Cette dernière allusion à un rite rabbinique peu esthétique (het dragen der gebedsriemen, v.C.) auquel la tradition attache beaucoup d'importance, doit accentuer le contraste entre la beauté du culte grec et le manque de gout des rabbins.

Ten eerste is deze ritus niet "rabbijnsch" maar vloeit onmiddellijk uit een bijbelsch gebod voort! Het ware de taak van den analytischen criticus hier geweest, op te merken, dat als Tchernikhovsky toornt:

Toutes ces belles choses, que des hommes sans vie, que des êtres pourris, vils et rebelles à la vie (Men merkt: eenzelfde verwijt als reeds zoo vaak het Christendom getroffen heeft, treft hier het rabbijnsche Jodendom! v.C.) ont enlevées a Shadaï-Dieu-Roc (cette divinité impénetrable du désert, qui présidait aux actes des conquérants de Chanaan) et qu'ils ont enchainées dans les cuirs des philactères,

hij tegen den verkeerde toornt, want dat dit "ketenen in het leder der gebedsriemen" een gebod van "Shadaï-Dieu-Roc" zelf is. Niet dus van "Adonaï, le Dieu pacifique et ritualiste des rabbins," maar wel degelijk van: "Jehova-Zebaoth, le dieu guerrier et vengeur des Hébreux." Instede van hem den dichter te doen bijvallen, hadde dus deze plaats Dr. Slousch tot een schoon voorbeeld kunnen dienen van wat hij-zelf het "souvent plus oratoire que sincère" in Tchernikhovsky's poëzie noemt! Maar ten tweede zal het wel iedereen, behalve Slousch, onmogelijk zijn in te zien, waarin het "onaestetische" van dezen ritus steekt! Integendeel, ik herinner mij levendig uit mijn jeugd, welke aan het extatische grenzende momenten ik doorleefd heb, door die "kroon op mijn hoofd" en dat "zegel op mijn arm" en ook—hoe rijk is een kind!—hoe ik midden in het ochtendgebed en mij alleen in de kamer wetend, plotseling, door de invallende gedachte opgewonden, nerveus maar toch glimlachend van voorvoeld genot voor den spiegel trad, om, terwijl ik het tallith—den gebedsmantel—op z'n schilderachtigst om mijn lijf drapeerde, te zien of mij de hoofdgebedsriem nu waarlijk als de vorstelijke diadeem stond, die ik mij altijd op 't hoofd droomde.... Helaas! hoe kan men zoo dalen: niet alleen dat ik niet meer taal naar een kroon, maar ik ben zelfs met een stoffigen hoed tevreden!... Maar dus: "onaestetisch"!... ik begrijp er niets van! Een andere onjuistheid van dien aard is de volgende. Na een citaat uit denzelfden Tchernikhovsky, zegt onze auteur:

Allusion à un passage talmudique qui exècre celui qui s'arrête à contempler "un bel arbre ou un beau champ."

Men zou dus hieruit gevoegelijk de enormiteit kunnen afleiden, dat deze passus het bewonderen van natuurschoon verbiedt!! Daar is natuurlijk niets van aan! In werkelijkheid luidt bedoelde sententie, in getrouwe vertaling, aldus:

Die ten wege gaat en over gewijde onderwerpen méditeert en zijn meditatie afbreekt, om te zeggen: hoe schoon is deze boom, hoe schoon deze akker, hem beschouwt de Schrift als een die zich schuldig maakt jegens eigen ziel.

Ik zal dit niet nader behoeven te analyseeren, om den lezer, die op het door mij gecursiveerde let, te overtuigen, dat hier noch van een verbod om natuurschoon te bewonderen noch van iemand "verfoeien" sprake is!

Maar—en spreekt dit trouwens niet van zelf?—het opmerken dezer kleine vlekjes kunnen de wijde en diepe dankbaarheid niet verminderen, die ik als een warme liefde in mij voel voor dit boek en zijn schrijver. Bij de geestelijke gestalten der daarin behandelde dichters, dezer vergeefs vervolgde, ontembare en van levenskracht stralende helden, wat zijn wij, Westersche Joden, daar Joodjes bij. Van hen allen schijnt Bialik mij de allergrootste. Men leze dit door Slousch aangehaalde kleine fragment uit het gedicht Massa Nemirow, "une description réaliste du pogrome de Kichenev."

Fils de l'homme ... lève-toi et va vers la ville de la Tuerie. Tu visiteras les maisons pour voir de tes yeux et pour palper de tes mains le sang figé et les cervelles durcies sur les haies, sur les arbres et sur le cement des cloisons.... Puis, tu iras voir les ruines, en franchissant des brèches, en passant par des murs troués et par les fours brisés, la où les entailles sont les plus larges, où les trous sont les plus grands, où la pierre noire est denudée et la brique arrachée.... Elles sont pareilles aux bouches beautés des plaies sordides pour lesquelles aucun moyen, aucun remède n'est plus efficace. Tes pieds s'enfonceront dans les plumes et buteront contre les décombres des objets brisés, contre les restes des livres et des parchemins, biens perdus, produit des peines et des labeurs surhumains....

Cependant, tu ne t'attarderas point sur ces ruines et tu continueras droit ton chemin.... Et l'odeur des acacias viendra à ta rencontre, et leur parfum pénétrera dans tes narines et leurs fleurs qui sentent le sang....

Et comme pour te contrister, leur senteur étrange répandra dans ton coeur la fraîcheur du printemps, et tu le supporteras! Et le soleil te percera de myriades de flèches dorées qui refléteront sur chaque fragment de vitre sept rayons joyeux de ton malheur....

Car Jehova fit appel au printemps et à la tuerie à la fois. Le soleil rayonnait, l'acacia s'épanouissait et le bourreau abattait....

Door het cursiveeren van den laatsten zin, in zijn poignante tegenstellingen vol van een magistrale, zwaar dreunende zeggingskracht, toont Slousch wel duidelijk, welk een bevoegd docent zijn discipelen in hem bezitten. Jammer, dat door de ontstentenis van den oorspronkelijken Hebreeuwschen tekst den lezer van dit boek de mogelijkheid wordt onthouden, ook zijn vertaal-talent te waardeeren. Een ander gedicht: La Chose (Dabar) van denzelfden dichter ontlokt onzen auteur deze opmerking:

Dans ce sanglot de désespoir suprême d'une pensee qui s'obstine à vivre, bien qu'elle soit hantée de l'idée de la Fin, s'affirme une sensibilité vivante et sympathique, qui mérite d'être connue de notre siècle d'égoïsme et de positivisme à outrance.

En overtuig u hoezeer hij gelijk heeft: (Ik citeer slechts een klein gedeelte.)

Car une chose s'est declarée chez nous et personne ne sait ce qu'elle signifie.

Est-ce un Lever ou un Coucher de soleil? Si c'est un Coucher, est-ce pour jamais?

Car le Chaos qui nous entoure est grand. Il est terrible ce chaos, et n'offre aucun refuge.

Et alors même que nous voudrions implorer dans les ténèbres, nous livrer aux prières, quelle oreille nous écouterait?

Même si nous blasphémions, sur quelle tête retomberaient nos blasphèmes?

Et lors même que nous grincerions des dents, que nous lèverions le poing de colère, quelle nuque en serait atteinte? Le Chaos, le vent emporterait tout sans laisser des traces.

Plus de point d'appuis, plus de soutien, plus de chemin. Les cieux se sont tus!

Ils savent combien ils sont criminels envers nous, et combien leur crime est infernal, et ils portent silencieusement le poids de leur faute.

Ouvre donc ta bouche, ô Prophète de la Fin, et si tu as quelque chose à dire, dis-le!

Dût ta parole être amère comme la mort, dût-elle être la mort elle-même, parle, dis-la!

Pourquoi craindrions-nous la mort, puisque déjà son ange chevauche sur notre dos et met le mors dans notre bouche?

Et en plein hymne de Renaissance chantant sur nos lèvres, en plein délire de joie de vivre, nous galopons vers la tombe....

En hoe val ik Slousch bij als hij van dien anderen groote, Tchernikhovsky, zegt:

(Wat hij in zijn verzen geeft) c'est la vie réelle, l'effort que le poète prêche aux fils degénerés du ghetto.

Débordant lui-même de la joie de vivre et d'agir, il exerce une action d'autant plus grande sur le lecteur, ses propres collègues.

Il a conscience de son rôle de régénérateur. Il est aussi large, aussi prodigue que la nature l'est pour lui-même.

Ja, inderdaad: "débordant de joie de vivre!" Luister slechts, ten slot, naar dit:

Mais non! Elle ne mourra pas la Poésie! Elle ne mourra jamais! Même le jour où l'homme ver parviendra à étendre son règne sur les domaines du Ciel et des abîmes, à dompter les tonnerres et le feu, et à jeter des clartés sur les ténèbres de la nuit polaire, elle ne mourra point.... Dans les cadres d'or pur, dans les colliers des rimes, l'enthousiasme de l'âme du poète jaillira puissant comme le grondement superbe de la mer. Aux souvenirs des actes accomplis par les pères aux temps passés et dans la félicité sans bornes des siècles à venir, elle ne mourra pas, elle ne mourra jamais!...

Bialik en Tchernikhovsky! De een, de sterke, mannelijke drager en bepeinzer van het schrijnende leed van millioenen, de ander de bazuin van hun onverwoestbaar geloof in het leven en in de toekomst, beiden te zaam een beeld van die edele revolutionnaire kracht, in welke de felle en vernuftig-ondermijnende haat van het intellect tegen het verfoeielijk maatschappelijk systeem, zich heeft gepaard aan de erbarmingsvolle zachtheid van de ziel jegens de menschen; een beeld in één woord der revolutionnaire kracht van het stam-volk van Marx en Lassalle!—Maar terwijl ik dit neerschrijf wordt weer het oude en schaamtevolle betreuren in mij wakker. Mijn liefde voor de Bialik's en Tchernikhovsky's, zij wijkt bleek en huiverend terug, gelijk een hooghartig geweigerde liefde. En het is mij of dat rechtvaardig is, en ik geen broederlijk deel aan noch recht op hen heb. Hoe bitter is dit: dat ik in de maatschappij, waarin ik leef, niets van het leven, het denken, het voelen dier sterken en vurigen en in mijn eigen trekken noch in die mijner westersche en vooral hollandsche stamgenooten gelijkenis met hun geestelijk gelaat herken.

DR. KARPELES: HEINE-RELIQUIEN.

En dat kàn niet aan mijn blik liggen. Want denk ik daarentegen aan dat andere, door mij nu te behandelen boek, het nog niet sinds lang uitgegeven werk van Dr. Gustave Karpeles: Heine Reliquien, dan zie ik daarin niet één mensch, hij zij Ariër of Semiet, of ik vind het meest karakteristieke zijner wezenheid in de mij omringende menschen terug: Salomon Heine, de man van de quasi-luidruchtigheid en jovialiteit, welke zijn grimmig sarcasme moeten bedekken tot den tijd, dat het vlug de venijnige nagelklauwtjes uitschiet, de man wiens diepste wezensaard is: een onder zijn joodsch-bankiers-cynisme voortsmeulende en er lichtelijk door gedompteerde vettige zinnelijkheid; Gustave Heine, de gedistingeerde, veradellijkte cavallerie-officier, met zijn literaire aspiraties en talentjes, met een manusje-van-alles-achtigheid in zich, een aanpassingsvermogen, een abiliteit om zijn cocon op het juiste tijdstip als glanzend vlindertje, de vleugeltjes beladen met stofgoud, te kunnen verlaten, die buitengewoon zijn; de Baron de Custine, met zijn verliefdheid op den Heiniaanschen geest; Varnhagen en Immermann, "die hun best deden als ze aan Heine schreven, even geestig als hij te zijn." ("Hoe dat uitviel is een andere zaak," voegt Karpeles er schalk bij.) O, al die menschen ken ik empirisch èn intuïtief door en door! Doch hoe veel beter ware het mij, als ik de Bialik's aldus kende! Maar toch: niet alleen als vergelijkingsmateriaal met het zoo oneindig belangrijker werk van Slousch, is het boek interessant. Het is het vooral om de figuur van den grooten Heinrich. Die blijkt ook hier weer enorm! Luister even, bid ik u: 1 Febr. 1846 schrijft hij:

Lesen kann ich gar nicht, schreiben nur wenig. Ein Auge ist seit einem Jahr ganz geschlossen, das andre sehr matt, und 2/3 des Gesichtes, inclusive den Mund sind gelähmt. Dabei bin ich lebensmuthig geblieben, und habe gar kein Lust mich ruhig mit Füssen treten zu lassen. Im Gegentheil mich jucken die Fuszspitzen und Gott sei genädig dem Hintern, den sie nächstens treffen.

Men ziet het: de verlamde en den dood zich nabij wetende Heine heeft niets van zijn trotsche en vreeslooze strijdvaardigheid ingeboet. Ook niets van zijn beroemde geestigheid! In die geestigheid had de Jiddische Witz zijn culminatiepunt gevonden. Moest ik deze laatste karakteriseeren—en dit is wellicht tegenover den niet-joodschen lezer niet ongewenscht—ik zou willen beweren: het is de geestigheid van een gemoedelijken, uiterst ervaringrijken en scherpzinnigen grijsaard, een grijsaard, die ook die meest gewone eigenaardigheid van den ouderdom vertoont, dat hij het innerlijk meer dan het uiterlijk zoowel van zijn persoon als zijne uitingen verzorgt. En wat is trouwens natuurlijker dan dat ook de geestigheid van 'n volk met een geschiedenis van 'n 4000 jaren, het karakter van die eens over-ervaringrijken, een weinig sceptischen ouden drage?! Een aardig staaltje nu van dien geest, máár: ver-Heiniaand, d.i. dus culmineerend, is dit: (Gustave Heine bezocht zijn grooten broer aan diens ziekbed en vertelt ons daarvan het volgende):

Im Laufe des Gespraches nahm ich ein französiches Journal zur Hand, und nachdem ich seinen Inhalt überflogen, fragte ich Heinrich, was er von den öffentlichen Personen Frankreichs halte. "Ach," sagte er, "da musz ich Dir dieselben Worte sagen, die der alte Französische Wachtmeister äusserte als der Lieferant Lewi seine Ochsen ablieferte. Dieses geschah auf dem Marktplatze eines kleinen Städtchens wo der Etat-Major stationirte, vor dem jedesmal die Ochsen vorbeidefiliren mussten, um gezahlt zu werden. Hr. von Lewi hatte versprochen 300 Ochsen zu liefern, hatte aber nur 100 Ochsen zu seiner disposition. Er liess deshalb die Ochsen einzeln vor dem Etat-Major voorbeitreiben, und richtete es so ein, dass die gemusterten Ochsen von seinen Knechten schnell zu dem einen Thore hinaus, um die Stadt herum zu dem anderen wieder herein getrieben wurden, so zwar, dass endlich von dem Etat-Major die Zahl von 300 Ochsen richtig bescheinigt wurde. Nur ein alter Wachtmeister der dabei war, schüttelte den Kopf mit Verwunderung und bemerkte: Es käme ihm vor, als seien es immer dieselben Ochsen."—"Ja lieber Bruder," schloss Heinrich, "auch mir wil es vorkommen, als seien es immer dieselben Ochsen."

Maar Heine was wel voor een groot deel Jood, maar voor een ander deel had hij niet alleen het essentiëele der Westersche beschaving in zich opgenomen doch schijnt bovenal zijn elegant-amoureuse wezen doordrenkt te zijn geworden van de geuren harer wellicht schoonste bloem, inderdaad haar fine fleur: de frànsche cultuur. Want is in den volgenden bon-mot niet vooral de geest belichaamd van het ridderlijk volk, wien geen enkele omstandigheid, zij 't de ontzettendste ziekte of wreedst- aangluipende dood, de schoone geste, den Meester-lijken glimlach en de fijn-geslepen scherts zijner courtoisie kan verhinderen of doen tanen? Kort voor Heine's sterven, maakt hij aan zijn ziekbed kennis met zijn schoonzuster, Gustave's vrouw; hij licht, om haar te kunnen aanzien, met de eene hand zijn verlamde ooglid op, vat met de andere haar hand en zegt tot Gustave:

Bruder, Du warst klüger als ich, Du nahmst Dir von den Uebelen das kleinste."

Men begrijpe mij wèl: ik beweerde niet dat Heine's figuur ook in dit boek enorm blijkt, omdat ik dergelijke speelsche geestigheden als de hier geciteerde bij tientallen er in vind, neen, ik beweerde het, omdat hij, lijdend aan tabes dorsalis, en gedurende een zevental jaren slechts eenmaal zijn kamer voor het balcon verlaten hebbend, ze kon zeggen! Want Multatuli vergiste zich, toen hij de Gnomen, die een mensch uitkleeden tot op het bloote lijf, tot hij niets meer is dan hij is, ònder den grond meende te wonen, zij leven daarboven: zij heeten: eenzaamheid, ziekte, gedwongen lediggang!

BONN: EEN BONTE VLUCHT VAN VERZEN.

In 't algemeen zou het een studie overwaard zijn, eens na te gaan, in welk een sterke mate Heine de moderne dichters en vooral die van joodschen stam beïnvloed heeft en nog ten huidigen dage beïnvloedt. Voor Nederland echter zou het resultaat vrij pover zijn. Om ons nu tot de joodsche auteurs te bepalen, lijkt mij Josef Cohen wel de eenige, die aan het vervaardigen van Heiniaantjes doet, of deed; van Collem is daar ongetwijfeld, blijkens zijn zeer raak typeerende wrang-joodsche schertsdichtjes te oorspronkelijk voor; de Haan veel te zwaar, te onspeels-ernstig en vooral in zijn stijl-natuur te van-Deysseliaansch-afgemeten en niet-uit-de-plooi-komend. En de Haan heeft waarlijk ook wel iets beters te doen, dan een ander bewust na te volgen. Zijn joodsche Liederen, in De Gids van 1910 verschenen, zijn van een zeldzame voortreffelijkheid. Het zijn juweeltjes van stemming en zich-in-liefde-herinneren. Het zijn verzen-met-geloken-oogen, in een diep-innerlijken droom verzonken en er zich niet van bewust dat hun droom uitspreken, en gehoord worden buiten zich. Het aan Het Joodsch Nationaalfonds gewijde gedicht in De Beweging van deze maand lijkt mij niet zoo uitmuntend. Het is dunkt mij te onvrij van min of meer cerebrale, bedàchte, alledaagsche motieven van nationalen trots en Zionistische toekomsthoop, die niet in de dichterlijke conceptie en uiting verbijzonderd en verindividualiseerd zijn. Is deze, mijns inziens beste onder de joodsch nederlandsche dichters, tegelijkertijd 't innigst joodsch-gevoelig, Bonn, wiens bundel Een Bonte Vlucht van Verzen hier voor mij ligt, lijkt mij heelemaal geen Jood meer, maar op end' op een hollandsch-socialistisch dichter uit, het zij zonder zweem van geringschatting gezegd, de Nieuwe-Tijd-kweekerij, d.w.z. wat een groot deel van zijn onderwerpen-keus en gedachten-objecten betreft: arbeiders en het socialisme, en dan verder: hollandsche weidjes; hollandsche koetjes; huiselijk leven—heel innig!—. Maar zijn levend-rythmische zangerigheid is van hem-zelf en ook zijn buitengewone gedachten-ònbelangrijkheid. En—'t zal u zoo op het eerste gehoor wat vreemd lijken!—niet alleen de aanwezigheid van de eerste maar ook van de laatste naast de eerste, laat weten, dat hij een echt dichter is, al moet ik hem tegelijkertijd den ernstigen raad geven niet met die onbelangrijkheid (= "eenvoud") te gaan coquetteeren, want dan zou dàt een maniertje, zijn werk rhetorisch en hij zelf een rijmelaar worden! Maar nú zij het volmondig gezegd: Wie zulke niemendalletjes tot zoo betrekkelijk schoone verzen—men weet, ik doe te dezer plaatse niet aan eigenlijke détailkritiek—weet om te vormen, dat is een dichter.

Om nu echter nog even tot den stralenden lichttoren zelf onze aandacht te bepalen, nadat we wat vogels hebben nageöogd, die zich neerzetten op zijn transen of er in slaagden den invloed zijner glans te ontkomen en hem voorbij te varen in hun vlucht: Heine bedoelde ongetwijfeld iets dergelijks als dit laatste wat ik opmerkte omtrent Bonn, toen hij zei, dat ieder dichterlijk aangelegde wel 'ns een episch of andersoortig gedicht kon schrijven, maar dat de toetssteen voor den dichter het lied was; doch zoo men het al niet uit zijn geheele oeuvre wist, zijn inkleeding van die meening laat sterk voelen hoe door en door een lyricus ook hij was; neen, zeker, ook in Heine's genie was nagenoeg niets episch. En indien we nu zoowel naar Bialik zien, die een poëem schrijft, waarin hij naar Slousch's getuigenis, de Kischinewsche gruwelen haarfijn beschrijft, als naar Heine, die ten deele de kracht zijner felle satyre ontleende aan het scherp zien der realiteit, dan wordt het duidelijk, dat men ter verklaring waarom zich bij de Joden het naturalistisch-episch genie niet ontwikkeld heeft, zich niet van hetgeen Slousch opmerkt bedienen kan. Deze zegt nml.: ... "les lettres hébreux aimèrent à se refugier dans la sensibilité romantique, qui écartait d'eux une perception trop nette de la réalité."

Neen, de oorzaak moet elders gezocht worden! En mij lijkt zij geen andere dan dat de Joden, verdrukt en vervolgd of slechts geduld als zij worden en waren, niet langer als heerschers tegenover het hen omringende leven konden staan, dat het heerschersbewustzijn, ook in de besten hunner, door reeksen van vertrapte en duldende geslachten ondermijnd, niet leven kon, en—de lezer herinnert zich wellicht dat ik in mijn opstel over H. Roland Holst reeds zeer nadrukkelijk op dit feit heb gewezen en er de oorzaak van heb verklaard:[9]dit heerschersbewustzijn is onontbeerlijk voor den objectieven menschschepper bij uitstek, die de naturalistische epicus moet zijn, en het is, dunkt mij, dan ook door den meest botte niet langer een toeval te heeten—immers men noemt een toeval datgene waarvan men de gebeurenslogiek, de noodwendigheid niet ziet—dat juist in ons Holland niet alleen een van joodsche geboorte zijnde naturalistische dramaturg van enorme verdienste en productiviteit, Heijermans, is opgestaan, maar ook een groot naturalistisch epicus, voor de allereerste maal van joodschen stam en de evenknie in mensch-scheppend genie der groote epici van de andere natiën: Is. Querido.

IS. QUERIDO: DE JORDAAN.

Met Querido's jongste werk, mag men zonder vrees voor gegronde tegenspraak beweren, blijkt voor de allereerste maal een groot joodsch epicus te kunnen bestaan. Alle filosofische, lyrische en didactische bijmengsels, tot nu toe in zóó sterke mate in epiek van Joden aanwezig, dat zij hoofdbestanddeel werden en de epiek in hen verzonk, zijn hier weggevallen. Hier is door het Joodsche genie dan eindelijk de macht tot de naakte, pure en in geenerlei opzicht versierde of opgesmukte menschbeelding veroverd. En dit ten-slotte-bereiken na eeuwen worsteling, dit vermeesteren na het opstormen als een zee tegen een onwrikbare weer van rotsen, na het terugdeinzen dan weer èn opstormen opnieuw, en de ééuwen door, dag na dag en nacht na nacht, tot het onverwrikbare verwrikt, verpoeierd en vermolmd en een der, meestal onbewuste, levens-doelen bereikt is—dat is iets wat het Joodsche ras zeer eigen is, dit onverbrekelijke, nederige èn trotsche ras, dat ras van schuimende dondering en vleiïg gefluister, dat opgolft tot de hemelen en neerzinkt tot in den afgrond; een "halsstarrig volk" inderdaad, dat door alle vervolging en alle verdrukking heen—om Slousch's woorden te gebruiken—: ne cessa d'évoluer, de se transformer et de s'impregner du génie de toutes les races, de toutes les civilisations, pour aboutir de nos jours à l'éclosion d'une littérature moderne. Het kan lang duren vóór een der doelwitten van zijn onbewusten levenswil is bereikt; het kan middelerwijl tienduizenden zijner zonen door moordenaarshanden zien slachten, en millioenen zijner kinderen verliezen in de corrompeerende verlokkingen der vreemde maatschappijen; het kan neergeslagen, verjaagd, geminacht, bespot en bespogen worden; dat alles deert zijn kernwezen niet, ja het lijkt wel of het trotsche woord van zijn God voor hem-zelf was geschreven: "Zij kunnen mij vertragen noch verhaasten": onverzettelijk blijft het streven naar het vitale doel. Die stroom van menschelijke energie, hij holt langzaam maar onvermoeid,—zóó klaar zie ik geen ander beeld—den rots der weerstreving uit. Om zich sterk tot dien arbeid te maken en de geweldig aandonderende stuwkracht zijner golven te behouden, stroomt hij een langen, langen weg door vele wereldrijken. En hij heeft dan ook vele der schepen aangevoerd, die den volkeren het voedzaamst koren, de geurigste specerij en de stralendste kostbaarheden brachten.... Maar óók altijd door blijft het zijn bestemming, als tartend, door zijne kracht- en glanzingen-zelf te vragen: Wordt een wereldstroom verontreinigd, doordat er drek in wordt uitgestort?... Kan men hem afdammen en versmoren, zonder dat de dam vergruizeld wordt?... Kan men hem berooven van de zon-beglinstering, of hem afdekken opdat de regen, hem verrijkend, zich niet met hem vereene?... Kan men een volk of zelfs een enkeling afhouden van zijn vitale doel?... Zou men voor eeuwig het heerschersbewustzijn kunnen dooden in iets wat leeft, en dat toch òmdat het leeft, tot het bereiken van het goddelijk- en heerscher-zijn blijkt bestemd?...—Tot hij na de schemer-duistere seizoenen weer lente en zomer gemoet en de stralen der Scheppende Natuur zijn kracht en zijn glanzingen niet langer een tartende vraag laten zijn, maar tot een openfonkelend antwoord doen òpschitteren.... Dit boek van Querido is zulk een antwoord.

In één scheppingsdrift, en meer ontbloot van alle bijoogmerken en bewuste tendenzen, dan sommige Zolaïstische werken; naakter van romantiek en brillante combinaties in de compositie of geestige subtiliteitjes in de dialoog—men achte dit een fout dan wel een deugd, ik vermeld het hier als een natuurlijke, dat is dus logische eigenschap van het werk, en dus een deugd—dan de Balzac niet alleen, maar zelfs dan Zola, is dit boek één geweldige visie van het volksleven, in koortsende opwenteling en afdeinzing naar en van een onbegrepen doel, in de koude en de hitte, in het leed en de vreugde der aan- en weg-rollende dagen, zonder begin, en zonder einde, zooals er bij mijn weten nog niet bestond. Men voelt in dit werk een onstilbaar verlangen, een brandenden hartstocht, primitief-natuurlijk en vurig-dorstend als lijfelijke parensdrang, naar het herscheppen van de "doode" en de "levende" Natuur, een onverzadigbaar begeeren naar het doorvoelen en scheppen van menschen, aldoor meer en nooit genoeg, ménigten van menschen, de oogenglinsters van den een weg-duisterend achter de naar voren dringende lijven der anderen, een gaan en verdwijnen van aldoor nieuwe wezens, toch nóóit een verdwijnen, vóór, in een stralende doorlichting, het kernwezen zich heeft getoond. Deze roman is niet wat men een roman pleegt te noemen, het doet geen poging dan—helaas!—in den titel, iets dergelijks te schijnen[10]. Ook wil dit werk niet geestig, niet vernuftig, niet humoristisch zijn; het wil alleen het essentiëele van een zeker levensonderdeel wezen, maar juist omdat het dit alléén wil zijn en is, bezit het al de zooeven genoemde eigenschappen mede. Want er is geen essentieel leven, dat niet geestig, vernuftig en humoristisch zou zijn. Men vindt, compositorisch gesproken, geen begin of einde aan dit boek, schoon hier wel een zwakke daling en ginds weer een zwakke climax. Aan weerszijden van het werk, tijdelijk en ruimtelijk, lijdt, zwoegt, overwint en wordt overwonnen hetzelfde leven. Hoe langer wij zien naar deze schepping, hoe meer wij er van worden bewust: dit is een brok uit het levensgeheel, waarop wij zoo dikwijls gestaard hebben met onze weenende en lachende, met onze moede en sterke oogen, dit is een land als een ander, midden de oneindige levensrijken, het leven hier is als het leven daar, maar zie: dit land met al zijn wezens straalt van één klaarheid en raadsellóósheid: het licht eener verhelderende, scheppende genialiteit is erover opgegaan, en terwijl we op de ermee verbonden levensrijken het leven in-duister-en-onbegrepen-zien, worden we hier verrukt door het begrijpen en doorvoelen, dat een groot kunstenaar voor zichzelf maar ook voor ons gedaan heeft. Daarom is het zóó één met het leven, dat men nauwelijks te voelen waagt, dat het kùnst is, maar daarom tevens straalt het zoo verklaard en verhelderd òp uit het leven, dat men aan niets anders dènken kàn, dan dat het kunst is, tot, ten slotte, het oog gewend en het verstand zich bezinnend, men in een hooger doorvoelen de beide gewaarwordingen vereent en begrijpt dat deze stralende top op den donkeren berg van geen ander graniet dan de berg-zelf is, dat dit hel-lichtende veld midden de naar den donkeren einder wegduisterende avondlanden geen ander land dan deze is, maar dat het 't stralende licht is dat voor ons zoowel dien bergtop als dit veld iets anders doet zijn; dat het dit dóórlichtende licht is, dat dit boek, zoo één met het al-leven, voor ons toch nog iets anders dan dat al-leven doet zijn, want òns nu doorvoeld, verklaard leven is geworden.

Men zal hier van mij geen detailleerend exposé van den inhoud verlangen. Niet alleen, dat dit bij een werk, dat in één week tijds, zijn tweeden druk en vijfde duizendtal bereikt en dus wel verondersteld mag worden, in de handen aller ontwikkelden te komen, wel een weinig overbodig heeten mag, maar het heeft ook nauwelijks zin bij een epos van de massa als dit, al is het tevens—en dit is een zijner schoonste triomfen!—een epos van de individuën, die de massa samenstellen. Want het maatschappelijk leven der massa, die men gewoon is ter onderscheiding van burgerij en hoogere standen, het "volk" te noemen, verschilt hierin van dat dier burgerij en hoogere standen, dat het voor alle individuën in hoofdzaak vrijwel gelijk is. Jenever, krotten, ontbering en uitbuiting, ziehier het maatschappelijk beeld in ruwe trekken, van dat levensgeheel. En zoodra ge dit kent, begrijpt ge, dat binnen de grenzen daarvan nagenoeg geen ruimte voor uitzonderlijke maatschappelijke stijgingen of dalingen van individuën is, geen ruimte ook voor "zaken," intrigues en sociale avontuurlijkheden, die gij het naproeven waard zoudt kunnen vinden. Met andere woorden: het verhaal van de levensomstandigheden eens ministers, eens bankiers kan zeer wel van een uiterste belangrijkheid zijn, óók al kent gij de levensomstandigheden van twintig andere ministers en bankiers en ook al onthoudt het verhaal u alle wetenschap van de psychische reacties van dien minister of bankier op zijn levensomstandigheden, maar zoodra ge de levensomstandigheden van één Jordaner kent, kan alléén de benieuwdheid naar de individueele psychische reacties u bewegen, ook van de, immers niet-individueele, levensomstandigheden van een twééden Jordaner kennis te nemen. Want—ik herhaal het—de levensomstandigheden-zelf van den tweeden lijken, als twee druppels water op elkaar, op die des eersten, en al zal er ongetwijfeld verschil bestaan, dat verschil is in ons oog—en op ons oog komt het hier voornamelijk aan—even microscopisch als tusschen die twee druppelen water. Dàt proletariërsleven ... dan een beetje méér, dan een beetje minder misère—wij huiveren èn van het meerdere èn van het mindere; het blijft voor ons hoogere-standsgevoel één pot viezig nat! En nu begrijpt ge meteen wel, waarom ik het ontbreken van zekere brillante combinaties en subtiliteiten een logische eigenschap en dus een deugd van dit werk noemde—immers dergelijke combinaties en vervlechtingen zouden hier niet meer of minder dan een soort levens-vervalsching zijn geweest!—zooals ge tevens begrijpt in hoe hooge mate het een proefsteen voor den menschschepper en psychologischen doorgronder is, daar het uitteraard alléén zijn blijvende belangwekkendheid ontleenen kon—gelijk we reeds gezien hebben—aan de weergave der individueele psychische reacties naast die van de psychologie der massa, al zal menigeen het zijn begonnen te lezen uit nieuwsgierigheid—en nog wat!—naar dat hem onbekende, duister-broeiende leven....—En welk een belangrijkheid bezit het door die weergave! Hoezeer kan het alle intrigue, en wat dies meer zij, missen!... Eén stróóm van lichtende menschelijkheid bestraalt ons en maakt ons tot verklaarden, en nimmer heeft het aanzien der verscheidenheid mij zulk een gevoels-begrip van eenheid geschonken als het beschouwen der machtige verscheidenheid in dit werk.

Het is het heerschersbewustzijn van den auteur, dat bestaansmogelijkheid scheppende oorzaak is—gelijk ik reeds aanduidde —van al het voortreffelijke in dezen arbeid en tevens zelf het voortreffelijkste kan worden genoemd, zóó als de aarde en het zonlicht het voortreffelijkste in een tuin van zelfs alleredelste bloemen zijn. Hoe langer ik dit werk, ook in verband met vroegeren arbeid van denzelfden auteur, overdenk, hoe duidelijker ik voel, dat hij vermoedelijk nog nooit iemand in zijn leven ontmoet heeft, of diep in z'n hart heeft hij zich psychisch diens meerdere geweten. Zijn subjectieve meerderheidsgevoel, dat hem tevens heerschersnatuur doet zijn, maakt zijn essentiëele grootheid uit. En het doet tot die grootheid weinig toe of af, of dat subjectieve gevoel al dan niet gehéél met een "objectieve" werkelijkheid overeenkomt.[11] Men zegge niet, dat het zich-meerdere-gevoelen door den auteur tegenover de "onontwikkelde" en "laag-staande" menschen van dit boek een zonderlinge grond is voor de conclusie, dat hij zich meerdere van vrijwel iedereen zou gevoelen. Want: deze verstandelijk onontwikkelden zijn dat psychisch niet, en op dit laatste komt het aan. Want wat het laagstaan dier menschen betreft: vraag, lezer, u zelf eens af, of gij u licht op dit oogenblik kunt voorstellen te leven een psychisch-frisschere en ook sterkere figuur dan Neel Burk; een psychisch-reinere, dan Huib Kilometerboekje—welk een prachtig mystisch-diep begrip van de waarde en de beteekenis der aangeboren, door het tijdelijk persoons-leven niet meer te deren zielseigenschappen toont hier de schrijver!—een psychisch meer bijzondere en reinere dan de tooverkol en schijnbaar belachelijke Tante Antje met haar aandoenlijke onbaatzuchtigheid—en men heeft in het feit, dat de schrijver niets gedaan heeft om die uiterlijke belachelijkheid en abjectheid te verminderen, weer een prachtig bewijs van het passief blijven zijner lagere persoonlijkheid! —maar, vóór u zelf, lezer, deze vragen te stellen, zie toch nog eens duidelijk in, hoe weinig psychische begaafdheid met verstandelijke ontwikkeling en begaafdheid behoeft te maken te hebben. Onderscheid goed den uiterlijken glans van den innerlijken glans. En overweeg eens, waardoor het mogelijk wordt, dat bijvoorbeeld een analfabetische daglooner, iets in zijn blik, zijn gelaat, zijn stem kan hebben, dat een zeer voornaam, zeer geleerd, zeer wijs en zelfs zeer goed mensch plots, in een oogenblik van hèl-lucide erkenning, zijn minderheid kan doen gevoelen. Zou dat niet zijn, omdat in zulk een oogenblik voor het oog van de ziel, alle tijdelijke, geestelijke zoowel als stoffelijke, uiterlijkheid is weggevallen en ziel slechts ziel ziet?

Indien men de aanwezigheid van het machtige heerschersbewustzijn in onzen auteur door ontleding van zijn werk wilde bewijzen, men zou dit reeds alleen door de analyse van de figuur Stijn Burk afkunnen. Niet alleen, omdat het dan reeds voor ieder duidelijk zou worden, dat een dergelijke allerwonderlijkst gecompliceerde en in de diepte en hoogte zeer ver uitgegroeide persoonlijkheid niet te begrijpen is zonder haar te beheerschen, maar vooral, omdat men zou inzien, dat met geen mogelijkheid zulk een mensch—allerteederste vader, schuchter man met sterk plichtsgevoel, vriend bij voorkeur van misdadigers en toch zelf niet bij machte ooit iets baatzuchtig-misdadigs te doen en daarmee weer schijnbaar contrasteerend: een dronkaard van duivelsch-kouden moordlust doorkild—zóó doorgrond, zóó in zijn componeerende elementen herleid en toch zoo intact, zoo fel-lévend kon gehouden worden als hij is, door observatie van buiten af, maar dat hiervoor onontbeerlijk was een onderduiken, beter wellicht een tijdelijk opgaan te noemen, van den auteursgeest in dien zijner figuur.[12] En dit nu, dit tijdelijk zich, zonder eigen bewustheid te verliezen, opgaan in het bewustzijn van een ander, is alleen den heerscher ten opzichte van den absoluut-beheerschte mogelijk, den veel grootere tegenover den kleinere—precies dus het tegenovergestelde van de analoge stoffelijke verhouding, waarbij slechts het kleinere het grootere kan binnengaan—nimmer echter den geringere ten opzichte van den machtiger. En, het zij hier terloops gezegd: ik geloof dat de grond-oorzaak dier onmogelijkheid is de psychische vrees voor het onbekende, die, om zoo te zeggen, de acute vorm is van de chronische psychische schuchterheid van hen, die zich in den loop van hun leven vaak en van velen de mindere moeten voelen, en die het daarom bij al hun waarnemingen nooit verder dan tot benaderen brengen, alles slechts van den buitenkant angstvallig betasten en nooit iets durven binnentreden.

Er is zelfs in dit werk een taalkundige eigenaardigheid aan te wijzen, die duidelijk belicht, dat dit "onderduiken" in het leven zijner figuren, bij wijle zoo sterk bij dezen schrijver was, dat hij zelfs eigen bewustheid tijdelijk verloor, d.w.z. zich dan niet duidelijk rekenschap van zijn artistieke handelingen kon geven. Ik bedoel met die eigenaardigheid het waarlijk overbluffend veelvuldig gebruik van het voorzetsel "ver" bij werkwoorden, ongetwijfeld een geniale vondst in zich-zelf, en als zoodanig ook vaak geniaal te pas, maar vaker grovelijk te onpas aangewend. Waarom dit echter, zooals ik zei, óók het opgaan van den auteur in het leven zijner figuren belicht, ziet men duidelijk op blz. 337, waar, onmiskenbaar, in de uitdrukking: "Sau f'rtrippele se 't op 't teneil nie...." die "ver"-spreek-wijze aan de taal der Jordaners zelf blijkt ontleend!

Maar is Querido's machtig heerschersbewustzijn ten opzichte zijner scheppingen, zoowel als de onontbeerlijkheid daarvan voor het welslagen als episch auteur, aan Stijn Burk en al de andere prachtig geslaagde figuren te demonstreeren, die onontbeerlijkheid alleen zou men ook vrijwel kunnen aantoonen, door de aandacht te vestigen op die ééne minder geslaagde in het geheele boek—ofschoon ook die zeer zeker een waarlijk-levend mensch is gebleven—jegens wien hem grootendeels het heerschersbewustzijn ontbroken heeft: Karel Burk, den begaafden Don Juan van de Jordaan. Men merkt dit ontbreken aan het feit, dat, zoodra het Karel Burk geldt, persoonlijke liefde, d.i. liefde jegens die figuur, in de plaats treedt van de onpersoonlijke menschheidsliefde. Want waar dit psychische heerschersbewustzijn is—het hoogste waarschijnlijk, dat een mensch bezitten kan, en dat men vooral niet moet verwarren met allerlei lagere verwante vormen, zooals heerschzucht, bazigheid, enz.!—daar is die menschheidsliefde en omgekeerd, maar waar, daarentegen, genegenheid voor een persoon optreedt, daar wordt het heerschersbewustzijn ten opzichte dier persoon gebroken. De heerscher laat den schepter vallen, wijl hij zijn onderdaan omhelzen wil.

De reden, waarom dit juist bij deze figuur is gebeurd, ligt m.i. open en bloot. In Karel Hurk, den buitengewoon-intuïtieven psychologischen doorgronder; den artistieken waaghals en bereiker, die de moeielijkheden zoekt, om ze te overwinnen, in wiens, vooral om die halsbrekende moeilijkheden zoo zeer geliefde, en telkens prachtig-op-het-kantje-af, meesterlijk-gratieus uitgevoerde dans-bewegingen, zijn vermetele en rijk-begaafde ziel pas goed tot uiting komt; in Karel Burk, den muzikaal hevig gevoelige; de, kortom, zéér artistieke heerschersfiguur, ligt, op een veel lager plan, een flink brok van Querido's eigen kunstenaarsnatuur getransponeerd. En dit transponeeren moge bewust of onbewust geschied zijn, het feit was voldoende, om des schrijvers heerschersbewustzijn te verlammen, want Querido is een van de weinigen, wellicht de eenige, tegenover wien Querido—en dit spreekt m.i. van zelf—zich, in den boven aangegeven zin, geen heerscher voelt.

Men lette er ook op, dat in dit boek—en wat ik nu zeggen ga, bied ik niet aan als een bewijs mijner bewering, maar slechts als een ondersteuning ervan—vol van allerprachtigste dialoog, vol van uitstekende beheersching en te-pas-brenging van het Jordaansche taaleigen ook in de meditatie der figuren (in zijn enormen rijkdom aan volksuitdrukkingen en de meesterlijke aanwending daarvan overtreft het zelfs Wolf en Deken, en dàt wil wat zeggen!) dat in dit boek, juist bij Karel Burk een uit-den-toon-vallen plaats vindt:

Wat was 't toch 'n fijn gezicht, zóó van het glinsterende en vonkende water òver de dwarsbruggen de lucht in te koekeloeren, tot je in de verte het torenhaantje in de hoogte zag blinken als een gloeiende, trillend-gouden wiek van een stil-drijvenden vogel in het starre blauw.

Uit het woord "koekeloeren" blijkt duidelijk, dat de bedoeling was de gewaarwordingen van Burk in Burksch dialect te geven en die dus niet in Queridoïaansche zegging om te zetten, maar uit het laatste door mij gecursiveerde zinsdeel blijkt even duidelijk, dat het Querido-brok in Burk, Querido, den schepper van Burk hier de baas was!

Ik zei straks, dat, compositorisch gesproken, er begin noch einde aan het boek is. Voor wie meenen mocht, dat ik dit een fout in het werk acht, zij onmiddellijk verklaard, dat ik dit integendeel, hier, een schitterende deugd vind. Een lastig probleem en een zeer groote moeilijkheid werden hierdoor volkomen opgelost en overwonnen. Bedoeld was m.i. namelijk niet in de allereerste plaats een beeld te geven van het leven van zekere individuën, van een leven dus, welks eng-begrensde duur zijn vast en duidelijk begrip in onzen geest heeft, máár, in de allereerste plaats, van een brok volksleven, d.w.z.: een leven, welks begin en einde ver buiten onze onmiddellijke perceptie liggen. Want is onze indruk van een persoonlijk bestaan die van iets eindigs, onze gevoelsindruk van het maatschappelijk, van het massa-leven is daarentegen die van iets oneindigs. Doch, een brok massa-leven, zóó meesterlijk, zóó boordevol vitaliteit te geven als in dit boek, is niet mogelijk, zonder de samenstellende deelen van dat leven: de individuën, alleruitstekendst te beelden, maar zoodra dit gebeurt—en dit is de moeilijkheid, waarvan ik hierboven sprak—dreigt de daardoor ontstaande indruk van het begrensde en eindige, te verhinderen, dat zijn tegendeel: de gevoelsindruk van het oneindige—welke we immers van het massa-leven, als geheel, behooren te krijgen—bij ons ontstaat. Om de bovenstaande bedoeling dus te verwezenlijken; te zorgen dat de tegenstrijdige indrukken zóó worden te weeg gebracht, dat zij elkaar niet vernietigen en dus: ons het oneindige te laten voelen van een zeker levensgeheel, naast de een eindigheidsindruk verwekkende uitbeelding der eindige deelen, moest naar het hulpmiddel van een zekere wijze van componeeren worden gegrepen, ten eerste: het geven van een nagenoeg climaxloozen verhaalgang—want stijging, daling en, in een woord, wisseling in een geheel, versterken den eindigheidsindruk—en, ten tweede, het als 't ware doen voortloopen van het tafereel tot buiten het kader, waardoor we de gewaarwording krijgen, alsof de begrenzing is aangebracht, alleen ter tegemoetkoming aan òns niet oneindig ver dragend perceptievermogen, en niet omdat het gebeelde leven hierin werkelijk kon omraamd, en zoodat het ons is alsof ons wierd gezegd: zoo uwe oogen het toelaten, zie dàn verder, hoe eindeloos het leven blijft, blijft doorvloeien, ééuwig voort.—Door dit alles dus verkregen we een meesterstuk, welks felle uitbeelding van het eindige leven ons gevoel, dat wij hier ook het oneindige zagen, niet schaden kon.

Maar ook in ander opzicht blijkt het compositorisch-geniale van onzen auteur: in zijn aanwending van nevens elkander gestelde contrasten. Men lette eens op de impressie, welke de prachtig geschreven terugblik op het leven van Neel Burk met haar eersten man, den zachten Gronjee maakt, te midden van de beelding van haar leed-en-angst-bestaan, nu zij getrouwd is met den onberekenbaren Stijn Bark: of, en dat brengt mij meteen ertoe te spreken van de prachtige beschrijvingen in dit boek, men zie eens naar de neven-elkander-stelling van deze contrasteerende stad-en-land uitbeeldingen:

't Had rauw geklonken door de buurt, al om vier uur vroeg.

—Luilèk ... biddesèk, stoat om neige ure op ... neige of hèlleftien.... hep je de Luilèk nauit gesien?—Een donkere worp van doode ratten en katten, weken lang al vooruit in de polders als prooi beloerd, was dof néérgebonkt op ruiten en ramen van beluilakte buurtgenooten, die woedend met bedreigingen losschoten, zonder iets te durven doen.—Een paar dagen later hadden diezelfde kinderen zich de morsige handen koel afgespoeld in de buitensche slootjes en gezocht naar de rose-witte en hel-gele, stralende pinksterbloemen en de zalm-roode klaproos.—Met land- en grasgeurig doorzwoelde bouquetten, vol koekoek en gele lisch, met vetglanzende boteren paardebloemen, waren zij komen aanzwalken bij troepjes van Amstelveen, Ringdijk, Ouderkerk, Rietlanden en Watergraafsmeer. De morsige handjes hadden bij duizenden rondgestrooid àl wat de gouden zomer liet bloeien aan slootkanten, op wei en veld. De kinderen hadden in driftigen lente-roes, de kleurige en riet-bepluimde oevertjes van Amsterdamsen buiten geplunderd, struiken en halmen vertrapt en afgerukt, voor bemachtiging van ooievaarsblom en waterranonkel. De handjes hadden wild gegraaid tusschen blonde sterre-bloempjes fijnstraal, en plompen, soms terugschrikkend voor een graspieper, ze langs 't gezicht fladderend, of weggelekt door een flonkervleugels-vertrillende libel, die dronken om het vanielje-geurige zoet van witte orchideeën heen-kringde.[13]

Zoo hadden de kinderen geplukt, geplukt, en de verbrokkelde en geknauwde armoe-buurten van de Jordaan, voor eenige uren òpgetooid met 't geel-goud, purper en wit gebloemt van buiten.—Uitgesleten, kist-donkere en lood-rechte slingertrapjes, waren oversmakt van stervende ruikertjes. Op vunzige stoepjes en in duister-verhulde kelders, waar altijd de goot borrelde of stonk, was bloemsap gedruppeld, rookten geuren nà van klaver en iris, waterbezie en bitterzoet.—Even maar hadden de kinderen, rondslenterend in hun vacantie, in hun sjofele plunje meegedragen naar de gore stegen en walmende straten, lucht van oevergras en versch hooi, dadelijk weer gedoofd door bak-stank van visch-stalletjes, die, in goedkoop oliedrenksel, scholletjes en botjes in steen-glazuren kommen voor de gulzige Pinkster-smakkers gereed hielden.Want dwars tusschen het zomerig zoeken der kinderen naar de blank-blauwe lucht van het wijde landschap, naar den koelenden watergeur, en 't loeren op 't geheimzinnig stekeltjes- en torren-gekrioel in de hemel-verspiegelende slootjes,—gierde het luidruchtig vertier der volwassenen. In potwagens, bonte Jan Pleziers, open bakken en hooge tent-karretjes, zwijmden dronken stelletjes van vier, zes, acht en twaalf soms, bijeengeperst in de gloeihitte, verzweet en opgewonden.—De keien hadden geschud van de ratelende en rollende vigelant-wielen. Tot 's avonds bonkerden ze door, als de roode zon al verwilderenden weerschijn op de zatte en afgestompte tronies vlamde.

Vormen deze tegenstellingen niet een compositorisch schoon? En zijn de beschrijvingen-zelf niet van een verrukkelijke vorm-, geur- en atmosfeergeving? Maar toch, ware het niet geweest om daarmee mijne bewering betreffende de compositie te ondersteunen, ik zou verkeerd gedaan hebben met dit te citeeren, terwijl ik al dat andere minstens even mooie niet aanhalen kan: de prachtig-uitgebeelde dansen, de machtig-gegeven vechtpartijen, zooals die op de Aal-markt, in het magistrale eerste hoofdstuk, en het bijna-doodtrappen door Stijn Burk, in zijn dronkenschap en daardoor ontstanen koud-duivelschen moordlust, van zijn zwangere vrouw, met op het einde, als Stijn onder de macht der hem in bedwang houdende kerels in een algeheele ontreddering bewusteloos is neergezonken, dat prachtig-bescheiden-nauwelijks-symbool van Stijns eigen lijdensleven, dat lijdensleven van hem die door zijn drinkhartstocht, welke hij toch zóó gaarne zou willen bedwingen, elken dag gekruisigd wordt: