Men heeft in bedenking gegeven, of de twee allerslegtse karakters niet te sterk, te overdreven geschildert zijn; men heeft gevraagt: zijn[6] er zulke menschen; ja, en dat gaat verder, kunnen[6b] er zulke menschen zijn! Wij vonden het niet noodzaaklijk, de eerste vraag duidelijk te beantwoorden, dewijl wij zeker gerechtvaardigt zijn, zoo rasch men begrijpt, dat zij er zijn kunnen[6c]; méér hebben wij in dit opzicht niet te bewijzen....

Wij bekennen ook gaarn, dat alles zeer natuurlijk[6d] afloopt, maar begrijpen met een, dat dit, ten minsten de door ons hoogst-geschatte Lezers, niet kan mishagen. 't Waar ons zeker geen moeite geweest een Roman te verzinnen, zo samengestelt, zo ingewikkelt, zo vol episoden, als de door een verwartste Comedie van eenen Spaanschen Lopes de Vega. Doch wie, in staat om over het stuk in verschil te oordelen zal ontkennen, dat een karakter, eens gegeven zijnde, moet uitgewerkt worden naar vaste en onveranderlijke regels[7a]. Men wil, en dat met reden, dat men het ware waarschijnlijk[7b] make, of men leest zeker niet met zeer veel deelname....

Daar wordt in dit gehele werk geen Duël gevochten. Eens echter wordt er een oorvijg uitgedeelt. Er wordt noch geschaakt, noch vergif gedronken. Ons vernuft heeft niets wonderbaarlijks uitgedagt. Alles blijft in het natuurlijke; de uitvoering zal alles moeten goed maken[7c].

Het zijn geen andere waarheden, zooals de trouwe lezer mijner artikelen wel bemerken zal, dan die ook door de moderne literatoren verkondigd worden. En ofschoon het begrijpen van het ware in alle tijden geschieden kan en we dus dwaas en kinderachtig zouden doen met ons erover te verwonderen, dat "reeds" Wolff en Deken dit alles zoo duidelijk voor den geest stond—hunne beteekenis en de eerbied, die wij hebben voor hunne persoonlijkheid en wijsheid, winnen er ontzaglijk door.—

Ook het genre: de roman-in-brieven is een geheel ander, dan wij tot nu toe in deze kolommen hebben behandeld en dus wel een oogenblik bekijkens en besprekens waard. En als we dat zoo doen, dan blijkt ons toch wel, dat het gevleugeld woord: "alle genres, behalve het vervelende zijn goed" meer geestig dan waar is. Hoe uitmuntende en bewondering afdwingende resultaten onze schrijfsters, en waarlijk niet zij alleen, er ook mee bereikt hebben, er is en er blijft een zekere onnatuur aan verbonden èn het levert moeilijkheden op—althans in een werk van langen adem, waar allerlei soorten van situaties kunnen voorkomen—die het grootste epische en dramatische talent niet dan door kunstgreepjes overwinnen kan. Ten eerste schijnen alle in zulk 'n roman optredende personages min of meer aan schrijfwoede te lijden, en dit maakt al 'n vrij onnatuurlijken indruk, zij 't dan ook dat de roman, als in dit geval, "speelt" en dus de correspondentie plaats vindt in 'n tijd, dat brieven-schrijven als 'n prettige en "fashionable" bezigheid werd beschouwd en de welopgevoede heeren en dames er een eer in stelden, het goed te doen. Toch, dit feit kan als niet meer dan een "verzachtende omstandigheid" worden aangemerkt, en zelfs die verzachtende omstandigheid valt weg in een geval als dat van Hendrik Edeling, die, wanneer Saartje, die hij zoo zielslief heeft, door den verleider R. is meegetroond, en hij verteerd wordt van wanhoop, jalousie en ontzetting, een brief gaat zitten schrijven aan zijn broer over het geval! Waarlijk, men moet zonderling in elkaar zitten, om in zulke oogenblikken, zóó vol van afgrijzen en wanhoop, het vreeselijke te gaan zitten uitpluizen in een brief, terwijl het schrijven daarvan toch geenerlei gunstige wending in de zaak zal kunnen brengen en dus niet uit een energisch willen ingrijpen kan worden verklaard.

Onnatuur is 't ook, dat al die lieden, op 'n enkele uitzondering na, zulk een welversneden pen hebben. Ja zeker, wij merken, al lezend, op, dat hoe minder ontwikkeld zij zijn, hoe meer zij schrijven precies zooals zij spreken. Maar juist dit is onnatuur, want de ervaring leert, dat hoe onontwikkelder een mensch, hoe eerder hij geneigd is, wanneer hij schrijft, zich in "boekentaal" en "hoogdravend" uit te drukken! Te schrijven, zooals men spreekt, is inderdaad voor iemand, die geen bijzonderen aanleg heeft, zéér moeilijk. En dit moet men in het oog houden: het is onnatuur, die onafscheidelijk aan het genre is verbonden: de romancier, die in dat genre werkt, kan er niet buiten. Want liet hij de menschen niet schrijven zooals ze spreken, dan zouden we zelden of nooit de gebeelde figuur als echt kunnen voelen en dóórvoelen, tenzij zij in een brief aan een andere figuur sprekend wordt opgevoerd, 't geen natuurlijk niet altijd kan en wanneer het kan, ons meestal, weer op 'n andere wijs, op 't onnatuurlijke van het genre opmerkzaam maakt. Want, om een ander, waarlijk levend, in 'n brief te beelden, om diens dialoog waarlijk levend te doen zijn, moet noodzakelijkerwijs de briefschrijver kunstenaar zijn! Is de briefschrijver ons echter niet als zoodanig voorgesteld en bereikt hij dat alles toch in zijn brief, dan vinden we zijn figuur onecht, dan is deze niet meer dan een marionet, die door den romanschrijver in beweging wordt gezet. Bereikt de briefschrijver dat alles echter niet, dan vinden wij zijn figuur wèl echt, maar welke schade lijden we niet doordat we den levenden dialoog van de in zijn brieven ten tooneele gevoerde personen en dier levensechte, plastisch-goede uitbeelding moeten missen!—En ook z'n onafscheidelijke en onvermijdbare moeilijkheden heeft het genre: wanneer er een of ander gewichtig voorval plaats vindt, waarbij het door de compositie van den roman noodzakelijk wordt alle met elkaar in correspondentie zijnde hoofdpersonen aanwezig te doen zijn, dan blijft er niemand over, aan wien een brief geschreven kan worden, die over dat voorval handelt! En die brief moet toch geschreven, anders komt de lezer van den roman het voorval niet aan de weet! Zulk een moeilijkheid moet dus overwonnen worden en zij wordt het dan ook, maar—door een kunstgreep. Als Hendrik Edeling ten slotte met zijn aangebeden Saartje trouwt, dan laten onze schrijfsters de aanstaande schoonmoeder van Cornelis Edeling ziek worden, opdat haar dochter niet op de bruiloft zal kunnen zijn en dus die 'r aanstaande de gelegenheid zal hebben, haar een brief te schrijven, waarin hij over de bruiloft verslag uitbrengt!

Maar nu basta! We hebben genoeg getheoretiseerd. Mijn aangebrande soep, mijn belegen grutterswaar, mijn blauwige aardappels zijn op; nu komen de sappige vruchten van het werk zelf!—


In den nu hier volgenden brief door Sara Burgerhart geschreven aan Aletta Brunier, een schoolvriendin, die zij weer eens toevallig ontmoet heeft en op wier raad zij weldra bij de Wed. Buigzaam in huis zal gaan, vertelt zij iets van haar leven bij haar lief tantetje Hofland. Het is een buitengewoon geestig en guitig stukje. En ge leert er niet alleen de drie fijnen en het schattige Brechtje—je weet wel die dronken tobbe—in kennen, maar ook de schrijfster-zelve: onze Saartje. En als ge nu na het lezen den indruk krijgt: ja maar die Saartje moet dan toch iets van een kunstenaar in zich hebben, om zóó te kunnen schrijven, dan zult ge in dit geval niet bedrogen uitkomen. Saartje's figuur is allervoortreffelijkst gecomponeerd en alles wat zij doet, schrijft of zegt, vloeit volmaakt-zuiver uit haar eens gegeven persoonlijkheid voort. Men kan zonder bezwaar haar als een zeer begaafde beschouwen.

Ziehier den brief:

Douce et tendre Amie![8]

Je suis enragé[9] op het oud wijf,—op mijne tante; ik wil geen week langer blijven; 't is of ik in de hel woon. Mijn tante heeft zeer veel van zijn Satansche Majesteits karakter; en Brecht verdient wel een schoonen dienst in zijn onderaardsch rijk.... Ja! bons wat aan; ik zal niet antwoorden, ik zal ook niet open doen. Sus! daar hompelt zij, al grommende, den trap weer af. Goeie reis naar beneden! Ik moet, ma chère,[10] u eens een scène teekenen, die u niet zal uit de hand vallen.

Woensdagvoormiddag raasde zij als een bezetene, omdat ik eenige nieuwe aria's speelde (Dat's een wijf ook?). Zij werd geholpen door haar hottentot van een meid, die mij dorst zeggen, dat zij ook danig ontsticht was.

Dit trekje is goud waard! Men ziet het gemeene vrouwmensch, die, zoolang haar meesteres rijk is, haar naar den mond praat en haar later, als ze arm is geworden, brutaliseert en in den steek laat, hier met schijnheilig gezicht meepraten van dat ze "ontsticht" is. Zij, die natuurlijk te dom, te ongevoelig en te beestachtig is, om hetzij gesticht of ontsticht door muziek of door wat ook, te kunnen worden. 't Is van een buitengemeen komische kracht!—Heb jelui ook wel opgelet wat een uitstekend beeldend woord dat "hompelen" is?

Mét wordt er gebeld. Brecht, die volmaakt een zog van een bollebuisjeswijf[11] gelijkt, waggelde naar voor, en tante gaf mij een verbruide[12] oorveeg, omdat ik bleef spelen. "Juffrouw, daar is Sinjeur Benjamin." "Wel hede, laat broeder maar achter komen." Daar kwam broeder, een luie zuipzak van een kerel, in een paarschen japon;[13] (men zou wel zeggen, wie of zoo een verloopen slagersknecht, toch een japon heeft leeren dragen.) "Welkom, broertje, wel hoe is het nu nog al met je?"

—"'t Gaat nog al; maar men hoofd, men hoofd!"

—"Wel dat is droevig, maar je vergt je ook wat veel."—"Ja, 't is mijn ambtsbezigheid; en hoe vaart zuster? Je schijnt wel wat onthutst."—"Ja, dat ben ik ook, 't is niet altijd het effen wegje, broertje." (Tegen Brecht): "Ei meid, is er niet wat? dan zou broeder hier maar familiaar blijven." (Tegen mij): "Toe lieve Saartje" (was dat uit te staan, lieve Saartje, en mijn wang gloeide nog van den slag) "bak jij nou eris schielijkjes wat dunne pannekoekjes, broeder lust ze zoo graag."

Dit stuk dialoog is alleruitmuntendst! Het is zóó voortreffelijk, dat men de woorden lezend, ook onmiddellijk de gebaren der sprekers, hun lichaamshouding, hun gelaatsuitdrukking erbij ziet en men dus de hier ontbrekende plastische uitbeelding van dit alles door de auteurs, heelemaal niet mist. Voelt ge het quasi-zachtmoedige, wee-zoetsappige van al die verkleinwoordjes: "broertje," "wegje," "schielijkjes." Je ziet daardoor de "peulemondjes," de zalvend-vromig half neergeslagen oogleden, het dierbaar-goedige glimlachje!

Ik sloot mijn clavier en zei: 't is wel, tante. Ik ging naar de keuken en bakte helder[14] door; maar-ik-at-die-al-bakkende-zelve-op.

Die in den bouw van dit zinsdeel wel wat vreemd uitziende verbindingsstreepjes, hebben, naar ik vermoed, ten doel nadrukkelijk aan te geven, dat de beide handelingen van bakken en opeten, zoo haastig, en als 't ware ongescheiden, verricht werden, dat ze tot één handeling werden. Deze streepjes beoogen en bewerken dus een zuiver artistiek effect: 't duidelijker aan den lezer voor oogen stellen van wat er gebeurt, 't geen hier inderdaad het guitige en lachwekkende zeer verhoogt. En in zooverre is deze plaats dus als een voorloopster te beschouwen van het gebruik van verbindingsstreepjes in de moderne literatuur, waar het ook vaak dient ter versterking of fijne nuanceering van gevoelsverwoording, plastische uitbeelding, enz.—

Dat is de eerste trek, dien ik haar speelde, hoe zelden ik mijn genoegen krijg.

Ik moet hier alles doen, want Brecht is een lomp schepsel en snuift sterk. Toen ging ik, terwijl Brecht in huis klungelde, de tafel dekken. Brecht eet met ons, want het is zuster[15] Brechtje, moet je weten, Letje. Tartuffe[16] zou een goed woord spreken, maar de vent bad (zoo noemen zij dat gehuilebalk) wel een kwartier lang. Hetgeen hij jankte, geleek veel meer naar het morrend gegnor van ondankbaar vee, dan naar de zuchten van een bewogen hart, 'tgeen zijnen God looft.

Ik kreeg, à l'ordinaire[17] eten op mijn bord. Twee schepjes groente met een flenter vleesch van daags te voren. Ik spelde mijn servet voor: "als ik gelijk een kind eten krijg, moet ik ook zien, dat ik mij niet bemors." "Och, of gij een kind waart!" zei de smulpaap, die onderwijl met zijn duim en vinger de boter van de robe de chambre eener cotelette aflikte. "Dat zou heuchelijk zijn!" zei tante. "Ja wel heuchelijk!" zei zuster Bregitta.[18] Toen kreeg ik nog wat bijeengeschraapte spinasi en een stuk cotelet. Zuster Santje[19] en broeder namen onderwijl eens in. Ik krijg nooit wijn; tante zegt, dat het niet goed is voor mij, en dat kan wel zijn, want ik ben jong en gezond. "Kom, Saartje, neem nou maar af; Brechtje is wat vermoeid; de sloof wordt oud." Ik deed zoo; zette het dessertje op. "Waar bennen de flensjes, Saartje?"—"Die bennen in mijn maag, tante." Snap, mijn servet neergegooid (bij ongeluk tegen broeders palmhouten[20] pruik) en het onweer op mijn kamer ontweken. Gij weet ik ben tamelijk vlug, dat mij toen te pas kwam. Knap de deur op slot. 's Avonds kwam de hottentot met een stuk brood en een glas zuur bier, er bij voegende: "dat ik het nooit kon verantwoorden, zooals ik een vroom mensch evel plaagde." —"Scheer je van mijn kamer," zei ik, en duwde haar de deur uit. Het brood (het was goed op de flensjes) at ik op. Het bier gooide ik weg, en dronk eens uit mijne caraffe: ging vroeg naar bed en sliep als een roos. Daar aanstonds kreeg ik een boterham, met een kom tee, dat wel omspoelsel lijkt. Tante gaat uit, en wil mij voor hare oogen niet zien. Zoo zitten nu de zaken. Mogelijk geef ik u dezen wel in eigen handen, mogelijk niet: 'k weet niet, hoe 't zal uitkomen. Vast kom ik; de brief van de goede weduwe heeft mij in mijn voornemen gesterkt. Ik zou al bij u geweest zijn[21], maar ik wacht op een brief; die brief komt niet[22]. Ik zal, voor ik dit huis verlaat, aan haar, die ik bedoel, nog eens schrijven ... doch dat kan ik bij u even goed doen.

Ja, lieve meid, gij hebt wel kostelijk gelijk! Men moet maar wèl doen en vroolijk leven. He wat? op die fijnen is toch geen staat te maken; echter zijn er (of jij 't niet geloofde) zulke vrome zielen onder, die, waren de hoofden dezer brave menschen zoo goed georganiseerd als hunne harten, wel zuiver en godsdienstig zijn ... enfin, kort gezeid, Letje, Salomon, de wijze koning, is mijn man: men moet het goede genieten van zijn leven ende van zijn arbeid;—maar daarmede is dat maar uit, en afgedaan....

Heeft men in het eerste deel van dezen brief Saartje leeren kennen als een guit en 'n katje, dat niet zonder handschoenen is aan te pakken, dit laatste deel toont haar ons niet alleen als het gezond-levenslustige, maar ook het brave en gewetensvolle kind, dat de menschen, van wie zij niet houdt, toch niet ongunstiger wil voorstellen dan zij hen werkelijk gelooft te zijn. Voor dezen keer nu nog even 'n stukje uit den brief van Saartje aan haar voogd, Abraham Blankaart, waarin zij hem-heel openhartig meldt, dat zij ontvlucht is:

Gistermiddag ging tante uit eten. Ik kleedde mij aan, stak wat linnen bij mij, ook mijne juweelen, die ik van u gekregen heb vóór gij naar Frankrijk ging, doch die ik nooit heb aan gehad, met een weinig gelds (want zij geeft mij niets,—geen duit). Brecht had de stoutheid mij te vragen: "waar ga jij heen?"—"Dat raakt jou niet."—"Dan zal je ook thuis blijven."—"Heb jij 't hart en belet mij dat eens." Ik kan wel boos worden, maar niet kijven; en ziende dat Brecht haar talent te werk stelde, bedacht ik mij: "Brecht," zei ik, "heeft tante je die orders gegeven, dan moet ik haar de reden vragen als zij thuis komt; wat zullen wij eten!"—"Kliekjes," zei zij.—"Goed ik heb honger, maar wij zullen tantes gezondheid eens drinken; toe meid, haal eens een flesch wijn, jij hebt zeker den sleutel."—Ik doe niet, juffrouw Saartje (nu 'k van putten[23] sprak, kreeg ik aanstonds dezen titel!") "Jij jokt, Brecht; als tante er van spreekt, zal ik haar den wijn betalen."—"Je tante heeft altoos den sleutel; maar als de juffrouw mij niet beklappen zou, ik kan er toch wel bij."—"Ik je beklappen! wel, dan moest ik wel gek zijn; krijg maar, toe, schielijk." Zij ging. Ik had al lang gemerkt, dat zuster Brechtje aan de fep was;[24] ik tastte haar dus van de zwakke zijde aan. Doch pasjes was zij in den kelder, of ik, flink de deur in slot, en de grendels erop. Toen ging ik het huis uit, en haalde de huisdeur achter mij toe. Hoe het verder met de zuster gegaan is, weet ik niet....

Allerbest en toch zoo eenvoudig verteld, hé; in dien laatsten zet van: "met de zuster", nog even een echtSaraBurgerhartsche guitige spotternij! Voor dezen keer stop ik en al geloof ik wel, dat na wat ik jelui nu van het werk heb laten zien, je al heel verlangend zult zijn het te lezen, ik ben mij bewust, je toch nog maar een tè klein deeltje van zijn groote schoonheid in karakter-uitbeelding, taalrijkdom, wijsheid en naïeve bekoorlijkheid te hebben getoond, dan dat ik mij daarop met volslagen zekerheid—ik ken immers mijn Pappenheimers—zou mogen verlaten. In het volgende hoofdstuk dus zullen wij enkele der figuren; met wie jelui nu reeds kennis hebt gemaakt, wat nader bekijken en eenige nieuwe aan jelui voorstellen, daarna.... Maar waarom zou ik zoo dwaas zijn om alles bij voorbaat uit de school te klappen!

NOTEN:

[1] Men oordeele. Een der argumenten is dit: "In Sara Burgerhart wordt gezegd aan het slot van den 69sten brief: ""De uitgeefster heeft noodig gevonden dezen brief van Charlotte Rien du Tout, als ook dien van Pieternelletje Degelijk, van de taal- en schrijffouten eenigszins te zuiveren, opdat men die zoude kunnen lezen."" Deze noot kan niet afkomstig zijn van juffrouw Deken, zelve op de regels van taal en spelling zeer onvast. Alleen de beter onderleide juffrouw Wolff kon zoo spreken".... Ei zoo, was juffrouw Wolff beter onderleid?... Ziehier wat Prof. Knappert daaromtrent in een noot bij zijn inleiding citeert: ""Ofschoon noch Loosjes, noch vader (Noordkerk) noch Houttuin in staat zijn geweest mij te doen begrijpen wat taalregelen zijn en ik altoos iemand noodig heb, die hen in haar, d in t, t in d of dt verandert"" Betje in een brief van 9 Juni 1772."

Een andere "grond" is, dat in de voor- en naredenen van Sara Burgerhart en Wlllem Leevend voortdurend gesproken wordt van: Ik, mij, mijn, alsook van uitgeefster, inplaats van uitgeefsters. Maar ik moet zeggen, dat ik zelden een bewering heb gezien, van een meer averechts psychologisch inzicht blijk gevend dan deze! Want juist het feit, dat de schrijfster dier voor- en naredenen zich verschreef, toont aan, dat er niets te verbergen was. Anders zou zij waarlijk wel op haar qui-vive zijn geweest. Deze "grond" is mij dus juist een bewijs van het tegendeel van 't geen Huet beweert. Het is immers zeer natuurlijk, dat iemand, die niets te verbergen heeft, en ook namens een ander schrijft, zich nu en dan vergist en alleen van "Ik" spreekt. Juist omdat het in zijn gedachtengang van zelf spreekt—en hij er geen oogenblik aan twijfelt, dat dit ook bij zijn lezers het geval zal zijn—dat hij 't ook namens dien ander doet!

[2] "Adellijke losbol," "gewetenlooze meisjesverleider," "slachtoffer," dit alles klinkt melodramatisch. En ik laat het met voorbedachten rade zoo klinken, om mij even door u, o moderne jongelingschap, te laten uitlachen. Gij zijt er overigens in voortreffelijk gezelschap mede. Want Huet vindt, precies, geloof ik, om dezelfde reden, waarom jelui mij nu uitlacht, de beelding van deze figuur niet veel zaaks! Hij zegt: "De hooggeboren ligtmis R., die het op Saartje's bederf toelegt, is niet minder zwak van teekening dan van compositie en heeft al de allures van een tooneelsnoodaard en professioneel belager der vrouwelijke onschuld." Ik ben het daarmee echter volstrekt niet eens, ik vind de figuur zelf goed gebeeld en goed gecomponeerd, al is haar plaatsing in de compositie van den roman verre van onberispelijk. De zaak is echter, dat het in sommige tijden de mode is, op de dagdagelijksche en algemeene werkelijkheid neer te zien en alleen de uitzonderlijke gevallen en figuren aandacht waardig te keuren; in andere tijden echter, o moderne jongelingschap, acht men alleen het literatuurbeeld der algemeene werkelijkheid "echt" en alles wat naar den goeden of slechten kant uitsteekt "tooneel-matig" en "zwak," Geen van beide zienswijzen is de juiste. De juiste is: elke figuur aan de logiek van haar eigen zich blootleggenden aard te toetsen. Te vragen: is zij goed gesteld èn goed volgehouden? Maar vele critici en, vooral jeugdige, lezers worden verhinderd dit te doen en, doen zij het wel, de consequentie te aanvaarden, door een zeker verlangen, zich vooral koel-verstandelijk te toonen en niet licht-geloovig, zooals "de groote hoop." Nu, ik denk mijn meening omtrent de figuur van R. te "bewijzen," zoodra zij aan de beurt is. Maar lees in dien tusschentijd nog eens over wat ik schreef over goede en slechte romantiek. Blz. 224.

[3] De serie artikelen over Realisme en Naturalisme in Het Jonge Leven is hier bedoeld.

[4] Een overdrijving van de werkelijkheid.

[5] Den lezer, die belang stelt in een uitvoerige motiveering dezer stelling, verwijs ik naar mijn opstel in "De Ploeg" van Augustus en September 1911, herdrukt in mijn Schetsen en Critische opstellen: "Over literaire critiek en Is. Querido's "Studiën."

[6] De cursiveering is van de schrijfsters.

[7] De cursiveering is van mij.

[8] Zachte en teedere vriendin!

[9] Ik ben woedend.

[10] mijn lieve.

[11] Zog staat voor zeug, een dik, schommelend vrouwspersoon. Bollebuisje is de naam voor een soort gebak, poffertje of appelbeignet (Knappert)

[12] harde oorveeg.

[13] soort van jas.

[14] flink.

[15] Zij wordt niet als dienstmeid beschouwd maar als "zuster in den Heere."

[16] De hoofdpersoon in het vermaarde tooneelstuk van dien naam van den grooten Molière. De personificatie van de schurkachtigheid, valsche vroomheid en huichelarij, waarom Saartje dan ook Broeder Benjamin met dien naam aanduidt!

[17] zooals gewoonlijk.

[18] De ouwe zuiplap van een Brecht moet ook weer zalverig een duit in 't zakje gooien. Saartje verhoogt in niet geringe mate het komisch effect van het meegedeelde, door haar "Zuster Bregitta" te noemen.

[19] Tante Hofland.

[20] De Heer Knappert zegt hier: "Aldus naar de kleur der pruik." Zeer zeker, maar ik geloof, dat het in de allereerste plaats bedoelt, de stijfheid, het als uit-hout-gesnedene van zoo'n pruik duidelijk voor oogen te stellen. Ik herinner mij voor eenige jaren iemand ontmoet te hebben met een roodbruine pruik en, ofschoon onzen roman toen niet kennende, viel mij toen onmiddellijk de uitdrukking uit den mond: "'n pruik van mahoniehout" En toevallig: 't was ook zoo'n soortement van zielsverzorger, en dat houterige van de pruik paste geheel bij zijne niet-uit-de-plooi-komende persoonlijkheid!

[21] Lelie Brunier is ook commensaal bij de Wed. Buigzaam.

[22] Een brief van Anna Willis, over wie ik reeds in mijn inleiding sprak. Wij zullen hier ook met haar kennis maken.

[23] Zuipen, sterken drank drinken. "Het is een ouwe putter" = een ouwe drinkebroer (van Dale).

[24] Aan den drank (Knappert).


HISTORIE VAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART,
DOOR E. WOLFF-BEKKER EN A. DEKEN

II

Van de bedaagde personen, die in onzen roman voorkomen, vind ik het uitstekendst getypeerd Jan Edeling, den grimmige maar goedhartigen vader van Hendrik Edeling, met wien Saartje trouwt. Jan is het type van den patriarchalen huistyran. Zijn zoon zou 't in den kop krijgen een huwelijk te doen naar eigen zin?! Het meisje trouwen op wie hij verliefd is? Geen denken aan! Aan den vader hoort de beslissing. Wat weerga, ze zijn niet van een geloof. Hij, Jan Edeling, de afstammeling van den vriend van Martin Luther, hij, die nog den inktkoker in z'n bezit heeft, dien Luther "bij zekere gelegenheid den duivel naar den kop smeet, toen die 't al te grof maakte," zou een "arke Noachs" van zijn huis maken. Het mocht wat! Neen, daar komt niks van in! Toch wordt de man getemd door—Abraham Blankaart. Deze is door de schrijfsters met alle mogelijke deugden toegerust: een klaar verstand, een gevoelig hart, en een soort van weldadigheid, die, snoevend en blufferig als ze mag zijn, niettemin weldadigheid, ik zal niet zeggen: in den besten zin des woords, maar dan toch in heel goeden zin is. De verliefdheid der schrijfsters op deze figuur heeft hen, als ware 't op het beslissende oogenblik, verhinderd haar van even groote uitbeeldingsvoortreffelijkheid als die van den ouden Jan Edeling te doen zijn. En dit niet zoozeer, als figuur op zichzelf beschouwd, maar als deel van het organisch geheel van den roman. Dit laatste ziet er eenigszins raar en moeilijk uit. En ik weet op het oogenblik geen beter middel, 't heel gewoon en klaar voor u te maken, dan u mijn eigen gedachtengang daaromtrent bloot te leggen. Wij moeten, om te beginnen, wel onderscheiden, wàt eigenlijk in de Blankaart-figuur onzen wrevel opwekt en waarom wij na de keuring harer groote waarde een vleugje onvoldaanheid in ons merken. Is het niet in de allereerste plaats, vroeg ik mijzelf af, 's mans voortdurend uitweiden over eigen voortreffelijkheid, gulheid en verstandelijk inzicht, gemengd met quasi-bescheidenheidsvertoon? Maar neen, dat kan ons kunstgenot toch niet bederven. Integendeel: hoe meer ons al die hebbelijkheden naast zijn groote deugden duidelijk worden, hoe inniger we toch van die voortreffelijke uitbeelding, die ons dat alles zoo hel-duidelijk voor oogen stelt, zouden moeten genieten, want juist immers het wegdoezelen der ondeugden in een roman-figuur en het partijdig uitsluitend-uitbeelden harer goede eigenschappen doet haar levenswaarheid te loor gaan. Het moet dus iets anders zijn. En ziehier: ik geloof, dat ik er ben. Wij merken duidelijk, dat de schrijfsters geen oog hebben voor 's mans quasi-bescheidenheid en snoeverij. Of anders gezegd: wij merken, dat zij voortdurend een eenigszins anderen Blankaart innerlijk zien, dan dien zij uitgebeeld hebben. En daaruit volgt, dat het hun niet geheel gelukt is, de in hen levende voorstelling der figuur zoo te verwoorden, dat zij, precies zooals zij is, ook in den lezersgeest te leven komt. Zoodra we dit merken, krijgen we 't gevoel, dat er iets niet-geslaagds is. En dàt is het alsemdeeltje in het zoet van ons kunstgenot! Maar nu: hoe merken wij, dat zij een andere voorstelling van de Blankaart-figuur hadden, dan die ze ons gegeven hebben? Wij zien dat aan het feit, dat al de andere, in den roman optredende menschen, ook die, welke klaarblijkelijk der schrijfsters achting hebben, die door hen voor verstandig, deugdzaam en gevoelvol worden gehouden, niets van Blankaart's valsche bescheidenheid, z'n parvenuachtig gepoch, z'n eeuwigdurend rammelen-met-de-centen merken. Want hadden de schrijfsters deze hebbelijkheid niet over het hoofd gezien, hadden zij den in hun geest aanwezigen Blankaart niet daarzonder gezien, zij zouden toch wel de een of andere hunner daarvoor geschikte romanfiguren, eene afkeuring daarvan, eene opmerking, ja zij 't slechts eene onschuldige scherts erover in den mond gelegd hebben. Het is waar, dat soms in het boek gesproken wordt van 's mans "wonderlijkheden." Maar hiermede schijnen meer zijn ondeftige en origineele uitvallen, dan wel die bepaald stuitende eigenschappen zijner overigens in-goeiïge persoonlijkheid te worden bedoeld. En het is dan ook op die al te hooge plaats, die Blankaart in de waardeering zijner mede-romanmenschen inneemt, dat ik doelde, toen ik zooeven zei, dat hij niet zoozeer als figuur op zichzelf beschouwd, maar als deel van het organisch geheel van den roman niet volkomen gaaf gebeeld is. Want als men Blankaart afzonderlijk bekijkt, als men hem neemt, zooals hij nu eenmaal ten voeten uit in eigen brieven staat en men dus niet ziet naar den Blankaart, zooals die in de verbeelding der overige verstandige en menschkundige romanmenschen leeft en door de schrijfsters geconcipieerd werd; indien men dus niet het hinderlijk verschil tusschen conceptie en uitvoering gewaar wordt, dàn is de figuur uitstekend geslaagd, uitstekend volgehouden. Men ziet dan: een goedhartigen kerel, maar ook een snoever en een ijdeltuit, die weldoet, zeer zeker deels om 't weldoen zelf, maar ook in zeer groote mate, om den dank ervoor te oogsten, zich te koesteren in de bewondering en de genegenheid der menschen en, in één woord, overal op de handen gedragen te worden. In stilte wel te doen is hem vrijwel onmogelijk. Hij mòet ermee te koop loopen. Is de door hem beweldadigde persoon in zijn oogen te gering en ligt hem aan háár dank en háár erkenning, dat hij zoo'n buitengewoon goed man is, niet veel gelegen, dan moet hij gauw de weldaad overbrieven—hier in letterlijken zin—aan een ander, terwijl hij dan sluwtjes-bijdehand een voorwendsel in zijn verhaal laat sluipen, dat de ware reden, waarom hij 't eruit flapt, verbergen moet. Een min of meer kluchtig, hem prachtig karakteriseerend voorbeeld daarvan is het volgende: Als de "fijnen" met tante Hofland's geld er van door zijn—waarover later meer—en zij haar nood heeft geklaagd aan de door haar zoo slecht behandelde nicht Saartje, verzoekt deze haar voogd Blankaart, tante eens te gaan bezoeken, om te zien of hij 'r helpen kan. Blankaart doet dit natuurlijk, is verrukt over de vergevingsgezindheid zijner pupil en schrijft aan de Wed. Willis o.m. het volgende over tante Hofland:

't Is een malle kwezel, en zoo gierig als het graf; maar zij kan zich nog bekeeren, en ik zal haar ook al maar helpen; zij zal in haar ouden dag geen gebrek hebben, noch in fatsoen verminderen. Haar lekkere tand zal nog niet eens uit moeten; want Abraham Blankaart lust ook wel iets, dat goed smaakt. Zoodat ik maar zeggen wil, dat ik niet kan begrijpen hoe of 't Christelijk of mogelijk is, dat mijn kleuter zoo pront haar geloof verstaat. Zij vergeeft hare tante alles van harte, wil haar helpen, haar bezoeken.

In den eersten door mij gecursiveerden zin, wil Blankaart laten voelen: "Och ik help er toch al zooveel, diè kan er ook nog wel bij; zeg nou 's, dat ik niet royaal ben!" In den tweeden wil hij 't laten voorkomen, alsof hij 't alleen maar vertelt, om Saartjes braafheid te doen bewonderen.

Kan men echter nog van het vorige aangehaalde stukje, met heel veel goeden wil, zeggen, dat hij zich laat verleiden, daarin van zijn weldaden te spreken, omdat hij der geadresseerde een huwelijksaanzoek doet en zich dus vooral van zijn gunstigste zijde wil doen kennen, het volgende is een àllerzuiverst voorbeeld van z'n quasi bescheiden op eigen goedheid pochen:

Zie, men moet de jongelui, als zij wel doen, ook wel doen; en ik ben Goddank, geen vrekkige jakhals van een kerel. Ik zeg altijd: "Abraham Blankaart, God heeft U zoo gezegend, je hebt kind noch kraai; hoewel ik weet niet of dat zoo blijven zal; een mensch heeft graag een eigen weerspraak. Kind noch kraai, wel deel mee, mijn vriend; maak dat niemand op u ziet, als een hond op een zieke koe; dat niemand wel eens wou zien, of jij ook een mooie doode zijn zoudt. 't Moet hier toch allemaal blijven, en als jij brave lui op de proppen helpt, dan doe je als een hupsch Christenmensch betaamt." Nu dat overgeslagen.

Het eerste zinnetje is door mij gecursiveerd, om er uwe aandacht op te vestigen, dat dit een van die kernachtige echt-Hollandsche uitdrukkingen is, waarvan het werk van Wolff en Deken wemelt en die zij, uitstekende romancières als ze zijn, altijd den juisten persoon bij de meest geschikte gelegenheid in den mond weten te leggen. Met den tweeden zin komen wij echter weer op ons eigenlijk chapitre terug, 't Is werkelijk valsche bescheidenheid van de naarste soort, nadat men eerst de voortreffelijkheid van eigen denk- en handelwijze in het licht heeft gesteld, daaraan toe te voegen: "Nu dat overgeslagen." Jawel denken we, maar je hebt 't tenminste maar gezegd!

Ik sprak u zooeven van zijn gezond verstand. Ik had er moeten bijvoegen, dat hij het type van een gewiksten kerel is en zich in een benijdenswaardige mate van gevatheid en diplomatisch beleid mag verheugen. Ziehier een sterk staaltje ervan (de oude Jan Edeling heeft hem geschreven, dat hij niet van zins is, tot het huwelijk tusschen zijn zoon en Saartje zijn toestemming te geven. Hij hoopt dat Blankaart het met hem eens zal zijn, dat twee menschen van verschillende kerkelijke gezindte niet met elkander moeten trouwen. Maar Blankaart's antwoord valt hem koel op de maag. Let op: het is een stukje vol schitterend beleid):

Ziedaar, ik heb het altoos zoo druk en volhandig gehad, dat het trouwen er is ingetrokken; maar, selderdemostert, was ik vader over een half dozijn jongens en meisjes, dan zou ik mijn geluk niet kunnen overzien, als ik daar zoo al die kabouters hoorde snappen en rabbelen. Of Abraham Blankaart ook meê zou doen. En als zij dan zooverre heen waren, dat zij op 't geen ik zeide aanmerkingen konden maken, en het hunne voor hunne kleine zaakjes wisten in te brengen, wel, dan zou ik God hartelijk danken, omdat ik zulke snelle kinderen had, zooals billijk is. Begrepen zij in 't vervolg eens iets beter dan ik, bestig, zou ik zeggen, en doen het zoo.

Daar heb je nu mijn Saartje, wil ik spreken. Wel de kleuter weet wel meer van de wereld en van de Schrift dan ik, en ik ben dertig jaar ouder. Vóór ik naar Frankrijk ging, zei ik: kind, lees je jou gebed 's avonds stipt uit Mell?[25] "Mijnheer," zei ze, "ik bid uit mijn eigen hart; ik weet immers beter, wat ik nu noodig heb, dan Mell voor vijftig jaar dat raden kon?" Wat denkt gij dat ik toen zei? je zult, bij dit en dat, jouw gebed uit Mell lezen, omdat ik het doe? Mis mannetje! ik zei, dat 's waar, je hebt groot gelijk; en anders zou zij denken dat ik haar vijand en niet haar welmeenendste vriend was. Hoor, Jan Edeling, gij hebt nu veel meer verstand dan ik, doch daar heb je mis in. 't Is op mijn woord, jij hebt mis.

God de Heer geeft ons, zijne kinderen, wel reden van zijne bevelen: "doe dat, opdat het u welga," staat er dat niet in den Bijbel? En zullen wij nu zoo misselijk en zoo boos zijn, dat wij onze kinderen, in plaats van brood, slangen en schorpioenen in den mond proppen? Had, bij gelijkenis, Luthers vader eens gaan zeggen: "Luther, ik versta niet, dat je Luthersch wordt, jij zult paapsch blijven, want wij zijn van 't begin van de wereld af allemaal paapsch geweest; en zoo jij 't in den kop krijgt om van ons oud geloof af te gaan, zullen wij eens wat anders bij de hand vatten." En was Luthers vader evenwel zoowel de vader van Luther niet, als Jan Edeling vader is van zijnen zoon Hendrik; en waar was dan je heele geloof gebleven?

Enzoovoort, enzoovoort. Het is van a tot z, één behendig den tegenstander in z'n zwakste zij aanpakken. Hij begint, door er een tafreeltje van op te hangen, hoe gelukkig hij zou zijn geweest, indien hij "vader over een half dozijn jongens en meisjes ware," met in Edeling de gedachte wakker te roepen: "Ja, zoo'n troep kaboutertjes om je heen, dat is inderdaad heerlijk, daar heeft die Blankaart wel gelijk mee, hoe 'n geluk zou 't zijn, als nu op m'n ouden dag, zoo'n troep lieve kleinkinderen aan m'n knieën kwam spelen.... Handel ik eigenlijk niet heel dwaas en zelfs slecht met mij langer tegen Hendrik's huwelijk te verzetten?..."—Na dit gedaan te hebben, verwijt hij Edeling bedektelijk, dat deze nimmer zijn kinderen "voor hun eigen kleine zaakjes" iets in 't midden liet brengen, noch, klaarblijkelijk, ooit God voor zijn "snelle kinderen" had gedankt en evenmin, ook al wist hij dat zijn kinderen iets beter inzagen dan hij, ooit naar hun inzicht heeft gehandeld. Door aldus in Edeling's geest eerst de voorstelling wakker te roepen van een gelukkige toekomst en daarna de herinnering aan een verleden, waarin zijn onbuigzaamheid en hardheid z'n vrouw en kinderen hebben verhinderd zoo gelukkig te zijn en man en vader zoo lief te hebben als bij toegevendheid en zachtheid van diens kant het geval ware geweest, geeft Blankaart hem de waarschuwing: zie toe Edeling, hoe je ten deele het verleden bedorven hebt en pas op, dat je door je dwaze trots en eigengerechtigdheid ook de toekomst niet bederft.—En wel wetend, dat een bitter drankje makkelijker te slikken is, als het met suiker wordt vermengd, vlecht hij er dat vleiende zinnetje tusschen, waarin hij zegt, dat Edeling meer verstand heeft dan hij. 't Spreekt van zelf, dat Blankaart daar niets van meent. Niet alleen, dat hij werkelijk véél meer verstand dan de ander heeft, maar had hij 't niet, dan ware juist hij de man, om er vast van overtuigd te zijn, dat hij 't wel heeft.—Het door mij gecursiveerde gedeelte van het citaat echter spant de kroon. Behendig pakt hij onmiddellijk het zekerste middel aan, waarmee een eerlijk-godsdienstig mensch—en dat is Jan Edeling—klein te krijgen is: een bijbel-tekst, die met gevoelen, gedachte of handeling van dien mensch in strijd is. En ten slotte toont hij, door de prachtig gevonden vergelijking met Luther en Luther's vader, den ouden Edeling—langs den eenigen weg waarop een gedachte dien harden kop kan binnengaan —hoe nadeelig het kan zijn, indien een vader zich maar altijd tegen den wensch van zijn zoon verzetten zou. Ongetwijfeld hebben hier en daar Blankaart's argumenten iets kinderlijks en naïefs en meesmuilen we bij de gedachte, hoe een beter onderlegd tegenstander dan Jan Edeling ze tusschen zijn vingers zou fijnwrijven. Maar, ziet ge—en hieraan merkt ge duidelijk, waarin de voortreffelijkheid van een menschbeelding eigenlijk bestaat!—juist omdat zijn argumenten zóó zijn als ze zijn, is dat stukje zoo uitstekend. Het moeten argumenten zijn van, om 't eens aldus zeggen: een amateurdenken, van een rijkgeworden koopman, die genoeg natuurlijken aanleg heeft, om aardige greepjes in dit of dat vak van het hoogere geestesleven te doen. Gaf hij argumenten van een veel hoogere soort, dan juist zou die passage zóó slecht zijn, dat ze niet leesbaar ware, omdat: een man als Blankaart dergelijke argumenten niet geven kan.—

Maar op z'n best, in zijn "bulderbastige" geestigheid en als de wielen van een locomotief donder-rollende rondheid, is hij in zijn antwoord op een brief van tante Hofland, waarin deze op háár manier hem Saartje's vlucht uit 'r huis vertelt; onder veel vroom gewauwel en zalverig gescheld ten slotte op de centenquaestie uitdraait en, op grond van het feit, dat Saartje uit eigen beweging haar huis verlaten heeft, het volle geld eischt, wat zij tot dan als kostgeld heeft genoten, tot Saartje trouwt of vijfentwintig jaar wordt. Uit dat antwoord van Blankaart laat ik hier nu eenige gedeelten volgen:

Mejuffrouw!

Wel zeit het Hollandsche spreekwoord: "hoe later op den dag, hoe schooner volk."[26] Maar wat heb ik met uw gelol en uw heiligen Sukkelaar[27] te doen? Wat geef ik om uw broer Benjamin? Weet gij wat, juffrouw Hofland, uw heele oude voddenwinkel van kwezelarij raakt mij niets, geen oogvol. Houdt uw brieven maar thuis, ik weet alles in 't lang en in 't breed. Het kind heeft deugdelijk gedaan. Zij moet meer gedulds hebben dan ik, anders had zij zoo lang niet eens bij u gebleven, dat 's maar uit. Ware ik in Amsterdam geweest, ik zou haar zelf uit uwe klauwen gehaald hebben en in mijn huis gebracht; al hadt gij en uw volk mij braaf gelasterd, dat scheelt mij weinig. Hoe, wat hamer! denkt gij, dat ik niet weet, hoe jij haar gedaan hebt, en dat jij haar als eene zottin door de godgansche stad hebt laten loopen in ouwe konkelige kleeren, en dat voor een meisje, die geld heeft en altoos proper gekleed plach te zijn, iets dat ik ook bijster graag zien mag. Wat wil je nu daarvan hebben, he? Je meugt waarachtig nog wel spreken van omslag! Wat heeft Saartje bij je gehad? overgeschoten klieken, en niet half haar bekomst. Weet je wat? Jij hebt het geld van eene wees met uwe smulbroers en fekelkousen verteerd, en het meisje nog gebruikt om dat gespuis op te passen, dat heb je. Je meid is een dronken todde, hoor! Zij komt er genadig af. Laat zij nooit onder mijne oogen komen, want ik ben wat poestig,[28] ik mag geen onrecht zien, dat om de hagel niet; er zullen konkels[29] zwaaien.

Wel leg je ook te wauwelen over afgodisch Frankrijk; en van menschen, die het teeken des beestes aan hunne voorhoofden dragen? Ik weet niet veel van die nieuwe snofjes en modes, noch hoe die duivelderage hiet, die de dames nu alweer opzetten; doch jij weet er ook niet veel van. Maar zoo zijt gij allemaal: dat gonst en dat bromt over zottigheden, en wezenlijke zaken laat men zooals zij zijn. Jij slacht de dominees, die, als zij hunnen studeertijd verkwanseld[30] hebben, zulk tuig op den preekstoel brengen, daar het te pas komt als een oliekoek in een treurspel. En wat bruit het mij, al droegen de Franschjes het zeven-gesternte op hun hoofd? Ik ben een oud Hollander, die hier niet kom om zulke grillen, maar om mijne affaire te doen, en bemoei mij niet met het teeken des beestes, of waar zij dat opplakken; doe ook zoo, en je zult wèl doen.[31]

Wel, ik denk, dat ik zoowel in den Bijbel lees als jij, maar wie duivel heeft daar ooit van heilige sukkelaars gelezen? Broer Benjamin is een zotte vent, hoor! En ik zou mij doodschamen, dat zou ik op mijne eer, indien ik zoo met Gods woord omsprong, en het zoo Satans gek toepaste, zooals jij fijnen doet. Weetje wat? David was een held, die de oorlogen des Heeren voerde, en een kerel als een boom aandorst: den reus Goliad van Gad, meen ik. Paf, daar lag hij, en David ook niet lui, als de blis er op, flink maar, zijn dikken kop afgeslagen: dat was zeker geen sukkelaarswerk, meen ik. Hij was een Groot Generaal; dat klinkt je wat anders voor den snoet. Paulus, van Paulus[32] moet je afblijven. Paulus was de beste, de raisonnabelste man van de wereld; want hij zegt met ronde Zeeuwsche woorden: "gierigheid is afgoderij."[33] O hel kwam de vrome Apostel eens hier, ik verzeker je voor een kwart percent[34] dat hij uw huis een afgodisch huis zou noemen.[35]

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

Wat weet zoo een luie zuipzak[36]van Gods woord? Had hij liever voor 't lieve vaderland (en alle zoete meisjes) ossen en schapen geslacht, hij zou veel nuttiger werk gedaan hebben.

Ik heb veel gereisd en getrokken, en heb veel in Roomsche landen verkeerd, maar de papen zijn nog beter dan jijlui; en er valt evel ook niet veel op te roemen. Jij Saartje aan den Duivel overgeven! Weet jij wel dat hij een kwaaie gek is, en dat, als gij haar niet kunt leveren, het er wel eens heel benauwd voor u zou kunnen uitzien? mogelijk neemt hij tante, omdat hij nichtje toch niet bekomen kan.

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

Ik kan 't niet knoopen, dat uwe lieve zuster besloot, u haar eenig kind toe te betrouwen. Mogelijk hebt gij zoo lang aan haar zwak hoofd liggen gonzen en huilebalken, dat zij 't moest opgeven. Alles is jelui gading. En 't was nog eene zoetigheid, honderd halve rijers voor haar kostgeld. En durf jij nog van geld kikken! Hoe, wat hamer! denk je dat ik een schurk, of denk je dat ik razende dol ben? Ik ben haar voogd; zij is met mijne goedkeuring heengegaan: Jij hebt het haar moede gemaakt. Trekken, zul je,—ja! al aan een aschkar. Wel, je bent eene overheerlijke tante! Je bent nu immers veel te oud om nog eens te trouwen; wat zal je met jouw geld doen? Meenemen? Loop voor Joost, ontmaak[37] het kind uw goed, zij heeft genoeg. Procedeeren? Ei, spreek eerst den advocaat naast den Gouden Ketting eens. Zoo die 't u aanraadt, hier is je man.

Heb ik te veel gezegd van zijn gevatheid en z'n nimmer 'n blaadje voor den mond nemende, bijtende ironie? Let eens vooral op die door mij gecursiveerde zinnen.—Intusschen zou ik het gevoel hebben, den braven kerel te kort te hebben gedaan en dus de gegrondheid mijner aanklacht tegen de schrijfsters —dat, hoe mooi een mensch Blankaart ook werkelijk is, zij hem tè mooi hebben gezien—op oneerlijke wijze te hebben bewezen, indien ik hier niet die uitstekende passage over den lichtmis gaf, welke, ik zeg het niet zonder nadruk ("Ei, nòg meer na-druk?" vraagt hier allicht de uitgever!) vooral in 'n blad voor jongelui op z'n plaats is.