NOTEN:

[55] een man van mijn smaak.

[56] "een Azers deel." Vergel. Genesis 49: 20: "Azer, zijn brood is vet en hij levert koninklijke lekkernijen." (Knappert).

[57] "een Enakskind," een reus. Vergel. Numeri 13: 28 en 33 (Knappert.)

[58] fretterij = jagen met de fret. Zij wil leggen: gevingen is onze prooi nu, enz.


JOHAN DE MEESTER'S "GEERTJE"

I.

Zoo gaat het alles en deint en toeft nog even en verdwijnt.... Maar ook waarvan men zei, dat het niet weer zou keeren, dat keert soms nog vaak terug en altijd met een diepere bedoeling, en immer rijper en immer sterker.... Want de plechtige dans als een ommegang, die de stil-glimlachende en bevallige en zekere, ja vóóral zékere Jaren met ons menschen volvoeren, is een zéér ingewikkelde figuur, zóó ingewikkeld.... Och ik vrees: indien wij ons zelf konden waarnemen, zooals we staan en ons moeizaam bewegen tegenover onze partners, door hen worden meegevoerd en dan weer achtergelaten—zoodat degeen die voor ons stond, dàn terzijde, dan àchter ons henengaat—we zouden onze verlegenheidsglimlach, ons dwaas-behoedzaam en aarzelend bewegen zéér betreuren. Want inderdaad, het kan toch den Beschouwer geen fraai schouwspel lijken, bij zooveel weeldeglans en stralend licht en tegenover en naast zoo schoone en zeker-zich-bewegende gestalten als de Jaren, zóó houterig, zóó bang voor botsing, zóó angstig voor 'n verkeerd gebaar te treuzelen, als wij menschen doen: een glimlach, een buiging van uw partner, ach, ge meendet er een vriendelijkheidsbetuiging jegens u in te zien?... Neen, neen, die hoorden zoo bij het ceremonieel van den dans; bet geheel daarvan, dat we nog altijd niet in onze arme hoofden hebben, ware zeker niet zoo volmaakt-fraai zonder dien glimlach en die buiging geweest, maar—voor u waren zij niet bestemd! Een hand wordt u toegestoken, ge meent haar te moeten grijpen, maar neen, met 'n stillen doch terechtwijzenden glimlach trekt haar de eigenaar terug: die handbeweging behoorde tot het zéér diepzinnig ceremonieel van den dans ... op den handdruk zult ge nog wat moeten wachten ... indien ge hem ooit krijgt! Maar waarom zoudt ge daar treurig om zijn? Is een glimlach van de Jaren dan niets, zelfs al was hij niet voor u bestemd? Maakt hij 't geheel van den dans, waaraan gij deelneemt, niet fraaier? Welnu dan! En nu spreek ik u nog niet eens van de schoonheid, het gratievolle, van 't zekere van hun terugwijken. Want daar ge jong zijt, lieve vrienden, hebt ge meer gelegenheid gehad, de schoonheid van den glimlach der Jaren dan die van hun wijken te zien. Maar waarvan ik u wel en vooral nog spreken wou, is, dat ge vooral niet uit dat zinnetje, wat ik straks schreef: "als ge hem ooit krijgt," moet afleiden, dat dit zoo zeldzaam is. Het is een eigenschap van dezen wonderbaarlijk ingewikkelden dans,—zooals ik reeds meende te zeggen—dat een zelfde figuur zònder maar ook mèt een kleine wijziging terugkeert en 't is dus zeer wel mogelijk, dat ge bij een volgende maal den handdruk krijgt, dien ge de eerste maal u zaagt ontgaan. Want, laat mij u zeggen: het feit, dat ik de Meester's prachtige Geertje hier behandelen mag, dàt is zulk een handdruk van een van de kinderen van den Tijd, ééns gemist, maar nu gekregen. En mag ik u nu vertellen hoé dat gebeuren kon?...


Welnu dan, luister: Het was betrekkelijk korten tijd voor Tak's dood—en ik vraag u meteen: kent gij, jonge vrienden, behalve zijn naam, ook zijn werk? Hoevelen uwer, die toch waarlijk wel wat geld kunt missen, bezitten die keur daaruit: Herdrukken uit de Kroniek?—dat hij mij opdroeg twee werken te recenseeren in De Kroniek. Een daarvan was Geertje.—"... en," zei hij, terwijl ik al bij de deur van zijn kamer was, het was bij hem thuis, "dat boek," op Geertje wijzend, "en de schrijver zijn mij heel lief." Nu weet ik niet, of gij onmiddellijk begrijpt, dat ik toen voelde, dat de Tijd mij toelachte èn dat die glimlach wel degelijk voor mij was bestèmd, misschien vindt ge dat gevoel wel "overdreven" en zeer zeker begrijpt ge niet, waarom ik toen zelfs meende Zijn hand te kunnen grijpen, waarvan de aanraking op wonderbaarlijke wijze voor langen tijd zekerheid in 't gaan: zelfvertrouwen geeft. Toch was dit niet overdreven. Als gij Tak hadt gekend—en daarvoor is het nog niet te laat, want is het werk van zóó'n man ten slotte niet zijn allerbeste kenbaar deel?—èn gij wist als ik dat Geertje een van de allerbeste, innigst gevoelde en soberst gegeven werken der heele hollandsche literatuur is—en dit zult gij weldra inzien—dan zoudt gij begrijpen hoe gelukkig een jong auteur zich moest gevoelen die van dièn man diè opdracht kreeg. Dat was een verfrisschende opfleuring van den geest, een sterke aanmoediging, precies wat die waarlijk-zachtmoedige geboren-Leider van menschen er dan ook mee bedoelde, waar hij altijd en altijd mee bezig was: jonge menschen, die het geluk hadden zijn weg te kruisen en in wie hij, zij 't veel, zij 't weinig, talent vermoedde, te steunen, te sterken en vriendelijk tegen hen te zijn, met héél zijn hart ... ja, dat was nog eens een ménsch.... Maar hij stierf.... Toen had de Tijd zijn hand teruggetrokken.. Ik las Geertje ten einde, maar maakte verder geen aanteekeningen; die welke ik gemaakt had, reikten niet verder dan tot over de helft van het eerste deel.... Ik zette het boek bij het andere werk, dat hij mij toen gegeven had, vooraan in mijn kast, dat het mij, o ja ik wist het wel: een weemoedige, maar vooral toch een heerlijke herinnering zou zijn, mijn heele leven. Erover schrijven en bij een andere redactie om opname vragen ... nee, wel bedankt, dat wilde ik niet.... Bovendien, ik voel heel diep de beteekenis van het stil en als-onaangedaan wachten in het leven.... Ik voelde ook wel, dat ook deze bewegingsfiguur eens zou terugkeeren in dien grooten en plechtigen ommegang van den Tijd, de Lotgevallen en de menschen en dat zij dan, zooals ik reeds zei, beteekenis-voller zou zijn en mìj rijper zou vinden. Het eerste en het tweede zijn nu gebeurd, want zou het inderdaad niet van veel grooter beteekenis zijn, dat ik nu het geluk mag hebben, duizenden en duizenden ouderen en jongeren in dit voortreffelijke werk in te leiden, dan dat ik toen een opstel erover had geschreven in De Kroniek, d.w.z. voor een uitgelezen maar zeer kleine schare lezers, waarvan het meerendeel, vermoedelijk, literair even sterk voelde als ik-zelf?! En wat het derde betreft ... moge daarvan dit opstel getuigenis afleggen! Want doet het dit niet, neen dan zou het toch zijn, alsof de Tijd mij ook ditmaal de hand niet hadde gereikt, want sterkt hij door die aanraking een mensch, deze sterke dan ook hem, opdat hij weer anderen sterken kunne. Geeft hij dan de gelegenheid, de ander geve hem de daardoor mogelijk geworden, juist voltrokken daad.... Doch hoe dàt nu verloope, dat de bespreking van Geertje een innerlijke gebeurtenis voor mij is, hooger dan het bespreken of overdenken van welk ander gelijkwaardig boek ook zou zijn, dàt zult ge nu wel begrepen hebben.


Het zou voor u allen, evenals voor mij, ongetwijfeld makkelijker zijn, indien ik nu even, vóór met mijn eigenlijke ontleding aan te vangen, u een verkort begrip van den "inhoud" van dit werk mocht geven. Maar dit kan niet, omdat het u op een dwaalspoor zou brengen en wel om de volgende redenen: Allereerst, omdat Geertje-zelf is: een psychisch-romantische figuur. Maar laat mij geen vreemde woorden gebruiken, zonder ze even te verklaren: psyche beteekent: ziel, psychisch dus: wat tot de ziel behoort, wat de ziel betreft. Ik bedoel dus te zeggen, dat zij wat haar zielseigenschappen betreft romantisch is. En ge herinnert u ongetwijfeld wat ik u onder "romantisch" heb leeren verstaan[1].

We begrijpen dus nu, dat Geertje wat haar zielsvermogens aangaat een uitzonderingsfiguur is. Echter wat haar lotgevallen betreft, is ze zoo gewoon als 't maar kan. En daarom zei ik dan ook nadrukkelijk, dat zij psychisch-romantisch is. En ge vermoedt nu al, waarom ik u niet dadelijk iets van haar levensloop, dus van den "inhoud" van het boek vertelde. De jongeren onder u, die, wat zeer natuurlijk is, nog denken, dat eens menschen lotgevallen hem belangrijk of onbelangrijk maken en nog niet inzien, dat alleen de wijze, waarop een mensch die lotgevallen ondergaat en erop reageert hem belangrijk of onbelangrijk maakt, hoe zouden zij een huishoudster-dienstmeisje, dat, onervaren en kerksch-opgevoed, uit een klein dorp naar een groote stad komend, daar "verleid" wordt door een ellendeling, iets "belangrijks," als verhaal, kunnen achten. Gebeurt iets dergelijks niet zóó vaak?... Behoort het ook niet tot die dingen, die als we ervan hooren, ons 't hart verscheuren en ons, al naar onderscheiden aard en aanleg, in machtelooze woede de vuist doen ballen, of vruchtelooze heerschers- en apostelsdroomen laten droomen? Ja, wenschen we ten slotte niet, om ons-zelf de smart en den haat te besparen, er maar zoo weinig mogelijk van te weten? En behoort dus een boek, dat deze dingen beschrijft niet tot diegene, welke wij maar liever ongelezen ter zijde leggen, óók omdat het toch, als verdicht verhaal zoo "gewoon," zoo "banaal," zoo "beneden onze aandacht" is? Och ik zeg u eerlijk: niet beneden mijn aandacht. Voor mij is, in kunst, het onderwerp bijna niets en de behandeling van dat onderwerp alles. Maar voor u, weet ik, is dat niet zoo, en dat neem ik u ook volstrekt niet kwalijk: ik begrijp het best. En zoudt gij dan Geertje niet voor zulk een boek gehouden hebben. Maar nu hebt ge natuurlijk al begrepen, dat het daar niet op lijkt. Hoe zoude ik in dat geval van een psychische uitzonderingsfiguur hebben kunnen spreken. Och, hoe ver is 't dan ook inderdaad daarvan verwijderd. Hoezeer is Geertje in evolutionnair-biologischen zin verheven boven een "verleid meisje". Laten wij deze bewering reeds nu even aan de feiten toetsen. Dat, wat men gewoonlijk onder "verleiding" verstaat, is: op zoodanige wijze bij een argelooze op de sexueele driften inwerken, dat zij tenslotte uit eigen opgewekten hartstocht, aan de begeerte van den verleider voldoet. Het meest kenmerkend gevolg van verleiding is dan ook, dat zoodra bij de verleide, de opgewekte driften weer tot rust zijn gekomen en zij de gevolgen te dragen heeft, het berouw intreedt èn haat tegen den verleider. Ten eerste wordt nu echter bij Geertje niet door den man, die haar misbruikt, de lagere sensualiteit opgewekt, jawel, hij beproeft het, en hij meent, de plat-sluwe wellusteling, dat hij slaagt, doch hij vergist zich: wat door hem wordt opgewekt misschien, maar aangewakkerd zéker, is: hare verliefdheid op hem—van wier hoogheid en duurzaamheid dat beest-mensch niet het flauwste begrip heeft!—en dit verliefd-zijn maakt hare zinnelijkheid wakker. Tusschen het een en het ander nu is een enorm verschil—precies hetzelfde verschil, wat men zegt (ik weet het nièt) tusschen mensch en dier te bestaan.—In het eene geval, bij Geertje, brengt de geëxalteerde geestelijkheid beroering en hartstocht in de lichamelijkheid; in het andere geval wordt de eene lichamelijkheid—van de verleide—door de andere lichamelijkheid—van den verleider—doordrift, en met hun beider geestelijk-zijn heeft dat niets of weinig van doen. Het gevolg is dan ook, dat zoodra, in het laatste geval, ook slechts een klein deel van de geestelijkheid: het nuchter verstand, werkelijk ontwaakt, een vreeselijk berouw, zooals ik reeds zei, en een haat tegen den verleider intreden, en daarentegen in Geertje's geval, zoodra haar geest zelfs voor goed is ontwaakt en alles klaar ziet, zij van tevredenheid en geluk vervuld wordt, omdat zij voelt, niet zóó bewust als ik 't daar zeggen ga, maar toch zéér bewust: ik heb gedaan wat mijn hoogste geestelijkheid en de reinste kern van mijn wezen mij geboden, nu heb ik de zaligheid gekend en deze zal mijn heele leven blijven doorlichten; en instede dan ook van haat te voelen tegen den man die haar onverzorgd aan haar lot overlaat, blìjft zij hem, ook nadat zij weet, door hem gedupeerd te zijn, uit de volheid van haar groote ziel liefhebben, blijft zij hem innig dankbaar, voor de heerlijkheid, die haar, ten slotte, toch door hèm geworden is! En zooals de eene goede daad altijd ter een of andere keer, tot een tweede goede daad voert—want het is een goede daad aan het hoogste van zijn wezen te gehoorzamen, maar dan moet men ook noodlottig-zeker voelen dat het 't hoogste van het wezen is!—zoo brengt ook Geertjes daad haar éérst tot het zuivere inzicht, dat te huwen of sexueelen omgang te hebben zonder liefde, minderwaardig is èn brengt haar daarna en daardoor tot de tweede goede daad: van liever haar heele leven ontbering en smaad te dragen, dan haar toevlucht te zoeken in een gemakkelijk huwelijk, met een braven, rijken boer, die haar grenzeloos liefheeft, om aldus voor de hardheid der wereld geborgen te zijn. Hoe zou het dan ook kùnnen dat Geertje zich schame voor haar daad, of iets van haren natuurlijken trots of fierheid inboete gelijk die vele schijnbare-lotgenooten! Na dit alles te hebben ingezien, voelen wij dan ook met zekerheid, dat wij in de persoon van Geertje hebben te erkennen een van die hoog-nobele en in waarheid groote figuren, die tegelijk monumenten voor en incarnaties van de Liefde op aarde zijn.

Maar hoe weinig zouden wij dat vermoed hebben, indien wij Geertje in het leven hadden ontmoet, hoe weinig dus ook, dat wij eigenlijk heel diep en nederig voor haar moesten buigen, en dat "die geheimzinnige Macht, die de wereld regeert" veel sterker in haar leefde dan in vele in heerlijkheid gezeten vorsten en voornamen en geleerden, die roem en eer en geluk in overvloed oogsten! En met deze opmerking kom ik meteen tot de bespreking van een andere superieure eigenschap van dit werk, eene, die het gemeen heeft met alle werkelijk gróóte kunst: dat het uitspreekt, wat geen andere mond dan die der kunst kan uitspreken, dat het stem en uiting geeft aan wat voor onze ooren geen stem en geen uiting had. Want ziet eens en denkt het u goed in en doet eens flink uw best, mij ter dege te begrijpen: àls ge in het leven zulk een "verleid dienstmeisje," als ge eens diezelfde Geertje had ontmoet, armelijk, vervallen, gedwongen in uitersten nood een toevlucht te zoeken voor haar zwak, zwanger lijf, bij hondsche, gemeene, vervuilde familie; àls ge eens in het leven zulk een meisje had ontmoet, dat absoluut geen "berouw" over haar "misstap" toonde en nog den man, die haar verleid en gedupeerd heeft, in slaafsche gedweeheid achterna blijft loopen, wàt zoudt gij anders voor haar hebben dan een weinig stuursch medelijden, vermengd met minachting, gij, die de grootheid van haar ziel niet zoudt kennen, gij, die haar drijfveeren: haar liefde, haar vertrouwen, haar hoop, hare grenzelooze toewijding niet bevroeden zoudt. En àls gij daarentegen dien verleider, dien Heins in het werkelijke leven ontmoet hadt, wel, zoudt ge niet hoogstens eenige phrasen mompelen als: alles te weten is alles te vergeven: de man, lichamelijk een prachtkerel, is gehuwd met een ziekelijke vrouw ... de natuur zoekt een uitweg ... en die Geertje, nou die zal, op de keper beschouwd, ook wel niet zoo heel veel fijns zijn ... en hij is toch maar in z'n zaken een oppassende en gewikste kerel.... In een woord: een deel uwer sympathie, waarschijnlijk het grootste deel, zou bij den sterke, den man-van-het-welslagen zijn en niet bij de verongelukte, bij de zwakke, bij de als-bedelend-afhankelijke. Want niet alleen gij, jongeren, maar ook wij ouderen, zijn allen, vooral te dien opzichte, maar al te vaak "un petit être incomplet,"[2] zooals Loti het noemt. En intusschen, hoé verkeerd zouden wij hebben gedacht, want die Heins, wat is hij anders, dan een van die diep-ellendige schurken, die we alleen daarom niet verachten, omdat we begrijpen niets wat leeft te mógen verachten. Maar hoe zouden wij, arme, onvolmaakte wezens, ook beter kùnnen oordeelen over onze medemenschen. Worden wij niet door onzen twijfel verscheurd en heen en weer getrokken? We heffen de hand op om te straffen, maar we aarzelen: heeft die mensch wel straf verdiend? Had hij geen edele of onweerstaanbare drijfveeren, die wij niet kennen?... Wij willen beloonen.... Maar de gedachte komt in ons op: zie ik dien mensch niet te mooi; had hij innerlijk geen leelijk motief voor die mooie daad, bevoorrecht ik hem dus niet boven zijn gelijke? Wat wéten wij van elkanders ziel? Wie zìjn wij-zelf? Daarom kàn de ondeugd niet door ons gestraft, de deugd niet beloond worden. Wij wankelen en wij tasten mis bij elke schrede, bij elk gebaar. Doch nu komt een kunstenaar ... diè wéét, die vóelt weifelloos, diè tast, ten tijde dat hij kunstenaar is, nimmer mis, diè heeft "hart en nieren geproefd."[3]. Nu krijgen de deugd en de ondeugd, het reine en het bezoedelde, het zelfopofferende en het baatzuchtige, allen, niet alleen de kracht tot uiting, maar zij worden gedwongen daartoe. Allen ontvangen nu een stem, waarmee zij in onze ooren hun innigste wezen uitzeggen. Nu is alle leugen en alle schijn verre en de meest doortrapte sluwheid staat machteloos.

Dáárom zei ik—en nu zeker begrijp't ge mijn zeggen—kunst uitspreekt wat geen andere mond kan uitspreken, dat zij stem en uiting geeft aan wat voor onze ooren geen stem en geen uiting had! Hoe dikwijls, gelijk nu weer, heeft het mij dan ook niet toegeschenen, alsof, in hoog medelijden met die wrange machteloosheid der menschen, ter troost aan ons gekrenkt rechtsgevoel, en vooral ter tijdelijke hulp aan ons, bijna-blinden, die het eindpunt niet kunnen zien, waar al dat slechte en misdadige tot goedheid en rechtvaardigheid wordt—de Natuur de kunstenaars voortbracht, opdat die ons reeds nu het ware wezen der dingen zouden doen gevoelen, hun noodwendigheid en het verborgen geluk, en ook het verborgen onheil, dat zij in hun dichte dooreenvlechting dragen. Het uiterlijk-schamel edele, dat wij gering hadden geschat, de kunstenaar toont—en 't is als een ons hart goeddoend eerherstel!—de edele kern ervan. Het opgesierd-vooze, het is alweer de kunstenaar die met vaste hand het innerlijk rotten opendekt—zoodat wij althans het geluk der waarheid hebben! Zóó komt het dan ook, dat Geertje, het zuivere werk van zùlk een kunstenaar, bij al de grauwheid van het armoe-leven, die het ons niet spaart, bij al de ontzettende ellende en onverdienden smaad, die we de hoofdpersoon, het meisje zien treffen, ons nauwelijks bedroeft, en dat het ons evenmin na voltooide lezing achterlaat met dien bitteren haat tegen het "wreede" leven, maar integendeel met het zoete en kalme gevoel van bevredigd- en vertroost-zijn, van nu toch ééns het Noodlot doorvoeld en begrepen te hebben. Want, zoo denken we, waarom zouden we de verstooten en versmade Geertje langer beklagen, haar, die met het volle gevoel en het alles-verzoetend en verheerlijkend bezit harer altijd-durende liefde naar haar dorpje terugkeert, om daar in de schoone richting, die het lot haar gewezen heeft en op haar eigen, eenvoudige wijs, haar prachtige en rein-menschelijke ziel te doen groeien en bloeien. Of waarom zou ons de haat jegens menschen als Heins nog op het hart branden! Is tot onze genoegdoening, in dezen ééne, niet aller afzichtelijkheid in den rechtvaardiglijk-erbarmingloozen dag geheven? Voelen we ook niet onvermijdelijk en ontzettend aandreigen, onzichtbaar voor zijn oogen, de begeleidsters der geestelijke en zedelijke geringheid: de zelfverachting en de verachting der menschen, die vroeg of laat, maar eens zeker, uit zulke misdrijven opschrijnen?... Ja, het is dan ook vóóral de gewaarwording, dat de godsstem van het Noodlot tot ons sprak uit dit boek, klaar en vast en met ware troost vertroostend, die het ons doet liefhebben als een machtig geheel van ont-dekte, doorzichtig-gemaakte menschelijkheid. Aan dit werk is het tijdelijke vreemd: zoolang een deel der menschheid onze taal zal kennen, zoolang zal het in de figuur van het arme meisje Geertje de verwezenlijking van ééne der gestalten der eeuwige en wereld-omvattende liefdesdroom herkennen; zal het opzien vol dankbaarheid en bewondering tot die onbewuste, nederige heldin, die niet alleen te eenvoudig-menschelijk, te rein-natuurlijk was om te zondigen, d.i. tegen haar diepst en hoogst gevoel te leven, toen dit haar genot en uitviering van hartstocht bracht, maar die ook te groot bleek, om tegen dat gevoel te leven, toen het haar niets anders dan verderf, vernedering en ontbering kon brengen!

Laat mij nu nog, voor ik dit eerste hoofdstuk over Geertje beëindig, even recapituleeren wat ik heb gezegd:

Het werk behoort ten deele, voor zoover het zijn hoofdpersoon betreft, tot de goéde romantiek, omdat het een uitzonderingsfiguur beeldt, op naturalistische, d.i. zooveel mogelijk objectieve wijze. Het behoort tot de groote en blijvende kunstwerken: omdat het 't leven voor ons ont-dekt en doorzichtig maakt; omdat het, in de opeenvolging zijner elkaar beïnvloedende hoofdgebeurtenissen, zuiver noodlottig is; omdat 't, wijl het kunstscheppend vermogen er puur in leeft, niet van één tijd maar van alle tijden is; omdat het, tenslotte, èn door zijn noodlottigheid èn door zijn evenwichtigheid én door zijn àf-zijn in begrepen-, doorvoeld- en weergegeven-hebben, zelf de rust en den vrede der klassieke mensch-beeldingen bezit en beide daarom ook aan de lezers schenkt.


En ik voeg er met nadruk bij: het is ook in de hoogste mate zedelijk, en de lezing moet, vooral op jongelui, die nog hun leven kunnen beginnen, veredelend werken—ik zeg dit met zooveel nadruk, omdat 'n paar, overigens geheel onbevoegde, dwazen indertijd het tegendeel beweerd hebben—wijl het ten eerste, zooals ik reeds opmerkte, een stem geeft aan het bedrogene, verdrukte en gesmade, dat anders door de menschen niet wordt gehoord of geloofd; ten tweede, in Geertje-zelf een figuur beeldt, die dwars door alle conventie heenbrekend en boven alle eigenbaat uitrijzend, datgene poogt te doen, wat haar eigen diepste wezen haar als goed aanwijst en, ten derde, in Heins den verleider, een mensch heeft geschapen, wiens verpeste en afzichtelijke geest noodzakelijk even afschrikwekkend op den aanschouwer moet werken, als afbeeldingen van sommige ziekten dat doen.


In de nu volgende hoofdstukken hoop ik u het gezegde door citaten en analysen nader uiteen te zetten en, voor zoover dat mij althans mogelijk is, te bewijzen.


JOHAN DE MEESTER'S GEERTJE.

II.

Geertjes ouders zijn dood. Ze wordt door haar grootouders—grootvader is hoofd van de dorpsschool en koster—opgevoed. En in het eerste hoofdstuk reeds, waarin we Geertje uit 't dorpje zien vertrekken, om een dienst in Rotterdam te zoeken, laat de auteur ons op opmerkelijk-sobere, want van alle taaldrukte warse en aan elk psychologisch-ontledingsvertoon vreemde wijze, het innerlijk dier drie zeer uiteenloopende menschen gevoelen. Grootmoéder, één zachtheid, één innigheid, één opgaan-in-'t-kleinkind; grootvàder: een steil-orthodox Christen, die geen oogenblik weifelens omtrent zijn levensplichten en rechten kent, want beide staan duidelijk en zeker voor hem en zijn natuur neigt al evenmin ter verzaking van de eerste als ter opgave van de laatste. Zijn dogmatisch-kerksch geloof zegt hem in alles het hoe, laat hèm maar zelden onzeker omtrent het waarom, en heeft den heelen geestelijken inventaris, die bij een gewoon huis-, tuin- en keuken-mensch nog al een beetje door elkaar pleegt te slingeren, netjes voor hem opgeborgen in een "kast met laadjes," zooals Maandag, een nobele figuur in ons boek, den bijbel noemt in dit verband; een juist en gelukkig beeld, geloof ik, want zoo het ons fel het misbruik voelen laat, dat, bewust en onbewust, van bijbelteksten wordt gemaakt, het doet ons allicht ook bepeinzen, hoe wonderschoon beeldhouwwerk die "kast" versiert en hoe de beduimelend-liefkoozende vingers der geslachten, de glanzingen van dat edele hout nog hebben verdiept in stede van het te verslijten....

Geertjes grootvader is een streng, naar lichaam en geest rechtlijnig man, hij is beslist, kort aangebonden en duldt geen tegenspraak, wat dan ook precies de eigenschappen van dat soort oprechte, maar bekrompen en ten deele verdorde vromen in het werkelijke leven zijn, eigenschappen die, het zij terloops gezegd, psychologisch uiterst makkelijk zijn te verklaren: het dogmatisch-godsdienstige, en dit vooral, maar niet alleen, doch ook àl het dogmatische, ziet de fijne nuances van het leven niet, het maakt, als 't ware, van den kronkelenden levensgang iets kinderlijk-rechtlijnigs, en de geest van zijn belijders ontkomt natuurlijk aan dien invloed wel het allerminst: ook hij wordt steil en hoekig, zijn levenskijk wordt vergroofd. Maar dit is niet alles: het dogmatisch-godsdienstige maakt den middelslag-mensch vaak streng en hard, want daar het in 't leven een betrekkelijk eenvoudig iets ziet, als slechts aan zekere voorschriften en leiddraden wordt vastgehouden, is het ook van oordeel, dat degeen die leeft, de mensch, een relatief gemakkelijke taak heeft en kàn het dus niet zóó medelijdend, zóó vergevingsgezind tegenover dien mensch en zijn fouten staan, als die andere denkrichtingen, welke integendeel het leven beschouwen als iets zeer moeilijks en onreglementeerbaars, en de levenstaak als een ontzettend-ingewikkelde, welks zwaarste gedeelten ieder gerijpt mensch slechts volgens zelfgevonden wetten kan volvoeren. In één woord: de dogmaticus heeft het twijfelen en zoeken verleerd, een ontzettend nadeel! Hoe zal hij het twijfelen en zoeken van anderen nu kunnen meevoelen? De dogmaticus struikelt zelden: hij bewandelt de onbeschutte en slecht-onderhouden wegen niet. Maar àls hij struikelt, is dat naar zijn meening zijn schuld, dien hij moet delgen. Hoe zal hij dan hen begrijpen, bemeelijden en helpen, die, in sommige gevallen, niet alleen van schuld noch delgen willen weten, doch te recht of ten onrechte hun struikelen aan den weg wijten, ja wel eens—als Geertje!—hun trots en hun geluk in dat struikelen beweren te hebben gevonden! Aan de figuur van dezen grootvader, die het wèl meent en eerlijk volgens zijn dogmatische kerkschheid handelt, zult ge dit alles, in verband natuurlijk met zijn menschelijke zwakheidjes—en niemand, maar allerminst een dogmaticus is daar zonder—zien waar worden! Wenden we ons nu van hem af en zien we naar Geertje. En ik durf een mooi ding te verwedden, dat gij dat liever doet! Wat mij betreft ... o, 't is waar, ik heb een voorrecht boven jelui allen, jongelui: ik verander, als ik naar haar zie, ik word jonger: de rimpels van mijn voorhoofd en mijn geest verdwijnen—jelui hadt er geen! Ik krijg een glimlach op mijn verstroefd gezicht—bij jelui was hij er, geloof ik, nog bijna nimmer af, en ìk heb ook die eigenaardige vreugde, die ontstaat uit het even zien samensmelten van toekomst en verleden in één punt. Maar jelui Verleden ... och vrienden, je Heden draagt het nog op zijn rug, als Aeneas zijn vader: moge het reeds verzwakt zijn, het lééft toch nog, het is een wèrkelijkheid, het heeft in eenzaamheid de duistere reis nog niet begonnen en slechts een bleeke heugenis nagelaten. Herinner jelui je, wat ik eens schreef op deze plaats over dat plots weer oplichten van onze eigen jeugd in later jaren, door het genieten van een kunstwerk?... O, ook in Geertje, bij dit haar eerste verschijnen lacht een lente open, alles is luchtig en onschuldig en bevallig en naar-het-komende- ziende in haar. Wij voelen haar een met 't om haar zijnde, eenvoudige en als van 't natuur-idyllische overbloemd dorpsleven. En wij voelen dit juist, wij leeren haar èn dat leven kennen, op hetzelfde oogenblik, dat zij 't gaat verlaten, om naar de groote stad, naar Rotterdam te trekken, en daar 'n dienst te zoeken! Dat stempelt ons den indruk van dat leven des te dieper in het geheugen. Want wij voelen ons met haar nu op een kentering van haar leven staan. En als we straks met haar in Rotterdam zullen zijn, dan zal het contrast tusschen dit proper-eenvoudige, rustig-eerzame leven harer in het dorpsmilieu geachte grootouders, en het smerige armoe-bestaan der rommelige havenstad, waar de bittere strijd om een stuk brood, alle zachtheid, alle onderling willen-waardeeren heeft verdrongen, ons des te dieper treffen. Wanneer we haar straks door dat groote-stadsleven zullen zien besluipen; als we dat, stukje voor stukje en beetje voor beetje, haar de beschermende uiterlijkheden van den geest zullen zien ontrooven, waarmede de kerksche opvoeding door de grootouders dien hebben bekleed, dan merken wij dat alles zóó goed op, dan voelen we dat alles zóó diep, omdat wij, vooral door dat eerste hoofdstuk, Geertje—om 't zoo eens uit te drukken:—in haar ongerepte en tegelijkertijd nog niet ontwikkelde gaafheid hebben gekend. Want we zien in dat eerste hoofdstuk reeds al de verhoudingen en menschen, die, in verband met haar natuurlijken aanleg, Geertje hebben gemaakt tot wat zij op dat oogenblik is. We zien ook—heel eventjes slechts aangegeven—zekere psychologische eigenaardigheid, die later van groote beteekenis voor haar uiterlijk en innerlijk lot zal blijken te zijn. Ik zal nu dit alles met eenige citaten trachten aan te toonen. Eerst de gezindheid van den grootvader: (Geertje is bezig zich op 'r kamertje klaar te maken voor de reis. Beneden wachten de grootouders op haar, om aan den maaltijd te beginnen).

Ze hoorde Groo'va stommelen in de kamer, zeker werd hij ongeduldig ... daar was hij al in het gangetje! Nu kwamen de woorden, kort, met gezag:[4]

—Geertje, het is meer dan tijd, kom naar beneden....

Dan moest het maar.... Ze had nu alles? Mantel, hoed, handschoenen, parapluie, 'er taschje, o, de zeep nog, de heerlijke zeep—zóó maar: in de schoone zakdoek. Ja, ze had alles.... Even rondkijken.... Nou, dag kamer, tot plezier van je weer te zien....

En het slecht gelegde kronkeltrapje in de kleine meesterswoning kraakte op elke tree, onder de vlugge stap van het lichte meisje.

In de eerste door mij gecursiveerde woorden, die Grootvaders manier van spreken aangeven, zóó dat wij hem hóóren, leeren wij hem reeds kennen, zooals hij intrinsiek is: hij is de man van de kortheid en vooral van het Gezag, met een bijzonder groote hoofdletter! Maar ook Geertje staat er al aardig in: Dat kinderlijk beredderingsdruktetje, dat schalk-vroolijk afscheid van de kamer ... zou het aan mij liggen, dat ik 't ook aandoenlijk vind?... Ik geloof het niet: de jeugd, de onschuld en de blijmoedigheid, zij zijn aandoenlijk, omdat zij, vaak zwijgend en zonder het te weten, om bescherming vragen. Als kinderen tegen ouders, vlijen zij zich tegen de ziel van den mensch aan, die hen met liefde beschouwt.

De beide laatste, door mij in den tekst gecursiveerde woorden vormen daarneven van die beeldende trekjes, zooals er meerdere in dit hoofdstuk voorkomen, die ons onmiddellijk Geertje in heel haar luchtige en vroolijke jonkheid voor oogen brengen.

Groo'vas voorhoofd was gefronst, dat zag ze zoo als ze binnenkwam.

—Waar blijf je nou toch? zei Groo'moe. Op haar gezicht was enkel droefheid.

Men weet hier onmiddellijk, dat Groo'moe altijd de "bufferstaat" tusschen de beide anderen is! Zij tempert grootvaders strengheid en vergoelijkt Geertje's dartele jeugd.

Het eten stond er al.

—Aan tafel, zei Groo'va, met dat vreemd-gedempte, dat zijn stem kreeg, wanneer hij een woord van boosheid weerde.

Toen alle drie zaten, bad hij:

—O Heer, onze God! wij danken u voor de spijze, die Gij ons weder mildelijk schenkt, zooals wij ootmoedig u loven en prijzen voor al uwe weldadigheden. Maar ach Heer! Gij die zijt nabij de gebrokenen van hart, wij komen tot u in onze nooddruft, want ons hart is bezwaard, wij staan in de ure der benauwdheid. Hoe dierbaar is uwe goedertierenheid, o God! Dies de menschenkinderen onder de schaduw uwer vleugelen toevlucht nemen. Uw oog is over degenen die u vreezen, om hunne ziel te redden van den dood, en om hen bij het leven te houden in den honger. Wees gij dan, o Heer, met haar die ons verlaten gaat. Wees gij haar tot een Rotssteen, tot een zeer vast huis, om haar te behouden. Leer haar hare wegen bewaren, haren mond met eenen breidel bewaren, wanneer de goddeloozen tegenover haar staan. Leer haar uw gebod bewaren. Als zij wandelt zal dat haar geleiden, als zij nederligt, zal het over haar de wacht houden, als zij wakker wordt, zal het zelve met haar spreken. Want het gebod is eene lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen der tucht zijn de wet des levens. Onze Vader, die in de Hemelen zijt, Uw naam worde geheiligd; uw Koninkrijk kome: Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op de aarde; ons dagelijksch brood geef ons heden, en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren; en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze. Want Uw is het koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in de eeuwigheid, Amen!

Geertje was gewoon aan Groo'va's lange gebeden, met teksten erin.

Laat ons even stilstaan bij die gewoonte van Groo'va om gebeden te bidden "met teksten erin." Het kan zijn nut hebben, niet alleen voor het goed begrip van die figuur, maar van al de geestelijk aan haar verwanten. Want ten eerste moeten we ons wel hoeden, in onze "moderniteit" een vrijbrief te zien, om maar over alles en nog wat, waarvan wij niets weten, te mogen meespreken, en ten tweede zoudt gij allicht uit den aanhef van dit artikel meenen te mogen afleiden, dat ik ook dit bidden met teksten iets minderwaardigs of gerings acht. Dit is echter niet zoo, ik vindt het integendeel iets zeer schoons. Kijk eens aan. Als men iemand bijv. "een gevoelsmensch" noemt, dan wil men daarmee niet zeggen, dat die man uit louter gevoel bestaat en verstand zou missen. Men wil daarmee dan alleen aanduiden, dat het gevoel, het bij hem sterk overheerschende is. En als ik dezen grootvader een dogmatisch-geloovige noem, dan wil ik daarmee ook alleen beweren, dat het dogmatisch-geloovige in hem overheerscht. Want niemand is één ding geheel-en-al. Ieder mensch is een mengsel van vele eigenschappen. En in dezen man zijn er al vast drie wijzen-van-zijn te herkennen: ten eerste: de man—de "belichaamde vermaning," zooals Geertje-zelf hem ziet—die door zijn dogmatisch denken, door zijn meenen de waarheid in pacht te hebben, van een ergerlijke eigengerechtigheid is; die zich als een "Verkondiger van Gods Woord" opwerpt en met zijn teksten niet alleen een grimmig hekwerk tusschen eigen braafheid en de snoodheid van den zondaar schijnt te willen oprichten, maar er zelfs een soort van kooi om de "gevallene" van wil smeden, waarin die in schuldbewustzijn tot "berouw" moge komen; maar, ten tweede: leeft ook in hem de eenvoudige vrome, de warm- en innig-geloovige, die ten tijde van zijn hevigste bewogenheid, naar den Bijbel grijpt, om in diens taal te bidden, te danken, in één woord zijn gevoel in woorden uittestorten. Het behoorde tot de leege bluf-gebaren der "moderniteit" te beweren, dat degeen, die bad, dat in eigen woorden moest doen, en dat hij, die het in "andermans" bewoordingen deed, maar wat prevelde. Maar die moderne knaapjes vergaten iets: dat deze "andere man" vaak de Bijbel was, en dat als we alleen maar de Psalmen daaruit nader beschouwen, we weldra ontdekken, dat de Psalmist een dier ontzaglijke en allergrootste dichters is geweest, wien "niets menschelijks vreemd is gebleven." Wat wonder dan dat de geloovige, die toch al, dóór zijn geloof, meent, dat die geheiligde woorden Gode aangenamer dan zijne eigene zullen zijn, in uren van diepst doorleven naar den Bijbel grijpt, en, als in een gelukkige ontslaking, daar de zóó volledig zijn gevoel uitzeggende woorden vindt, gelijk hij ze nimmer had kunnen vormen. Zóó gebruikt ook Grootvader dan de teksten als hij bidt. Als hij vermaant en bestraft—let goed op het verschil!—liggen hoogmoed en bewustzijn van eigen bravigheid aan zijn tekstgebruik ten grondslag; als hij bidt: nederigheid, liefdevolle overgave, ja zelfs onbewust bewonderen van het schoone. Gij zult mij deze uitweiding wel willen vergeven, want ik zou graag willen, moet ge weten, dat wanneer ge straks, als flinke kerels in den trein van den Vooruitgang zit en uw vroolijk lied van de Internationale uit de ramen dondert, dat ge dan vooral niet uw manhaftigheid uit door als Yankees links en rechts over de waardevolle bagage uwer medereizigers heen te spuwen. Revolutionnair gevoel èn eerbiediging van het echte en mooie, waar 't zich ook uit, zijn in diepsten oorsprong hetzelfde en vertoonen zich alleen als iets tegenstrijdigs, bij den kinderlijken en onontwikkelden mensch.... Begrepen?... Ten derde leeft in Grootvader ook een man, die.... Maar dezen zin breek ik hier af, om hem later te vervolgen. Nu eerst ònzen tekst verder:

's Zondags, en altoos bij iets bijzonders, deed Grootvader een lang gebed. Dus had ze dit nu wel kunnen verwachten. Zij deed haar best om mee te bidden, maar ze was er niet in. Al toen Groo'va bad van "gebrokenen van hart" hoorde ze een snik van Groo'moe. En toen Grootvader bad, dat God háár tot een Rotssteen mocht zijn, snoof en snikte Groo'moe zoo, dat Geertje even door de ooghaartjes trachtte te kijken....

Een aardig trekje dit laatste, beeldend, zoowel Geertje's schalke kinderlijkheid, als haar op dat oogenblik buiten de gevoelssfeer der grootouders staan, haar innerlijk-alleen-naar-het-komende-kijken!

Maar toen Grootvader daarna opeens met het Onze Vader begon—hij kon dat zoo mooi; Dominee Wevers zelf had eens gezegd, dat niemand het Onze Vader zoo plechtig kon uitspreken als Groo'va; zijn diepe stem werd dan zoo zacht, de woorden klonken niet meer kortaf—toen, bij die bijna gemeenzame woorden, die ze als heel klein meisje van Groo'moe geleerd had als Jezus' gebed, voelde ze dadelijk zich anders worden, zoo warm van een zachtheid die schreien doet; diep gebogen nu, vast toe de oogen, voelde ze tranen pikkelen om haar neus; en na het amen stond ze op, en liep naar Grootvader om hem een kus op de slaap te geven, en knielde toen neer naast Groo'moe's stoel.

—Och kind, hikte Groo'moe.

—Heusch Groo'moe, Geer zal goed oppassen.

Zelve als in tranen vervloeiend, drukte ze het hoofd in Grootmoeders schoot, vlijde er mee op tegen Grootmoeders breede, alzachte borst, de oogen toe, als om niet te weten.

—Ga nu weer zitten, de tijd is kort, hoorde ze Grootvader zeggen.

Even bleef ze nog zoo liggen, schuin het hoofd, als sliep ze aan Grootmoeders borst; de kleine vleezige hand van Groo'moe streek langs haar wang; toen kreeg ze kleurlicht in de oogen, en, kijkend, zag ze de zon, die plotseling was gekomen, door de Aprilregens heen, en de kamer vroolijk maakte. Och, het was toch een lieve kamer, met al die mooie planten voor de ramen, en het bijna witte behangsel en het eikenhouten harmonium....

Nu aten zij: grauwe erwten met ham, door Groo'moe gekozen als Geertje's lievelingskost. Maar Groo'va had de ham niet zoo mooi dun gesneden als anders.

Ik heb daar straks de opmerking niet willen maken, om de stemming van dit overigens fraaie stuk niet te bederven, maar nu moet ik toch even zeggen, dat het mij spijt hier het woord "hikte" ter beelding van Groo'moe's manier van spreken gebruikt te zien. Het werkt ontegenzeggelijk storend. Hikken, in de beteekenis van hakkelend spreken heeft te vaststaand en eigenaardig gebruik in den volksmond, dan dat het ook hier niet onmiddellijk de daaraan verbonden onsmakelijke gedachten-associaties zou doen opkomen.

Maar nu geloof ik dat het toch tijd wordt mijn daar straks afgebroken zin te voltooien. Dus: Ten derde leeft in Grootvader ook een mensch, die, zij 't schaarsch, zij 't droog, zij 't kleintjes, zich toch ook op een andere dan Bijbelsch-gereglementeerde wijze uit. Want—en Grootvader moge mij het oneerbiedig vergelijk vergeven:—geen papegaai is er zoo aan verslaafd op het voorbeeld van anderen te vloeken en te zegenen, of hij krast er wel eens op zijn eigen manier, z'n toorn, verdriet of vreugde doorheen. Grootmoéder moge schreien, Geertje langs de wang aaien, haar laten uitweenen aan haar borst, de stugge, terughoudende, half-bevroren grootvader brengt het niet verder dan: de ham niet zoo mooi dun te snijden als anders. Maar met dat al is het laatste toch evenzeer een zuivere gevoelsuiting als de eerste. Wenschen we er den oude geluk mee!

Ik sla nu een stukje tekst over en haal het eigenlijk afscheidnemen van Grootmoeder en Geertje aan:

Grootvaders lange gestalte stond in de deuropening.

—... Nou Groo'moe....

—Nou kind...!

't Was of Groo'moe haar niet loslaten kon. Ook zij was aangedaan. Maar ze hoorde Groo'va zeggen:

—'t Is tijd! en toen kreeg ze opeens een schrik, een vrees dat ze den trein niet zou halen.

—Goeie Groo'moe, zei ze troostend, en wrong voorzichtig zich los.

—De Heer ... zij ... met je, beefde Groo'moe's stem.

Ja Groo'moe, zei Geertje, en zocht haar taschje.

Toen ze het had, tasch, handschoenen, parapluie, nog gauw, bij een vroolijker—"Dag Groo'moe, het beste Groo'moe," een lichte kus op het grijze haar; en vlug voor Groo'va, die de voordeur had geopend, heen, was ze in eenen kamer en huis uit.

In den eersten zin van dit citaat heb ik het woord "lange" gecursiveerd, om te doen uitkomen hoe voortreffelijk zulke kleine beschrijvingswoordjes het niettegenstaande hun eenvoud en alle afwezigheid van omhaal doen. Ik wees er u reeds aanstonds op bij de beschrijving van Geertje's naar beneden loopen. Met die kleine, voortreffelijk te pas gebruikte beeldende woordjes, bereikt deze schrijver evenveel, zoo niet meer als sommige anderen met uitgebreide en ingewikkelde beschrijvingen. Als met lichte, onmerkbare drukjes wordt ons eene ook-het-innerlijk-bevattende voorstelling van den uiterlijken persoon in den geest gedreven. De drie andere cursieven geven Geertjes gepréoccupeerdheid weer, haar er-niet-bij-zijn bij het afscheid, haar denken aan het komende. Haar "Ja Groo'moe" is zelfs min of meer comisch als antwoord op grootmoeders zegenwensch. En we glimlachen goedig, als we daaraan denken, en hebben het onschuldige, levendige, naar het nieuwe willende meiske er des te liever om.

—We komme d'er toch nog wel? vroeg ze, toen het tuinhekje dichtklapte.

—Ja, wij zijn bijtijds, zei Groo'va. Zeg Groo'moe nog eens goeden dag.

Tusschen de groote begoniabladen zag ze, stilstaand, Groo'moe's gezicht. Ze wuifde met hand en handschoenen; een van de handschoenen viel; toen ze hem had opgeraapt, wuifde ze nog eens. Toen hupte ze (beeldende uitdrukking, als boven. v.C.) Groo'va na, die was doorgeloopen.

Bij den draai van den weg bleef ze even staan, en wuifde weer.

—'k Zie Groo'moe nie' meer, zei ze.

Stil dook, omhuifd door grauw-bruine takken, 't lage witte huisje, met het zware, vooruitspringende puntdak, achter de lariksen en conifeeren, en onder de drukkende nabuurschap der kerk, met de school weg. Somber schonkte de oude kerk op, eenzaam was 't donkere pleintje er voor....

— Kom nu! riep Groo'va.

En Groo'moe, die in Geertje's kamertje door het zolder-raampje keek, zag haar zwenken, lenig en vlug.

Hoe mooi is hier de stemming van dat oude dorpje getroffen, die kerk, die school, het eenzame pleintje. Stil blijven ze achter in hun onverstoorden, zuiveren eenvoud.... Het bij hen behoorende kind trekt naar de groote stad....—Is ze even droevig, dat ze grootmoe niet meer ziet? Of is ze eigenlijk niet integendeel blij, en voelt ze zich niet opgelucht, dat het afscheid nu eindelijk is afgeloopen, dat ze nu onverdeeld aan het nieuwe, het komende behooren gaat, waarheen haar gulzig hartje hunkert? Maar de grootmoeder denkt aan niets anders dan aan haar. Het was haar strammen ouderdom niet te veel, de trappen naar het zolderkamertje op te klauteren, om haar kleinkind zoo lang mogelijk te kunnen naoogen....

Maar bij dit laatste wil ik toch nog even stilstaan: Tot hiertoe, ook in de door mij niet geciteerde gedeelten van dit hoofdstuk, zien wij de personen, onmiddellijk door de ziening van den auteur. Tot hiertoe beweegt zich ook het verhaal in òndoorbroken-voorwaartsche richting. Met dit laatste zinnetje wordt dit alles plotseling anders: De schrijver laat ons niet door zijn oogen Geertje zien—om 't zoo slordig-weg uit te drukken—maar door die van de grootmoeder, en om dit te kunnen doen plaats hebben, worden we plotseling met een ruk achteruitgetrokken—een ruk, dien ik, bij de eerste lezing werkelijk gevoelde!—: we bevinden ons met grootvader en Geertje reeds op weg naar het station, we hebben het meestershuisje en grootmoe achter ons gelaten en nu worden we plotseling daarheen weer verplaatst. Wat beteekent dit?... Het beteekent, dat hier eene van die onbewuste, zéér schoone stijgingen van gevoel in den kunstenaarsgeest heeft plaats gegrepen, die wellicht tot de innigste en teerste bestanddeelen van kunst behooren. Onbewust zeg ik: het zou zelfs kunnen zijn, dat de auteur het tot op den huidigen dag zelf niet weet en—toch is het zoo, ja, het is niet onmogelijk, dat hij, nu ik het zeg, het niet juist zal vinden en—desalniettemin blijft het de waarheid! Voor die door hem gestadig in zóó liefdevolle beschouwing omkoesterde Geertje-figuur is, op dit oogenblik van afscheid van haar veilig dorpje, dat zij verlaat om zoo groote beproevingen in de angstig-groote en vreemde stad tegemoet te gaan, zóó groote teerheid in hem gerezen, dat hijzelf als in onbewuste kieschheid terugwijkt, om die laatste visie van hoe zij als onbezorgd kind in het grootouderlijk huis was, in de verbeelding der menschen te laten ontstaan en beklijven, gelijk zij gezien werd door de grootmoeder, die Geertje het best en het diepst heeft liefgehad....—

Ik oversla nu een stukje tekst: Geertje op weg naar het station, hoe zij van allerlei dorpsgenooten lieve attenties en hartelijke vaarwel-groeten krijgt. Een meisje staat haar op te wachten met 'n mand "bellevleurs": "Geertjen, hier heij 'n mand mit appels, lekkere bellevleurs nog. Die zeu je in Rotterdam wel zoo voak niet kriege."

Het teekent uitstekend het geëerd- en geliefd-zijn van haar grootouders en haar-zelf in het dorp. En dat alles zal later, zooals ik reeds zei, een wreed contrast met haar omgeving en positie in Rotterdam vormen. Maar het volgende haal ik nog even aan: