Ik heb wel gehoord, dat vele dames, bij de Twaalf geloofsartikelen, —die gij immers wel pront kent, hoop ik?—dit tot het dertiende maken: "Ik geloof, dat de bekeerde lichtmis de beste man maakt." Geloof het niet; 't is allemaal leugen; er is geen stip van waar aan, geen kriezel.
Hoe zou het mij bedroeven, als ik merkte, dat gij deze ketterij toestemde? Gij, meisjes, praat (de wijste niet te na gesproken) somwijlen alsof gij in uwe hersens gepikt waart. Wat weet gij toch van lichtmissen? Een losse malle jongen, die zijn goed verbruid, en om peper moet,[38] omdat hij zijn korentje groen at,[39] is geen lichtmis; hij is een gek, die men te Delft moest gaan opsluiten.
Een lichtmis is een geraffineerde deugniet, die zijn roem en vermaak stelt in eerlijke jonge meisjes en brave vrouwen te bederven, die Gods geboden veracht, de wetten der vriendschap schendt; met zijne eeden speelt; met één woord, een allerverfoeilijkst man, die te gevaarlijker is, naarmate hij een minnelijk figuur en een aardig vernuft heeft; die de welvoeglijkheid in acht neemt, tot hij de onnoozele in slaap heeft gewiegd, en die in staat is om schatten aan zijne huurlingen uit te deelen. Gelooft gij, mijn kind, dat zoo een schepsel ooit de beste echtgenoot worden kan? Alle fouten, door overijling en in het gestorm der driften begaan, maken geen deugniet uit, indien hij de fouten, zoo ras hij die ziet, verfoeit en schuwt: maar een lichtmis is zoo bedorven van smaak, zijne neigingen zijn tot hebbelijkheden dermate opgegroeid, dat hij nimmer eene betere vrouw verdient, dan de allerslechtste uit de bende, die hij bedorven heeft.
Ongetwijfeld heeft den schrijfsters, toen zij Blankaart dit stukje in den mond legden, de figuur van R. over wien ik het reeds in mijn inleiding had, voor den geest gestaan en diens prototype uit Betje Wolff's leven, die gepoogd heeft haar te "bederven." Zij althans spreekt hier dus niet, door Blankaart's mond, als 'n vrouw, die maar een preekje houdt over iets wat ze zelf slechts van hooren-zeggen heeft. Neen, het is een in veel smart verworven ondervinding geweest, die zij hier ter waarschuwing aan anderen mededeelde.—En nu stappen wij van Blankaart's brieven af, maar niet dan nadat ik u nog eens gewezen heb op wat het toch eigenlijk zeggen wil, dat twee vrouwen, waarvan de eene—Betje Wolff—een dame, en de andere—Aagje Deken—een dienstbode was, zich zoo hebben kunnen inleven in de vóór alles krachtig-mannelijke persoonlijkheid van een Blankaart en heel z'n ruw-goedige èn toch zoo zachte ziel uit de hunne hebben te voorschijn gebracht. Overweegt eens wat voor kunstenaarsgenie daartoe noodig was. Genie, zeg ik. Denk niet aan vaardigheid, aan "menschenkennis," aan "levenservaring" bij zoo iets prachtigs. Zijzelf—ik wees u erop—hebben hun schepping niet eens goed gekend! Hier was dat kostbaarste aan het werk, dat grootendeels buiten het verstand van den kunstenaar-zelf om, zijn scheppenden arbeid verricht. Ja, 't is iets wonderlijks wat ik hier vertel en ge kunt dat nog zoo dadelijk niet begrijpen. Maar op een goeien dag, na veel overdenken en onderzoeken, gaan u de oogen open en bemerkt ge, dat wat ik hier zooeven zei, heel langzaam aan in u heeft doorgewerkt en in verband met veel andere levenservaringen u iets heeft doen begrijpen en inzien, waaraan ge vroeger zelfs niet dacht. Want met onbegrijpelijkheden is het precies als met zaadjes gesteld. Beiden zijn het dichtgevouwen dingen, die niets van hunne innerlijkheid laten zien. Maar waar bleven de bloemen en de vruchten, als de aarde eens niet de gesloten korreltjes in zich liet begraven en langzaam in zich rijpen liet, tot ze in kleuren en geuren en gestalten openluiken. En hoe zoudt gij ooit, als mannen en vrouwen, mijn jongelui, de vrucht van het helder inzicht kunnen dragen, als het zaad van het onbegrepene niet gedurende uw jeugd in uw geest geworpen was! Laat het u niet deren, dat ge nu iets niet dadelijk begrijpt. Wat ge te doen hebt is: het onbegrepene te onthouden. Draag het in u om. Want beproefde ik, het gewelddadig en vóór den tijd voor u te openen, ik zou het bederven! Doe er mee als de aarde met haar zaden. En als het dan zomer voor je wordt, dan is die zomer het aanzien waard want hij is niet zonder bloemen en vruchten. En jelui herinnert je dan wellicht even weinig, dat iets van dat mooie uit dichtgevouwen ondoorzichtbaarheidjes, die eens een hoopvol zaaier in je wierp, werd geboren, als—de aarde het doet.—
[25] Schrijver van een gebedenboek. (Zie de aanteekeningen van Prof. Knappert.)
[26] Daar begint de bijtende ironie al: juffrouw Hofland is oud en leelijk, zooals je verderop zien zult.
[27] "Broer" Benjamin, zoo had juffrouw Hofland in haar brief aan Blankaart verteld, was gewoon koning David "de Heilige Sukkelaar" te noemen! Het is een van de vele zotheden, die de "fijnen" over den bijbel ten beste gaven.
[28] Poesten = blazen. Poestig-zijn zal dus wel zoo ongeveer beteekenen: in staat zijn uit boosheid iemand aan te blazen (als een nijdige kat.)
[29] Konkels = oorvegen.
[30] Verspild.
[31] Tante Hofland had namelijk in haar brief beweerd, dat de Franschen het "teeken des beestes" op het voorhoofd dragen!
[32] "Paulus, moet je weten," zegt Blankaart elders, "is mijn man en Salomo die van Saartje." Hij kan dus allerminst dulden, dat tante Hofland diens woorden citeert.
[33] Weer een steek voor tante Hofland: ze is immers zoo bar gierig.
[34] Een echte koopmansgeestigheid. Uitstekend van de schrijfsters!
[35] Een regel puntjes beteekent overal, dat er een stukje tekst is overgeslagen.
[36] "Broer" Benjamin.
[37] Ontmaak, enz. = onterf haar.
[38] "Om peper moet," het land verlaten en dienst nemen b.v. bij de O.I. Compagnie (Knappert).
[39] "Zijn korentje groen at," niet wachten tot het rijp is, gezegd van lichtmissen, die hun kapitaal opeten. In Zuid-Nederland nog: van de hand in de tand leven (Stoett, spreekwoordenboek, no. 1062) (Knappert.)
Jan Edeling wordt—in tegenstelling met Abraham Blankaart—door zijne mede-romanmenschen en dus ook door de schrijfsters precies voor den man versleten, dien ook wij, de lezers, in hem zien: een brompot, een koppige kerel, maar, alles in hem welbeschouwd, 'n goed mensch tevens en wel zulk een, die te duidelijk eigen gebreken ziet, om zich, gelijk Blankaart, op zijn deugden te laten voorstaan. Ziehier een zijner brieven, waarin hij tegelijkertijd een groote mate van zelfkennis, eerlijkheid en goedheid toont. (Edeling bericht daarin zijn zwager, den geestelijke Everard Redelijk, dat hij in het huwelijk van Hendrik en Saartje heeft toegestemd. Ook Redelijk, zeer verlicht en ruimvoelend mensch als hij is, heeft namelijk Edeling daartoe pogen te overreden).
Waarde Broeder!
Lach me nu eens helder uit, Pastoorsche,[40] gij hebt gelijk: maar ik zal uw man de heele zaak vertellen. Zoudt gij ooit geloofd hebben, dat Jan Edeling, die, hetgeen hij ééns begreep, om lief noch leed losliet; die van geen Christenmensch op de heele wereld tegenspraak dulden wilde, dan van u; dat Jan Edeling, zeg ik, door Blankaart zoodanig overhoop gegooid is, dat ik, met mijn hoed onder den arm, zijne pupil voor onzen Hendrik ten huwelijk gevraagd heb? en 't geen nog meer zegt, dat ik zeer met dit door mij gedaan verzoek in mijn schik ben? Die Bram! Zoo een man leeft er niet meer. Hij heeft mij zoo vast gezet en zoo ouwerwetsch mijn zaligheid gezegd, dat ik boos op mijzelf werd: want er is wat aan Pastoor: ik ben nooit een vriendelijk man, of een minzaam vader geweest: 't wil maar van hem gezegd worden; 't is een raar mensch!
Om de waarheid te zeggen, Pastoor, uwe rede en die van Hendrik hadden mij al lang overtuigd, dat ik ongelijk had; doch ik kon niet besluiten om te toonen, dat ik verkeerd gedaan had. Nu, het kost wat voor een man, die zooveel jaren altoos zijn hoofd volgde, te zeggen: ik heb ongelijk; en dat nog erger is, dit tegen zijn eigen kinderen te zeggen.
Gij weet het immers, als mijn jongens mij iets vragen, en mij beduiden wilden, dat zij 't noodig hadden, dat zij 't nooit, juist omdat die lekkers[41] mij iets beduiden wilden, kregen; doch 's dags daaraan, gaf ik hun, uit mijn eigen zin tienmaal zooveel. Dit zijn evenwel satansche nukken; en uwe zuster, mijne zalige vrouw, had, dat zie ik nu, maar al te veel reden om mij, schoon lachende, Meffert Luim te noemen. Had ik haar maar weer! Zij zou een beter man aan mij hebben; maar dat is nu te laat.
Ik zou 't mogelijk nog niet opgegeven hebben: doch mijn arme jongen zag er uit, of hij uit een gieter gedronken had: en toch, ik houd veel van den knaap; hij heeft mij altoos zoo op mijne gedachten gediend. Met Kees heb ik nog wel zoo eens een aardigheidje gehad; maar Hendrik was altoos, zooals ik (tusschen ons) in zijne jaren niet was. Hij is geheel zijns moeders kind; week gebakken! Hij kan geene moeite verdragen; met een benauwd hart ging hij op reis (ik kan op hem af) en heeft alles in zoo korten tijd afgedaan, dat het zoo niet te zeggen is. Kort gezegd, het mannetje van binnen klopte zoo verbruid bij mij aan, dat ik besloot om den jongen zijn zin te geven; en nu is hij zoo dankbaar en luikt zoo op, dat mijne oogen overloopen.
Nu, Pastoorsche, dat 's weer een ankertje Rijnsch in jou kelder! en ik nooi u beide te bruiloft: ik zal eene partij geven, die klinkt als een klok. Want gierig ben ik, Goddank! niet, ik durf wel wat geven; maar ik ben er niet achter om het met gratie te doen. Ik tast in mijn zak en zeg, hou daar, en loop ten eerste weg. Nu, ik groet u van harte en blijf
Uw toegenegen Broeder, Jan Edeling.
In deze laatste, door mij gecursiveerde zinnen teekent die man zich uitstekend. Dit niet "met gratie" kunnen geven, dit "wegloopen" zoodra hij iets gegeven heeft, kenschetst een groot deel en wel het edelste, zijner persoonlijkheid. Want dat niet met gratie kunnen geven en dat wegloopen is heel vaak juist den besten menschen eigen. Het wordt bij hen geboren uit het onbewuste voelen, dat den gever geen dank voegt, want dat geven een grooter geluk is dan te ontvangen en dat daarom eigenlijk de gever den ontvanger danken moet, omdat deze hem in staat stelt zijn medemensch een genoegen, een weldaad te bewijzen, en dus zich-zelf in waarheid te verrijken door goed te doen. En omdat dit voelen nu zoo sterk in hen is, worden zij bedremmeld en links, zoodra zij iemand een genoegen of weldaad bewijzen: zij zien het aankomen, dat de begiftigde hen wil danken en ziedaar: nu gaat dat onbewuste voelen zich in hen openbaren als een weerzin tegen bedankt te worden; zij geven daarom hun gift haastig, bij het ruwe af, en maken zich gauw uit de voeten. Hiermee wil niet gezegd zijn, dat degeen, die hoffelijk geeft en vriendelijk den dank van den begiftigde aanvaardt, beneden iemand als Edeling zou staan. Het kan zijn, dat hij beneden hem staat: indien hij namelijk zoo hoffelijk en vriendelijk is, omdat hij nooit dien weerzin tegen bedankt te worden gevoeld heeft. Maar het kan ook zijn, dat hij boven hem staat: hij heeft dien weerzin wel gevoeld, maar wijl hij de oorzaak weet—in tegenstelling met iemand als Edeling die deze niet kent—en er dus verder over kan nadenken en in ander verband bezien, heeft hij begrepen dat hij hem moet onderdrukken. Want: een weldoener te bedanken is een hoogstaand geestelijk genot, ja zelfs is dank de eenige betaling die een arme begiftigde zich veroorloven kan. Bedwingt de gever zijn weerzin dus niet, dan berooft hij den begiftigde niet alleen van een veredelend genot, maar ook van de mogelijkheid zich, zij 't een ietsje, minder zijn schuldenaar te voelen! Stappen wij nu van Edeling af en gaan we, zij 't alleen maar, om te bewijzen, dat de uitersten elkander—in dit artikel tenminste—raken, Cootje Brunier bekijken. Immers, vertegenwoordigen Edeling en Blankaart het Hollandsch-stoere element in den roman, Cootje doet 't het opgeprikte saletjonkerschap van den pruikentijd. Hij is op-end' op een petit-maître, zooals men zoo iemand noemde, maar een van de fatsoenlijke soort. Als zijn hoogste levenstaak beschouwend: mooi gekleed te gaan, den dames hupsche lievigheidjes te zeggen, aardige dingsigheidjes voor ze te knutselen en boodschappen voor ze te bezorgen, verlaagt hij zich nimmer tot gemeene praktijken. Het ergste wat men van hem zeggen kan is dat hij een geestelijk-onbeteekenend mensch is, maar dat hij een "goed hart" en "goede gronden" heeft, zooals Edeling en Blankaart van hem getuigen, zal zelfs de grootste vijand van het fattendom moeten toegeven. Cootje Brunier is de broer van Letje, de vriendin en het medecommensalesje van Saartje bij Mevrouw Buigzaam. Als zoodanig komt hij daar dikwijls aan huis. En door de snakerijen van Saartje, die hem eeuwig en altijd, zonder dat hij dat merkt, op de hak neemt, in den waan gebracht, dat hij haar als echtgenoot niet ongevallig zou zijn, schrijft hij haar het volgend briefje:
Mon Ange![42]
't Is wonderlijk, maar ik heb den moed niet, om u mondeling te zeggen, dat ik u bemin: telkens als ik dit meende te doen, weerhield mijn eerbied voor u mijn voornemen. Gij zijt zoo minzaam, en tegelijk zoo spottig, dat ik waarlijk niet weet, hoe dit aan te vangen; of hoe het na te laten. Hemel, ma chère[43], wat wilde ik zeggen? Maak ik niet een zot figuur in uwe oogen? Ik bemin u! ik adoreer[44] u! gij zijt nooit uit mijne gedachten, en zoo gij mij niet te veel zult uitlachen, dan zal ik er bijvoegen, dat ik nooit een eenig goudbeursje zal knoopen, dan voor u, chère âme de ma vie![45] O, wij zouden een recht charmant paar zijn, en ik twijfel niet, of mijnheer uw voogd zal onze teedere amour applaudisseeren[46]. Ik ben wel geen man van vermogen, maar gij denkt zeker te subliem[47] om u daaraan te bekreunen; en 't is waarschijnlijk, dat ik eerlang een beter ambt zal krijgen. En vérité, mon amie,[48] men heeft bekwame jongelieden noodig, en men kent mijne mérites.[49]
Op mijn persoon denk ik niet, dat gij iets te zeggen hebt: ik coiffeer en kleede mij comme il faut.[50] 't Is waar, dat uwe conquête[51] vele schoone wangen zal doen gloeien van spijt. De dames zijn mal met mij. Wat kan ik eraan doen? Mijn hart wil dat ik u uitkies. Indien gij mij de gelukkigste der mannen maakt, kunt gij verzekerd zijn van uw volstrekte vermogen over mij; uw wil zal mijn wet zijn: ik zal uwe wenschen voorkomen, en wij zullen zoo ras wij getrouwd zijn, een Brabantsch reisje doen. Enfin, ma chère, alles zal naar uw zin gedaan en gelaten worden door uwen aanbidder,
J. Brunier.
Dit briefje is weer een van die meesterstukjes onzer beide groote schrijfsters, waarin zij er op volmaakte wijze in geslaagd zijn, iemand, onbewust ervan dat hij 't doet en dus geheel natuurlijk, zijn wezen te doen blootleggen. Het dwaze fatje staat er, ten voeten uit, in. Men lette op het potsierlijke verwaandheidje en tevens domme slimmigheidje in den door mij gecursiveerden zin. Men lette op z'n stapel Fransche woordjes! Waarachtig: zoo iemand is toch nog lastig zelfs 'n honderd jaar na zijn dood! Hij heeft mij, wel geteld, de moeite van een tiental vertalende nootjes gekost. Maar neen, hij is niet dood, hij zal langer leven dan wij....
Ik zou een zekere zijde van Saartjes persoonlijkheid: haar zeer gerechtvaardigd gevoel van eigenwaarde en ook, en voornamelijk, een diep-indringend psychologisch vermogen welks zekerheidsbewustzijn zich aan haar stijl mededeelt, niet voldoende voor u belicht hebben, zoo ik hier niet ten minste een stukje van haar antwoord aan Brunier afdrukte. Als ge haar zoogenaamde "ontdekkende preeken" aan haar vriendin Anna Willis leest—want ik hoef er toch niet aan te twijfelen, dat ge het boek lezen zult, anders baat mijn geschrijf u niets—moet ge eens op dat psychologisch vermogen acht slaan. Met een zekerheid van zich-zelf onfeilbaar weten, legt zij daarin haar vriendin dier ware innerlijkheid bloot. Ik zei immers: Saartje heeft wel iets van een kunstenares. (Ongetwijfeld is dan ook ten deele in haar figuur de figuur van Betje Wolff zelf gebeeld.) Ziehier:
Vriend Jacob!
Gij durfdet mij dan nog met een half woord vragen "of gij u niet mocht vleien met eenig antwoord op uwe missive?" Want zoo noemt gij dat fraaie billet, dat gij mij deedt ter hand komen. Om uw eigen fatsoens wille, wenschte ik wel, dat gij er geen woord van gekikt hadt; dan kon ik ook dit zot stukje op de groote lijst uwer overige beuzelarijen hebben aangeteekend, en, omdat ik niet gemelijk van aard ben, het u gunstig vergeven hebben.
.....................................................................................................................................................................[52]
Ik zeg niet gaarne onaangename waarheden, en vooral niet aan zulken, die ik, 't zij dan ook om wat reden, in zekeren zin wel lijden mag. Zoolang ik u slechts voor een vrij geschikt en goed soort van jongen hield, had uwe zuster weinig werks om mij te beduiden, dat ik u als haar broeder behandelde, en in de gelegenheid stelde om ons eenige uitspanningen te bezorgen; maar nu ik merk, dat gij eenige oogmerken omtrent mij hebt, waarvan ik u nooit verdacht hield, zoo moet ik u openhartig zeggen, dat gij mij meer stof tot verwondering geeft, dan ik ooit meende door u te kunnen krijgen.
Hoe, mijnheer, heb ik u de minste aanleiding gegeven om zulke gedachten in u te doen oprijzen? Hoe weinig kent gij mij! Hoe dood vreemd zijt gij omtrent u zelven! Ik moet of boos op u worden, en dat bevalt mij niet; of ik moet u hartelijk uitlachen. Nooit zeker las men zoo een ongevallige mengeling van zotteklap en dwaze inbeelding, op zeer twijfelachtige verdiensten, dan dat geschriftje bevat. Dit van stukje tot beetje aan te toonen, is beneden mijn aandacht. Ditmaal vergeef ik u alles, op deze voorwaarde: "dat gij mij hierover nooit meer spreekt;—zelfs verbied ik u, mij voor deze gekheden excuus te vragen; en dat gij, is 't mogelijk, door dit geval poogt wijzer te worden, en wat beter uw eigen waarde te berekenen."
.........................................................................................................................................................................
Uwe zuster is mijne lieve vriendin, maar zij zoowel als ik, begrijpt, dat dit geen reden kan zijn, waarom ik zoude moeten geplaagd worden door een borstje, dat geen geest genoeg heeft, om mij met zijne missives ook slechts te diverteeren.[53] Spreek dus nergens van, en ik zal alles vergeten: want, zoo gij in dit opzicht maar wijzer wordt, zijt gij een vrij draaglijk heertje; "ai ik geef de hoop nog niet op om mij eens met meer reden te kunnen noemen, uwe genegen vriendin,
S. B.
Het is niet moeilijk iemand te zeggen: "ik ben veel meer, ik sta hooger dan gij!" Dat kan de eerste de beste. Moeilijker is—en weinigen kunnen dat—iemand verstandelijk-bewijzend op z'n plaats te zetten en hem aan te toonen dat men meer is dan hij. (Ik spreek hier nu natuurlijk alleen van zulk een handelwijze als geesteswerkzaamheid en laat haar zedelijke waarde of onwaarde geheel buiten beschouwing). Maar oneindig meer dan ook zulk een verstandelijk-bewijzend betoog, is: de argumentlooze bewering, die ons door toon en onbewuste woordenschikking de absolute zekerheid van haar waarheid geeft! Is het bewijzend betoog een voortbrengsel van het verstand, zulk eene bewering is het uitvloeisel van iets hoogers, van een zielszekerheid, om 't zóó eens te noemen. Deze zekerheid, in dit geval van psychologisch inzicht, proeven wij ook in Saartjes woorden. O, ongetwijfeld naar aanleiding van een beuzeling, maar wat doet dàt er toe! Zij laat merken, dat ze zich verreweg Bruniers meerdere voelt. En zoodra we haar hooren weten we: dat hoogvoelen is niet voorgewend, maar het is in waarheid in haar. In een woord: wij worden overtuigd door dit briefje: hier is iemand, die dien ander heelemaal doorziet en dat niet met inspanning en door berekening, maar als vluchtig hem even bekijkend en dan in uiterste geringschatting weer onmiddellijk óver hem heenziend. En niet alleen de nietigheid van den een, maar ook de groote waarde van de ander is ons plotseling duidelijker, zekerder geworden, dan door het aanbrengen van honderd argumenten zou zijn gebeurd. Ik heb over dit alles even uitgeweid, om het volgende te kunnen zeggen: Wat hier plaats vond op een vrij laag en vrij klein plan geschiedt altijd in een kunstwerk. En kunst blijkt hier weer scherp tegengesteld aan wetenschap te zijn. Slaagt de wetenschap alleen door bewijzen en redeneeringen er in, u van de waarheid harer beweringen te overtuigen, de kunst kan bewijzen en redeneeringen missen, zij overtuigt u van de waarheid harer voorstellingen reeds door ze te stellen alleen! Wie kan geloof weigeren aan de waarachtigheid van Shelley's liefde of wie vermag te twijfelen aan de levensechtheid der menschelijke monsters door Zola gebeeld?! Begrijpt ge dit, dan ziet ge ook nu wel in, dat kunst onder alle levensverschijnselen een van de meest verhevene is, want haar is de macht gegeven, het menschdom te overtuigen van de waarheid harer uitingen zonder hen te bewijzen. En zij is in dit opzicht met een van die zeldzame menschen te vergelijken, wier adeldom zoo sterk uit hun heele wezen en al hun daden en woorden spreekt, dat hen te hooren, tévens hen onwankelbaar gelooven is.
Er zou nu nog veel over vele figuren in onzen roman geschreven kunnen worden. Over Pieternelletje Degelijk, dat prachttype van een ouderwetsche meid; over juffrouw Hartog, die kostelijk-typische en innerlijk verdorven blauwkous, met 'r venijnige lastertong en 'r malle inbeelding; over Cornelis Edeling den advocaat; over den geleerden en braven Helmers; over Lotje Rien du Tout[54], dat prachtbeeld van onbenulligheid; over Stijntje Doorzicht, die verpersoonlijking van aangeboren wijsheid en deugd; over Anna Willis, de min of meer verwaande, zurige, al te bedilzieke en soms sentimenteele vriendin van Saartje. Maar ik zal over al die schitterende mensch-beeldingen niet schrijven, zelfs niet over de laatste, al heb ik dat beloofd. (Gij zoudt niet gelooven, dat mijn belofte te houden regel bij mij is, zoo ik dien regel niet ereis door eene uitzondering bevestigde!) Want hoe zou ik eindigen, en aan wat nieuws zoudt gij beginnen, wanneer ge daar straks zelf den roman ter hand neemt. Ik had ook graag nog wat over Mevr. Buigzaam en over het sentimenteele element, in dit werk, in het midden gebracht. Maar wat 't laatste betreft bepaal ik mij er nu alleen toe te zeggen, dat het mij onjuist toeschijnt een auteur, die een sentimenteel tijdperk herschept, sentimentaliteit te verwijten, omdat hij sentimenteele menschen ten tooneele brengt.
In het volgende hoofdstuk hoop ik met de behandeling der figuur van R. en der beide schurkachtige "fijnen," mijn Sara-Burgerhart-artikelen te beëindigen.—
[40] Pastoorsche = vrouw van den pastoor, zooals chirurgijnsche = vrouw van den chirurgijn. Hier is pastoor natuurlijk niet den titel van een R.K. geestelijke, wat wij er alleen onder verstaan, maar een geestelijk herder in 't algemeen. (Deze "pastoor" is Luthersch).
[41] lekker = 'n stoute jongen, 'n guit.
[42] Mijn Engel.
[43] mijn lieve.
[44] ik aanbid u.
[45] lieve ziel van mijn leven.
[46] Onze teedere liefde goedkeuren.
[47] verheven.
[48] In waarheid, mijne vriendin.
[49] mijne verdiensten.
[50] zooals 't behoort.
[51] verovering.
[52] Een regel puntjes of streepjes beteekent, dat er een stukje tekst is overgeslagen.
[53] Vermaken.
[54] De naam beteekent: "heelemaal niets".
Men heeft dan deze figuur, zooals ik u reeds in het eerste hoofdstuk zei, een tooneelsnoodaard, onecht, niet-levend, in één woord: slecht gevonnden. Over sommige, in de geesteshouding van de critici liggende, oorzaken dier opinie sprak ik u toen. Rest mij nu, te speuren naar de andere elementen, welke tot het vormen van dit m.i. onjuiste oordeel hebben medegewerkt. Ten eerste vermoed ik als zoodanig het verschil tusschen den tijd waarin de critici leefden en dien der figuur. Veel wat toen voor een man van het aanzien en de middelen van R. mogelijk en zelfs gemakkelijk was, is nu je reinste onmogelijkheid. In onzen tijd van vlugge vervoermiddelen, van een letterlijk als de bliksem snelle telegraaf- en telefoondienst is het ondenkbaar, dat zulk een man zich eraan wagen zou, een meisje als Sara Burgerhart te ontvoeren en te pogen haar geweld aan te doen; hij zou gesnapt en aangehouden zijn, voor hij zelfs de grenzen van ons kleine Holland had bereikt! Maar toen was zoo iets heel gemakkelijk, er waren geen spoortreinen, geen telefoon, geen telegraaf. De daad der gewelddadige ontvoering verliest daarom alle onwaarschijnlijkheid voor wie haar in het kader van haar tijd beschouwt. Er is echter meer, dat voor wie niet naar dien tijd ziet, de figuur misschien onwaarschijnlijk, en voor wie dit wel doet haar integendeel zeeer levenswaar maakt: R. leeft in de jaren onmiddellijk voorafgaand aan de groote Fransche revolutie, een tijdstip, waarop de meest barre sexueele ontaarding in Fransche kringen heerschte, de tijd van o.a. den beruchten markies de Sade; de invloed van de Fransche cultuur deed zich toen zeer sterk gelden in ons land; R. wordt ons bovendien nog voorgesteld als een cosmopoliet.... Wij behoeven, dit alles wetend, hem maar aan te zien, om in zijn geestestoestand een van die fijn in elkander overgaande en nog aan den aanvang der helling liggende glooiingen te ontdekken, welke dalen naar den afgrond van sexueele misdaad-waanzin van de Sade. Er is een psychologisch-fijne passage in een brief van R. aan zijn vriend G. die dit feit m.i. belicht. Ziehier:
Waarlijk, ik bemin haar; dat is al de zwarigheid; en nooit verlaat ik het wicht, of ik ben razende zot naar haar; en wat denkt gij? ik heb nog nooit haar hand gekust: 't is waarachtig, Jan.
Zij is onnoozel, dat is het, dat mij zoo ingetogen maakt: want hoevele vrouwen ik ook bedierf, ik heb nogal regard voor brave meisjes. Een lichtvaardige is mijn pop niet, al was zij zoo schoon als deze meid.—
R. heeft zeer sterk in zich het verlangen te verderven en geniet van het verderven. Dit nu is niet iets wat voornamelijk tooneelsnoodaards eigen zou zijn, maar het is niets anders dan een soort geestelijk sadisme. Het is hem niet zoozeer om het natuurlijk sexueel genot te doen, als wel om het perverse van het verleiden, van het doen vallen. Daarom "is een lichtvaardige zijn pop niet," omdat n.l. aan zoo eene reeds te veel bedorven is en niet genoeg meer naar zijn zin te bederven valt, en niet omdat lichtvaardigheid iets afstootends in zijn oogen zou hebben! Want als hij, in eenigszins los verband daarmee, zegt, dat Saartjes onnoozelheid hem ingetogen maakt en hij nog al regard voor brave meisjes heeft, dan is dat in openlijken strijd met zijn daden en woorden, en, indien hij 't meent en 't geen half-sentimenteele, half-ironische meerderheidstirade tegenover G. is, 't geen ik eerder geloof, dan heeft hij eigen gevoel niet goed ontleed: onnoozelheid maakt hem niet ingetogen, maar haar onnoozelheid doet dat, omdat hij haar liefheeft. Op deze liefde kom ik straks nog terug. Nu wil ik even een passage aanhalen, die zoowel zijn "regards voor brave meisjes," als zijn eigenaardige perversiteit van decadenten rijkaard in bet juiste licht stelt:
Trouwen? zijt gij dan razend dol? Ik zal, denk ik, tot zulk een desperaat uiterste nooit komen. Vrijheid is de prikkel der liefde: dit weet gij, is mijn spreuk. Als mijne maitres zal zij Sultane favorite zijn; maar mijn wijf! Wel foei! Ziedaar, dat was al reden genoeg, bij een homme de mon goût[55] om haar ondragelijk te vinden. Trouw gij haar over een maand of vier. Zoolang, dunkt mij, zal ik haar beminnen kunnen; en gij zult mijne genietingen nieuw leven bijzetten, door mij die dan wat moeilijk te maken.
Dit min of meer schertsend daarheen geworpen woord verbergt diepen ernst. De man mòet dupeeren, mòet verleiden, mòet anderen laten vallen van zonde in zonde; hij verlangt ook naar de angsthuiveringen van den misdadiger; hij begeert den prikkel te voelen van misschien betrapt te worden en in gevaar te komen. Oók dáárom is de makkelijke verleiding van de lichtvaardige niets voor hèm. Máár hij heeft alle deze neigingen in nog vrij geringe mate. Hij is, om 't zoo eens te noemen: een leerling in sadisme; hij bevindt zich op de helling, maar, zooals ik reeds zei, pas aan het begin. Een "tooneelsnoodaard"? 't Mocht wat! Vergeleken bij zijn werkelijk geleefd hebbende prototypen is hij een onnoozel wicht!
Wellicht echter heeft Huet hem ook daarom een tooneelsnoodaard genoemd, omdat hij geen enkele deugd in hem vermocht te ontdekken. Maar dit zou dan aan hem en niet aan de schrijfsters liggen. Want niet alleen dat ons duidelijk blijkt, dat R. Saartje werkelijk liefheeft—ik zei u immers dat ik nog even op die liefde zou terugkomen—en ieder, die een ding of een mensch of een dier liefheeft, daardoor bewijst, een kiem van deugdzaamheid in zich te hebben, want het overheerscht worden der deugd door perverse neigingen, vernietigt het feit niet dat die deugd kon ontkiemen en bestaan!—maar, zelfs die liefde buiten beschouwing gelaten, kan alleen hìj der figuur van R. alle deugd ontzeggen, die niet begrijpt dat intellectueele deugd, zooals R. dien zeer zeker bezit, nimmer kan bestaan zonder den basis van een zekere zedelijke, zij 't dan latente en verholen deugdzaamheid. R. is dus, instede van één brok boosheid te zijn—wat wij immers onder een "tooneelsnoodaard" verstaan—wel degelijk een menschelijke mengeling van deugd en ondeugd. En overheerscht de laatste in groote mate de eerste, die mate wordt, ik herhaal het, zeer ver overtroffen bij tallooze personen met wier karakter en geest de geschiedenis ons vertrouwd heeft gemaakt, en vergelijking tusschen dezen en R. kan den laatste alleen doen winnen aan levenswaarheid.
Dat de figuur niet goed in de roman-compositie verweven is, dat, met name, het vreemd is, hoe Mevrouw Buigzaam niet van het losbol-zijn van R. afweet èn Edeling haar pas komt waarschuwen, als R. Saartje ontvoerd heeft—ik zeide het u in mijn eerste artikel reeds, maar dat heeft met de levenswaarheid van de figuur op zich-zelf niets te maken, en 't is een fout, die in niet mindere mate, zooals ik reeds heb aangetoond, den ook door Huet zeer levenswaar geachten Blankaart eigen is....
En nu stappen we van R. af en gaan even nader kennismaken met de beide fijnen, Broeder Benjamin en Cornelia Slimpslamp, die m.i. de prachtigst-gebeelde figuren in deze roman zijn en niet slechts, zooals ik reeds schreef, 'n paar huichelachtige menschen, máár: personificaties van de huichelarij, alsof eerst de schrijfsters theoretisch voor zichzelf hadden vastgesteld, hoe nu eigenlijk een volmaakt, een, om 't zoo eens te zeggen: ideaal huichelaarskarakter is, en daarna, wonder boven wonder, erin geslaagd waren, overeenkomstig die theorieën twee lévende menschen te scheppen! Mej. Suzanna Hofland is in haar hart nog zoo kwaad niet en streeft er althans oprecht naar deugdzaam te zijn, 't geen natuurlijk onze Cornelia, die haar wil overhalen tot niet meer of minder dan het afleggen van een valschen eed, niet naar den zin is. Zij poogt daarom juffr. Hofland's oordeel over wat goed of kwaad is door drogredenen te verwarren, zonder dat zij in de oogen van haar slachtoffer iets van haar godzaligheid en heiligheid inboet. Zie nu hoe doortrapt-sluw ze dit duivelswerk aanvat. Met religieuse argumenten poogt zij Hofland zoo te bewerken, dat deze in de haar aangeraden schurkenstreek geen schurkenstreek meer ziet. Het doen van goede werken, leeraart de duivelin, en het voortdurend streven daarnaar, maakt de menschen maar hoovaardig op die goede daden; beter is het dus niet zoo ijverig daarnaar te streven ten einde des te makkelijker nederig in het bewustzijn van eigen slechtheid te kunnen zijn! Maar met al haar sluwheid, vermoedelijk wat al te ongeduldig hakend naar het resultaat, bruskeert zij de zaak en zegt de juffrouw te plomp, tè ronduit, dat deze een valschen eed moet doen, en—daar heb je de poppen aan het dansen. Als Broer Benjamin bij Hofland op visite is, merkt hij, dat haar eindelijk de oogen opengaan en zij op het punt staat hun schurkachtigheid te doorzien. De edele man is in doodsangst en schrijft zijn even nobele vriendin het volgend briefje:
Zusje Lief!
Ik ben tweemaal vergeefs aan uwe woning geweest. Ik ben doodsverlegen. Daar ben ik bij haar geweest en heb haar zoo dobbend, en in zulk een afgezakten staat gevonden, o Kea! Kéa! wij zullen haar verliezen: en wij hebben haar zoo noodig; zij is rijk, en geeft veel verkwikkinkjes aan ons, vromen in den lande. Wij leven grootendeels van haar; de kruike is voor ons niet verzegeld gebleven, en ons deel was een Azers[56] deel, vol vettigheid en vol zoetigheid. O mij is bange, mij is zeer bange: wij, vrome menschjes, zullen bekend worden. Die Blankaart! ik beef, als ik om hem denk; 't is een Enaks[57] kind, groot van stature; ik ben een stinkend niet bij hem.
Zij is danig ontsticht door jou brief: schrijf dan een briefje, dat je berouw hebt, en geef den Engel Satanas de schuld, je weet, die is onze wrijfpaal. Schik u wat naar heur zwak geloof. Overleg dit alles nog eens; ik heb geen tijd. Denk, dat wij haar noodig hebben.
Zusje, zusje, 't zweet breekt mij uit. Ik zal al mijn achting, ik zal mijn kostwinning verliezen; wie zal nu van mij 't geloof leeren? Wij moeten ons haasten. De kwaaie is nabij! Wij zullen voor Blankaart moeten bukken.—Overleg deze dingetjes zoo eens in uw harte. Ik heb rust noch duur. Stel mij gerust, dat je er iets op weet. Gij zijt zeer wijs, dat weet ik. Je weet, Kéa, hoe de zaakjes tusschen ons staan? dat mijne ziel aan uwe ziele kleeft; dat heb je immers bij bevinding hertje. Wij moeten haar houden, kind. Ofschoon gij mij tot een gouden vat verstrekt, zij is echter een aarden vat, dienstig tot ons gebruik. Is het zoo niet, liefstetje! Wees toch nooit meer jaloersch. Och! jij hebt geen reden daartoe: ik heb mijn deeltje aan u; dat heb ik, och ja! Ik bezegel dit briefje met een geestelijken liefdekus, en ben uw eigendom.
De boef staat hier ten voeten uit in: zijn lafheid tegenover Blankaart; zijn doortrapte huichelachtigheid, waarvan hij zich zelfs, uit overmaat van doodsbenauwde voorzichtigheid, tegenover zijn medeplichtige bedient; (slechts met den zin: "en geef den Engel Satanas de schuld" enz., valt hij uit den toon!); zijn omfemelen van de platste verhoudingen—gij begrijpt immers wat hij met de beide gecursiveerde zinsdeelen bedoelt?—met "de tale Kanaäns".... Maar dan daarop als de vuistslag van een furie het antwoord van Cornelia! Benjamin is niets dan een huichelaar, overigens geen mensch, eerder een laf kruipend gedierte dat, voortsluipend uit het gezicht van z'n vijand, zich bevuilt van angst. Maar Cornelia is niet alleen groot als huichelaarster, maar heeft ook de vermetelheid, de energie van de groote misdadigersnatuur, die voor niets terugdeinst. Ziehier, het is of ze den laffen ellendeling bij den nek neemt en hem door elkaar rammelt, hem méésleùrt, om de misdaad te doen, waarvoor hij geen moed heeft.
Mejuffrouw Cornelia Slimpslamp aan den broeder Benjamin.
Wie heeft ooit grooter gek gezien, dan Benjamin? Hoe is het? Fop je mij wat, of hoe weerga zit het? Voor mij veinzen, voor mij de fijne Filebout uithangen? Laat naar je zien, zotte jongen. Wij moeten haar bedriegen; dat is 't al. En daarom moeten wij de handen ineen slaan. Zouden wij zoo een zot dier ooit gezocht hebben, was 't niet om den smul? en gij houdt u van de mallen? Ja, Blankaart kent ons zeer wel. Hoor, Ben, de fretterij[58] is uit: wij moeten haar nu nog plukken, en dan—de heele wereld is voor ons open. Zij moet het gelag betalen: de jonge juffrouw B.(urgerhart) moet er niet bij lijden. Blankaart is een duivel van een vent, hij liet u publiek geeselen, en ik moest in 't spinhuis, zoo wij aan haar goed ons vergrepen; ik weet wel, dat er los geld is; en dat zij interest moet ontvangen; alles mondeling. Toon nu, dat gij mij liefhebt; ik zal 't briefje schrijven en morgen er gaan. Kom ook. 't Geweten? O dat is een bullebak voor u en mij,
Die gij kent.
Maar dàn verandert zij weer, die helsche kameleon, de oogen vonkelen niet meer van giftig vernuft, het rood van de energie-drift verbloeit tot een rose van religieuse vredigheid na strijd en overwinning van zonde. De oogleden dalen vroomingetogen neer, het gelaat glimlacht open als in 'n zielsbewustzijn van geringheid en omveiligend godsbetrouwen. Dàn schrijft zij aan Hofland dit briefje, dit meesterstuk van huichelarij:
Lieve vriendinne!
Daar heb ik, als ik het nareken, zoo een twee dagen en drie uren in de macht des satans geweest; hij gaf mij die goddeloosheid in. Hij heeft mij verleid. Och, zusje, zusje ik ben gevallen: ik ben wanhopig, ik ben ellendig. Die duizendkunstenaar was het, die mij dien gruwelijken brief deed schrijven. Zoo heb ik te veel op eigen krachtjes vertrouwd! Och ja! mocht ik er maar door geraakt zijn, en nooit weer op mij zelf vertrouwen. O! het ging mij, zooals de Eerwaarde van de Kwast placht te zeggen: de conscientie is de klapperman uit de hartestraat, die de menschjes waarschuwt voor den brand van de hel. Gelukkig, dat mijn oude mensch niet te diep was ingeslapen; och! dat was recht dierbaar.
Verbrandt toch alles om der vromen wille. Gij kent de diepten des Satans. Mag ik morgen bij je komen, en dan blijven op 't geen je maar hebt? Schrijft mij dit, of ik verval tot wanhoop.
Uwe zwakke zuster, Cornelia Slimpslamp.
O als dit geen groote kunst is, wat is het dan. Hier is de eenheid gevonden tusschen het groot-tragische en het groot-komische. Zij versmelten in elkaar. De lach schreit en het schreien is lachen. Als twee reuzige beelden staan beide misdaad-figuren daar eeuwig voor den hemel. En de nacht van een oud geslacht en de ochtend van een nieuw zien hen onveranderd en onverweerd in hun geweldigheid. O, als die hemel niet achter hen ware met z'n oneindige diepte en wondere wisselingen van wolken en licht, als een symbool van onvatbare en onbegrensde mogelijkheden, men zou hen niet alleen het tot nu niet overtroffene, maar ook het nimmermeer te overtreffene achten. Wanneer ge nu dìt boek niet lezen zult, wàt zal u dan tot lezen brengen? Wanneer ge nu hièrvan niet genieten wilt, hoe zal kunst u dan van haar geluk ooit geven? Maar neen.... Ik vertrouw, ik wéét, dat gij het lezen zult!