En aan het perron kwam opeens Jan Heukelman.

—Ik kom je even ge'dag zeggen, Geertje, zei hij.

—Dag Jan, zei Geertje verlegen ontwijkend.

—Geertje, vervolgde Jan zacht en haastig, Willem is mit je vertrek bekend, en hij he't mien opgedroage je z'en groete te brengen. En dat ie hoopte da'j altoos de Heere voor ooge zoudt houden.

Geertje zei niets. Wat moest ze nu zeggen? Ze had geen boodschap aan Willem te geven.

Willem is de rijke boerenzoon, die op Geertje verliefd is, maar omdat ze 'm niet hebben wou, naar Amerika is vertrokken. Later als Geertje "gevallen" en hij in het vaderland is teruggekeerd, blijkt hij nog altijd dezelfde trouwe en liefhebbende minnaar te zijn. Hij verlangt niets liever dan haar als zijn geëerde vrouw in zijn huis te voeren. Maar Geertje weigert, zooals ik reeds in het eerste hoofdstuk zei, omdat zij den man, die haar gedupeerd heeft, blijft liefhebben! Overigens: Willem Heukelman is dezelfde soort Christen als Grootvader, m'n Hemel! 'n minnaar, die het meisje zijner liefde geen andere boodschap weet te sturen, dan dat ze altoos de Heere voor oogen moet houden! 't Is om tureluursch te worden.—En nu nog even dit: (Geertje staat aan een tusschen-station op den trein te wachten. Ze is ongerust over haar koffer. Een aardige meneer stelt haar gerust, en het voorvalletje verloopt dan aldus verder:)

Hij ging enkel naar Utrecht, maar tot zoover konden ze samen reizen.

Geertje dacht aan wat Groo'va gezegd had, dat ze vrouwencoupé moest nemen. Ze zou dit ook zeker doen, maar vond het pijnlijk dat aan den heer te zeggen. Hij was zoo vriendelijk tegen haar!...

Toen de trein eindelijk voorstond, zei ze nochtans:

—Ja, nu moet ik een dames-coupe hebben.

Doch er was maar een, en die zat vol. Er was nog net één plaatsje in, dat een dikke boerin innam, die voor Geertje heen-drong.

—Ziet u wel! Nu is er geen plaats, nu moet u toch bij mij komen zitten, lachte de heer.

En zij lachte ook. Maar ze vond het niet goed van zich-zelf. Misschien was er nog een coupé geweest; ze had daar niet verder naar gezocht. Nu zat ze in een grooten wagen, met veel menschen overal. De vriendelijke heer tegenover haar.

—Hebt u het hier niet goed bij me?

—Heel goed, lachte ze terug—toch een beetje pruilend.

Het is deze naïeve vriendelijkheid in Geertje, dat niet kunnen hard zijn, het is dat zachte gemoed in haar, zoo diep ontvankelijk ook voor medelijden, zoo bang voor te kwetsen, die wel de hoofdoorzaken van haar ongeluk, of wilt ge, van haar geluk zullen zijn. En het is over het algemeen het medelijden, het zachtmoedig niet-kunnen-weigeren, en niet de sensualiteit, waardoor het leven van zoovele vrouwen verdorven is....

In het volgend hoofdstuk hoop ik u nu in hoofdlijnen te laten zien, hoe uit Geertje's goedgeloovige, naïeve, luchthartige en medelijdende innerlijkheid, in verband met invloeden en personen uit haar vroeger en later leven, zich de roman harer liefde en overgave ontwikkelt.


JOHAN DE MEESTER'S "GEERTJE"

III

Geertje is dan naar Rotterdam'vertrokken, en zal, zoolang ze geen dienst heeft gevonden, bij haar oom Jan Niekerk logeeren. Die oom is een van die slungelige wezens, wien alles, van de kindsheid af tot de grijsheid, het heele leven door, mislukt. Niet alleen volkomen missend wat men in hoogeren zin geestelijke krachten kan noemen, maar ook geheel zonder die capaciteiten, welke in staat stellen, op den juisten tijd en de juiste wijze de zich voordoende gelegenheden tot het winnen van levensonderhoud aan te grijpen; geheel dus zonder die toch alledaagsche markt-gevatheid, die haar bezitter knap genoeg maakt, om op niet al te suffe manier het zakengesprek van elken dag met het pingelende leven te voeren—is deze man voorbestemd altijd een dupe, een verongelukte te zijn. Wàt hij doet, doet hij niet goed, doet hij onhandig en links: zijn ernst is schijn, is imitatie van anderer ernst; zijn scherts is schijn, zij is de mislukte maskerade zijner angst en vooral van zijn onmachtsbewustzijn. Zijn druktemaken, zijn geaffaireerd-doen, 't is alles nadoen van anderen. Hij is een dier rampzalige menschen, die innerlijk al lang alle hoop hebben opgegeven iets te zijn en nog alleen maar beproeven iets te schijnen, in het geheime bewustzijn, dat ook dit hen mislukken zal. Hij leeft niet, hij wordt geleefd, als dit heen en weer gesmeten worden door de omstandigheden, de kansen en de meeningen, wirwarrelend om hem heen, zelfs geleefd-worden heeten mag!... Want wat in een voorwerp is: zwaarte, gewicht,—dat is in een mensch geestelijkheid. Wat weinig gewicht heeft, een ademstoot dwarrelt het op en blaast het weer neer. Wie weinig geest heeft, hem blaast het leven omhoog, hem blaast het omlaag, hoe zou hij—bij zoo groote mate van lichtheid: bij zoo weinig geest—rust vinden midden de stormen der meeningen en wisselvalligheden? Maar wie veel geest bezit, staat vast op zijn plaats, de winden breken op hem, de omstandigheden smijdigen hun lijn van voortgang om hem, zij bespatten hem, maar brengen hem niet iets, waarbuiten hij niet kan, noch voeren iets essentieels van hem mede, en hij weet wel, dat de kracht, die hèm verzetten zal, niet kan schuilen in armoede, ontbering, rampen, rijkdom en geluk. De man van weinig verstand staat in het leven als een bedronkene op den weg: zelfs doode voorwerpen schijnen levend te worden, om hèm te hinderen en te plagen, en wat anderen tot steun is, dat stóót en wèrpt hèm. In 't kort: hoe meer geest, hoe meer macht tot roerloosheid; hoe minder geest, hoe meer drukte en beweging. En ik geloof, dat het 't doorvoelen dezer waarheid was, die de oude Indiërs deed zeggen, dat de Goden onbeweeglijke oogappels hebben.... Intusschen zou ik mij schamen, zoo zonderling te zijn afgedwaald van Geertje's oom naar de Indische goden, indien diezelfde oom niet dichter in hun buurt stond, dan gij wellicht vermoedt! Hij is namelijk een—kunstschepping, uit diep levensinzicht geboren....


Als Geertje bij haar oom arriveert, is hij juist weer wat lager gezakt. Zijn mooien winkel aan den Binnenweg, die haar nog heugt van toen ze de laatste maal bij hem logeerde, heeft hij niet meer. Hij woont nu in een krottig huisje in een zijstraat aan de Schie. De teleurstelling is pijnlijk voor Geertje, máár, en dit is teekenend voor haar geestestoestand, dat echte jonge in haar, dat niets zóó als de vrijheid liefheeft en tegen onnatuur een instinctieven weerzin heeft: zij blijft blij, "uit de strakheid, uit de gedruktheid, die de vroomheid gaf aan Groo'va en Groo'moe, en aan de meeste menschen in 't dorp," ontslagen te zijn. Ik sprak in het vorig hoofdstuk van dat groote stadsleven, dat we haar, stukje voor stukje, en beetje voor beetje, de beschermende uiterlijkheden van den geest zullen zien ontrooven. En hier hebt ge daar één voorbeeld van: (Geertje denkt:)

(Groo'va) sprak altijd van "den wil des Heeren" maar over zijn triestigheid heen kwam hij niet.

Misschien was dat toch wel méést om oom Jan—en nu wist Groo'va nog niet eens alles!—ook niet, dat het bij oom heelemáál geen Christelijke Boekhandel meer was. Op den Binnenweg was er nog een aparte Bijbelkast. Maar hier!...

—Dank je! Die reuk van heiligheid het me niks as schaaj gedaan! had oom den vorigen avond gespot, toen Geertje naar de bijbels gevraagd had.

—Bidt jij nog? had hij 's middags geplaagd, toen ze aanzaten voor het eten. Den eersten avond had ze 't gedaan, niet lettende op Oom en Tante. Vanzelf had ze nu wéér de handen gevouwen.... Tante was tusschen beide gekomen:—"Láát 'er toch!"—Maar zij had gelachen, en oom had gelachen, en voordat ze het wist, was de vork in d'er mond geweest....

Zoo iets beteekent niet, dat Geertje nu inderdaad haar geloof aan het verliezen is. Dat is volstrekt niet het geval. En de tijd moet nog komen, dat zij 't inniger zal bezitten, dan ze 't ooit bezeten heeft. Maar zij is bezig uit de praktijk der godsdienstoefening te geraken. En dit is jammer, want als bij iemand van de betrekkelijk geringe verstandelijke beschaving van Geertje, zelfs een groot godsgeloof in de ziel ligt—gelijk hier inderdaad het geval is—dan kan toch, onder zekere omstandigheden, die ik nader zal aanduiden, dat groote godsgeloof niet maar wèl die praktijk der godsdienstoefening voor verkeerde en schadelijke dingen behoeden. Hij die dit vreemd mocht vinden, bedenke: dat bijna niemand de volle bewuste beschikking heeft over al de in hem liggende geestelijke krachten. Hij krijgt langzamerhand de beschikking over hen, indien hij zeer hooge en diepe vreugden en smarten voelen kan. Want deze beide zijn de dorpelwachters, die het in hun macht hebben, de poorten der geheime arsenalen en der juweelen-volle schatkamers in eens menschen innerlijk te ontsluiten.... En ook voor Geertje zullen zéér vele ontsloten worden.... Maar nu dit nog niet gebeurd is, en ook—en dit is de omstandigheid, waarop ik doelde—de schatkamer van het groote godsgeloof in haar nog is gesloten, kan zij voornamelijk slechts beschermd worden, door wat haar van buiten, door haar grootouders is bijgebracht: de praktijk, de routine, noem het de sleur der godsdienstoefening, en die verliest zij.... Ik noemde deze een uiterlijkheid, bedenk het, máár—ook een harnas is een uiterlijkheid!—Ik ga nu een stukje overschrijven, waardoor we weer wat meer van Geertje's innerlijk en het armelijk geplan en geïntrigeer van oom en tante, om aan geld te komen, te weten komen, èn tegelijkertijd met een nieuwe figuur kennis maken, die bestemd is een groote rol in het boek te spelen en evenals Geertje tot de psychische romantiek (zie het eerste hoofdstuk) behoort:

De voordeur ging open:—"Dag Geertje!" zei iemand. Zij kende hem niet! Een burgerheertje, met een bult; een bleeke kop half achterover wiebelend tusschen breede schouders; een flaphoed op licht, lang-krullend warhaar.

—Dag.... Meneer," zei Geertje verwonderd.

—Ja, jai ken main nog niet, maar ik jou well. 'k Heb je zien laupen, ene Woensdag, met je Aum. Ik ben Kees Maandag.

—O, zei Geertje. Nooit had ze van een Kees Maandag gehoord.

—Is je Aum d'er niet?... Roep jai je Tante n'es voor me.

De bult en Tante bleken gemeenzaam.

—Riek, vroeg hij, hait je man nou geschreive?

Geertje kreeg den indruk, dat die vraag Tante verlegen maakte. Tante meende—zoo zei ze—van wel, maar zeker weten dee' ze 't niet, 't was zoo'n moeilijke brief voor de'r man om te schrijven.

Wa's d'ar nou voor moeilijks an! Als de'n ouwe nie' wil, dan wil ie niet. 't Vragen sou ik meenen, staat frai. Wat ze' jai Geer, daar kan je Graufader toch nie' boos om worde.

—Laat haar d'er buite, viel Tante haastig in, ongerust.

Blijkbaar had zij de zaak liever stil gehouden voor Geertje. Maar nu lichtte zij in, toen de bult was vertrokken. Meneer Maandag was als onderwijzer aan een openbare school de kameraad van Tante's broer geweest, en zoo met Oom en Tante in kennis gekomen. Oom en hij konden het erg goed samen vinden. Hij had ook zoo'n hekel an de onderwijzersstand, net als Oom vroeger had gehad, en daarom was ie nou k'ruspendent van dagbladen geworden.

—Wàt is-t-ie? vroeg Geertje.

—Nou, da'j berichte stuur an de krante. En he-'t-ie dáármee z'en brood?

Geertje dacht aan de postwisseltjes, die Grootvader uit Arnhem en van De Standaard placht te ontvangen, maar Tante lei-uit, dat je dat natuurlijk niet kon vergelijken. Hier uit Rotterdam viel zóóveel te melden! Eén man kon het onmogelijk af. Daar zat ook juist de moeilijkheid voor meneer Maandag. Er was zoo schrikkelijk veel konkerentie. Sommige heeren werkten samen, d'en eene nam dit en d'en andere dat, zoo waren ze zeker van alle berichten. En meneer Maandag was altijd alleen.... Maar nou kreeg-d-ie misschien 'en eigen krant. Ja, 'en eigen krant voor hùm! Dat was het juist, waar-ie Oom over kwam spreken: Oom zou óók mee aan die krant zijn.... Als ze maar het geld konden vinden! Ze hadden al wat, maar nog niet genoeg. Daarom was Oom aan het prakkezeeren, om Grootvader te vragen, of die wat wou geven....

Als men, in de door mij gecursiveerde zinnen, Tante over haar man hoort, spreken en, even daarna, Maandag zijn meening hoort zeggen, dan denkt de oppervlakkige beoordeelaar: die oom Niekerk heeft niet véél geweten, maar die Maandag is nog de ergste van de twee! Want men heeft al zoo'n vermoeden dat die heele krant-oprichting wel mislukken zal en Oom aarzelt nu ten minste nog voor hij zijn vader om geld vraagt, maar die Maandag!... Intusschen is precies het tegenovergestelde het geval. Maandag is een nobel en een niet onbegaafd mensch, die vertrouwen in zich-zelf heeft en volkomen te goeder trouw om het geld vraagt, in het ernstig geloof, dat er althans een zeer goede kans van slagen bestaat; Oom echter weet diep in zich heel zeker, dat ook dit wel weer een mislukking zal zijn, maar vraagt toch, d.w.z., gaat oplichten, en hij aarzelt niet omdat hij de daad slecht vindt—dáár is hij al lang over heen—maar omdat hij er bij zijn strengen vader, dien hij al zoo dikwijls geld uit den zak heeft geklopt, niet mee durft aan te komen! Maandag, in zijn opnieuw ontwaakte energie, zijn zelfvertrouwen en zijn optimistisch idealisme, begrijpt dat alles natuurlijk niet en is verwonderd!....

—Groo'va, riep Geertje met verborgen angst. Ze kreeg een gevoel, of d'er iemand Groo'va te lijf wou. Die goeie Groo'va, hij had zoo weinig, en dat zou hem worden afgetroggeld!

—'t Is maar verschieten, zei Tante snibbig.

—Hoe verschieten?

—Nou, z'en geld blaift z'en geld, en ieder jaar kraigt ie z'en rente. Ze denke zellefs van 'en hooge rente, meer as je Groo'va van z'en geld maak! Maandag is d'er zeker van, dat 'et 'en goeie zaak zal weze.

—Wat heeft-ie dan Groo'va d'r in te hale! snuggerde Geertje vol bezorgdheid.

—Da's te zegge! Et kan misgaan, 't Is 'en nieuwe ondernemink. Je brengt d'er je geld niet as bij de spáárkas!

—Nou kijk 'is an! riep Geertje overtuigd.

Wel begreep ze veel niet, in het gesprek, maar wat ze begreep was genoeg voor haar drift.

Tante had haar aangezien, en plotseling op anderen toon:

—O ja, maar as jai ons no' ga tegewerke, geef je graufader zeker niks.

—Ik? wat heb ik d'er mee te make!

Nou ... 'et is toch jou geld ook.

Tante zei niets meer, als aarzelend sjokte ze 't keukentje in. Geertje had moeite om niet te schreien. Maar ze wou niet, vooral nu niet schreien! Het was zoo naar, zoo anders hier alles, vijand was ze dus met Tante, en ze had nog geen dienst, ze had niks.... Maar die arme goeie Grootva.... Wacht....

Ge denkt nu, na dat "Wacht," dat Geertje haar grootouders gaat waarschuwen. Mis! dat eigenaardig jeugdig-lichtzinnige en dat weifelend-bedeesde, 't laatste vooral tegenover menschen die in haar nabijheid zijn, verhinderen dat. Ze gaat nu een lieven brief naar huis schrijven en denkt daarmee genoeg gedaan te hebben. Ja zelfs laat ze Tante den brief lezen, om die maar te laten merken, dat Tante's wantrouwen ongegrond is. Och, ze heeft zoo graag met iedereen vrede en geeft zoo gaarne en zoo makkelijk toe; nu nog haar hoogste en innigste wezen niet gewekt is. En dan, moet ge denken, is er niets erger voor een grootmoedig-aangelegd jong menschje, dan dat iemand hem bedektelijk verwijt, dat hij uit eigenbelang iets doet of nalaat. En met het door mij gecursiveerde zinnetje van Tante gebeurt dat: Tante weet wel wat ze doet!—Uit den daarvóór door mij gecursiveerden zin, voelt ge, dat Geertje toch ook wel heel veel van haar strengen grootvader houdt.—

Maar schitterender, maar onovertreffelijk, worden Geertje's weifelingen, haar onbewuste zelfbedrog, haar zwakheid van rust te willen hebben en niet tusschen al dat geknoei te willen zitten, gebeeld in het volgende: (Oom zit haar te "bewerken" opdat ze hem maar geen spaak tusschen het wiel zal steken en zegt ten slotte:)

Ik zeg 'et mit de beste bedoelinge. Als jij de'r op tege heb, da 'k 'et vraag ... dan doen ik 't niet....

Geertje voèlde 't in d'er ooren, aan de manier waarop Oom, aarzelend, ze zachter zei, dat hij de laatste woorden niet meende, dat-ie haar daar laf beloog. Maar dan moest het ook maar, dan moest het maar, zoo kon ze zich niet inhouden! Ze wist het, ze zat daar, klein en zwak, met de huilstrepen op d'er gezicht, tegenover een plomp-grooten man, die wreede dingen zei; maar in haar flitste ook lust op tot wreed-zijn, giftige drang om terug te sarren, om heel hooghartig te doen en te spotten—om 'es hard terug te slaan, zoo zwak als ze was.

—Wou u soms dat ik d'er om vroeg?

—Wat meen je dáármee? zei Oom op een drogen toon van halve onverschilligheid, die Geertje verlegen maakte.

—Nou....

Haar lippen krulden tot een gedwongen lachen. Ze was opeens 'er gedachten kwijt. En bij haar beschaamdheid zakte haar boosheid, ze werd heel rood, ze voelde dat ze tranen kreeg, ze had een behoefte om niet kwaad te wezen—hè, als zij Oom en Groo'va eens tot mekaar kon brengen.

Daarom strekte ze over de tafel de hand uit naar Oom en keek hem aan met 'en lieve lach....

—Tante heeft me dat ook al doen voele, dat ze m'anzag voor, zoo'n soort verklikster, alleen omdat ik bang ben voor Groo'va; niet om z'en geld, maar om Groo'va zelf.

Is het niet prachtig, hoe hier in die paar regeltjes niet alleen de oogenblikkelijke gemoedstoestand van het jonge, zwakke, lieve meisje, maar ook heel haar aard wordt blootgelegd, deels door het vermelden harer gedachten, maar deels ook door dramatische beelding: het scheppen van handeling. In den eersten door mij gecursiveerden zin vindt ge haar besluit, om koste wat het kost, nu eens flink te zijn, maar ach, na dat ééne uitstekende comedie-vertooninkje van Oom, is er van dat besluit al niets meer overgebleven. De dáárop volgende door mij gecursiveerde zin beeldt uitmuntend in handeling der gelaatstrekken, om 't zoo eens te noemen, Geertjes verlegenheid, haar zich plots weer klein voelen. En dan volgt in de door mij gespatiëerde woorden het onbewust zelfbedrog van dit nobele zieltje, dat zoo graag het goede wil en, nog te zwak om er bij te volharden, zich zelf voor den mal houdt en met een surrogaat ervan zich behelpt.


Nu na eenige commis-voyageurshandigheidjes van Oom, heeft Geertje dan ten slotte een dienst gekregen bij den drukker Heins—en, vrienden, als je daar straks het boek zelf gaat lezen (of ben je al bezig? Dat zou heel wat prettiger zoowel voor jelui als voor mij zijn!) let dan eens op wat er voorvalt bij die visite van Oom en Tante met Geertje, bij den heer en mevrouw Heins: bijv. die scène met de kinderen is uitstekend!—"een van Oom's vertrouwdste vrienden, die een groote drukkerij voor den handel heeft," zooals Oom aan Groo'va heeft geschreven. Mevrouw Heins is een ongelukkig buitje, iemand met een "krates-lijf" en 'n bleek gezicht, waaruit een roode puntneus scherpt; Heins-zelf daarentegen: "een groote heer, veel jonger dan Oom, blond op het rosse af, rood van gezondheid, met zware wangen en sterke knevel." Ziehier de manier, waarop hij, al heel spoedig, met haar omgaat:

—Nou? en jij dan? zei Meneer, toen ze meneer Maandag en hem een glas pilsener had ingeschonken.

—Dank u.

—Wat dank u? Ben jij mal? Gauw 'en glas! En 'en stoel d'er bij. Mot je nou nog meer heen en weer loope! Ik zit toch ook!

Geert liet zich gezeggen, ze wou wel zitten. Ja, ze was moe—en het bier smaakte. Hè, dat heerlijk-frissche bier! En zoo'n goddelijke avond!

—Bei jij nog bij me vrouw geweest? Ik voor 'n uurtje, maar toe' sliep ze.

Nee', gut, Geert was er niet meer geweest, sinds ze om zeven uur thee had gebracht. Maar ze zou d'alijk even gaan....

Och, nee', drink nou eerst je bier leeg. Blijf nou ook es zitte. 't Is toch al zoo ongezellig....

Ja, daar had Meneer gelijk aan. Gezellig was het nooit in huis. Altijd herrie, of leeg-holle kamers, met maar 'en enkel mensch er in, heen en weer geloop naar de ziekekamer, de kinderen schreeuwend, omdat ze alleen gelaten werden, en Sefie uit d'er keuken geloopen, òf naar de straat òf naar het gangetje van de drukkerij.... Aardig, dat Meneer die ongezelligheid ook akelig vond: zoo iemand, die òp scheen te gaan in z'en zaken!

Ge merkt hier al, hoe een zeker intiem verband tusschen de twee in wording is, doordat ze 't beide ongezellig in huis vinden, tegenover de juffrouw, die de oorzaak dier ongezelligheid is!


Langzamerhand zien we Geertjes geest door het beeld van dien man vervuld worden. Truusje, z'n dochtertje, is wat hangerig. Geertje kijkt haar aan en denkt onmiddellijk: "Krek toch d'r pa z'n oogen." Maar zie dan vooral eens dit: (Geertje zit het zieke kind voor te lezen. Meneer Heins komt de kamer binnen:)

—"Mejuffrouw G. Hendriks." Eén brief! Asjeblief.

—Gut Meneer!

—Zit Geer je prettig voor te lezen, Troelala?...

Da's 'en leve'tje, hé?... Zeg, 't is hier benauwd! Jij hebt et ook warm!... O got, doe maar niet! 'k weet toch wel da'j 'en mooie hals heb ... krijgt Troelala 'et niet te warm?... Laat tenminste de deur wat ope.... Zoo....

—As de Juffrouw dat maar goed vindt!

—Och jullie heb 'et hier veel te benauwd.... Zeg is, wat krij' je daar voor 'en brief! Hei je femilie in Amerika?

—Van 'en kennis....

—O zoo! U doet niet minder! Haal jij ze heel uit Amerika!... Dàg.... Dag Truuzepop!

Weg was Meneer. O, wat had Geer het land! Hoe zoo opééns nou 'en brief van Willem. En dat Meneer dat net moest zien! Hoe kwam Willem (Ge weet wel: Heukelman, de boerenzoon, die op haar verliefd is. v.C.) an d'er adres! Ja, natuurlijk van Jan, en van thuis. Maar wat hattie te schrijve! Ook 'en taaie.... Hé God, dat Meneer....

Ik heb een paar zinnetjes gecursiveerd. Commentaar overbodig, niet waar? Nu oversla ik een uitmuntend stuk—met grooten spijt, vooral omdat gij het schalke, bijdehandte in Geer er aardigjes in had te zien gekregen! Maar enfin, dat blijft weer bewaard voor jelui, als je het boek leest! Nu verder even Geertjes overpeinzingen:

Hé, wat vervelend toch, nou van die brief! Stòm ook, dat ze gezeid had "van 'en kennis." O, wat had ze daar gruwelijk spijt van! Hoe kwam ze't te zeggen ... ze wist het niet ... Laa's kijke.... O ja! toen.... Meneer-keek zoo plaag'rig. Eerst al, met dat geplaag om 'er boordje.... Toen, net of dat heel wat was, dat zij iemand kende in Amerika.... Ja, daarom had ze gezeid, "van 'en kennis." Net zoo ommers as et was.... Maar ze zag dat Meneer et raar von. Altijd, dan werde z'en ooge wat anders.... Och maar malligheid! 't Zou um 'en zorg zijn, of zij 'en kennis in Amerika had.... Hé nee, ze had et gezeid om te plage.... Waarom had hij ook geplaagd met 'er boordje....

Aan de door mij gecursiveerde zinnen ziet ge duidelijk, dat Geer zich er wel van bewust is, dat er een aardig verhoudinkje tusschen haar en meneer is, en dat ze gelooft, dat het meneer èventjes hinderen zal als hij merkt dat ze een vrijer heeft. Geertje denkt natuurlijk niet na over eenig gevolg dat dit alles hebben kan. Zij is daarvoor te onschuldig. Zij is te onschuldig om in dit alles iets anders dan 'n soort aardig-vinden-van-elkaar te zien. Ja, God, waarom zou meneer haar niet mooi vinden.... Zij weet wel dat ze mooi is.... Haar jonge ijdelheidjes worden gestreeld door de gedachte, dat zoo een knappe, flinke, rijke man als meneer Heins er over nadenkt of zij wel of niet een vrijer heeft. In 't kort: men voelt door wat er van haar gebeeld en gezegd wordt, hoe zij wegdroomt telkens in allerlei niets met de werkelijkheid gemeen hebbende voorstellingen, welke niet gezegd of gebeeld worden. Ze wordt door haar jeugd en opgewekt liefdesverlangen meegevoerd, buiten de werkelijkheid.—Even later komt ze beneden, meneer staat daar weer:

...—Hei je zóó'n haast!... Eerst effe vertelle: hoe was 't met die meneer in Amerika!...—Och!.... plaag!...


De tijd der kermis is aangebroken. Geer gaat met Oom en Tante en den gemeenen Gerrit Holkers, broer van tante, er heen. Deze kermis is een uitstekend brok beschrijving, waarvan jelui "bij de lezing van het boek volop zult genieten. Laat mij 't hier slechts hebben over de psychologie van Geertje, over haar liefde, en jelui aandacht vestigen op die momenten, welken den groei daarvan aanduiden. Eerst echter dit: (Geer heeft zich juist innerlijk geschaamd over een kunstenmaakster voor een der kermistenten, die veel op haar lijkt—een zeer fijn stukje—en nu, plotseling, hoort ze:)

—Geer! die meid lijkt op jou!

In een zwalp van bierstank tegen haar aankletsend, plots'ling heen door het getier waar ze niet meer op lette, schrikte Oom's stemgeluid rauw haar ontstelde denken op, en was haar nog onaangenamer, daar het haar eigen gedachte uitsprak. 't Was haar, of 'er geheim opeens gehoord werd door de heele kermis. Zij wist niet meer, wie was beleedigd, zij of het meisje; ze schaamde zich vreeselijk over de vergelijking, en toch had ze ook diep medelijden met het meisje, over wie Oom, met dronkemanstong, in zijn afschuwelijk altijd-grappig-doen ruw dorst spreken. O, ze haatte, haatte Oom; ze voelde opeens fel al de rampzalige schaamte over die familie van de'r, ze snakte terug naar het Hang, waar ze beter was, waar ze zich thuis voelde; weg wou ze van zulke liederlijkheid; en het was toch de familie.[5]

Behalve de waarde eener voortreffelijke psychologische analyse, heeft dit stukje ook een ongemeene compositorische waarde, wijl het aantoont hoe alle omstandigheden ertoe medewerken, dat Geertje naar Heins toe wordt gedreven: haar familie is haar niets meer, het huis van Heins voelt ze als haar tehuis, en ìn dat huis, is er nog een stilzwijgende verstandhouding tusschen Heins en haar van elkander begrijpen—zooals zij, onnoozele dupe van dien man, denkt—tegenover de juffrouw, "die geen vrouw is voor Heins," en z'n leven "zoo ongezellig maakt!"—En nu die momenten, waarvan ik zooeven sprak: (Geertje zit met Oom en Tante in de tent van een liedjes-zanger. Ze denkt:)

Die twee zeker gangesjeerd. Dat de moeder van 'et meisje. 't Meisje leek nog heel, heel jong. Hè, zóó same kermishoue!... knappe jonge, d'er gelant, flink ... gut, op wie leek nou die jonge? Zoo ie's bekends had ie in z'n gezicht.... Toch niet thuisbrenge.... (Ik oversla hier een stuk. v.C.) Wat keek die jonge verliefd z'en meisje an ... knàppe jonge ... op wie leek ie?.... Leegte, nou die mensche weg.... Zou 't al laat zijn.... O, vervélend, heel d'en avond.... Hè! zoo-as dat meisje uitgaan. ... netjes, met moeder, en je galant....

Ge ziet in dit stuk het liefdesverlangen van Geertje, ge ziet hier ook het aandoenlijk beroofd-zich-voelen van de wees, maar in de door mij gecursiveerde zinnen, zit dat andere. Hoe? Dat zult ge dadelijk zien....—Den volgenden morgen, 't is Zondag, is ze ofschoon ze vrij heeft, naar het Hang gegaan, om even wat geld te halen—Oom en Tante zitten zonder cent—en dan speelt zich daar het volgende prachtige tooneel af: (Maar o, lieve vrienden, 't geen hieraan voorafgaat: dat gedupeerd worden van de arme Geertje! hoe zij gelooft dat Heins uit goedheid zoo vriendelijk, midden zijn eigen verdriet, jegens haar is.... neen als ge het boek-zelf niet leest, al die magnifieke dingen, die ik natuurlijk moet overslaan, dan zou het mij berouwen er iets over te hebben geschreven. Want dan zou ik het gevoel niet van mij kunnen afzetten, het te hebben verminkt!) Geertje is bij meneer op kantoor om geld te wisselen en hij vraagt haar of ze zich geamuseerd heeft op de kermis:

Zij wist niet of ze 't zeggen zou. Ze schaamde zich zoo over wat er was gebeurd, ze zou ommers ook liever heelemáál niet meer over de kermis hebben gesproken, maar ze had zoo'n behoefte om het te zeggen, om vertrouwelijk te doen tegenover Meneer....

(Ik oversla weer 'n stukje tekst. v.C.)

—Holkers? Da's 'en zure jonge.

—'En geméénert.

—Zoo? dat ook?... Och jee!... Dus geen pret gehad?

—Pret? Nee niks!

—Wij ... moste-n-is same kermishoue'!... Zou je wille....

Ze voelde den lessenaar wankelen. Ze hoorde heel goed hoe Meneer het meende, niks as 'en grapje, uit goejigheid, omdat ze zoo'n nare avent gehad had; en toch kreeg z' opeens 'en angst, of z'en droom vervuld zag worden: Hij, Hij was et, gisteravent, in de tent, die mooie jonge, die daar met 'en meisje zat!... Got!... Meneer, mocht toch niks merke....

—J..j ...a! stotterde ze, met gedwongen lachje, zooveel mogelijk als-vroolijk. Gauw 'et geld nu, en dan weg.

—Wat hei' j' de kinders blij gemaak', hoorde ze zijn vriendelijke stem.

—Blij?... Mit niks!

—Nou ja, ze krijg 'et toch.

—Ik vin' 't zoo aardig van je, Geertje—streelde weer die lieve stem—da'j zoo lief ben voor me kinders. Trúúsje heb-ie opgepast ... as' en moeder[6]

Even dorst zij opzien. In die mooie oogen. Hij, zoo goéd, zoo'n beste vader, en zóó vriendelijk voor haar....

—'t Snoesje! zei ze.

Truus, 'en engel!

Nam meteen het geld van tafel.

Toen opeens hield hij haar hand.

Klemde die, zacht, in de zijne.

'k Wou da' jij de moeder was....

—O, Meneer!

De gulden viel. Maar zij holde weg, het huis uit.

Nu heb ik wéér gecursiveerd. Ziet ge thans in, waarom ik het stràks deed?!—Overal vervolgt haar zijn beeld! Maar met die láátste door mij gecursiveerde woorden, heeft hij haar nu aan zichzelf ontdekt! Zij snelt in radeloosheid de straat op. Maar wie is in staat, zijn eigen ziel te ontsnellen? Als een obsessie hamert het in haar hoofd:

Dat Hij[6b] zeker nóóit us in z'en leve gelukkig[6c] erge's gezete had, zooals die jonge gisteravent.—Met de Juffrouw[6d] —'k Wou da' jij...."[6e]

Niet an denke....

En ziet ge weer het gevaarlijke medelijden in Geertje? Ze komt thuis en moét even rusten, maar kàn niet, kàn niet. Overal ziet ze hèm, overal voelt ze hèm. En als ze dan ten slotte, na bij menschen, christelijk als haar grootvader, te zijn gegaan en daar wat norsch te zijn bejegend, er berouw over gevoelt, dat niet geduldiger te hebben verdragen, voelt zij een onbedwingbaar verlangen naar het godshuis te gaan. Als zij er komt, in haar geëxalteerden toestand, voelt zij zich als "het hijgend hert der jacht ontkomen." En dan volgt dit prachtige, dit geloofssterke, dit liefdessterke, dat Geertjes innerlijk is, dat uiterst reine innerlijk, welks poorten nu, de een na de ander worden ontsloten. (Zij poogt haar aandacht bij de preek te bepalen, maar denkt aan hèm, aan hèm:)

(De juffrouw) zei et ommers vaak:—"Pa's kindje," op 'en toon van spot en hekel, net of Truus et helpen kon, dat ze pa z'en oogen had. Kleine snoes, gelukkig ook! as ze de ooge had van de moeder!... 't Wáre nét Meneer z'en oogen, 't zelfde bruin, zoo strálend, gróót.... Jonge, op de kermis gisteravond zette'n-ook die groote ooge, keek zoo stralend, naar z'en meisje.... Meisje lacht. En Ooge lache.... Jonge, meisje staan nou op.... Hij haar hand, en drukt de hand ... drukt nog weer ... de ooge ernstig.... Trekt haar hand meer naar zich toe....—"'k Zal uw koffie late valle!"—"Koffie? Nee, 't is maar 'en gulde, dáár, onder de lessenaar, 'k raap em op of geef 'en ander ....Toe, Geer, hóór toch, 'k heb je lief, toe, ik ben zoo ongelukkig ... 'k heb je lief, Geer, och, kom hier".... Weg lessenaar, weg tabouret. Hij[7] naast haar, kijkt bedroefd-vol-liefde.... Zalig! Zalig!—"Nog 'en zoen, zóó je hoofd"....

Hé, haast gevalle——

... Groote God! wat gebeurt er met 'er! Heeft ze.... Ja, ze heeft geslapen. 't Vrouwtje naast haar kijkt ontstemd, z'is tegen die an gevalle, in d'er slaap.... Wat vreeslijkheid! Ooge dicht! Ze durft niet rondzien! Zoo iets droome ... en dan hier! In de kerk zoo zondig droome! Wat zeit daar de Dominee! O, hij spreekt over Judas' smarte.... Lang stuk heeft ze niet gehoord, zitte slape, was zóó moe ook. Hé, d'er hoofd barst van de pijn en dat steke van de zon daar, altoos met die-n-eene straal, daar vlak vóór d'er. Jee, ze beeft, ze klappertandt. En zoo warm hier. He't ze koorts? O, ze is zoo ongelukkig!

In een wroeging van zich schuldig voelen, in een vrees voor zonden, herinnert ze zich nu tal van teksten, die overspel verbieden. En dat stuk is pràchtig; en het spijt mij heel erg, dat ik het moet overslaan, al mag ik de opmerking niet weerhouden, dat ik wel gewenscht zou hebben, dat Geertje's meditatie niet zoo gerhythmeerd ware gegeven, want deze rhythmeering wordt veroorzaakt door de vroom-ontroerde psyche van den auteur, en kan niet in 't denken van Geertje aanwezig geweest zijn.

Zij bidt God om vergeving, neemt zich nu voor, voortaan geen dag meer het bijbellezen te verzuimen. En ten slotte vindt zij voor dat uur vrede:

Goed en aangenaam voor God, o, zij moest nu bidde.... Bidde mòcht zij ook voor Hem[8], dat God Hem[7b] verand're mocht, dat ook Hij[7c] vond het geluk, nu was Hij[7d] toch zoo rampzalig, arme man, zoo'n lieve man, o, as hij tot God mocht komen ... zou ze durve? hem et zegge? Bidde mocht ze wel voor hem, en nu luist're, nu goed luist're, dan zou ook 'er hoofdpijn weggaan, kon ze aan de preek wat hebbe....

En nu wordt het mijn plicht, over dit deel van het boek te zwijgen, een plicht zwaarder, voor mij, die zóó gaarne van mijn mooi-vinden anderen deelgenoot maak, dan mij wellicht ooit het spreken heeft geleken. Zwijgen moet ik over het schoone zelfbedwang, over het meesterschap, dat de kunstenaar moet hebben bezeten, toen hij vóór en nà die supreme beeldingen van Geertje's gevoel, den moed en de kracht had, om de kunstgrepen van den verleider en heel het alledaagsche leven te teekenen; dat dagdagelijksch leven met al zijn kleinheden, waarvan het Noodlot zijn onverbreekbare koraalrotsen bouwt, die de schepen doorboren en de schepelingen ten afgrond doen gaan. Zwijgen over dat prachtig-doorvoelde van Geertje's opstand tegen den Bijbel, tegen God, wijl de afgesmeekte, de afgebéden rust niet in haar komt. Zwijgen over haar drie-daagsch verblijf bij haar grootouders, die beelding èn van haar smart èn van 'r kinderlijk-onschuldige schalkheid; over dien maannacht in haar dorpje, waarin zij zich de Bruid voelt, die zich nimmer zal vertoonen aan haar Bruigom, maar heel 'r leven aan hem denken zal ... daar de vorstelijke verzen, vol van eene onmetelijke weelde, van Salomo's Hooglied, gelijk een godsstem openklinkend in haar ziel, zegenend de zang van haar groot-menschelijk gevoel begeleiden. Zwijgen ook over haar zich-geven aan hem, hun sexueele samenzijn, in volkomen reinheid en soberheid uitgebeeld. En zwijgen verder over heel dit opengaan van Liefde, dat bij een gelukkig menschenkind is, als het roepen van de zon naar het water en het wekken eener kleurige schoonheid van met glans-lachjes overblonken, sluimerende vormen daarin, en dat bij haar was—arme!—een zonsverduistering gelijk, als de leden der lenigst-gevleugelden verstijven van angst en de keeltjes der tot zoet zingen geborenen, rauw gekrijsch uitsnerpen.... Want al dat schoone moet nu voor u bewaard blijven in het boek. Mij rest alleen nog te spreken over haar verlaten-worden, haar twijfel, haar leed, en haar heengaan-in-vrede.


JOHAN DE MEESTER'S "GEERTJE"

IV.

Heins zou de volkomen gewetenlooze erotomaan niet moeten zijn, die hij is, indien hij zich Geertje niet van den hals wilde schuiven zoodra hij merkte, dat zij zwanger was en hem dus lastig kon worden. Voorwerp van pleizier voor hem, en geen mensch die leeft óók om eigen volmaking te benaderen, werpt hij haar weg, zooals men een oude jas wegwerpt. In dit gedeelte van het werk breekt wel de laagheid van dezen man ten volle open, als een etterende kanker, welks stank de lucht verpest, en welke ieder, die het woekergezwel onbeschermd zou willen aanraken, met infectie bedreigt. Maar evenals de wetenschap—meestentijds niet door menschenliefde, maar door liefde tot het weten gedreven,—het bereikt heeft, gevaarlijke smetstoffen te kunnen omvormen tot voorbehoedende en genezende substanties, zoo is het der kunst gegeven—haar, die evenmin door menschenliefde, maar liefde en drang tot scheppen wordt bewogen—uit ziektestoffen voorbehoed- en geneesmiddelen te puren.

Máár, m'n lieve vrienden en vriendinnen, vóór ik verder ga, even dit: begrijpt gij mij wel, weet gij het wel goed, dat ik geen "zedeprediker" ben, gij die dit weten kunt, die immers nu reeds sedert eenige jaren mijne uiteenzettingen volgend, hebt kunnen verstaan, dat ik niet tot die soort van menschen behoor, wier eerzucht of eenig ander verlangen hen in de richting van het "zedepreeken" drijven kàn, maar tot die soort, wier verlangen hen slechts er naar doet streven, zoo zuiver en schoon mogelijk de dingen te zeggen, die zij denken en zien, en wier begeerte alleen kan zijn, juiste en zelfgevonden of hèrvonden inzichten over kunst te verbreiden, opdat de menschen de waarde van zulke inzichten voelen en de macht tot juist-inzien en -genieten in zich-zelf aankweeken zullen? O, mocht ik in de overbodigheid dier vraag kunnen geloovenl Want ik zou het héél verdrietig vinden, zoo ge mij voor iemand hieldt, die zoo dwaas is, zich op een buitenmenschelijke standplaats te willen stellen en mal-hoogmoedig van sexueele driften als iets minderwaardigs te spreken. Evenals alles wat natuurlijk is, is ook sexueele hartstocht in zich-zelf iets moois, maar evenals al het schoone, dat buiten alle goede proportie staat tot het geheel, waartoe het behoort, iets of alles van de macht tot het uiten zijner schoonheid inboet, ja, iets hinderlijks en schadelijks wordt, zóó verliest ook de sexueele hartstocht de schoonheid harer verschijning en schaadt en hindert, indien zij buiten alle goede proportie in eens menschen ziel aanwezig is. Wat nu is het voornaamste kenmerk van iets, dat buiten goede verhouding tot zijn geheel staat? Dit: dat het niet schijnbaar een ander deel verdringt en verdrukt, door het te veredelen[9], maar het werkelijk verdringt en verdrukt door het te verlagen en te verkleinen. En dat zien we dan ook hier gebeuren. De sexueele hartstocht bij Heins verlaagt het verantwoordelijkheidsgevoel, het medelijden en de meest primitieve menschelijkheid in hem. Maar hierbij blijft het niet. Want elkeen, in wiens ziel het eene deel het andere verlaagt, die wordt zelf een verlager. Zijn leven-in-de-menschelijke-samenleving wordt een beeld van het leven-in-zijn-ziel. Zooals een deel van zijn wezen de andere verdrukt en schaadt, zoo verdrukt en schaadt hij—een deel der menschelijke samenleving—de andere deelen. Zóó als het sexueele in Heins àl het andere in hem schaadt, zóó schaadt Heins Geertje en zooveel andere vrouwen. Gij ziet dus nu, dat ik niet uit zedeprekerigheid dit sexueele in Heins bij een kanker vergeleek, maar alleen, omdat ik, droog en nuchter redeneerend, tot de logische slotsom kwam, dat de sexualiteit in die verhouding, in een mensch, tot al het andere staande, bij een kanker, die immers den organischen weefsels hun levenssappen onttrekt, nu eenmaal te vergelijken ìs.

Maar waarom beweerde ik ook, dat het der kunst evenals der geneeskunde gegeven is, uit ziektestoffen voorbehoedende geneesmiddelen te bereiden? Wel, dit kondt gij reeds begrepen hebben uit hetgeen ik in mijn eerste Geertje-artikel zeide: "dat kunst uitspreekt wat geen andere mond kan uitspreken," maar toch, laat mij 't hier nog maar even verduidelijkend uiteenzetten: Als gij het ongeluk hadt met een man als Heins om te gaan, dan zoudt ge voornamelijk opmerken—omdat ge jong zijt—hoe hij "geniet." Maar veel vluchtiger zou het uw aandacht treffen, op hoe ontzettende wijze hij anderen ongelukkig maakt. Ten eerste omdat de eigen begeerten van uw jonge, krachtige lichaam, u onbewust ertoe zouden brengen, voor het laatste de oogen te sluiten en u-zelf op allerhande manieren te bepraten, dat 't "zoo erg niet is," ten tweede, omdat ge er prijs op zoudt stellen, den "succesvollen" Heins binnen uw gezichtskring te houden, maar zijn slachtoffers niet alleen door den aard van hun leed, dat zich wil verbergen, uit uw gezichtskring verdwijnen zouden, doch ook zoo spoedig mogelijk door u eruit verwijderd zouden worden, omdat gij zelfs minachting voor hen hebben zoudt!!

Dáárom is een mensch als Heins in het leven de smetstof.

Maar nu komt de kunst en puurt daar het geneesmiddel uit: ge wordt gedwongen Heins te zien in zijn weerzinwekkendheid, het helpt u niet dat ge de oogen sluit. Want ge ziet hem nu niet met de oogen, ge ziet hem met uw ziel. Het leven wordt door de meesten slechts door de oogen gezien, kunst als zoodanig nooit anders dan door de ziel. En deze heeft geen leden die ge sluiten kunt, met handen kunt ge haar niet bedekken, en luiken noch duisternis sluiten iets voor haar af.

Dáárom is een man als Heins in kunst het voorbehoedend geneesmiddel,

Want wat voor wezens zoudt gij moeten zijn, indien ge, ontroerd bij het lezen van dit boek, u-zelf niet eerlijk en vast de belofte deedt: zulk een misdaad zal ik nooit plegen, opdat, als ik zelf een huis zal hebben gesticht en kinderen zal hebben op te voeden en te waarschuwen voor het doen van zùlke daden, mijn toon niet onvast als die van een leugenaar zal zijn, bij het herinneren: maar ik deed het zelf.... Dit mijn flinke, gezonde jongens en meisjes uit het werkend volk zult gij ongetwijfeld bedenken bij het lezen van dit werk. Gij in de allereerste plaats, wier klasse opgaat uit het verleden als een ververschende waterstraal uit den grond, gij zijt gekomen om te laven àl de bloemengeslachten van het heerlijk-menschlijke, die dorgebrand en vertreden zijn. Zie goed toe wat ge doet: gij zijt geboren om iets schooners dan het verleden te helpen stichten. En wat het verleden nu is en eens zal zijn, daartoe behooren: de middeleeuwsche Heer met zijn recht-van-den-eersten-nacht; de fabrieksheeren, die de meisjes in hun werkplaatsen dwingen tot hun wil; de bourgeoisie-heertjes, die vóór ze rijke huwelijken doen en "geachte burgers" worden, de kinderen der arme volkslagen tot publieke vrouwen maken. Hoon u-zelf niet, door niet beter te zijn dan zij en als zij te meenen dat armen de lustprooi der rijkeren zijn. Hun ondeugd is verachtelijk, omdat zij ondeugd is, de uwe zou het niet alleen zijn omdat zij ondeugd, maar ook belachelijk-van-dwaasheid ware. Gescheiden door verren maatschappelijken afstand en vaak enorme weelde, als zij waren van hun ondergeschikten, lijkt het te verklaren, hoe er iets als een nevelige voorstelling in hun gedemoraliseerde hoofden was, dat zij een hooger soort menschen dan die ondergeschikten waren en in hun recht, zoo ze die offerden aan hun lust; maar zoo gij proletariërs-zelf zoudt meenen, dat uw dienstmeisje een geringer soort mensch dan uw zuster is—wat bleef er ons dan over dan het hoofd in onze handen te bergen om uw clownige bespottelijkheid, verdwazing en slechtheid niet te zien. Neen, dan zoudt ge niet iets schooners dan het verleden kunnen stichten, om de eenvoudige reden, dat gij-zelf helaas nog iets leelijkers dan het verleden zoudt zijn. Als eens de ontwikkeling van het economische leven een betere maatschappij zal hebben doen groeien, dan zal tevens een hoogere moraal verrijzen, wier idée zal zichtbaar worden voor de oogen der besten, die dan leven, en die, ten slotte, vertastbaard zal staan, als een open hof waar rechters zitten, midden den geweldigen ringbouw van geheel het maatschappelijk zijn, en met zijn torenspitsen rijzend dat te boven—want de ethische leer eener maatschappij rijst altijd hooger dan haar ethische werkelijkheid—; als een open hof, verstaat ge: waarheen iedereen zal kunnen gaan die wil, om geestesadeldom en goedheid te leeren. Of zij willen zùllen, dat hangt óók van u af, lieve vrienden. Van de economische omstandigheden, van den maatschappelijken ringbouw, hangt slechts af of zij zullen kunnen: of die ringbouw hun den weg naar den hof niet verspert. Troost u niet met de gedachte: er zal dan minder verlokking tot slechtheid zijn. Zeker, deze gedachte is waar, maar er zal genoeg verlokking overblijven, er zullen mogelijkheden ten goede en ten kwade ontstaan, waarvan wij nu geen begrip hebben, en het zal van de harten en de zielen zelf afhangen, dan als in alle tijden, in hoe verre de ethische leer werkelijkheid zal zijn. Alles moet geleidelijk zich ontwikkelen, en gij moet nu met vasten wil, met jonge kracht, die ontwikkeling aanvangen en volhouden. Neemt u in acht! Er was nooit heerlijker gelegenheid voor de menschheid, iets opperst-schoons te bereiken—nooit zullen de smaad en de rampen grooter zijn, als die gelegenheid wordt verzuimd. Uw klasse is het zaad, dat nog midden slijk en wormen in den grond verborgen ligt, waarop de voeten stampen en de monden spuwen. Neemt u in acht, opdat het niet verrot in den bodem, en of nimmer ontspruit, òf opkomt met dorrende knoppen en verwelkend blad, daar de hemel en de zon en al de schepselen met verheerlijkte gelaten, naar de ontluiking van een nieuw levenswonder van schoonheid en van kracht uitzagen.... Opdat het dan niet in de wereld worde als in een huis waar een kind wordt verwacht, en de lucht trillende hangt van naderende vreugde, en de oogen der wachtenden zacht en gedempt glanzen van een blijdschap, die zich nog niet geven kan, maar straks, o, straks, uitstrálen zal en ... het kind wordt dood of misvormd geboren en vervult de harten en het huis met rouw en schrijnend leed, om de voor langen, langen tijd teleurgestelde verwachting....

Alles groeit geleidelijk. En, lieve vrienden, wat ik nu ga zeggen, dat doe ik alweer niet uit zedeprekerigheid, maar omdat ik u beloofde in mijn allereerst artikel, dat wij "dat leven samen zouden zien."[10] Begrijpt het goed; het is niet voldoende, weerzin tegen een man als Heins te voelen, om niet zooals hij te worden. Zelfbedwang, menschenliefde, eerbied voor lot en levensgeluk van een medemensch, die alle komen niet, om zoo te zeggen, kant en klaar uit den hemel gevallen. Wie niet langzamerhand bij vele kleine gelegen-heidjes gestreefd heeft naar het bezit dier deugden, maar integendeel bij die kleine gelegenheden het zelfbedwang, de menschenliefde en den eerbied voor het levensgeluk van anderen onder den voet geloopen heeft, hij moet niet denken, dat als de groote gelegenheid komt, hij de verlokking daarvan zal kunnen weerstaan. Niemand kan zeggen: nu, dit is zoo erg niet, dàt doe ik, maar dáár is ook de grens, diè overschrijdt* ik nièt; hij moet zorgen, zoover van daan te blijven van die grens, dat het niet bij hem kan opkomen, haar te overschrijden. En iets dergelijks bedoelde ongetwijfeld ook Wells, met zijne indertijd bij mijne behandeling van Het Voedsel der Goden geciteerde woorden: "zooals gezonde gewoonten van geest en leven de troon zijn." Zonder zulke gewoonten geen vaste en eervolle zetel in het leven, waarop men, veilig zittend, schouwen en werken kan. Want zooals degeen, die zich altijd voorneemt morgen iets te doen, nooit iets doet, zóó laat degeen, die zich bij het plegen van vele lichte vergrijpen voorneemt, de zwaardere na te laten, ten slotte ook die zwaardere niet na. En ge herinnert u wel uit mijn behandeling destijds: Wells is een geniaal, een geestig en fantasievol schrijver, maar toch geen—"zedepreeker"?


Heins wil zich dus Geertje van den hals schuiven. De kentering in z'n manier van doen jegens haar wordt al wel voldoende door dit stukje aangegeven: