Kijk Jan zitten kieskauwen. Zelf had ze maar effe naar de bakker moeten loopen, omdat juffrouw Sefie het verdijde.... Got, stond-ie nou al op!...
—Wil je eerst nog niet een kòpje?... Toe ... blijf nog effetjes....
En zij drong zich tegen hem aan, de hand aan zijn stoel, dat hij weer zou gaan zitten.
—Wou je zoo graag dat ze-n-'t wiste? Nou m'ar ik niet, hoor!
Hij beet het haar toe, nauw hoorbaar, heesch.
Geertje had zijn stoel gegrepen, beide haar handen omklemden de leuning; zoo blééf z' overeind, schoon de grond om haar zonk.
Nu was hij al niet meer bij haar; de kamer was leeg en de deur stond open—zij hoorde Sefie met het keukengoed kletsen.
God, wat was dit!... Had zij Hem verlóren?! Eens had zij gedroomd, dat hij plots haar begaf, 't Kon toch niet in werklijkheid!?
Toch zou hij daar niet zoo spoedig in geslaagd zijn, als niet het naïef-trotsche in Geertje de onbewuste bondgenoot zijner laagheid ware geworden. Het geëxalteerd-zijn kan zoowel iemand volkomen blind maken voor de werkelijkheid, als zijn inzicht daarin tot een buitengewone hoogte en wijdte opvoeren. Bij Geertje hebben telkens beide plaats. In 't onderhavige geval gebeurt het eerste: haar geëxalteerde toestand maakt haar niet alleen blind voor het feit, dat haar liefdevoelen wel edel in het complex van haar zielsvermogens is, maar uiterlijk als iets onedels verschijnt, doch ook voor de voor haar nadeelige gevolgen, die een bruusk openbaarmaken van haar liefdeleven hebben zal. En zoo werpt ze 't de "Juffrouw" in 't gezicht, dat Jan haar, Geertje, lief heeft, dat ze "zijn vrouw" is, en wordt zij het huis uitgezet. De lezer moet er zich wel voor hoeden, in dit optreden van Geertje de onbeschaamdheid van het gemeene te zien. Verre van daar: het is de trots der onschuld, die zich, intuïtief, rein voelt. Verstandelijk, als zij te rade gaat met wat haar van jongs af geleerd is, twijfelt Geertje zelf vaak aan haar onschuld, ja, gelooft zij aan haar schuld, maar in haar hoogste oogenblikken, voelt haar ziel, dwars door de telkens weer aanklagende tegenwerpingen van haar verstand, dat zij het geluk en het heil der schuldeloosheid niet heeft verbeurd. Dit beweer ik niet slechts, ik zal het u bewijzen:
Zij een zoon, een zoon van Jan....
Zij was uitgekleed, en als iederen avond, knielde zij neer voor haar bed.
En opeens doorstroomde haar moed, moed om het aan God te vragen, haar liefde, schoon zondig, te willen zegenen, daar ze Jan zoo innig liefhad; haar te vergeven, zoo ze kwaad deed; en het haar kind niet aan te rekenen—om Jezus' wil.
Wat zegt ge wel hiervan?! Wat mij betreft: ik herinnerde mij plotseling Vondel's Jozef in Dothan: als de broeders Jozef in den put gesloten hebben, zingen de engelen voor hem en hen onhoorbaar:
Het lust ons om dees duisternissen
Des puts, al 't hemelsch licht te missen:
Want zulke duisternissen zijn
Ons schoener dan de zonneschijn.
Wij willen hier een hemel stichten,
Verzien met aengenamer lichten
Dan aen het blaeuw gewelfsel staen....
Want, ook hier heb ik weer in de donkere diepte van Geertjes leven de engelen hooren zingen, en uw gehoor, vrienden, zou al zeer vergroofd moeten zijn, zoo ge hun stem en ruischenden vleugelslag niet hoordet althans in dit: (Het is in Oom's huis. Nacht. Geertje ligt te bed).
Zij voelde de tinteling van een verlangen om met haar hand te strijken over haar buik, om te tasten of zij iets leven gewaar werd, om hèm maar heel zacht te streelen. Maar zij bleef bewegingloos, wijd de oogleden open, wetende dat haar oogen straalden van warm verlangen in 't zwart van den nacht.[11]
Toen trok zij zich uiterst voorzichtig iets dieper onder het dek en met dankbaarheid werd zij zich bewust, dat de slaap weder over haar kwam. Als kind en als jong-meisje had zij immers ook zoo dikwijls wakker gelegen, 's nachts, angstig dat Groo'va het zou bemerken door het kraken van 't ledikant of dat zij den volgenden morgen niet tijdig zou beneden zijn, maar toch zalig zich voelende in dat lekker vrij liggen staren en denken, vol plannetjes en illusies. Je merkte niet, hoe prettig de slaap was, wanneer je niet een poos met open oog in 't zwart zat te staren.... En nu lag zij hier saâm met haar kind! In haar sliep het als in een wieg, 't groeide, 't leefde daar met haar mee. Nooit meer zou ze nu alleen zijn—altijd met het liefste dat ze bezat.... Erg voorzichtig zou ze gaan doen. Zij was immers kindjes' wieg. Daar had ze nooit nog aan gedacht. Ze had er maar op los gesjouwd, gedraafd en gebukt en getild en gewreven, zonder één enkele maal te bedenken, dat die beweging hem misschien pijn dee. Nu, voortaan zou ze anders leven! Tante moest het werk maar doen....
En ziet ge wel, hoe nu de een, na de ander, de poorten van Geertjes innerlijk worden ontsloten en hoe hier overal natuurlijk-schoons en -kostbaars ontluikt. Is het wonder, dat zij in dien geestlijken toestand levend nog altijd in haar afgod een god blijft zien. Bij haar ellendige oom en tante in huis zwerft zij telkens de straat op, om Jan te zoeken, eindelijk treft zij hem. En het volgend gesprek ontspint zich:
—Zoo, zei ze zacht en stak haar hand toe.
—Waar ga jij heen? vroeg hij, als enkel verbaasd. Maar ze hoorde schrik in zijn stem: hij begreep, dat ze hem was nageloopen.
Ze vertelde; zei dat z'er zoo uitzag, dat ze hem opgewacht had, zich verscholen. De woorden floten uit schorre keel; ze drong de linker vuist in de zij, tot een steun omdat alles daar bonsde; en toch, telkens wanneer ze even had opgehouden met spreken, vond ze nieuwe dingen te zeggen—want hij zweeg, keek haar aan en zweeg, keek met oogen die ook niets zeiden.
—Wat ben je vreemd, dorst ze eind'lijk, wanhopig.
—Ik?... Hoedat?... vroeg hij traag, bijna stuursch.
In de door mij gecursiveerde woorden komt uit dat Heins afwacht, wàt Geertje hem doén, zèggen kan. Ook weet hij, dat hij haar hiermee uitput en ten derde wil hij haar, als in 'n vergetelheid van heel het verleden, laten voelen, dat het is afgedaan, dat hij feitelijk niets meer met haar te maken heeft.
Nu barstte ze uit. Nu kon ze niet langer.
—Toe Jan, doe toch zoo nie' mit me! Dat he'k niet verdiend! Je martel me zoo! Spréék nou te minste. Zeg hoe of wat...!
—Wa' mot ik je zegge? 'k Begrijp je niet. Omda' we mekaar nou zijn tegegekomme....
Zij wist al. Toch zei ze:
—Je zou me schrijven.
—Ik jou schrijve?... aarzelde hij. Toen opeens rad:—Ja! A'k gekund had. Maar na wat je Oom me gebakke heit.
Bij de eerste door mij gecursiveerde woorden, weet Heins er nog geen verontschuldiging voor te vinden, dat hij zijn belofte haar te schrijven, niet gehouden heeft. Dus zal hij maar net doen, of hij zich van die belofte niets meer herinnert. Maar daarna valt hem een uitstekend voorwendsel in, waarvan hij gauw gebruik gaat maken. De dialoog is hier prachtig!
—Oóm?... Wàt he't die?
Zij wou wel gelooven. Maar de vraag klonk als uit twijfel.
Nu keek hij haar meer aan: oogen die durfden. Op een toon van: maak me niets wijs.
Hij voelt dat hij nu gewonnen spel heeft, dat hij met dat voorwendsel een prachtige vondst heeft gedaan!
—Hé't ie jou daar niks van verteld?
—'k Zwéér je ... angstigde ze hem tegemoet.
Doch ze bedacht: och meent ie dàt? denkend aan de ruzie, die oom gemaakt had, toen ie haar koffer was wezen halen. En deze gedachte verdofte haar blik tot een van aarzeling. Heins zag het:
—Zie je! Je weet t'er wél van....
—Meen je, toen Oom me koffer gehaald he't?
—Je koffer? Wat? Och meid, je klèst.
—Anders weet ik van niks, verzekerde ze vurig.
Hij hield het ongeloof van den verongelijkte vol.
—Bei je d'er onkundig van, dat ik bij de kommesaris heb motte komme?
—Jij bij de kommesaris! Waarvoor?
Maar haar toon was gedaald in het laatste woord en weer was haar blik vervaagd, want ze herinnerde zich wat Tante verteld had en die haar gezegde van "de'n eenigsten weg."
—Jok d'r toch niet om! zei Jan fier.
Hoe voortreffelijk is dit alles: in de eerste door mij gecursiveerde woorden komt uit, hoe een reine persoonlijkheid als die van Geertje, zich-zelf niet betrappen kan op een zelfs onbewust-geuite onwaarheid of zij wordt er verlegen om en verliest haar zekerheid; in de laatste door mij gecursiveerde woorden: hoe een doortrapt-sluwe misdadiger als Heins van dit aandoenlijke schuldbewustzijn gebruik maakt, om, zichzelf met het mom der schuldelooze deugd bekleedend, de schuld-gevoelende, reine persoonlijkheid dieper in verwarring te brengen, te vernederen en te intimideeren.
—'k Jòk niet. Tante he't me verteld, de dag dat Oom me koffer gehaald he't, dat ie gedreigd had mit de peliessie....
—Nou dan!
—Ja maar da's ook al!
—Maar je wist 'er dan toch van! Nou, hij hep z'en bedreiging volvoerd. D'er is 'en inspekteur in me winkel gekomme, en, daar me bediende bij sting, vroeg-t-ie of ik us in de Pauwesteeg wou verschijne; de kommesaris wou me spreke. Prettig, asje j'eige zaak heb! 'k Schrok me n'en aap. Wist ik waar voor 't was!" In me schrik he'k et bove verteld.... (Haar in de oogen ziend:)—Ja, da' was stom. Ik weet et wel. Maar me bediende had toch niet gezwegen. En dan ... 'k dàcht niet an ie's mit jou. 't Kon wat weze bij me vrouws moeder, in de herberg, of mit een van me personeel.... Dat dacht ik eig'luk ... dat t'er een wat gekle'st had.... Mit volk in je dienst, sta je daaraan bloot.... Affijn, wist ik veel! Ik ben gegaan.... Jawel, of ik Geertje Hendriks kende.
—Wist ie me naam?
—De vent wist alles!... Ja, dat dank je nou aan j' Oom! Van je femielje mo' je 't hebbe.... Wat kon ik d'ar nou op zegge!... 'k Doch dadelek an de mogelekheid da'k je nog us zou kunne trouwe. M'ar de wet verbiedt 'en huwelijk tusse mensche die e ... overspel hebbe gepleegd. Bekende-n-ik, nou, 't was voor eeuwig nie' moog'lek. Offisjeele bekentenis!... 'k Heb alles geloochend, wat j' Oom gezeid had....
—En?....
Er was even een stilte die zwaar lag. 't Warde, duizelde in Geertje's brein. Heins voelde dat hij ijlings moest voortgaan:
—M'ar nou begrijp je wel, da'we voorlóópig niks motte beginne. Kan 'k je mit ie's helpe ... mit geld of zoo ...graag netuurlek. Da' weet je wel. Maar we motte uit mekaars buurt blijve. Juist voor later. Om niks te bederve. Want je begrijp, ze loere nou op me.
Geertje wist niet meer wàt ze had begrepen.
De eerste door mij gecursiveerde woorden: van Heins z'n standpunt was dat juist een slimme zet. Geertje heeft voor hem afgedaan. En het beste wat hij nu doen kon, was bij z'n vrouw en schoonmoeder zoete broodjes te bakken, door ze "openhartig" alles te vertellen, enz. enz. Maar Geertje moet hij 't doen voorkomen, alsof hij aan haar zijde en tegenover zijn vrouw staat. Vandaar dat hij zegt 't 'n stommiteit van zich-zelf te vinden.—In de door mij gecursiveerde woorden van Geertje, ziet ge 't arme schepsel in haar volle naïveteit en schaamtevolle bedeesdheid: hoe vreeselijk, dat die commissaris haar naam weet!! En de ander grijpt nu onmiddellijk—in het daarop volgende kursieve—slim de gelegenheid aan, om op Geertjes oom de schuld van hun elkaar niet kunnen zien te schuiven en tusschen dien en haar te stoken. Maar pas daarna in de door mij gespatiëerd gedrukte zinnen verschijnt hij in z'n volle gewetenlooze sluwheid. De gehééle door mij geciteerde dialoog is schitterend, maar hièrin is hij allerprachtigst getypeerd. Van het daaropvolgende, door mij gecursiveerde, meent hij natuurlijk niets; ten eerste rekent hij er op, dat Geertje nu te verlegen is iets van hem te vragen en als ze 't later mocht doen per brief, welnu, dan antwoordt hij niet! Even later trouwens, als ze hem vraagt of hij haar niet wil schrijven, zegt hij, dat hij dat niet kan doen: "Oom kent ommers m'n handschrift!!" In de laatste door mij gespatiëerd gedrukte woorden buit hij verder zijn vondst van het "gevaar" eener "offisjeele bekentenis" uit!
Als Geertje nu, troosteloos, van hem heen gaat, komt wel twijfel in haar op, maar ze slaagt er toch altijd weer in, dien weg te redeneeren en als haar edele oom, na eerst Heins voor den "commesaris" te hebben gedaagd en 'n spiegelruit in z'n winkel te hebben stukgeslagen, ten slotte bij hem in dienst treedt en zelfs—hij de oom van de gedupeerde!—er op staat dat Geertje Heins "met rust zal late," dan denkt Geertje, over die laagheid van oom maar heenglijdend, dat Heins hem werk geeft, om zoodoende voor haar en hun nog ongeboren kind, "zijn Ismael" te zorgen!... Een ziel als die van Geertje doet, om zoo te zeggen, alles in 't groot, haar is het vermogen en de geaardheid der innige geloovigen: alles wat God doet is ten goede, en zóó: alles wat de man doet, in wien zij gelooft, dien zij liefheeft, is: om goed te doen, is ten goede.—Nadat Geertje doodziek is geweest en helle-angsten heeft uitgestaan, omdat ze meende, dat de vrucht in haar lichaam is gestorven en God dit als vreeselijkste straf, die een aanstaande moeder kan treffen, over haar had beschikt, gebeurt er iets, dat haar onvermijdelijk Oom's huis uitdrijft. Zooals ik in mijn eerste artikel zei: indien wij Geertje in het leven ontmoet hadden, wij zouden niet alleen het flauwste begrip van haar adeldom missen, maar haar zelfs voor een heel gewone "gemeene meid" houden. Maar zeer zeker is het te verklaren, dat de platzinnelijke Gerrit Holkers haar daarvoor houdt. Hij wil haar geweld aandoen en nadat Tante haar broer hoonend en treiterend tegen Geertje heeft verdedigd, loopt deze 't huis uit en vlucht naar Maandag.
Niet onverdeeld is door de critiek deze Maandag als mensch-schepping gunstig beoordeeld. Laat mij daarom onmiddellijk zeggen: ik ben het met de afkeurende meeningen niet eens: Deze figuur is die van een uitzonderingsmensch. Zij is dus: romantisch, maar zij is goed-romantisch, omdat zij op een enkel vlekje na—waarover ik later spreken zal—naturalistisch-zuiver gebeeld is. Maandag is een uitzonderingsfiguur, omdat hij daden doet van zóó edele natuur, dat een gewoon mensch ze zekerlijk niet zou doen, en hij is naturalistisch zuiver geheeld, omdat niet alleen het geheel zijner psyche van dien aard is, dat dergelijke daden er noodzakelijkerwijze uit moeten voortvloeien, maar ook zijn levensomstandigheden daartoe het hunne bijdragen. Maandag is een kind uit een erfelijk belast gezin: 'n paar van z'n broers zijn jong gestorven; hij is 'n bultenaar; zijn zuster, met wie hij samenwoont, een publieke vrouw, die telkens met 'n ander er van door gaat en hem dan de verpleging harer twee jonge bloedjes van kinderen overlaat. Zulke omstandigheden kunnen iemand in alle opzichten tijdelijk ten gronde richten. Woede tegen het door hem onbegrepen Noodlot kan hem tot een ontkenner van alle bestaan in rein geluk, van het nut en de schoonheid der deugd, van alle menschelijke onbaatzuchtigheid en goedheid maken. Dat kan, zeer zeker, maar slechts in het geval, dat zulk een persoonlijkheid nog niet die ontwikkeling heeft bereikt, welke voor goed een zedelijk en geestelijk te gronde richten door levensomstandigheden buitensluit. Heeft hij die wel bereikt, dan werken juist ook zulke omstandigheden veredelend op hem. En dit zal ook wel de zin zijn van het woord: "Hij die heeft, dien zal gegeven worden, maar wie niet heeft, van dien zal genomen worden zelfs hetgeen hij heeft." Men herinnere zich slechts wat ik in mijn vorig artikel bij de ontleding van Jan Niekerk's persoonlijkheid heb gezegd: dat alles hem hindert en niets hem tot nut is, en merke dan op, dat dit in tegengestelden zin voor Maandag waar is. Doordat Maandag zoo ongelukkig is, krijgt hij des te spoediger en dieper medelijden met andere ongelukkigen, maar geen haat tegen het "Noodlot" of het "leven." Hij weet nu eenmaal, dat het feestelijk luchterlicht der gelukkigen niet voor hem is, maar welaan, als de toch ook guldene schijn van de knetterende olielamp der nederigen zijn bleeke hoofd en zachte oogen komt bestreelen, zou hij dan niet dankbaar opzien en zijn oogen laten drinken van dien glans? Er zijn veel menschen, die groote plichten misvormen tot kleine, om ze des te gemakkelijker te kunnen—verwaarloozen. Hij is een van de weinigen, die kleine plichten tot groote maakt, om maar van zijner liefde overvloed te kunnen geven! Zoo gij u over de edele daden van zulk een man verwondert, verwonder u ook erover, dat een zwangere baart, dat koren in halmen opschiet en kunstenaars kunstwerken scheppen. Maar beter is het, dat gij dit alles niet doet en uw leven besteedt aan het opvoeden van u-zelf. Misschien komt er dan een tijd, dat gij u over zulk een man niet meer verbaast, omdat gij hem terugvindt in—u-zelf!
Terwijl ik mij nu gereed maak, dit laatste Geertje-artikel te schrijven, weet ik mij weer vol van weifelend dralen. Want er zijn boeken, die ons zijn als een huis vol van herinneringen, vol van ons zelf. En zoo voel ook ik mij nu als iemand, die een hem lang vertrouwd en lief geworden huis verlaten gaat. Dat, wat het zijne is, maar toch ook—en hoe diep voelt hij dit!—van het huis, waarin het zóó lang zijn mijmerend leven leefde, waarmee het één was geworden, is nu bijeen gehaald uit alle kamers en hoeken, en tot den uittocht bereid. Hij-zelf staat vol weemoed stil: zóó als het licht door die ramen viel en tot iets eigens in zijn tintenschakeeringen en schaduwverdonkeringen, van het oude huis èn van hem werd, zal hij 't nooit meer zien; het leven, wat hij hier heeft doorleefd, is voor goed voorbij.... Schimmen van menschen en verre herluidingen als echo's van lang verklonken geween en gelach verbergen zich nu in dit huis voor eeuwig en voor goed in vergetelheid, vóór de vréémde komt.... Ze herklonken en leefden nog in een heel teer leven en onwezenlijk schemerbestaan, zoolang hij hier was, om ze te zien en te hooren. Zij herleefden op zijn zwijgend en nauw-bewust-willend gebod.... De vreemde, die na hem komt, zal hen niet hooren en zien.... Het mooie huis, het zal ook om dien staan, en diens leven zal erin lachen en weenen.... Van het verstorven gelach en geween zal hij niets voelen.... En de heengaande man voelt zich onrustig en gejaagd: zou hij niets van het zijne hebben vergeten? Maar plots glimlacht hij weemoedig en knikt, in begrijpen, tot zich-zelf: ach, niet de twijfel, of hij iets van het zijne heeft vergeten, maakt hem zoo onrustig, maar de zekerheid, dat hij moet achterlaten, wat hij nooit vergeten zal, die maakt hem onrustig!... Want er zijn dingen, die men niet meenemen kàn....
"Maar welaan, laat mij sterk zijn," denkt de heengaande man, "is het niet schoon, dat menschenwèrk langer duurt dan menschenléven, en een ander ervan zal genieten...."
En welaan, mijn werk moèt nu toch spoedig gedaan zijn, denk ik ... is het niet schoon, dat zoovele anderen nog zullen leven en voelen mèt, ìn dit boek, ieder op eigen wijs; dat het wéér-klinken zal hun gelach en hun weenen, dat zij het bezit van hun ziel en de have van hun geest er in zullen bergen, ja vermeerderen en wijzigen, al naar de schoonheid van dit monumentale bouwwerk, van hun gevoel voor harmonie, van hun smaak en fijn gevoel zal vorderen?... Al weet ook ik, dat wat ik nu achterlaat van mij, gedoemd is, in vergetelheid te gaan.... Wat van mij saamgeweven is met de stemming van het boek, wat er niet van los te maken is, en in woorden geborgen, naar buiten te brengen; wat ik te subtiel-individueel heb doorvoeld; wat ik niet heb kunnen zeggen en wat ik niet goed heb kunnen zeggen, dat alles blijft achter in vergetelheid.... Laat mij nu nog beproeven, het zoo weinig mogelijk te doen zijn.
Ik zal nu ik spreken ga van het leven van Geertje in Maandag's huis, natuurlijk veel ònbesproken moeten laten. Daartoe behoort o.a. de voortreffelijke uitbeelding van Buurvrouw Tabbe, die altijd, bij afwezigheid van zijn zuster, Maandag's huishouden bereddert. Die uitstekende instantanée'tjes van het kinderlijk-goedhartige, van het naïef stuursche en heel dat klein-burgerlijk gedoente, mogen voor jelui bewaard blijven tot de lezing van het boek-zelf. Ik zal mij hier bepalen tot het essentiëelst-karakteristieke der hoofdfiguren. Geertje heeft haar grootvader geschreven en nu, tengevolge van dien brief, komt hij bij haar, in Maandag's huis:
—Groo'va!...
Hij stond, met Oom ter zijde achter zich, juist op de plek, waar buurvrouw den vorigen dag met een—"Nou, ejuus dan," hoonend op haar had neergekeken. Hij stond en niets bewoog aan hem. Geertje zag de lange, smalle lippen pijnlijk vast opeengeklemd en onder zijn doorborenden strafblik sloeg zij de oogen neer, de lach kroop weg van haar gezicht en zij bedacht dat ze, op haar rouwjapon, tegen de stoffigheid van het huiswerk, een bonte schort met gaten had aangedaan, die er nog hing van Maandag's zuster. Schielijk de linkerhand naar achteren stekend om de strik te openen, wilde zij met de rechter de schort al wegtrekken, maar de strik trok vast en de ijle beweging der rechterhand scheen een strijken over de zwangere buik, als om weg te strijken.
Dit laatste door mij gecursiveerde is een zeer fijne opmerking van den schrijver. Wij moeten namelijk begrijpen, dat dit den grootvader zelf niet alleen een beweging van schaamte toeschijnt, maar Geertje-zelf hier voelt, dat die handbeweging haar grootvader en oom zal doen denken, dat zij zich schaamt voor haar zwangerschap; en dit kwetst haar fierheid. Zij immers, zooals we weten, schaamt zich daarvoor niet, omdat ze zich, in het diepst van haar wezen, schuldeloos voelt.
—Ben je alleen? bitste de vermaanstem.
—Ja Groo'va.
—Het tocht hier.
Dit kurk-droge en als versteend-ordelijke aan-kleinigheden-denken, op dit oogenblik, karakteriseert weer den grootvader uitstekend!
Oom sloot de woningdeur, Geertje de ramen. Ook de tusschendeur ging zij sluiten.
—Gaat u niet zitten? vroeg ze zacht en schraapte naar meer geluid. In een wanhopige zelfteleurstelling voelde ze zich tòch onthutst-doen.
—Is dat wat je me te zeggen hebt, Geertje?
Hier komt weer het hoogst ergerlijke in zulk een dogmatisch-verstrakte, door eigen bravigheids-bewustzijn hoogmoedige en gevoellooze voor den dag: Hij mag zóó weinig ontroerd zijn door den aanblik van z'n mishandelde en vertrapte kleindochter; hij mag zoo weinig fijn gevoel bezitten, zoo weinig onbewusten eerbied hebben voor het leed en voor dat hooge oogenblik van elkander weerzien, dat zijn eerste woord een bevelhebberige verklaring kan zijn, dat "het tocht!"—Zij daarentegen moet zóó eerbied-geslagen door zijn tegenwoordigheid zijn, dat ze zelfs het benul niet behoort te hebben hem een stoel aan te bieden!! Hoogmoed en Trots, wel te onderscheiden van Ziele-hoogheid en Gevoel-van- eigenwaarde, worden altijd door Dwaasheid begeleid, opdat naar den wil der zachtmoedige en onophoudelijk-onderwijzende Natuur, deze beide plechtig- voortstappende, geharnaste ridders, meenend een helm te torsen, een zotskap dragen, gelijk Sancho Panza zijn scheerbekken, en aldus een schouwspel van weerzinwekkende en waarschuwende belachelijkheid zullen zijn....
Het was de oude toon van vijandig klinkende berisping, die hardheid, die haar altijd had gekwetst, waarover Groo'moe met zachtheid placht te troosten. Nu was niet Groo'moe er, maar Oom.
—Ik heb u ommers alles geschreven, zei ze, met zekerder stem, koel, strak.
— Heb je Groo'va vergeving gevraagd?
Oom! Die braaf dee, voor 'en wit voetje!...
Nu had ze haar stem weer geheel, en blozend:
—Heb ù al om vergeving gevraagd?
—Ik? Ik heb me niet laten onteere!
—Nee, ù heb goed opgepast! En voor mijn heb u ook zoo gezorgd! Daarom liep ik laast uw huis uit, toen uw zwager m'en as hoer wou gebruike....
Groo'va, die zich juist omgewend en de hand op een stoelleuning gelegd had, strekte die uit met gebiedend gebaar:
—Stilte!
Juist als vroeger op school.
—Laat me met haar alleen, Jan; ik zal de weg naar je huis wel vinden.
Toen Oom was heengegaan, zei Groo'va:
—Ga daar zitten.
Het wás háár stoel, waarop zij altijd zat, deze dagen; zij ontving Groo'va in Maandag z'en woning. Hij deed net als thuis tegen stoute jongens, die hij in zijn kamer liet komen na schooltijd. De meester, de berispende meester—anders was hij niet voor haar.
Men zal de uitbeeldingskunst van dit geheele stuk moeilijk te zeer kunnen prijzen. Het schoolmeesterlijke gedoe van Groo'va, Oom's vleiërige kruiperigheid,het staat er alles voortreffelijkin. Maar vooral opmerkelijk is Geer's koel, strak, snibbig en hard worden. Het lijkt mij gewenscht hier even van de eigenlijke oorzaak daarvan te spreken: omdat zachtmoedigheid en vergevingsgezindheid goddelijk, d.i. schoon en goed zijn, wordt een mensch bij hun aanblik ontroerd en heeft hen onmiddellijk lief. Beproevend hen na te volgen om zelf schoon en goed te zijn, wendt hij zich tot hen en hoort, met een gelukkig gevoel in het hart en heerlijke overgave, aan, wat zij hem te zeggen hebben. Maar omdat hardheid en barschheid en wrok leelijk en gering-menschelijk zijn, wordt een mensch bij hun aanblik onmiddellijk afkeerig van hen en zegt meer of minder bewust in zichzelf: wat kunnen dezen, die zelf klaarblijkelijk nog niets geleerd hebben, mij leeren? En welk recht hebben zij, mij te leeren? Dan keert hij zich van hen af en sluit in zich-zelf zich op. In den grond is het dus dezelfde oorzaak, die de menschen een eerlijk man, als hij over eerlijkheid spreekt, aandachtig doet aanhooren, maar hen een dief, als hij 't zelfde beproeft, doet hoonen en nog dieper verachten.
Onverschillig schokte ze neer op den stoel en bleef, den rug naar het raam, den linkerarm zwaar over den hoek van de tafel, den rechter slap op den schoot, voorover gebogen zitten staroogen met botte dofheid.
Een beweging van ongeduld schaduwde over het tafelvlak langs haar. Geduld had Groo'va niet kunnen leeren in al die jaren van jongens bebrommen.
—Ik wácht, op wat je te zéggen hebt, Geertje!
Driftig met sprongetjes, kwam de bedreiging. En nu smakten de lippen.—Dat was toch zoo'n malle gewoonte van Groo'va, net iemand, die de soep te zout vindt.
Dit door mij gecursiveerde zinnetje is uitstekend. In een loome onverschilligheid, voor alles wat die dorre, niet-gevoelende, niet begrijpende oude haar verder zeggen zal, is Geertje nu tot een toestand van koel-nuchter, minachtend-scherp observeeren gekomen. Een gewoon en algemeen verschijnsel: terwijl overgroote eerbied het waarnemingsververmogen van den eerbiedige ten opzichte van den geëerbiedigde verzwakt of krachteloos maakt—men ziet dit bijvoorbeeld aan hen, die zóó eerbiedig tegenover de tradities onzer maatschappij staan, dat zij zelfs haar ten hemel schreiende misdaden niet zien—wordt bij afwezigheid van eerbied het waarnemingsvermogen zeer actief. In het bijzijn van een als-meerdere-erkende, verdoft het waarnemingsvermogen vaak—en men ziet de weerspiegeling hiervan ook meestal onmiddellijk in het doffer, gevoileerd-worden van den blik!—in het bijzijn daarentegen van den als-mindere-geschatte, verscherpt het waarnemingsvermogen niet alleen, maar wordt de geheele geest als in een vrij-wording en ontslaking verlevendigd. (Vandaar dan spot, scherts, enz.). Het omgaan met geestelijk-voornameren heeft zeer zeker veel nut, omdat 't het streven naar het goede, wat men niet bezit, wakker maakt, maar het omgaan met geestelijk-geringeren en -gelijken heeft niet minder nut, omdat men in dien vrijeren omgang zelf zich ontwikkelt, en ontplooit wat men wèl bezit.
—Zul je nu spreken!? Hoog was hij vóór haar.
Loom het hoofd heffend, zag zij even hem aan; toen zonk haar blik, als te moe, langs hem neer. En toonloos-koel liet ze vallen:
—Ik heb et u ommers al geschreven.
—Geschreven!?... Je brief was één weefsel van leugens. Bedrogen heb je me, en al zoo lang! Mij en oom, zelfs Groo'moe nog! Als die dit had moeten beleven! Niets dan de schand'lijkste zonde en leugen. En dat een kind van zóóveel gebed. Ongelukkige! hebben wij dat aan je verdiend!? Het loon voor zóóveel zorg en liefde. Ons kind onteerd op de schandelijkste wijs, in een zonde die God het zwaarste straft. Hij wil dat ik oude man zwaar beproefd word. Maar jij bent behalve aan Hem, mij rekenschap schuldig van je ondankbaar, snood gedrag. Je bent verleid, máár je was geen kind meer! Die man heeft zich op de laagste, de gruwelijkste wijze aan je vergrepen, maar....
—Die man heb ik lief, en altijd, verstaat u, na me dood nog, ten eeuwigen dage, zal ik fan 'em houe, diè màn!...
Het zou van een ontzaglijk gebrek aan inzicht getuigen, het subjectieve recht van den grootvader te ontkennen, om te spreken als hij doet, van zijn standpunt, met zijn gebrek aan doorvoelingsvermogen, in zijn onwetendheid, maar van een minstens even groot gebrek aan inzicht zouden wij blijk geven, indien we èn dat standpunt, èn dat gemis van doorvoelingsvermogen èn die onwetendheid niet scherp zouden laken, in iemand, die zoo hoogmoedig als rechter optreedt. Ware hij niet geheel verkerkelijkt, verdogmatiseerd, de door mij gecursiveerde zin van Geertje, die uitbarsting van haar innigste en hoogste voelen zou hem tot inkeer gebracht en hem de oogen geopend hebben. Hij zou ingezien hebben, dat tegenover zóóveel zielssterkte en zóóveel zielsadeldom, wel het beste wat hem paste, ware: te zwijgen, liefdevol te helpen, en aan den Hoogsten Rechter, in Wien hij immers gelooft, het oordeel en vonnis over te laten. Hadde hij al zijn teksten op dat oogenblik vergeten en zich slechts deze uit Job herinnerd: "Leg uw hand op den mond, want God is in den hemel en gij op aarde, laten daarom uw woorden weinige zijn," het ware hem beter geweest! Zie ik hier Geertje en haar grootvader tegenover elkaar staan, hoe herinner ik mij het woord der Joodsche Wijzen—ja ik ben zeer hebreeuwsch van avond!—"Er zijn nieuwe kruiken, waarin oude wijn is, en oude kruiken, waarin zelfs geen nieuwe wijn is."—In die uiting van Geertje—ik kan er niet vaak genoeg uw aandacht op vestigen—vindt ge opnieuw de bevestiging van wat ik zei, den sleutel tot het begrijpen van dit boek: Geertje is geen "verleid dienstmeisje," máár: een heldin der liefde, een van die zeldzame menschen, die de zeer groote liefde kunnen voelen, en die door alle wisselingen van lot en jaren, die liefde trouw blijven, Wie die eigenschap bezit, al bezit hij geen enkele andere van even hooge ontwikkeling, behoort reeds daardoor tot de psychisch-heel-grooten.—Laten we het verder verloop van het onderhoud overslaan, hoe uitstekend, hoe vol van dramatische spanning dit ook moge zijn. Het mooiste laat ik onaangehaald, dat moet voor u bewaard blijven in het boek. Zoo verhaal ik u ook niet, waarom Geertje niet met haar grootvader meegaat, die immers gekomen is, om haar te halen, en waarom zij, zich in afgrijzen van hem afwendend, bij Maandag achterblijft. Slechts wil ik even het zinnetje aanhalen, waarin de schrijver vertelt, hoé de grootvader heengaat van Geertje, en Maandag, den bultenaar, die hem den uitgang verspert en hem smeekt Geertje niet zóó te verlaten, op zij duwt:
Des langen ouden groote hand beroerde den schouder des bultenaars, en zij opende met vastheid de deur.
De ongewone harkerige deftigheid en statigheid van deze constructie met zijn "dessen" valt op, nietwaar? Wilt gij weten waarom zij hier zoo uitmuntend is? Herinner u dan wat ik schreef bij mijne behandeling van De Familie Kegge.[12] Ik noemde daar het stukje, waarin Kegge's smartvoelen, zoo uitmuntend, omdat: "de eigenschappen van Kegge's smartvoelen de afbeeldende woorden en zinsbouw (hebben) doordrongen, gedrenkt, en daarmee een zijn geworden." Welnu, iets dergelijks is ook hier het geval: het harkerig-stijve, het onvermurwbaar-harde der manier van doen van den grootvader heeft ook hier de afbeeldende woorden doordrongen en verhard. Ge voelt en hoort en ziet daardoor alles onmiddellijk, terwijl, indien er een andere zin stond, die u nochtans hetzelfde zou mededeelen, ge er slechts een verstandelijk begrip van zoudt krijgen!—Maandag, bij wien zij dus achterblijft, dien naar het lichaam zoo wanstaltige en naar de ziel zoo rechtgeschapene—hoe aandoenlijk is zijn hulpvaardigheid, hoe aandoenlijk zijn verzwegen liefde voor haar. Een oogenblik, één oogenblik denkt hij, dat zij wellicht in de toekomst een troost en een licht in z'n arme leven zal kunnen zijn. Maar eens vraagt hij haar:
—Keu-je-n-um m'ar nie' fergaite?!
—Vergete!?!
Een verwijt dat een triumf is. In hem zinkt iets nog dieper weg, maar er stijgt een ontroering van geestdrift, die hoog boven het and're gevoel gaat.
Dat wat dieper in hem wegzinkt, ge begrijpt het, is zijn liefde. Hij voelt, dat zij nooit iets voor hem kan zijn. Maar hij heeft dien trek van alle hoogere, edele naturen, dat al veroorzaakt hun het goede en schoone zelf teleurstelling, hun bewonderingsvermogen voor dat schoone en goede daardoor niet wordt geschaad. Vandaar, ìn zijn leed, zijn geestdrift voor de prachtige liefde en persoonlijkheid van Geertje!—
Bij het verhaal van Maandag's bezorgdheid over haar; zijn niet-kunnen-begrijpen, dat Geertje zoo opgeruimd is, en hem met zoo'n weldoende gezelligheid kan omringen; zijn angst dat zij dit alles maar voorwendt, om er een noodlottig plan achter te verbergen, geeft de auteur van die opgeruimdheid deze prachtige psychologische verklaring—te mooi, om er niet nadrukkelijk uw aandacht op te vestigen: (De woorden waar het op aankomt, cursiveer ik.)
Nu Geer er was, hoefde hij den sleutel niet bij buurvrouw te brengen, wanneer hij 's avonds uitging. Maar nooit had z'n woning deze gezelligheid gekend en zooveel mogelijk bleef hij thuis. Geregeld kreeg hij zijn koffie en thee, den kinderen ontbrak het niet meer aan iets en precies op tijd lagen die in bed. Dan week welhaast het nagevoel van het stage leed over zijn zuster, dat leed als een rouw, die men niet overleeft. Dan trilde zijn wezen onder de gewaarwording van zooveel knusse gezelligheid rondom hem, zat hij met snel-knippende straaloogen meer te soezen dan te werken aan zijn schrijftafeltje, bij de kaars, die Geer er "verzonnen" had. En op haar vraag:—"Wil u daar uw thee?" zei hij telkens gretig:—"Ik kom."
Doch later alleen, wanneer zij naar bed was, werd hij weer aangegrepen door een vrees. Het kwam niet in hem op, dat voor haar dit zijn hier was als een slaapwandelen, dat haar wezenlijk leven elders verliep—en haar doen van den ganschen avond bleef hem een raadsel, zoet ... máár angstig....
Ge begrijpt dat dit "elders" is: bij Heins, bij den man, dien zij voor altijd liefheeft!—En nu datgene, wat ik, in het vorig hoofdstuk, een fout noemde in de beelding der Maandag-figuur: het is onverklaarbaar, althans mij is het niet gegeven geweest er een aannemelijke verklaring voor te vinden, dat een man van zulk een noblesse, Geertje niet bij tijds voor Heins waarschuwt, waarvoor hij ampel gelegenheid had. Onbekendheid met de "moreele principes" van dat heer kan het niet geweest zijn, schuchterheid evenmin; z'n verhaal o.a. dien avond, ten huize van Heins, van die voorname mevrouw, die haar man heeft laten zitten en met een ander er van door is, bewijst het tegendeel. En dus blijft mij niet anders over dan het een fout te achten, een barstje in de gaafheid van het' overigens zuivere beeld.
Hiermede is voltooid mijn behandeling van dit boek dat, als van zelf ontstaan symbool van vertroosting, met de verheerlijking van het socialisme en zijn strijders eindigt—een waardig einde....
[2]= een klein onvolgroeid wezen.—Herinner ik mij wel, dan noemt deze groote Fransche romancier in zijn Pêcheurs d'Islande, 'n jongen ambtenaar, die uit gebrek aan fijn doorvoelen, op ruwe wijze een oud vrouwtje 'n verschrikkelijke tijding mededeelt: "un petit être incomplet."
[3] Waardoor een kunstenaar die macht heeft: zie daarover mijn opstel: Over literaire kunst en Is. Querido's Studiën, of, in dèzen bundel: Het Hist.-Materialisrne in de Lit. Critiek.
[4] Alle cursiveering is van mij.
[5] Cursiveering van dit woord: door den schrijver.
[6] Cursiveering van den auteur.
[7] Cursiveering van den auteur.
[8] Cursiveering van den schrijver.
[9] Dit laatste: het schijnbare verdringen door veredeling, ziet men bijv. in die groote figuren, welke zich niet meer kunnen hechten aan personen, omdat: hun menschenliefde gegroeid en veredeld is tot menschheidsliefde.
De menschenliefde is dus in hen niet verdrongen en verlaagd, maar leeft integendeel gegroeid en veredeld in hen voort! Precies zooals het kind, dat wij vroeger waren, gegroeid en, laten wij hopen, veredeld is tot den volwassen mensch, die wij nu zijn.
[10] Dat artikel is in dezen bundel niet opgenomen.
[11] Alle cursiveeringen zijn van mij, tenzij het tegendeel wordt gezegd.
[12] Niet in dezen bundel opgenomen.
I. CRITISCH.
BRIEVEN OVER LITERATUUR.
I. Frans Coenen, Dickens en de Romantiek—pag. 7
G.K. Chesterton, Charles Dickens—pag. 18
G.K. Chesterton, Appreciations and criticisms of the Works of Charles Dickens—pag. 18
Dickens in de Hollandsche en Engelsche Maandschriften van Februari 1912—pag. 22
II. Adriaan van Oordt, Nagelaten Werk—pag. 23
C. en M. Scharten-Antink, De Vreemde Heerschers—pag. 29
L. Couperus, Antiek Toerisme—pag. 37
Couperus in Groot-Nederland van Maart 1912—pag. 39
III. Jeanne Reyneke van Stuwe, Naar het levend Model,
De kinderen van Huize ter Aar—pag. 40
Anna van Gogh-Kaulbach, Voor twee Levens—pag. 49
Æ.W. Timmerman, Leo en Gerda—pag. 50
IV. Dr. Nahum Slousch, La Poësie lyrique Hébraïque contemporaine—pag. 54
Dr. Gustave Karpeles, Heine-Reliquien—pag. 64
Josef Cohen—pag. 67
Van Collem—pag. 67
J.I. de Haan—pag. 67
S. Bonn, Een Bonte vlucht van verzen—pag. 67
Is. Querido, De Jordaan—pag. 69
Else Jerusalem, Het Roode Huis, vertaald door Mevr.
S.J. Barentz-Schönberg—pag. 89
L. Simons, Studies en Lezingen—pag. 90
Vertalingen, behoorend bij "Brieven over Literatuur"—pag. 93
HET HISTORISCH-MATERIALISME IN DE LITERAIRE CRITIEK
I. Mevr. Henriette Roland Holst, Studies over Socialistische
Aesthetica; H. Gorter, Critiek op de Literaire Beweging van
'80 in Holland—pag. 99
II. Mevr. Holst's Rousseau (Literair-critisch beschouwd)—pag. 131
III. Mevr. Holst's Rousseau. (Beschouwing der critische
en psychologisch-biographische opvattingen)—pag. 146
IV. Conclusies—pag. 190
Vertalingen, behoorend bij "Het Historisch-Materialisme in de Lit. Critiek"—pag. 195
II. DIDACTISCH.
I. Voorwoord—pag. 203
II. Hoe Literaire kunst gelezen en genoten moet worden—pag. 206
III. Over Multatuli en zijn Geschiedenis van Woutertje Pieterse—pag. 217
IV. De Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart van Wolff en Deken—pag. 251
V. Johan de Meester's Geertje—pag. 296