En nu had hij benauwde alkoofgesprekken gehoord, geroken de koffielucht en pomadegeurtjes van duffe achterkamers, waar tot een burgerlijke versiering de zonnestralen[3] langs mottige vitrage gelen bij het weeë rood en bij het uitgebloeide blauw der kameromgeving.

En welk een opperste genialiteit in deze beelding:

Zoo zie ik den weg weer opgaan, hooger en hooger in een geestdriftige stijging, en als hij op sprong staat zich over te geven aan den val der gindsche daling, glimt hij in de zon als een lint van gele japansche zijde.

Hoe leeft, hoe rijst, hoe daalt de zee in Een Zeereis. De verhaalgang zelf, met zijne zich weer verevenende bergen en dalen, met zijn effenheid, die het bewogene, en het bewogene dat een effenheid is, lééft als de zee; hoe welven de wijde luchten van den kunstenaarsgeest in een koepelende overheersching daarboven. Welk een dramatisch vermogen, welk een gang en een leven in dat Fragment uit Floris de Zwarte. Hoe onschuldig een bevalligheid, wat ongerepte reinheid en zoete liefde ontbloeien in Een Liefde in Limburg....

En laat mij nu maar verder van dit werk en zijn schepper zwijgen. Zijn taak is volbracht. Hij wacht geen ander oordeel meer dan dat van het Nageslacht, een rechter, die andere lof en andere zegening heeft te vergeven dan wij. Maar ook gij, wiens tijdgenoot hij was—en ik zeg 't u om uw-zelfswil—lees zijn werk, treed zijn wereld binnen. Maar vóór dien, luister nog even naar mijn raad: hieraan zult gij ook dièr wereld schoonheid, want natuurlijke-echtheid, kennen: Geen wezen, op een aarde levend, bereikt dier grens, allen leven diep in haar atmosfeer besloten, allen zijn zij van haar onscheidbaar, allen één geheel met haar—zóó, in de door een kunstenaarsgeest geschapen wereld, overschrijdt geen der op haar levende wezens haar grens, allen blijken zij aan haar gebonden, allen zijn zij één met haar, allen gedrenkt in haar atmosfeer, allen getint van haar kleuren.... En ten dage nu, dat ge uw gemoed rein en vrij, uw geest blijde en schoonheidsbegeerig voelt, lees den al die prachtige scheppingen van Van Oordt en verheug u, rijk en diep, om hun omvangen en gedragen zijn door die ééne wereld van dien éénen geest....

SCHARTEN-ANTINK: DE VREEMDE HEERSCHERS.

Nu moet ik echter uw aandacht daarvan afleiden. Wij zullen ons dezen keer—en ge hebt 't uit den aanvang van dit opstel reeds bemerkt—niet slechts hebben bezig te houden met schrijvers, die, om dezen of genen reden, tijdelijken afstand tusschen zich en hun onderwerp behoefden, maar ook met hen wien de ruimtelijke tusschen dat en hun lezers verkieslijk scheen. En hierbij denk ik in de allereerste plaats aan den roman De Vreemde Heerschers, Een Verhaal van de Italiaansche Meren, door C. en M. Scharten-Antink, fournisseurs de la cour. Dezen laatsten titel zult ge weliswaar door de prijzenswaardige nederigheid der gelukkige bezitters niet op eenigen plek in het boek vermeld vinden, maar, laat mij u zeggen, dat hij niettemin een zeer werkelijk bestaande waardigheid representeert. De heer en mevrouw Scharten zijn het—gij zult mij veroorloven steeds van den heer en mevrouw Scharten als éénheid te spreken en niet die critici na te volgen, die voortdurend in dit geval den zonderlingen waan schijnen te koesteren, dat wat de Heer vereend heeft, de recensent mag scheiden!—het echtpaar Scharten is het, niet voornamelijk wijl het de erkende romanleverancier van De Gids is, ook niet wijl het de onschuldige liefhebberij van meerdere zéér voorname winkeliers heeft, een overvloed van kaartjes-met-uitheemsche- woorden over hun étalagewaren te strooien en evenmin, wijl het 't eene seizoen in Soieries Françaises, 'n ander in Inverniciatura Italiana handelt en vermoedelijk 'n derde jaar in High-life tailor-made Dressing-gowns, maar nooit ofte nimmer in ordinaire hollandsche katoentjes zal "doen"—neen, de heer en mevrouw Scharten zijn 't vóóral, omdat zij er feilloos in slagen, alles waarin zij negotie drijven, absoluut hoffähig te maken, van de boerengeslachten van Cavarna af, tot het lustige weeuwtje, "het Mayertje" toe, en dat wel op zoo'n savante en kunstige manier, dat, als je gòed proeft, de boeren zoowel als het Mayertje, trots de ingewikkeld desinfecteerende bewerking die zij hebben ondergaan, toch nog, respektievelijk, naar boeren en naar een cocotte smaken![4] Maar ge weet zoo min wellicht wie de Cavarner landlieden als het lustige weeuwtje zijn. Laat mij dus even een en ander ordelijk vertellen. Onder de oppervlakte van dit boek-land laaien twee machtige vuurstroomen—die ik in mijn gewone doen dramatische konflikten zou noemen, maar mijn geest is op het oogenblik zóó in de Italiaansche sfeer gevangen, dat ik van niets anders dan van Etna's en Vesuviussen droom!—Van dit onderaardsche vuur leeft het geheele Schartensche land met al zijn wezens, maar het kent er ook de lava-erupties en aschregens door, die het met een grauwe wade van leed en rampen bedekken. Daar hebben we aan den eenen kant de Muzzo's, waarvan de ouderen verlaten op den vaderlijken grond achterblijven, wijl de jongeren verlokt door het vele geld-verdienen in Amerika, de een na den ander daarheen vertrekken, om nooit weer terug te keeren: het eene konflikt veroorzaakt door vreemden invloed. Daar hebben we aan den anderen kant de invasie der Duitschers in Italië, die met hun flair voor zaken-doen den landszonen de beste brokken voor den neus wegkapen: het tweede konflikt. Ter eenre zijde dus: het kapitaal, dat het beste bloed uit het land zuigt, ter andere: het kapitaal, dat het gewin uit het land trekt. Een beeld dus van het internationale kapitaal in onbewust bondgenootschap alles dienstbaar makend aan zijn belangen. En dat beeld wordt er des te volkomener door en blijkt zelfs rijk aan een ongezochte symboliek, als we erop letten dat de roomsche priester Jacchini de handlanger en adviseur van het duitsche kapitaal is! Op deze tendenzen der huidige samenleving de hand te hebben gelegd, en ongetwijfeld een in-kunst-herscheppende hand, dàt is de machtige verdienste van de schrijvers van dit boek. Maar er is meer: naast de twee reeds genoemde, hebben we, van veel minder beteekenis en op lager plan, doch vol van menschelijkheid en waarheid, een derde dramatisch konflikt: tusschen de beide dorpspatriciërs-families Muzzo en Taddeï, in verband staande met de beide andere konflikten—en het dunkt mij goed, met 't oog op het feit, dat de deugdelijkheid der compositie van dit werk m.i. miskend is, op dit verband den nadruk te leggen—want de afgunst van het eene geslacht wordt voornamelijk gestimuleerd, doordat de jonge Taddeï wèl uit Amerika naar het vaderland terugkeert—wat als eervol geldt—en de jonge Muzzo's niet. Intusschen, beide hoofdkonflikten zien we ten slotte uitsmeulen en met een wolk van moewe berusting de menschen omnevelen, terwijl we vermoeden dat die afgunst tusschen beide geslachten wel langzaam slijten zal, daar immers een Taddeï met een Muzzo trouwt, maar—er is een vierde dramatische botsing, die waarlijk hooge tragiek wordt, die waarlijk als een eruptie, een brandend verderf, kraakt en woelt en dondert en aan den dag breekt. Dat is de levenstragiek van den blinden Zacharia Banfi, een prachtig-gebeelde figuur. Deze man zag zich in zijn jeugd verdreven van zijn vaderlijk erfdeel, een boerengoed, dat voor schuld verkocht moest worden. Hij trekt naar het buitenland, naar Normandië, één idee in zijn peins-wroetenden kop: sparen, sparen, sparen, om ééns het vaderlijk erfdeel te kunnen terug koopen. De vrouw, met wie hij daarginds trouwt, sterft, hij wordt blind en keert vereenzaamd naar zijn land terug. Daar woont hij bij een nicht in de nabijheid van zijn erfgoed en loert, loert in de lichtende duisternis van zijn oude, blinde hoofd, op een kans, het land terug te winnen.... Luister:

Zijn blinde hand greep tusschen de plooien van buis en hemd, waar hem een zeemen zakje op de borst hing.

"Vijftienduizend lire," zei hij gesmoord, "vijftienduizend lire, met mijn bloed en mijn honger verdiend ... voor nog geen zes moesten wij Fulmignano verkoopen ...; vijftienduizend lire ... en toch zullen de Duitschers op Fulmignano blijven.... de Duitschers, die zijn als ongedierte ... waar er één is, daar zijn er honderd ... honderd...."

De bleeke lippen sidderden, de kin trok als van een kind, dat schreien gaat, hulpeloos-dood staarden de starre brilleglazen over de binnenplaats....

De anderen, verschrikt, zaten stil.

En hij heeft gelijk: de Duitscher blijft op Fulmignano, vastgegraaid houdt hij 't in zijn ijzeren vuist. En nu komt er een ander plan in Banfi op: een van die Duitschers, een broer van dien Walther, die op Banfi's "bloedeigen" erfgoed zit, heeft een bod op een groote albergo in Cavarna gedaan, maar de koop is afgesprongen. Als die geldwolf daar voordeel in ziet, dan zit 't er ook in, meent Banfi en hij geeft een deel i van het geld om hem te koopen: daardoor zullen de sommen gewonnen worden, om Fulmignano, als de gelegenheid zich aanbiedt, en al wordt het nog zoo duur, te heroveren. Maar eens de herberg gekocht, hoort hij, waarom de koop indertijd is afgesprongen: op den top van den berg, aan welks flank zijn nieuwe albergo ligt, komt het eindstation van de nieuwe kabelspoor en daar laat Walther het grootsche Kulm-hotel bouwen, daar zal de stroom van het vreemdelingengeld neerkletteren. Zijn albergo wordt nu niets! Met welk een liefde is deze figuur gebeeld! Niet licht zal ik dit psychologische fijnheidje vergeten:

"Niet kibbelen, kinderen, niet kibbelen," smeekte de blinde man, die altijd zoodra de stemmen kijvend werden, dubbel zijn hulpeloosheid voelde van de gelaten niet te kunnen onderscheiden.

Niet licht ook den tocht van den blinde naar Montagnola:

Als Zacharia weer door was gegaan en al schuifelend met den stok voor zich uit, den mijlpaal had gevonden bij het zijpaadje, dat hier zig-zag af, naar Montagnola terugvoert, hief hij het bleeke, kleine gezicht, met de ronde, blauwe brilleglazen daarop, en staarde of zijn gedachten iets zochten. Hij wist hier, aan den akkerpunt, een perzikboompje te staan. Zijn stok stootte tegen het hout, hij tastte met de hand, voelde de dunne ruige twijgen van den nog jongen stam ... er was een bescheiden gezoem van bijtjes boven hem.... Nu zag hij zich plots onder de roze bloesemende twijgen, die overbogen, ver over den weg, en zijn oud en pijnlijk gezicht verklaarde in een zachte opgetogenheid. Toen hij vóór noch achter zich een gerucht langs den weg hoorde en zich onbespied kon meenen, strekte hij voorzichtig de hand boven zijn hoofd, tot zijn vingers het uiterste van een takje hadden gevonden, vingerde nog voorzichtiger het takje langs, en de eerste zijigheid van een bloesemblaadje kwam zijn vingertoppen beroeren....

Hij glimlachte. Hij zag de gansche helling, links van zich omhoog de Monte Cavarne op, en de gansche helling rechts van zich omlaag, naar het meer toe, en heel het verre verschiet rechtuit, waar Noranco lag,—hij zag dat alles in één teeder gewemel van honderden zacht-roze bloesemboomen, één broos gesprankel van roze, glanzend aan het puur-blauw vuur van het meer, glanzend aan het azuur van den hemel en aan het versche gras der wijngaard-glooiingen,heel dit lente-land, dat hij kende plekje bij plekje, en dat hij plekje bij plekje vóór zich kon tooveren in den geest.—"Che bellezza," zei hij zacht.

Als hij met zijn nichtje Angelina en haar man in de herberg woont en diep doorvoeld heeft, dat alle, alle opofferingen te vergeefs gebeurd zijn, dan zien wij hem, een dag, aldus, en het is de laatste maal, dat wij hem zien:

Onbeweeglijk bleef hij zitten.

Een zonderlinge ontroering was over zijn denken gedauwd, en zijn starre afgetobd gelaat werd stiller in een vagen glimlach.

Zoo zat hij een langen tijd, turende in een schemer van vrede, waardoor een zacht-goudene morgen gloorde.... Zacharia dacht aan den dood....

O, doet dit alles niet huiveren van ontroering: van schoonheid-genieten en medelijden?

Maar hoe liefdevol zijn ook de andere figuren in dit boek gebeeld. Carlotta, de zachte zuster van den goeden, fijnen, gewetensvollen pastoor van Cavarna, en Carmela, de flinke moeder van dat aardige kereltje Massi; de trotsche Luigia, de moeder der Muzzo's; Ambrogio Muzzo, de gegriefde, van zijn zonen beroofde vader, die ten slotte in wanhoop den trotschen kop buigt en zijn dochter met een Taddeï laat trouwen: in 's hemels naam ... hij heeft geen wil meer ... hij is òp. En die joviaal-ronde pastoor van Montagnola. Maar het Mayertje, ofschoon uitstekend doorvoeld, is niet zóó goed gebeeld: de schrijvers hebben hier te zeer den objectieven verhaaltoon verlaten, zijn te nederbuigend, te spottend, te humoristisch geworden. Met den Zoppo, den uit den treure preekenden vegetariër en theosoof vormt zij niettemin een aardig kontrasteerend stelletje, waaraan we wel eens 'n fijn-comische situatie te danken hebben. Maar bovenal valt "'t Mayertje" te waardeeren, wanneer men deze figuur als compositorische waarde keurt. Zij blijkt dan, dunkt mij, van zelf te symboliseeren het verachtelijkste gevolg van een in 'n betrekkelijk primitief land binnendringende weelde, die weliswaar door het meerendeel harer gevolgen, maar toch vooral door dit, een tot dan nog natuurlijk-levende, landelijke bevolking langzaam corrompeert. In een van haar tallooze minnehandels gebruikt Madame Mayer een jong meisje uit het geslacht der Muzzo's als "postillon d'amour," welk kind op een van die boodschaptochten door den "minnaar" van het Mayertje wordt verleid.... Hoe men dan ook dit boek als een verzameling van losse tooneeltjes en tafereeltjes kan beschouwen is mij een raadsel. Zeer zeker zijn de steunbalken in het bouwsel verborgen—en is dit niet fraai en goed?—maar het dunkt mij wel wat zonderling van een bouwkundige, om, wijl hij de einden niet door de muren ziet steken, te meenen dat die balken er niet zijn!—En nu lezer! "Ben ik uitgegaan om te vloeken en heb ik gezegend"? Neen, neen, ge vergist u, zoo ge dit meent, ik ben geen Bileam, en al berijd ik soms 'n stokpaardje, ik zit nooit op 'n "ezelebeest," zooals Couperus zou zeggen! Ik heb mooi gevonden en ik heb gezegend, ik vind leelijk en ik vloek uit echte en diepe ergernis: Wat dit boek zegt, dat zegt het voortreffelijk—een enkele, in de sfeer van het geheel niet thuis hoorende metafoor, een enkel geaffecteerd zinnetje daargelaten, heeft ook de taal die aangenaam stemmende verzorgdheid, welke de gerechtvaardigde achting der schrijvers voor eigen vermogens bewijst—maar in 't verzwijgen, daar zit 'm het ergerlijke in. Niet voor niets hebben we de Fransche boeren van Zola en de Balzac, de Hollandsche van Querido leeren kennen, en zouden deze eveneens katholieke Italianen zoo heel anders zijn?... Geloove wie 't kan, ik niet! Maar al hadden we ook niets van Zola'sche of andere boeren gehoord, dan nog zouden wij voelen, dat hier levenszijden verzwegen of verdoezeld zijn. En indien dit niet voortkomt uit zekere zielsarmoede bij de schrijvers, een verfijningsontaarding, waardoor voor hen die levensuitingen ondoorvoelbaar zijn geworden, een zelfde zielsarmoede als die telkens nieuwe prikkels noodzakelijk voor hen maakt, om tot scheppen te komen, dàn is het—en vindt men dit een "insinuatie," dan bedenke men dat ik de plicht heb te zeggen wat ik denk en ik bovendien hier niets tegen een jong schrijvertje "insinueer," maar tegen machtige auteurs, die een stootje kunnen velen!—dàn is het: wijl zij fournisseurs de la cour zijn!

LOUIS COUPERUS: ANTIEK TOERISME.

En ja, Couperus nu, over wiens "ezelebeest" ge mij zooeven hoordet praten.... Diens Antiek Toerisme verplaatst ons zoowel naar vreemde landen als naar het verleden. En het is trots al de blinkende larifari, een brok armoeïgheid geworden, welks aanblik je, van den weeromstuit, je rug laat schurken op z'n bedelaarste bedelaars, tegen 'n boomstam aan. Een schatrijk Romeinsch patriciër gaat met zijn van hem afhankelijken oom op reis, om te beproeven zich af te leiden van zijn liefdesrazernij —eerste rangs tooneelmalligheid!—voor eene hem ontrouw geworden en met een matroos ervan doorgegane slavin. Terwijl hij op reis is en inmiddels, gelukkig, liefde opvat voor een andere slavin, wordt hij straatarm, doordat Tiberius al zijn goederen verbeurd verklaart. Goddank! hij blijkt te groot van ziel om zich daar veel van aan te trekken en gaat zich, vergezeld van zijn nieuwe geliefde, als beeldhouwer vestigen te Kos, haar geboorteland.—Kijk, als ge nu een boek ziet als een gastvrij huis, waar een even hoffelijk als geestrijk gastheer u doet nederzitten aan zijn haard en het beste van zijn geestelijk en stoffelijk bezit niet spaart, om u, zijn gast, te gerieven, zoodat ge uw eigen wijs van leven een gelukkige pooze vergeet en, door hem bekoord, geheel onbemerkt de zijne aanvaardt; als ge in een voor u opengaand boek zulk een huis denkt te vinden—en welke gedachte zou, zóó kort na het Dickens-jubileum natuurlijker zijn?—hoe komt ge dan bij het betreden van dit Couperus-huis bedrogen uit! De gastheer ... de gastheer? Nergens te zien! Ge kijkt eens rond, en een onaangenaam gevoel overvalt u: zijt ge op een tentoonstelling tegen smaak-misleiding?.... Er scheen een blokkenvuur in den haard te branden, maar even naderbij getreden, ontdekt ge, dat 't een kwalijk riekende gashaard is met namaakblokken van asbesth. Een oude gloed van gobelins aan de muren, en die, meendet ge, waren toch echt.... Och, och, alle duivels, het is papier van zooveel de rol! Maar gelukkig! daar komen tenminste menschen de kamer binnen. Ah, Lucius, ouë Romein, men ontmoet een van jou slag niet elken dag. Mag ik eens nader kennis maken? Maar pòe! Wat mankeert die vent! Die raaskalt, die speelt 'n bezetene.... Zeg, Jandorie en bij Jupiter, wou je mijn!.... Maar die oom Catullus en die Kaleb, die lijken u nog al geschikte kerels, die schijnen u nog al nuchter te zijn. En inderdaad: "Och weet u," zegt oom Catullus, u vertrouwelijk onder den arm pakkend, "we binne acteurs, dacht u nou heusch, da'we ... haha ... da'we Romeine ware ... maar komt ü dan uit Purmerent as ik vragen mag.... An die Lucius had u dat toch wel dadelijk kenne merken, die zal nog heel wat moete repeteere voor-ie toonbaar is!... We binne het gezelschap-Couperus ... spele voor filmopname.... Maatschappij Holkema en Warendorf.... O maar daar is de directeur! dat treft u!... Meneer Couperus! Meneer Couperus!... daar is 'n heer, die dacht da'we, haha, da'we...." Maar meneer Couperus lacht niet van harte mee; meneer Couperus trekt een gezicht als een boer die kiespijn heeft; meneer Couperus herinnert zich, dat hij niet altijd als direkteur van een bioscoopfilm-tooneeltroep het land afreisde; dat hij eens in zijn grooter tijd een ontzaglijk Magiër was, die machtige geesten opriep, hen bond in zijn ban, hen een lichaam schiep en ze voor de oogen der door zijn mysterieuse grootheid verrukte menschen liet leven, léven!

Och, niemand verliest geheel zijn grooter Zelf: de figuren van Kaleb, den gids, en van Catullus zijn gezèllig-goed. Dat gevalletje van het slaafje Tarrar met zijn slangetjes is aardig en lief. Die beschrijving van den Witten Nacht is fraai en wij geraken wel in de stemming, we ontvangen wel een beeld van heel dat ontzaglijk grootsch verleden ... jawel ... máár de centrale fout van het werk is, dat de menschen er om het décor zijn en niet het décor om de menschen. Er wordt gespeeld met menschelijkheid. En de taal is verbijsterend slordig! Het woord immens komt bijvoorbeeld zoo vaak voor, dat ik er minstens twee bladzijden dezer kroniek mee zou kunnen vullen. Dat is gewoon bespottelijk, onbegrijpelijk-van-dwaasheid. (Men vergelijke eens deze herhalingen uit nonchalance, met het telkens een zelfde woord herhalen bij Van Oordt, zooals dat wel een enkelen keer in diens Nagelaten Werk voorkomt, om daarmee een zekeren subtielen indruk te wekken!) Zelfs lezen wij ergens, dat iets niet "zoo reuzig immens was" als iets anders!! Ge meent, dat ik het heele zaakje niet zoo zwaar moest opvatten? Inderdaad: de heer Couperus is tusschen twee geeuwen van verveling en onmacht aan het spelletje van belletjes blazen gegaan, weliswaar niet uit 'n Goudsche pijp, zooals kinderen dat doen, doch met een heel kunstig in elkaar gezet toestel. Maar toch, dat maakt geen werkelijk verschil.... Doch wilt ge nòg een spel, maar althans een edeler spel van hem zien? Sla dan Groot-Nederland van Maart[5] op. Lees zijn verhaal van den moord door de Pazzi gepleegd op Giuliano de Medici. Dat lijkt toch op scháákspel, nietwaar? Het bord is er daar, om de een intellekt-leven verbeeldende bewegingen der stukken mogelijk te maken: het décor is er om de menschen.... Neen, zéker: de groote Couperus van weleer is niet heen voor goed; ik geloof: hij bereidt zich voor op een schitterend heroptreden—de kleine Couperus houdt zoolang het ongeduldig-trampelend publiek een beetje bezig.—


BRIEVEN OVER LITERATUUR

III

Kinderen zijn, in der aard-smart koninkrijk
Prinsen van vreugde en van jeugd-schoon koninklijk....
Willem Kloos

Dat zijn zij, ongetwijfeld, maar zij zijn nog veel meer dan dit. Doch volledig uit te zeggen de majesteit en den rijkdom, de statigheid en de bevalligheid, de wijsheid en de liefde van hun teere levens—dat is geen mensen gegeven, zoo min, en uit eenzelfde oorzaak, als het ooit een onzer gegeven was of zal zijn, het Godswezen te dóórvoelen. Want de bijbelsche leering, dat wij naar Gods beeld geschapen zijn, valt alleen te begrijpen, maar dan ook volledig, zóó dat zij straalt van waarheid, als we ons vooroverbuigen tot de menschen, die nog menschjes zijn, en van de tot ons omhooggeheven effen gezichtjes en klare oogjes de verrukkelijke zekerheid lezen, dat dóór en uit hun nog passief, hun nog sluimerend menschelijk bewustzijn, het Goddelijk Bewustzijn onvertroebeld glanst. Daarom was ik dan ook soms geneigd te beweren, dat men eigenlijk weinig van kinderen moet zeggen, daar alles wat men zeggen kan beneden hen blijft, en het een ijdel en ook heiligschennend bedrijf is te spreken van iets, waarover men niet waardig spreken kan. Maar later heb ik bevonden dat deze bewering een dwaasheid is, want, indien we niet meer over het Goddelijke en Kinderlijke mochten spreken, dan ware onze spraak van zijn diepste accenten en schoonste geluiden beroofd en zou onze uitdrukkingsmacht zoo verzwakken en ontaarden, dat zij ten slotte geen enkele gedachte of gevoel waardiglijk meer zou weten te verwoorden. En reeds daarom ware het geen ijdel en heiligschennend bedrijf. Maar dat is het ook niet om een andere reden: Wie tot den ziels-geloovige, op wat wijze deze ook gelooft, van het Goddelijke eerbiedig spreekt, hij zal meevoelen en meedenken wekken, op hoe gebrekkige wijze hij zijn denk-voelen ook verwoordt, mits dat denk-voelen ècht-in-hem zij. Er voltrekt zich dan een gemeenschappelijk-zijn tusschen beiden, dat wel op hun wóórden rust als op aarde een bloemstruik, maar, evenals dat gebloemte die aarde, geurend en stralend en zon-weertintelend, de woorden te boven rijst. En niet minder: wie met een liefdevol hart over kinderen spreekt, hoe stamelend en hakkelend ook, hem lachen alle moeders tegen en de meest zorgenvolle vader heft van zijn werk het zware hoofd op, om hem even, als tot eene kracht-schenkende verpoozing, dankbaar aan te zien.

REYNEKE VAN STUWE: DE KINDEREN VAN HUIZE TER AAR.

Aldus gaat het hen, die van hen spreken. Die hen beelden, in een kunstwerk, gaat het anders! Elk niet àl te laag staand mensch wordt hier een voortreffelijk en nauwlettend criticus. Dezelfde omstandigheid, die het den gebrekkigsten spreker gemakkelijk maakt, begrepen te worden, maakt het den beelder moeilijk bijval en lof te verwerven. Want die omstandigheid is: de liefde voor kinderen, die ieder niet àl te laag staand mensch bezit. En schoon menigeen een kunstenaar moge vergeven, dat hij de zwarte en gluipend-strompelende gedaanten van Leed en Ziekte door een zonnige belichting iets van het vreeselijke hunner donkere geheimzinnigheid ontneemt, niemand vergeeft het hem, indien hij den stralenden engel van het geluk ontluistert en deze, door den mist van licht, waarin hij gaat, te dooven, iets van zijn even geheimzinnige maar daardoor alsnog onvatbare zaligheid verkondende schoonheid ontrooft.... En kinderen zijn die engelen.... Daarom, wie kinderen beeldt, moet in zich hebben het vlugge naderen en het vlugge wijken, de bewegingen en aanrakingen van zijn geest moeten speelsch van vlug- en lichtheid zijn. Zijn woord moet luchtig ademen als een wind, en zacht en streelend als een zàchte wind zijn, want er zullen veel vlinders en bloemen komen te leven op zijn land.... Vele der eigenschappen, die zulk een kunstenaar vooral dus bezitten moet, zijn wellicht in dit ééne woord te vatten: bevalligheid. Niet die der saletjonkers en modieuse dames, maar die der natuur: de bevalligheid der schoone verzen, der in de wei dravende jonge paarden, der neigende boomen; de bevalligheid, die alleen uit harmonieuse samenwerking van edele krachten ontstaat. En deze is het wier aanwezigheid ik telkens en telkens weer in het jongste boek van Jeanne Reyneke van Stuwe heb gevoeld. Ge weet het waarschijnlijk al: het zieleleven van kinderen uit den zeer voornamen stand wordt daarin gebeeld. Door een voortreflijken vader en een stiefmoeder, die hen liefheeft, als waren zij haar eigen kinderen, opgevoed; door alles, wat een kinderleven rijk en gelukkig kan maken, omringd, komen er geen uitzonderlijk-hevige gebeurtenissen in hun leven voor, maar de schrijfster heeft met goed gevoel voor compositie, het sterven van een heel jong broertje erin gebracht, waarmede zij, binnen den grens der meest soliede waarschijnlijkheid blijvend, de gelegenheid heeft gekregen, de zieltjes der kinderen in de hoogste gevoelsspanning te laten zien. De drie gegeven kinderkarakters loopen zeer uiteen. Er zijn: de toekomstige superieure mensch: Adèle; de toekomstige intrigante en coquette, d.w.z. intrigant en coquet op een vrij onschadelijke en kleine wijze: Eva; de toekomstige egoïst, goedhartig en vrijgevig uit praallust, iemand met een tamelijk gering intellect en een zekere lichtzinnige grilligheid: Charles. Wat echter alle drie gemeen hebben, is wat men zou kunnen noemen: hun adels-, hun standsbewustzijn, in Adèle schijnbaar het sterkst, en dit getuigt van den subtielen psychologischen voelzin der schrijfster: in werkelijkheid namelijk voelt dit kind zich zoo voornaam door eigen, onbewuste noblesse, maar bewust wordt haar die voornaamheid slechts als een zich-voelen: kind van Huize ter Aar! Het boek vol levendige handeling is vlot en luchtig geschreven: een witte raaf in onze literatuur. De kinderdialoog is uitstekend. En ik zou de onverbeterlijke, oude zondaar niet moeten zijn, die, schoon hij telkens te hooren krijgt, dat hij zich niet weet te beperken, toch onverstoorbaar z'n gangetje gaat, als ik u hier niet wat zou laten zien uit den overvloed van mooie dingen, die ik, al lezend, verheugd zat te bekijken. Is dit niet allerliefst:

Ik gun je de pret! zei Amélie. Mag ik 'n chocolaadje? Nemen jullie die mee? En hoe doen we met de poppen? Het was lang een lieve gewoonte geweest, om naar een spel "eerlijk" de poppen mee te nemen. Zelfs Charles waren vaak, hoewel onder protest, kleine poppetjes in de zakken van zijn jasje gestopt, met de vergunning deze gedurende de geheele reis verborgen te houden, als hij, wanneer de vertooningen begonnen, de koppetjes er maar uit liet steken.[6]

En hoe uitstekend is, vooral in de door mij gecursiveerde woorden, een scherpe psychologische observatie gezegd:

Eva presenteerde "odeur" uit haar flaconnetje, en kreeg nog rooder wangen, maar nu van ingehouden verontwaardiging, toen Oom Carel zei:

—Nee, maar, wat heb jij[7] 'n prachtige kanarie-gele handschoenen aan! Want zij zag de ironie in zijn oogen, en zij háátte hem op dat oogenblik met een snellen haat, maar vergat dien weer, omdat Oom, bemerkende dat er niets dan water uit haar flaconnetje kwam, haar "economie" prees, en ofschoon zij niet precies begreep, wat hij bedoelde, glimlachte zij toch even complaisant, omdat hij iets van haar in het openbaar goedkeurde.

Maar dan ook, welk een humor zit in dit werk. Men lette eens op die prachtige condoleantie-scènes, als 'n tante is gestorven: eerst het condoleeren door Leentje, een der dienstmeisjes. "Wel gecondoleerd," zegt zij deftig, en Evatje studeert gauw het vreemde woord in, om het straks tot de ooms en tantes te kunnen zeggen! Daarna Eva's genoegen als ze merkt, dat haar vrijertje Piet Erckelens het woord ook zoo goed weet te gebruiken. Maar dan dit: Charles, die al het heele sterfgeval vergeten is, speelt met zijn vrienden roovertje, zij hebben zich verdekt achter boomen opgesteld, om den "rijken reiziger in 't eenzame bosch" te overvallen, en Piet, die uit dat eigenaardige, toch touchant-eerzuchtige van kinderen en ... groote menschen, om vooral jegens "hooger geplaatsten" onberispelijke manieren te toonen, overal naar hem loopt te zoeken, om hem te "condoleeren," nadert:

De argelooze Piet naderde meer en meer. Hij zette zijn gezicht zoo ernstig mogelijk. Ja, hij had het wel gedacht: de jongens speelden nergens. Hij was al in den boomgaard geweest, èn bij de vischplaats, èn bij de tuintjes, èn bij het achterhek ... nu zou hij nog eens in den moestuin probeeren.

Hij naderde. Zijn hoofd was een beetje gebogen, en hij spande zich in, de juiste, bij de gelegenheid passende gelaatsuitdrukking te vinden. En ondertusschen loerde Rinaldo Rinaldini achter zijn boom, gereed om zich met blikkerende oogen op z'n slachtoffer te werpen.

Piet hoorde iets. Tenminste hij bleef staan. En op dat oogenblik sprong, tijgerwoest, zijn aanvaller achter een boom vandaan.

—Sta, of ik schiet!... was Charles van plan te schreeuwen. Maar de woorden stokten hem in de keel. Roerloos bleef hij op de plek waar hij stond. En het bloed steeg hem heet naar het hoofd van schaamte en verwarring, want Piet had zijn hand vooruit gestoken, en op somberen toon gezegd:

—Ik condoleer je wel, Arl.

Is het niet voortreffelijk, dat plotselinge ondergaan van Charles' speellust in schaamte en verwarring? Maar vooral het komische van de situatie!... Humor en van de beste soort is er ook in de weergave van het "concert," dat de kinderen voor Juf en de meid geven, en waarop ze in de volle onschuld hunner hartjes, allerlei gemeene straatliedjes beginnen te zingen en er absoluut geen begrip van hebben, waarom Juf ze plots van het podium, een tuintafeltje, trekt en ze met dìt en dàt dreigt, als ze niet ophouden.... O, ik zou u nog zooveel fijngevoelde trekjes kunnen citeeren. Ik zou u wel willen laten zien, hoe voortreffelijk de kinderen in hun onderling zoo verschillenden aard zijn doorvoeld en weergegeven, bij die groote gebeurtenis: het sterven van broêrtje: Adèle's innige smart; Evatje's sluw pogen, bij anderen den indruk te wekken, dat ook zij zoo diep voelt; haar spijt, het maar niet tot schreien te kunnen brengen. Ik zou u even willen toonen de houding van dat geraffineerde coquettetje-in-den-dop, op het kinderbal, als haar cavalier vergeet haar ten dans te komen halen, en vooral, o vooral Adèle's extatisch voelen, "dat er op de hééle wereld geen kind, neen, geen enkel kind bestond, zoo gelukkig als zij," en, na den dood van het door haar zoo hevig geliefde broertje, haar weerzin, als ze hoort, dat er een nieuw kindje komt, dat broertjes plaats zal innemen; haar vermeende haat tegen dat nieuwe kindje! Ik zoude ook wel nader mijne meening willen motiveeren, dat de volwassen menschen niet zóó goed als de kinderen zijn gebeeld, dat met name, hun dialoog niet zoo goed geslaagd is, dat zij te veel betoogen en te redevoeringachtig spreken, dat zij ook té zeer als personages van bijzondere gewichtigheid, bijzonder verstand, en bijzonder gevoel zijn voorgesteld. Het is alsof zij, in plaats van door de schrijfster-zelf, door de hen verheerlijkende kinderen zijn gezien. En ofschoon deze omstandigheid de éénheid van het werk wel versterkt, 't is toch niet goed.... De oorzaak wordt ons klaar, indien we er op letten, dat de grove, zinnelijke Oom Carel beter gebeeld is dan de hoogstaande Alexander en Jeannette, de beide ouders: de schrijfster zich eenmaal volledig ingevoeld hebbend in de levenssfeer der kinderen, werd door de visie van de in reinheid aan kinderen verwante Alexander en Jeannette niet uit de kinderlijke levenssfeer gerukt, zij zag en beeldde hen dus van uit die sfeer; door de visie echter van Carel, die niets met het kinderlijke gemeen heeft, werd zij wel uit het kinderlijke denk-voelen gerukt. Zij zag en beeldde hem dus van uit de sfeer der kunstenares Reyneke van Stuwe. Maar nu zal ik over dit alles niet verder uitweiden, en liever de nog ter behandeling van dit werk beschikbare ruimte gebruiken, om op iets veel gewichtigers uwe aandacht te vestigen. Zooals ge u wel, m'n waarde lezer, uit eigen jeugdjaren herinneren zult: in een kinderleven behoort een sprookjesprins, en, gelùkkig, hij ontbreekt dan ook in het kinderleven van dit boek niet. Wilt ge hem van hier even zien verschijnen? Welnu, zie toe:

Adèle stond wat verder dan de anderen stil te kijken. Het tooneel, nu het duisterder werd, had een vreemde bekoring voor haar. Tegen de klare schemerblauwte der lucht bewogen zich de zwarte figuren der menschen, als de silhouetten van een door ouderdom donkere plaat. Duidelijk teekende zich de kruisboog van het net af tegen den effen hemel. En als het plotseling zwaar werd neergelaten, dan was het opeens, als brak een glad kristal in scherven, die heftig óp-vlogen, en in glinsterend gruis verstoven. Zonder zich bewust te maken, wàt zij zag, en zonder het in zichzelve detailleerend te beschrijven, stond Adèle, en keek, gevangen in den ban van iets geheimzinnigs, iets ongewoons, dat haar met onweerstaanbare macht hield geboeid. Alles was anders[8] voor haar in deze oogenblikken ... al de menschen, die er bezig waren, leken vreemde mannen, in een omgeving, die zij niet kende. De atmosfeer was koel, en onbeweeglijk stonden de boomen en planten-groepen tegen den donkerblauwen schijn van de lucht. En de maan werd grooter en helderder, en wierp witte stralen op de werkzame handen der mannen, en schampte zoo nu en dan een fel-flitsend licht langs het stille, glanzende water.

Het was Adèle, alsof zij droomde. In den grooten prenten-bijbel kende zij de plaat: De wonderbare vischvangst, en ook wonderbaar scheen deze vischvangst haar toe, en het was haar, alsof zij nog nooit te voren het zóó had gezien: het ophalen van het net, met de levende, spartelende massa der over elkaar glippende, kwikzilver-vlugge en flikkerende visschen, waaruit door den Baas, onbeschroomd-tastend, een keus werd gedaan.... En nooit had zij 't nog gezien dat Ruitenburg zoo iets om den adem in te houden vreemds over zich had, als nu hij, met een emmer visch in de hand, zich naar de keuken begaf. Zijn voetstappen knerpten over het grint; zijn breede schouders waren wat naar voren gebogen, en zijn donker, doorgroefd gezicht was in het maanlicht van een strakken plechtigen ernst.

Dit is de Prins van het mystieke levensaanvoelen. Dit is de heilige sprookjes-Prins, die in zijn glorierijk en droome—vlug verschijnen en verdwijnen, de menschen- en de kinderzielen even stil, ademlóós-stil maakt van huiverend geluk, om de zijn oogen en gelaat ontstralende glansen.... Deze bladzij, op een oneindig hooger plan dan het overige van dit werk levend, bevat—'k zeg het zonder "Oostersch-lyrische" overdrijving, in koelen bloede en mij sterk bewust van wat ik zeg—een mystieke visie van een héél diep voelend schilder-visionnair.

Van kind tot kunstenaar il n'y a qu'un pas. En zoo ge schalk genoeg zijt mij hier te vragen, of het diezelfde pas is, welke van het sublieme naar het ridicule voert, ik zal u in vollen ernst antwoorden, dat dit wel en ook niet het geval kan zijn, maar dat het mij althans, immer geviel in kind en kunstenaar een essentiëele gelijkaardigheid te erkennen. Want een kunstenaar, ziet ge, dat is eigenlijk zulk een zonderling en zeldzaam wezen, dat het meest wezenlijke en karakteristieke van het kind-zijn tot zijn dood behoudt. Dat meest wezenlijke en karakteristieke is het vaak en grootendeels passief-zijn van het menschelijk bewustzijn en het zeer actief-zijn van het zoogenaamde Onbewuste, dat ik, elders, het Natuurlijk of Goddelijk Bewustzijn heb genoemd. Vandaar het in onze oogen onbeheerschte en onberekenbare in kinderen en vandaar ook het onbeheerschte en onberekenbare in de handelingen van vele groote kunstenaars; vandaar het ademloos-staren in alleen door hen geziene droomwerelden en het, blind voor het ommeleven, òpgaan in voor hen opdoemende fantasieën door kinderen, èn het, tijdelijk, als werkelijkheid beleven van visioenen en verbeeldingen door kunstenaars.

De parallel zou verder door te voeren zijn, maar ik geloof, dat hij thans ver genoeg getrokken is, om u ook de door mij niet genoemde punten van overeenkomst tusschen kind en kunstenaar te doen gevoelen, en te doen begrijpen, waarom in ònze nuchtere waarneming de verhouding tusschen de beiden somtijds als van het sublieme tot het ridicule wordt: Een kind met houten sabel in de hand en papieren kroon op 't hoofd, zich in volle gemeendheid, zoolang de fantasie duurt, voor een koning of een veldheer te zien houden, ge geniet ervan, óók wijl ge 't sublieme en ongerepte voelt in zoo sterk een verbeeldingsmacht; ja, ik durf, indien ge geen al te saaie brompot zijt, er een lief ding om te verwedden, dat ge, na de eerste verontwaardiging, achter 't handje lacht, als uw aardig zoontje uw ruit voor een vestingpoort heeft aangezien, en er met 'n katapult 'n gat in heeft geschoten, maar—ge behoeft géén brompot te zijn, om een groot kunstenaar, die zichzelf tot iets noch-nie-dagewesenes proclameert, of, om vermeende krenking, uw glazen ingooit, ridicuul en lastig te vinden. En toch—dat alles heeft een zelfde oorzaak: dat kinderen en groote kunstenaars in een oneindig losser verband dan anderen met de "werkelijke" wereld leven, en dat hun lagere persoonlijkheid telkens en telkens weer heftig en hartstochtelijk reageert op de influisteringen en 't voorgetoover van 't "Onbewuste," dat nu eenmaal gewone menschen niets influistert of voortoovert, welke reacties—het zij herhaald—zoo zij zich voltrekken in de samenleving der volwassenen, daar vaak natuurlijk buiten alle redelijke proporties en uiterst zonderling lijken. Men heeft mij onlangs verweten, dat ik meedoe "aan het bijna misdadig werk, den leek te stijven in zijn dwaling, dat koelhoofdigheid, beradenheid en zelfbeheersching "onartistiek" zouden zijn, burgerlijk en nuchter." De schromelijk-onjuiste formuleering der beschuldiging daargelaten, wil ik wèl even zeggen, dat ik mij toen voelde—en dat zal nu ieder begrijpelijk zijn—als die ongelukkige barbier van zekeren Kalief, die dien vorst onder het scheren verteld hebbend, dat een veldslag door de Ottomaansche legers verloren was, onmiddellijk door den Grooten Heer over de kling werd gejaagd. Helaas—ik houd van Turken!—ook het verhaal van dien barbier was geen dwaling, maar de onschuldige verteller had den slag toch niet verloren en ik heb toch niet de groote kunstenaars in de wereld geschopt?... Intusschen, niet altijd lijken ons die reacties ridicuul, wij achten ze soms ook wel van grootschen aard, al kan onze nuchterheid zich ook dan niet weerhouden, tegelijkertijd iets als "Don Quichottisch" te mompelen. Men denke bijv., om ons tot een voorbeeld uit de literatuur te bepalen, aan de vrij zuiver uit zijn kunstenaarsaard voortvloeiende weigering van Cyrano de Bergerac, om de gunst van den almachtigen kardinaal de Richelieu te winnen, door gehoorzaampjes de wijzigingen te aanvaarden, die deze in Cyrano's tragedie mocht wenschen aan te brengen. Ook zulk een daad wordt natuurlijk door ieder braaf burger eene krankzinnige extravagantie geacht, maar hij is zoo genadig haar "mooi" te noemen, ten eerste, omdat zijn glazen er nimmer door kunnen breken—want laat mij u verzekeren, dat dit mooi-vinden hem, achter zijn toonbank weergekeerd, niet zal verhinderen te gnuiven: "Wat die zich daar vergooit ... dat most mijn gebeuren!... gewóón stápel!"...—en ten tweede, omdat hij niet door het leelijk-vinden eener daad, die de materie aan de idée offert, de kans wil loopen te worden aangezien voor iemand, die tot een dergelijk offer niet in staat is....

VAN GOGH-KAULBACH: VOOR TWEE LEVENS.

Ik heb hier nu twee boeken over kunstenaars voor mij liggen: een van Anna van Gogh—Kaulbach, Voor Twee Levens, dat ons een daad laat zien, die, op de boven omschreven wijze, "mooi" gevonden wordt en een van Æg.W. Timmerman, Leo en Gerda, dat ons daden toont, die hinderlijk en ridicuul zijn. Als weerspiegeling van maatschappelijk gebeuren en in den psychischen oorsprong daarvan beschouwd, zal ik nu wel, vermoedelijk, in het voorafgaande over den inhoud van beide voldoende hebben uitgeweid, laat mij dus nu voornamelijk hun waarde als kunstschepping keuren. In Voor twee Levens is in Ada de groote artisten-natuur gebeeld, die, gedwongen door het haar beheerschende Scheppende Vermogen, alle gewoon-menschelijke gevoelens onder den voet loopt. Welnu, ofschoon ernstig in aanmerking nemend, dat niet al het bijwerk even goed gelukt is, dat vooral het boek rustiger had kunnen en moeten geschreven zijn, waardoor, naast de vele uitmuntende beeldende zinnen, enkele cliché-achtige en slordig-globale vermeden waren geworden—is en blijft deze arbeid een geslaagd kunstwerk, omdat een uiterst moeilijke taak: het beelden eener zeer zeldzame uitzonderingsfiguur, met behulp van het naturalistische, dramatisch-plastische werk-procédé er uitstekend in is gelukt. Niet genoeg kan ik de doorvoelings- en voorstellingsmacht roemen, waarmede in Ada, als bij stukjes en beetjes, als door een levende mozaïek-van-vele-kleine-handelingen, het bezeten-zijn van den drang tot scheppen wordt gebeeld. Hoe allervoortreffelijkst is, hoe innig heb ik genoten van die, door treffende waarheid prachtige, uitbeelding van den angst eens kunstenaars voor storing op dat begenadigde oogenblik, dat de scheppingsdaad zich zal voltrekken.... Hoe leeft men daarin mee ... daar geluiden naderende stappen, daar gaat een stem opklinken ... o, even, éven nog ... breek de nervig-bevende en als zich wanhopig-instràlende aandacht niet, vóór zij de nimmer weer zóó terugkeerende visie, gelukkig, heerlijk, buiten zich heeft vertastbaard en vereeuwigd, en, van het zorgelijk-hoeden van zóó broozen schat ontslagen, in een zuchten van geluk zich ontspannen mag.... O, er is nog zooveel fraais in dit boek: de in zijn liefde door Ada teleurgestelde Ru; het voelen van Louise, die als Ada, die alleen voor haar kunst kan leven, van Ru is heengegaan, hem met haar liefde troost.... Maar dàt, de voortreffelijke beelding van den kunstenaarsaard, dàt is de kostbare kern van dit boek, dàt is het bijzondere, waarvoor, naar ik hoop, mèt mij vele lezers, der schrijfster dankbaar zullen zijn.

TIMMERMAN: LEO EN GERDA.

De figuur Leo daarentegen in des heeren Timmermans' boek is van het bohémien-type, van dat type dus, dat gewoon is aan alle, ook de meest-buitensporige, verlangens toe te geven. Maar bij het lezen van al de door hem begane dolheden, bedenke men, dat, wanneer hij beweert, dat hij al die dwaasheden begaat om zich "uit te leven," om "zich frisch te houden," omdat, in een woord, z'n kunstenaarsnatuur daaraan behoefte heeft, dit soms weliswaar niet meer dan een voorwendsel van hem is, maar hij 't meestal wel heilig en waarachtig meent en intuïtief voelt. Afstammeling van een aristocratisch geslacht, móórdend-deftig opgevoed, geest-vermummiënd bewindseld door het kinderachtigst conventioneele in zijn jeugd, weet hij op later leeftijd niet veel anders met zijn vrijheid aan te vangen, dan zooveel mogelijk maatschappelijke ruiten in te gooien, met geen ander wezenlijk resultaat natuurlijk, dan dat hij eigen handen kwetst. Maar ofschoon we dus zijn bohémien-zijn voor een deel op de rekening zijner opvoeding moeten stellen, de schrijver laat ons toch geen oogenblik in onzekerheid, dat het voor het grootste part noodwendig voortvloeit uit Leo's aard, dat wil zeggen: een kunstenaarsaard van zekere soort. En het is een verdienste van den schrijver, dat hij dit kunstenaarsschap zoo goed heeft doen uitkomen; dat hij ons Leo's plots-ernstig streven, midden-in zijn chaotisch en dolzinnig leven, naar ernst en toewijding aan zijn kunst laat zien; dat hij deze figuur zekere fijnheden laat doen en uitspreken, die ons onverklaarbaar zouden schijnen in, wij mogen wel zeggen: een dergelijken woesteling, indien die woesteling niet tevens kunstenaar ware. Gerda, een boerenmeid, uit de omgeving van zijn vaders landhuis, kan zijn hooger kunstenaarsleven niet meeleven, maar des te heviger leeft ze zijn lager kunstenaarsleven, het bohémien-zijn, mede. Al in hun jeugd hebben ze wel eens begeerend naar elkander gekeken. Later, na zijn vaders dood, ontmoet hij haar als een dood-gewone demi-mondaine "op de baan," haalt haar uit een bordeel en trouwt haar ten slotte. Men kan zich ongetwijfeld levendig voorstellen, wat voor dol- en abjectheden er dagelijks uit het samenleven dier beide gedeséquilibreerden voortvloeien. De uitbeelding van dit samenleven is uitstekend gelukt en reeds als men daarop let, voelt men een jammerlijke spijt, dat het boek zoo schromelijk is bedorven door des schrijvers malle en jongensachtige van-leer-trekkerijen tegen dit en dat. Och, och, dat een toch zoo zeer talentvol schrijver als de heer Timmerman, die plastisch, dramatisch en psychologisch zooveel in zijn mars schijnt te hebben, maar niet heeft begrepen dat hij zijn kunst een brevet van onvermogen uitreikt, door telkens en telkens weer allerlei tendenz in ellenlange betoogen en onnatuurlijke dialoog in zijn werk te wringen, in stede van zijne beeldingen—gelijk het leven zelf—door hun wijze van zijn, natuurlijk voortvloeiend uit hun aarden uit de omstandigheden, vóór of tégen iets, al naar de lezersgeest hen opvangt en verwerkt, van zelf en zelf een of andere meening te laten suggereeren of bewijzen. Want welken anderen indruk kan iemand, die als een suppoosterige museum-gids bij eigen werk staat te oreeren, wekken, dan die, dat hij voelt, dat 't werk-zelf niet sprékend-leeft?! Ook: hoe overladen is het daardoor geworden, hoe bultig-gedisproportionneerd. Het is of al de ervaringen, of al de meeningen, al de haat en al de liefde, in een lang leven gegaard en gekoesterd, in dit eene boek chaotisch-ziedend-en-worstelend moesten worden uitgestort! Maar het samenleven van Leo en Gerda, hoe goed ook, is nog niet eens het beste in het boek. Het beste is vervat in het eerste hoofdstuk.

Er is daar in de schildering van de verhouding tusschen Gerda en haar vader, wiens half-onbewust sexueel begeeren naar haar, zijn dochter, deze, uit haat tegen hem, aanwakkert, door hem telkens en telkens weer, op grof-zinnelijke wijze te prikkelen—er is daar een epische zwier en tegelijkertijd een meesterlijke ingetogenheid in het aanduiden der verhoudingen en van het innerlijk gebeuren, die een kunstenaarsmacht van héél hoogen rang aanduiden. Die voortreffelijkheid van het eerste hoofdstuk keert in het heele boek niet weer. En wie zou niet vermoeden, dat zelfs deze daling, van het uitstekende naar het goede, veroorzaakt wordt door den jongensachtigen strijdlust, die vaardig wordt over den schrijver. Even weldoend als het moet zijn, een mensch met zulk een jeugdig hart, zulk een oprechten en edelen geest, als de heer Timmerman klaarblijkelijk is, onder zijn vrienden te mogen rekenen, even bedroevend is het, zulk een mensch zich, met al zijn impulsen, trots dier noblesse, in het werk van het door hem zich uitende Scheppend Vermogen te zien dringen en dat zoodoende verminken, welk te bejammeren bedrijf dan ook ten slotte op het eind van het werk uitloopt in een soort fotografie-realisme, dat niet schroomt, in eene hen ten slotte weinig flatteerende apotheose sommigen van de mannen-van-'80 ten tooneele te voeren! Ik kan mij niet voorstellen, dat eenig lezer van smaak blijde is, hier gepromoveerd te worden tot den spreekwoordelijken valet, die nu eenmaal gedoemd is groote mannen in kamerjapon te zien....—En, nu ik, vóór te eindigen, nog even dralend en keurend terugzie over dit opstel, dat door bijzondere omstandigheden al te vluchtig moest worden geschreven maar waarin het mij toch tot mijn genoegen was gegeven, niet alleen over de kunstwaarde van drie ernstige werken te spreken, maar ook sommige mijner lezers, naar ik mij vlei, naar aanleiding van die werken te hebben doen doorvoelen, dat het Scheppend Bewustzijn de lagere persoonlijkheid én van kinderen én van kunstenaars op vrijwel gelijksoortige wijze beïnvloedt—nu voel ik toch de behoefte, nog even mijne meeningen dááromtrent verduidelijkend saam te vatten: dat die beïnvloeding nml. beiden tot buitensporigheden brengt; dat het den eersten een aan volwassenen vreemde, verrukkelijke en liefde-wekkende bevalligheid verleent en aan de uitstameling hunner blonde droomen dezelfde bekoorlijkheid van menschelijk-onbewust-geschapen rijkdom, die ook kunst bezit, en de laatsten éénerzijds tot groote en lichtende daden van sterke wils- en gevoelsconcentratie, anderzijds tot uitspattingen drijft, alle welke buitensporigheden echter de deugd bezitten van de sleur te breken en den gewonen menschen de oogen te openen voor nauwelijks vermoede hoogere en lagere mogelijkheden, en dus hetzelfde te bewerken, wat een ver afgedwaalde vogel doet, die uitheemsche zaden in een land laat vallen, en ongekende planten daar verwekt....

Maar dat ik juist het werk van den heer Timmerman omhoog moest heffen als een waarschuwing, wàt met het kunstwerk gebeurt, als de lagere persoonlijkheid zich al te roekeloos met de schepping van het Hoogere Bewustzijn moeit, dàt was mij èn om des heeren Timmermans' groot talent èn om zijn klaarblijkelijk zóó edele menschelijkheid, tot een zéér diep leedwezen.—

15 April 1912


BRIEVEN OVER LITERATUUR

IV.

Helaas, datgene, wat ik, schoon wellicht geheel ten onrechte, de noodwendigheid mijner uitingen zou willen noemen, dwingt mij nu, reeds bij den aanvang van dit schrijven den gemoedelijken en kalm-vriendelijken lezer te irriteeren en wellicht af te schrikken met een zoo paradoxaal-klinkende bewering als deze: De alomtegenwoordigheid in de een of andere durende relatie, gesteld nu eens, dat een niet-bovenmenschelijk wezen alomtegenwoordig kòn zijn, zou dat wezen onverbiddelijk verhinderen, roem, waardeering of zelfs genegenheid te verwerven.

Gij, die dit mocht betwijfelen of ontkennen—terwijl ik spreek, keer tot u-zelf in. Luister naar mij en luister naar u-zèlf, te eigener ure.... Ge zult zien dat u dit niet moeilijk vallen zal, want mijne woorden, vertrouw ik, zullen niet anders dan de bewust-makende parafrase en verduidelijkende begeleiding ùwer gedachten zijn.

Dus: waarom dan zoude de alomtegenwoordigheid haren grooten, niet bovenmenschelijken bezitter verhinderen roem, waardeering en genegenheid te verwerven? Gij weifelt: omdat de nijd ... maar waarmee gij—en hier ziet gij oprecht vragend op—toch waarlijk niet behept zijt?!... Och neen, en ge weet het nu zelf op dezen oogenblik: zijn wij niet ook liefdevoller dan wij-zelf meestal denken?... O, het is iets veel ergers dan de nijd! En voeldet ge niet al het weten, wàt het is, naderen, toen ik zei, dat wij ook liefdevoller zijn dan wij-zelf denken?... Het is: omdat er zelfgeringschatting ligt op den grond onzer zielen! Neen, dàt wisten we nooit of zelden, en hoe zouden wij ook? Wij wilden het immers niet weten. Hadden ook onze moralisten ons niet altijd geleerd—ons daardoor steunend in het al meer ònbewust wordend zelfbedrog—dat hoogmoed en zelfoverschatting de vergiften zijn, die ons verwoesten? Hoe zouden wij dan het weten vermeesterd hebben, dat integendeel zelfgeringachting het lijkig-blauwende aardgas is, dat opstijgend de plantwortels in onze landen vermoordt, zoodat we van koren, bloemen noch geuren genieten! Want geen andere dan zelfgeringschatting is het, die ons twijfelend laat staan tegenover een groote van onzen tijd, van ons land, die ons de handen smachtend naar andere tijden en andere landen laat strekken. En geen andere dan diezelfde geringschatting ontneemt ons het heerlijke geloof, dat in onzen tijd, in ons geslacht, in ons land, als een evenmensch met ons verkeerend, een Groote leven kan. Daarom is het spreekwoord: Geen profeet wordt in zijn eigen land geëerd, een waarheid: De zelfgeringschatting staat niet toe te gelooven, dat het eigen land een profeet kan voortbrengen! En daarom zou een alomtegenwoordige Groote nergens worden geëerd!

Maar hier ziet gij op, schudt het hoofd en beduidt mij niet onduidelijk, dat indien al de bijkomende overwegingen niet van eenige waarde ontbloot mochten zijn, mijne primaire bewering, schoon tevens beargumenteerde conclusie geworden, geenerlei practisch belang heeft, want er bestaat geen niet-bovenmenschelijk wezen, dat alomtegenwoordig zou zijn!

Maar ach, dit is 'n schromelijke vergissing van u, mijn waarde lezer! Is het u dan nooit opgevallen, dat het Joodsche Volk, dat een Groote is, tevens zulk een alomtegenwoordig wezen is? Trek alle landen door en overal zult ge het ontmoeten, en wat er ook verwaasd moge zijn, uit alle historische tijden zien u zijn zelfde zorgenvolle oogen en verweerde gelaat aan.... Israël is ieders tijd- en ieders landgenoot.... Daarom is het nergens en nooit geëerd en geliefd met de liefde en den eerbied, die hem toekomen. En wat hem daarvan onthouden wordt, daar minder, ginds weer meer, wat iéderen Groote, in welken tijd en in welk land ook levend, daarvan in dien tijd en in dat land onthouden wordt—is altijd evenredig aan het gebrek aan zelfachting en zelfvertrouwen van hen, die hem moesten eeren en liefhebben. Want luister! Zooals de betrekkelijk schaarsche bewondering voor tijd- of landgenootelijke Grooten niets anders is, in zekeren zin, dan de veruiterlijking der innerlijke zelfhoogachting, het kunnen-gelooven aan met hen verwante grootheid der schaarsche hoogstaanden, zoo is de cynische twijfel tegenover die Grooten niets anders dan de weerspiegeling van de zelfgeringschatting der middelmatigen, het twijfelen aan de mogelijkheid van bestaan van aan hen verwante grootheid, en zóó, ten slotte, is de haat tegen en verachting van zulk een Groote—en ge ziet in het antisemitisme van het hooligan-type het zuiverst beeld van zulk een haat!—anders dan de uitgebraakte zelfverachting der verdierlijkten, het onmogelijk kunnen gelooven aan op eenigerlei wijze met hen in aanraking zijnde grootheid, en het dáárom tegelijkertijd haten èn verachten als gehuichelde en geüsurpeerde meerderheid, 't geen inderdaad werkelijke en rechtmatige meerderheid is, en die zij als zoodanig doorvoeld, alleen geháát zouden hebben.

De Literatuur, we weten het, heeft wonderen van vlijm-hoonende ironie, van monsterlijk-groteske, in den snik-lach om zich-zelf zich schaamteloos-wentelende gedrochten voortgebracht, máár—het allerbeste behield de Natuur zich-zelf ten dienste harer onmiddellijke scheppingen voor: deze antisemieten van het hooligan-type vooral, maar niet alleen, zij zijn onovertrefbaar van gedrochtelijkheid, een charge lijken zij, een overdrijving, zij zijn onwaarschijnlijk en onwezenlijk van alleruitmuntendste wezenlijkheid! En die heele bende pogromhelden, deze Kischinewsche en Homelsche vrouwenwurgers en kinderverkrachters, met den allerchristelijksten Czaar-paus-vredestichter tot beschermheer, die hun slachtoffers verachten en niet weten, dat zij niet anders dan zelfverachting braken!... Dàt staat hoog boven alles uit, pràchtig stinkend-van-walgelijkheid en oogenvonkelend, snoet-roodend en wijdmuilend van bestiaal-zinnelijke, hik-lachende belachelijkheid.

Gij, Hollander, zult niet vragen, schaamteloos-onverschillig als de zonen van menig ander volk, waarom ik ú dit vertel; gij, die slechts aan zelfgeringschatting lijdt en geen zelfverachting voelt noch behoeft te voelen; gij, landgenoot van Surenhuys en Basnage en die bevallige Joffers en edele Heeren, die uit een zachte liefde jegens de oude cultuur eener groote natie, de Hebreeuwsche literatuur vereerden, o ik weet het en wensch hun sentiment te onder- noch te overschatten: zoo ongeveer wellicht op dezelfde wijze, waarop een Fransch edelman de verweeuwde vriendin zijner jeugd nog elken dag bezoekt en weemoediglijk zacht causeert en haar lieve en bevallige geschenkjes met bescheiden glimlach en hoofsche buiging biedt. Al weet ik óók: die tijd is lang voorbij, en al is het mij niet verholen, dat gij, hun nakomelingen, niet vrij zijt, hier en daar, van een zeker ras-antagonisme.... En bovendien: hoe ver staat gij in uw modern leven van al die speelsche bevalligheidjes af: een Tesselschade aardige klassiek-Hebreeuwsche briefjes aan hare vriendinnen over het huishouden en de edele kookkunst schrijvend!... Maar toch, wat ook gij wel weet en van welk weten gij u naar ik hoop niet ver zult houden, is: dat Spinoza uw grootste wijsgeer, Israëls een uwer grootste schilders, en Querido thans, onbetwijfelbaar, uw grootste epicus is en dus.... Neen, zeker ... ik ben overtuigd, gij hebt aandachtig geluisterd, terwijl ik u sprak van dat volk, dat u zooveel heeft geboden, en zult voortgaan met niet minder aandachtig te luisteren, al spreek ik dezen keer over niets anders dan over werk van zonen van dat volk.

Het literaire genie der Joden schijnt mij tot voor betrekkelijk weinig decenniën overheerschend meditatief-lyrisch te zijn geweest; hun episch vermogen—de tijdvakken, die den Bijbel uit zich hebben omhoog gestuwd, buiten beschouwing gelaten—vrij wel latent; hun plastiek niet sterk, zelfs de plastiek van Salomo's onvergelijkelijk Lied der Liederen wordt geschaadt en ernstig verzwakt door de tendentieuse beeldvorming eener bedoelingsvolle allegoriek. En ik heb zoo'n stil vermoeden, voor 't eerst nu ruchtbaar gemaakt, dat Mozes, behalve een geniaal wetgever, ook een uitstekend kunst-beoordeelaar bleek te zijn, toen hij het gouden kalf verbrandde! Maar, helaas, welk een onvoorzichtigheid tevens beging hij daar mee. Het schijnt of men maar geen vrede met dit genadeloos afbrekend oordeel hebben kon! Men moest en zou bewijzen wel degelijk in staat te zijn gouden kalveren van de allerbeste kwaliteit en natuur-getrouwe allure voort te brengen.... En met welk een succes!... De Rotschilds en de Hirschen, wie zou het hoofd niet voor hen buigen, zelfs nadat ze door de Morgans, de Rockefellers en hoe al die andere onbaatzuchtige artiesten verder mogen heeten, overvleugeld zijn. En wat zeg ik: overvleugeld! Dat zit nog! Denk eens aan die prachtige groep: Het Gouden Kalf bevuilend zijn eigen Stal, eenige jaren geleden door een russophil, joodsch bankier, in vrije uurtjes van kunstlievigheid en inspiratie gewrocht.... O, dat was om op de knieën te vallen!... Och, of Mozes nog geleefd hadde! Zoude hij ditmaal instede van het kunstwerk niet den kunstenaar hebben verbrand, om voor goed te verhinderen, dat deze zich wellicht in de toekomst aan een noodzakelijk-mindere, hem-zelf en zijn werk schadende herhaling zou te buiten gaan? Inderdaad, ik mag zeggen, dat het antwoord zoo makkelijk te geven als de vraag te verstaan is! Maar Mozes leeft niet meer, en welbeschouwd is dat ook goed, want het moet niet aangenaam zijn, een groot man iets overbodigs te zien doen. Want nu in ernst, zoo blijde, als deze scherts bitter was: dat uitschot van mijn volk—maar ik wensch nu verstaan te hebben, dat ik hier alleen spreek van die tijdens de jodenvervolgingen en revolutie aan Rusland geldschietende Joodsche ellendelingen—deze verkoopers van hun broers, verloochenaars van hun ras, deze verzwijnden in den afval der vreemde maatschappijen, hoe zijn zij weggedrongen door de kinderen der Jesaja's en Jeremia's, door de nieuwe profeten zoowel van de vertroosting als het leed! Er is in de jonge Joden, in deze geheele, nu opgebloeide generatie van jonge dichters en schrijvers, met de melancholie van het ghetto of de hoop op renaissance—meest met beiden!—in hun hart, geen eerbied meer voor het geld om het geld, geen eerbied ook meer voor autoritaire tradities: van een heilige aandacht vol, hebben zij zich diep gebogen over de natuur, hun volk en hun ziel, en zoo zij hun blikken wenden van deze trits, het is alleen om in een óver-huiverend gevoel van geluk te zien naar de wondere Aronsstaf in hun hand, die, voorlang tot 'n dor hout geworden, nu in geurende bloemen ontluikt. Want ze weten het, zij zijn het, die hem doen bloeien, daar de mystieke zegen der natuur èn van hun volk èn van hun eigen ziel, hem uit hun handen en gelaat bestraalt. Die Aronsstaf, mijn lezer—gij zoudt het reeds begrepen hebben, zoo ge het boek van Dr. Slousch, waarover ik nu ga spreken, gelezen hadt—die Aronsstaf is de verjongd-uitbottende Hebreeuwsche taal!

DR. SLOUSCH: LA POÉSIE LYRIQUE HÉBRAÏQUE.

Het, de nieuwe Hebreeuwsche lyriek (1882—1910) behandelende, boek van dezen geleerden, met een zeer fijne critische intuïtie begaafden Sorbonne-docent, waardeer ik niet zoozeer om eenige bijzondere kwaliteit der literaire analyse, die te zeer op het tweede plan teruggedrongen is, om een definitief oordeel over het analytisch vermogen van den auteur mogelijk te maken, maar voornamelijk om de volgende redenen: het meesterschap over de stof, het met strak en vast gebaar aangeven van de groote ontwikkelingslijn, en het aanwenden van meer moderne literair-critische methoden op eene literatuur, die zelden of nooit door een beoordeelaar zonder religieuzen bril bekeken is. Dat vooral maakt een alleraangenaamsten, buitengewoon prettigen indruk. Máár—volkomen geëmancipeerd van alle kerkelijke gedachten-dwang als Slousch mij lijkt, is hij dan ook aan de dezen geestestoestand soms begeleidende euvelen niet ontkomen. Een enkel maal is hij "erge" nieuwlichterlijkheid schromelijk onjuist en onrechtvaardig. Zoo, sprekend van den door hem als groot geprezen Saül Tchernikhovsky, zegt hij: