ik vluchtig den inhoud had doorgezien, vroeg ik Heinrich zijn meening over de publieke personen in Frankrijk, "Och," zei bij, "daar moet ik je 't zelfde op antwoorden, als wat die oude Fransche wachtmeester zei, toen de leverancier Lewi zijn ossen afleverde. Dit vond plaats op het marktplein van een klein stadje, waar de Staf, voor wie de ossen werden voorbijgedreven, om geteld te worden, stond opgesteld. De heer von Lewi had de verplichting op zich genomen 300 ossen te leveren, maar had er nu slechts 100 tot zijn beschikking. Hij liet daarom de ossen stuk voor stuk voorbijdrijven, en richtte het zoo in, dat de gekeurde ossen door zijn knechten vlug de eene poort uit, stadje om en door de andere poort weer naar binnen werden gedreven, zoodat ten slotte door den Staf een bewijs van ontvangst van 300 ossen werd afgegeven. Maar een oude wachtmeester, die erbij stond, schudde verwonderd 't hoofd en merkte op: het kwam hem voor, dat het voortdurend dezelfde ossen waren geweest.—Ja, beste broer," besloot Heinrich, "ook mij wil het voorkomen, dat 't nog altijd dezelfde ossen zijn."

Blz. 66 Bruder, du warst:

Broer, je was verstandiger dan ik, je koos je het kleinste der kwaden.

Blz. 68 ... les lettres hébreux:

.... de hebreeuwsche letterkundigen hielden ervan hun toevlucht te nemen in de romantische gevoeligheid, die hen voor een scherpe waarneming der werkelijkheid vrijwaarde.

Blz. 77 Chez moi:

Bij mij was het opmerken intuïtief geworden, het drong door tot in de ziel zonder het lichaam te verwaarloozen, of beter gezegd: het doorgrondde zoo goed de uiterlijke détails, dat het ook onmiddellijk hun keerzijde begreep; het gaf mij het vermogen om zelf het leven van het individu te leven, met wien het zich bezighield, door mij te veroorloven mij in zijn plaats te stellen, zooals de dervisch der Duizend en een Nacht lichaam en ziel aannam der personen over wie hij zijn tooverformulier uitsprak.

Blz. 77 Aussi mal vêtu:

Even slecht gekleed als de werklieden, en mij gedragend als zij, zorgde ik ervoor dat zij niet voor mij op hun hoede waren; ik kon mij mengen in hun groepen, hen hun handeltjes zien bedisselen en met elkaar twisten, als ze het werk verlieten.


HET HISTORISCH-MATERIALISME IN DE LITERAIRE CRITIEK

[1]

I.

Mevr. Henriette Roland Holst, Studies
over Socialistische Aestetica.—
H. Gorter, Critiek op de Literaire Beweging van '80 in Holland.

Voor zoo menige dichter-jeugd, gelijk voor elke menschheid in dien verbeelding-rijksten harer tijden, als de nog teere ziel, instinctief voor het harde licht bevreesd, naar schemer neigt, en al droomend, zich den niet-droom poogt bewust te maken, rijst het verleden als een geheimende nachtstad op. Beslagen van het blauwig zilver van de maan op spitsen en op daken, de muren opstanden van sneeuwig licht naast holle donkerten, staan op de leege, blind-begrensde, wijde pleinen en aan de eindelooze voortwindingen der holle straten, de monumenten en torens en paleizen. De menigten, die daar wemelden in 't zonlicht en hun roep en lach opschalden, juichten en werkten, vloekten en zongen, zijn ter rust gegaan.... De monumenten en torens en paleizen, die beklijvenden, zij zijn alleen gebleven....

O, dichters, hoe heeft het Verleden u vaak vleiende gelokt, nomaden-vorsten van een volk, bezitters van een schat van droomen, die meendet, dat 't daar goed wonen voor uw volk was. Ge zaagt het zóó ruim, oneindig, zoo standvastig beklijvend en toch zonder eenige weerstreving. Het docht u een land, dat om een volk vroèg. Niets hinderde u daar. Gij kondt u vlijen aan den voet der eeuwige monumenten en u wegdenken in 't leed, in de vreugde, in de gedachten en het scheppingsgenot van wie die schiepen. Gij bevolktet de leege straten, de pleinen en paleizen met uwe droomen, deedt hen zitten op de tronen, gaaft hun den schepter in de teere handen; ook schonkt gij hun rijk-gekleede dienaren, een hof van pages, ridders en edelvrouwen. Gij maaktet het stijve goudbrocaat en weefdet de glanzende zijde. Gij schiept al het ontbrekende van uwe droomen en hèrschiept zelfs veel van het zijnde daarin. En alles werd één half maanlicht-blanke, half donkere sage, verrukkelijk zoet voor uwe oogen, die, nauwelijks uit 't onbewuste opengeloken, verblind zouden zijn geworden door 't volle licht. Maar, arme droomenvorsten, ge ondervindt 't altijd en altijd weer, de nacht duurt niet eeuwig, de opschrikkende schemer kort, en over het verleden blijft niet immer de sprokige maanglans gespreid! Als bij het groeiend licht de menigten der menschen en der levensfeiten ontwaken, drijven zij ruw uw droomen-volk uit. Dat is dan om te schreien. Al lijkt 't eerst een wrange clownerie, die een armen mensch even doet lachen, máár die hem dan ook later op zich-zelf doet vertoornen, omdat hij lachen kòn. Dan verraggen en verlompen de glanzende zijde en het stijve goudbrocaat, het goud en zilver der schepters en kronen wordt om niet geacht en de arme droomen sterven aan de hoeken aller straten, waarlijk van honger en dorst.—Het is dan op die kentering van uw leven, dat gij het heden haat èn vreest, gij vréést het als een scherpsnedig wapen, gij háát het als een ruwe en onberechtigde overheersching. Al naar uw aard verschrikt het u op andere wijs, want vele zijn zijne boden der verschrikking: vreest gij den een niet, zoo snelt ge toch vluchtend voor den ander uit. Och, droomers, eens zult ge leeren, dat ge niets van het heden kunt ontvluchten. Nù weet ge dit nog niet, en dan: uw oogen zijn juist sterk genoeg geworden, om zich te koesteren aan der toekomst bleeken ochtendgloor.

Zoo wendt ge u tot haar. O, het schoon gelaat dier wereld, van wie nauw de nacht is afgegleden en die in den vroegen ochtend openglanst ... de velden dragen glinsterinkjes van dauw, de bloemen ademen naar hun geurige wijze, er is nog een lichte dampigheid, die haar trillende sluierflarden bij plekken over het zonvergulde waast, waar hoog in de verte de morgenstad op glooiende heuvels wacht.... Maar zaagt gij haar wel zoo?... Wellicht verscheen zij u wel als jonge vrouw, een half verloken belofte op het neerziend gelaat ... wellicht als Roem, Rijkdom ... wie dan gij-zelf zou het kunnen zeggen, hòe zij ù verscheen.... Want zonder tal zijn de gestalten, waarin zij zich verhult. De goden hebben haar de gaaf der gedaanteverwisseling verleend. Een andere Mestra, verschijnt zij vaak als tot dienst gewillige slavin, verkoopt zich telkens opnieuw en ontsnapt weer telkenmale.... Onnoozele, die het niet wist: met de vrucht van ùw werk, door haar verworven, zònder u te dienen, voedt zij haar onverzadelijken vader, den wreeden heerscher, dien gij wildet ontvluchten.... Later begrijpt ge, dat dit alles zoo moest zijn: hoe weinigen zouden werken voor het heden, zoo ze 't niet, in hun gedacht, voor het bezit der toekomst deden!... Dàn, als ge dit begrijpt, glimlacht ge om 't schoon bedrog; ge zijt nu ook ouder geworden, ge leert u schikken in wat onvermijdelijk is en uw oogen zien moedig en sterk in het volle daglicht. Gij vreest niet meer de kletterende rumoeren, de plompe voeten, den aanblik der zwoegende en strijdende gestalten van het heden. Gij voelt dat alles niet meer als een vreemde en wreede overheersching, maar bloed van uw bloed nu. Niet van het hooge en ijle in u gemaakt, gelijk uw droomen waren, maar aan het hart-diepe en innige in u verwant. Ge leert, o verrukking, van het "leelijke" de schoonheid zien. Maar ge leert meer: hoe het verleden, maar ook de toekomst en het heden slechts verschijnselen-van-de-oppervlakte zijn: drie meren, elkaars inhoud onophoudelijk wisselend door en in een diep verborgen bron. De vergankelijkheid, die ge meendet te zien, is slechts eene van verhouding en vertoeven-in-zekere-sfeer, niet van wezen. Nu erkent gij eerst goed de dwaling uwer voorkeuren, gij voelt u nu rijk en gelukkig met het heden, en zijt gij al een waterdruppel in dàt meer, in dieper werkelijkheid weet ge u ook een in de andere twee èn de diepverborgen bron. Maar nauwelijks hebt gij u verheugd om uw ontdekking of het valt uwer vrijgekomen aandacht op, dat ook deze "groote gewoonte der natuur": de schijnbare vergankelijkheid der dingen, door een andere gewoonte wordt verstoord. Iets, merkt ge, is er, dat zelfs niet onderworpen schijnt te zijn aan die tijdelijkheid van vertoeven en verhouding, waarin gij-zelf bestaat: de groote kunstwerken, die altijd blijven in het heden; zij stroomen niet weg naar verledens meer, zij schijnen de eigenschap der hedenmatigheid—mogen wij zóó haar even noemen?—onvervreemdbaar te bezitten en immer te kunnen passen en leven in de wisselende verhoudingen van het heden; de eigenschap dus, die men, los van de sfeer der hier opgeroepen denk-beelden, die der eeuwige jeugd zou kunnen noemen. En zijt ge een kunstenaar, nù levend in het heden, dan wordt dit wellicht een van uw sterkste begeerten: te vinden, wàt dit uitzonderlijk eeuwigzijn in hen veroorzaakt, wat het essentieele in hen is.

Voorzeker, ik moet den nadruk leggen op: "nù levend in het heden": niet immer was de aanleiding tot het bestaan van zulk begeeren zoo groot als thans, een feit reeds gemakkelijk te verklaren uit de omstandigheid, dat juist in onzen tijd het aesthetisch-critisch denken zich in de richting der hel bewust makende analyse beweegt, en wat zou het analytisch denken wel belangrijker kunnen lijken dan de vraag, wat de kern van haar onderwerp uitmaakt? Maar deze verklaring laat de meest actueel-belangrijke aanleiding toch in het duister. En willen sommigen, niet immer zonder goed recht, beweren, dat het door haar genoemde feit op machteloosheid tot scheppen en zekere decadentie wijst, de andere verklaring daarentegen zou niet kunnen gegeven worden, ontkiemde er niet allerwegen een nieuw en sterk leven; zij immers noemt als oorzaak: het opkomen eener marxistisch-socialistische aesthetiek, die het probleem wàt het eeuwige en essentieele in kunst zij, tot een der heftigst omstreden en dan ook strategisch niet onbelangrijke punten maakte. Tot in onzen tijd scheen dan ook vrijwel de vraag in de rustigste rust te slapen en iedereen het erover eens te zijn, waarin het bestond. Men achtte het te zijn het "algemeen-menschelijke" van de figuren, in die altijd jong blijvende werken gebeeld. Dat "algemeen-menschelijke," zoo meende men, bleef immers ook voor de verst verwijderde geslachten meevoelbaar, zoodat daardoor die werken nooit kònden den indruk wekken van verouderd en leeg van schoonheid en zin te zijn. Nu kan men ongetwijfeld wel in den arbeid van alle groote kunstbeschouwers, de duidelijke blijken vinden, dat zij iets anders dan dat "algemeen-menschelijke" als het eeuwige en essentieele van kunst zagen, maar 't geen ook duidelijk blijkt is: dat dit zien een vermogen van het Onbewuste in hen bleef: een intuïtief aanvaarden van een gevoelde maar niet doorvoelde en evenmin begrepen waarheid, een aandrift en een roepstem die zij volgden, handelend uit onbewuste en aangeboren zekerheid, gelijk duiven die onder den wijden, wegloozen hemel de richting vinden naar het veilig nest. Ware het anders, waren zij bij machte geweest uit te zeggen waarom dat andere als het vereeuwigend bestanddeel van kunst moest worden aanvaard, dan, dunkt mij, zou toch wel ten minste een hunner dat gedaan hebben, toen het historisch-materialisme, het marxistisch systeem van onderzoek en verklaring der herkomst van de sociale, geestelijke zoowel als stoffelijke, verschijnselen, ook in ons land, belichaamd in Mevr. Holst's Studies over Socialistische Aesthetica en Gorter's Kritiek op de Literaire Beweging van '80 in Holland, zijn invloed begon uit te strekken tot de literaire aesthetiek en critiek. Immers Gorter vooral concentreerde een niet gering deel zijner aanvalsmacht juist tegen die algemeene-en-eeuwige-menschelijkheidstheorie. Hetgeen mij dan ook, zeer zeker van zijn standpunt, het meest logische lijkt. Het historisch-materialisme, dat de stelling tot basis heeft: "het bewustzijn der menschen is het niet dat hun zijn, maar, omgekeerd, hun maatschappelijk zijn dat hun bewustzijn bepaalt," anders gezeid: "de materieele maatschappelijke veranderingen zijn de hefboom der geestelijke bewegingen," aanvaardt wel het bestaan van een physisch- en psychisch-functioneel zich altijd gelijk blijvende algemeene menschelijkheid—waarvan echter, zooals Gorter, ook m.i. terecht, zegt, geen kunst te maken is—maar het bestaan eener algemeene menschelijkheid, die eeuwig zou zijn en zich gelijk blijven in haar drijfveeren en hartstochten, kortom in alles, dat haar een waardevol onderwerp voor kunst doet zijn, kan het niet aanvaarden. Krachtens zijn grondstelling-zelf ziet het met en door de wisseling der productieverhoudingen ook den geheelen inhoud der menschelijke psyche zich wijzigen; elke tijd heeft dus zijn door de productieverhoudingen gespecialiseerde menschelijkheid, waarvan de kunst van dien tijd gemaakt wordt, en van het bestaan eener algemeene en eeuwig levende menschelijkheid, die daartoe dienen kan, is dus geen sprake. Het eeuwige en essentieele der beklijvende werken van kunst is dan ook volgens Gorter, de eeuwig meevoelbaar blijvende gespecialiseerde menschelijkheid.—Ik mag den lezer niet in den waan laten, dat ik niet zie, hoe hij hier verbaasd-vragend zijn wenkbrauwen hóóg optrekt en met een haastig-gegrepen potlood een groot vraagteeken bij deze Gorteriaansche bewering plaatst, die inderdaad al op het eerste gezicht zwakheid verraadt. Maar hij vergunne mij te doen alsof ik niets zie! Ik laat hem nu slechts de troepen-opstelling op het slagveld zien. De strategisch-zwakke punten mogen in den strijd aan het licht treden; dat is het zekerste, het vernuft van den toeschouwer kàn hier bedriegelijk werken. Mag ik hem dus ook de door mij ingenomen positie vertoonen? Ziehier: Niet de "algemeene en eeuwige menschelijkheid," nog minder de "door de productieverhoudingen gespecialiseerde" is het eeuwige en essentieele in een kunstwerk, maar de ten eeuwigen dage zichtbaar en meevoelbaar blijvende schoone beweging van het Scheppend Vermogen, dat dat werk voortbracht.—Niet dus zijn de gedachten, de beelden, de hartstochten, de drijfveeren der in zulk een werk voorgestelde wezens eeuwig, zij verouderen, hun stem dringt niet fel meer in onze ooren, wij beminnen niet als zij hebben bemind, wij haten niet als zij hebben gehaat; hoe ver staan zij van ons, van de stemmen en gezichten, van de begeerten en afkeeren van onzen tijd.... Maar wat fel midden-uit dat verouderende tot ons klinkt, wat wij als een ondoofbaar en eeuwig schoon zien stralen, dat is altijd nog het verrukkelijk bewegen der scheppende ziel, de schoone daden der kunst-scheppende Natuur, die in alle tijden dezelfde is, in alle tijden voor menschen doorvoelbaar, in alle tijden aanbiddelijk.... Geen kunstenaar is of was er, wien de vergankelijke tijd niet doorstroomde—ja, hoe grooter hij is, des te opener staat hij voor dien tijd!—van diens vergankelijke beelden en neigingen maakt hij kunst, máár: het complex dier beelden en neigingen is dan ook in waarheid het lichaam niet, waarin zijn Scheppend Vermogen blijft leven. Hoe zou dat kunnen, daar het vergankelijk is?

Neen, het ònvergankelijk lichaam, waarin dàt zich blijft openbaren is: de taal: dáárin schittert voor immer de waarachtige logiek zijner beweging, de uit zich-zelf blijkende noodzakelijkheid daarvan, in één woord: geheel de ontroerende schoonheid van het scheppend gebaar, van de scheppende daad. Diè voelen alle nageslachten mee, diè is het welke zij liefhebben, àlle. In dat ijl-doorzichtige, toch pantserharde, toch niet te deren lichaam, blìjft zij, voor onze oogen zichtbaar, levend, als 't spelend vuur in diamant bewaard, zoo spelend en zoo glippend, zoo vrij en toch gevangen.... Wat ik dus beweer is: dat niets anders dan de in een kunstwerk bereikte tweeéénheid van Scheppend Vermogen en taal, dat kunstwerk zijn "eeuwige jeugd" verleent. En wat nu de werking dier tweeëenheid op het complex der verleden beelden en neigingen in betrekking tot de aanschouwers betreft: als dezen háár wonderen glans zien en den klank harer taalstem hooren, gelóóven zij, gelóóven zij, en volmaakt, in de herleving van dat doode, èn—hebben gelijk! Want: op het ontroerend gebieden, op het onweerstaanbaar lokken van diè stem, hebben zij het iets van hùn eigen menschelijkheid, onbewust, geleend, hebben zij 't met hùn menschelijkheid weer bezield.

Vastgesteld nu zijnde, dat deze de drie meeningen zijn, wier waarde of onwaarde in dit opstel aan het licht moet treden, gelieve de lezer wel te billijken, dat waar de bestrijding der eerste meening m.i. reeds afdoende door Gorter is geschied, ik die niet zelf voere maar de zijne citeere. Want overigens, al lijkt mij die meening wel onjuist, zij schijnt mij niet verderfelijk voor de literaire critiek als die der marxistische aesthetici. Bij deze is het dus voornamelijk, dat ik mijn aandacht wensch te bepalen. En waar het nu ook in de dingen van den geest waar is, dat men aan de vrucht den boom kan kennen en het ons al minstens evenzeer om de vrucht—de literaire critiek—als om den boom, waaraan zij groeit—de aesthetiek—te doen is, zij het mij vergund ook in de critische gedachten mijner tegenstanders de principieele denkfouten op te sporen en daarna hunne betrekking tot, of oorsprong uit de aesthetische overtuiging. Uitteraard is hier een eigenmachtig resumeeren door den bestrijder van den bestreden tekst van nul en geener waarde. Zoo ergens, dan schijnt hier wel letterlijk citeeren plicht. En hieraan kan ik dus nu beginnen. Aldus dan Mevr. Holst:[2]