Pagode te Bhatgaon.

Pagode te Bhatgaon.

De regels en bepalingen, die het kastenwezen in stand houden, missen onder het engelsche bestuur alle legale sanctie; maar zoodanige sanctie is ook niet noodig: het door de eeuwenoude traditie gewijde en overgeleverde stelsel is zoo diep in de gemoederen geworteld, zoo geheel in het leven ingeweven, dat niemand daartegen in verzet komt. De gronddenkbeelden, waarop het stelsel rust, zijn in merg en bloed der Hindoes overgegaan; zij worden met hen geboren en beheerschen al hun denken en gevoelen. Een Hindoe zou liever sterven dan de wet zijner kaste schenden. Een magistraatspersoon aan de kust van Orissa verzekerde mij, dat tijdens den jongsten hongersnood, duizenden inwoners dier streek van honger gestorven zijn, omdat zij geen rijst wilden aannemen die door Europeanen was toebereid. Zij die, door honger gedwongen, eindelijk deze spijs gebruikten, vormden nu eene nieuwe kaste, waarvan de leden wederom slechts met en onder elkander kunnen eten en trouwen. Toen de indische regeering het plan vormde om inlandsche troepen naar Soedan te zenden, was een van de moeilijkste en lastigste vraagstukken dit: hoe men elk regiment van den noodigen voorraad en het noodige materieel zou voorzien, zoodat de soldaten van de verschillende kasten afzonderlijk hunne spijzen konden bereiden en afzonderlijk eten. Ik bevond mij destijds in Hindostan, en men behoefde slechts een oog in de dagbladen te slaan, om te bespeuren, hoezeer deze vraag de gemoederen bezig hield. Een verzuim op dit allerbelangrijkst punt zou de ernstigste gevolgen kunnen hebben: was niet eene dergelijke nalatigheid, indien al niet de oorzaak, dan toch stellig de aanleiding tot dien geduchten opstand der sipayers, die Engeland bijna op het verlies van zijn indisch rijk was te staan gekomen?

Soldaten in Nepâl.

Soldaten in Nepâl.

Door zeer verschillende oorzaken, die wij niet allen kunnen opnoemen, kan iemand zijne kaste verliezen; daaronder is een der voornaamste het aannemen van spijs en drank, al ware het ook slechts een glas water, uit handen van iemand van lager kaste. Toen Jang Bahadoer van zijne reis naar Engeland in Nepal was teruggekeerd, ware hij bijna gevallen als het slachtoffer eener samenzwering, die voornamelijk hierin haar grond had dat, aangezien hij met vreemden had moeten eten, hij zijne kaste verloren had.

Het kastenwezen is in Indië zoo machtig, zoo zeer saamgeweven met het denken en gevoelen, het geheele leven des volks, dat alle veroveraars het onaangetast hebben gelaten niet slechts, maar ook zelven zijn invloed ondergaan. De Muzelmannen hebben het in de praktijk, in meerdere of mindere mate overgenomen, hoewel het in strijd is met de eerste beginselen hunner godsdienst. Ook de Engelschen hebben het overgenomen, en dat wel in veel sterker mate dan een oppervlakkig beschouwer der indische toestanden wel meenen zou. Ongetwijfeld hebben zij het beginsel niet in hunne wetboeken geschreven; maar de engelsche maatschappij vormt metterdaad eene niet minder streng afgesloten kaste dan eenige andere in Hindostan. Even als de leden van andere kasten, eten en huwen zij uitsluitend met en onder elkander. De tijd ligt verre achter ons, waarin engelsche ambtenaren inlandsche vrouwen trouwden. De Europeaan die zulk eene verbintenis aangaat,—een uiterst zeldzaam voorkomend geval,—wordt door de maatschappij in den ban gedaan en vindt alle deuren voor zich gesloten. Een gewoon soldaat zou zich door zulk een huwelijk onteerd achten. “Zoudt gij een uwer manschappen vergunnen, eene hindoesche vrouw te trouwen?” vroeg ik eens aan een engelsch kolonel, met wien ik te Benares dineerde.—“Ik zou het hem niet kunnen beletten, antwoordde hij, omdat de wet het niet verbiedt; maar ik geloof niet dat het een mijner manschappen ooit in de gedachte zal komen, zulk eene vergunning te vragen.”

Deze volstrekte scheiding tusschen de nieuwe veroveraars en het volk dagteekent eerst uit den laatsten tijd; vóór een dertig, veertig jaar waren huwelijken tusschen de beide rassen volstrekt niet zeldzaam. Het gevolg echter van deze verbintenissen was het ontstaan van eene anglo-indische, zoogenaamd eurasiaansche bevolking, die al de gebreken der Hindoes heeft, zonder de deugden der Engelschen te hebben geërfd: een ras zonder traditie, zonder geschiedenis, zonder moraliteit, dat door Europeanen en Hindoes beiden even diep wordt veracht. Daar zij eigenlijk geene plaats in de maatschappij heeft, zou deze bevolking een ernstig gevaar voor de indische regeering kunnen worden, indien zij niet onverbiddelijk tot wegkwijnen en uitsterven scheen gedoemd.

Het verkeerde en verderfelijke van zulke verbintenissen—dat de Ariërs oudtijds zeer goed hadden begrepen en dat bij hen den grondslag legde voor hun kastenwezen,—hebben ook de Engelschen op hunne beurt eindelijk leeren inzien; en aangezien dezelfde oorzaken steeds dezelfde gevolgen hebben, zijn ook zij, ondanks hun humanitaire theorieën en al schreven zij haar niet in hunne wet, feitelijk moeten komen tot die volstrekte scheiding tusschen het heerschende en het onderworpen ras, die eene onvermijdelijke anthropologische noodzakelijkheid schijnt te zijn, wanneer de twee rassen onderling te veel verschillen. Zoo is er tusschen de beide volken een kloof ontstaan, die de Engelschen door alle middelen trachten in stand te houden en onoverkoombaar te maken. In alle groote steden van Indië is de europeesche wijk, het kantonnement, zooals het heet, op vrij grooten afstand gelegen van de inlandsche stad, en niet dan bij uitzondering zal men in deze laatste Europeanen ontmoeten. Zelfs op de spoorwegen zijn de Europeanen en de inlanders volkomen gescheiden. Zeer zeker hebben de inboorlingen, althans in theorie, evenzeer recht als de Engelschen op het bekleeden van de hoogste ambten, en sommigen brengen het ook inderdaad zoover, vooral in de rechterlijke macht; maar ook dan bepaalt zich de aanraking tusschen beide klassen tot het ambtelijk en officieel verkeer. De europeesche maatschappij blijft ook voor hen onverbiddelijk gesloten. Vooral ten aanzien van de ongelukkige Eurasiërs, de bastaardteelt van Europeanen en Hindoes, laat het kastenvooroordeel zich in al zijne strengheid gelden. Mij zijn te Parijs portugeesche bankiers, met hindoesch bloed in de aderen, bekend, die daar in alle salons ontvangen worden, en die, in Hindostan, buiten de twee of drie half-europeesche metropolen, nimmer aan eene engelsche tafel zouden worden toegelaten, ja zelfs niet in tegenwoordigheid van een Engelschman zouden mogen gaan zitten.

Ik ben niet geroepen om over dit stelsel een oordeel te vellen, maar bepaal mij eenvoudig tot de mededeeling van de door mij waargenomen feiten. Men oordeelt noodzakelijk oppervlakkig en eenzijdig, en dus valsch, wanneer men dergelijke eeuwenoude instellingen uit een bloot theoretisch oogpunt gaat beoordeelen. Zij hebben alle omwentelingen overleefd; en haar macht en invloed moet wel groot zijn, dat zelfs een der beschaafdste volken van de wereld, hoewel in theorie, van den kansel en de tribune, in de pers en in de boeken al dergelijke instellingen veroordeelende, niettemin metterdaad het stelsel onvoorwaardelijk in praktijk brengt. Dit is niet de minst te waardeeren vrucht van het reizen, dat wij leeren begrijpen, dat de volken hunne maatschappelijke en staatkundige instellingen niet naar willekeur kunnen kiezen, maar dat die de noodzakelijke vrucht zijn van de geaardheid, van het ras, van de omgeving, van de historische ontwikkeling. Door hooger dan menschelijke macht bepaald, leidt iedere poging om ze ter zijde te zetten en naar eigen willekeur te vervangen, nooit tot iets anders dan tot verwarring, ontbinding en eindelijk tot ondergang.

Dank zij de afgezonderde ligging van hun land, die hen tegen de muzelmansche overheersching vrijwaarde, en het weren van allen europeeschen invloed, hebben de Nepaleezen hunne eeuwenoude zeden en gewoonten schier ongeschonden bewaard. Vooral geldt dit van de Gorkhas, de afstammelingen van Hindoes, die, om zich aan de mohammedaansche heerschappij te onttrekken, de wijk namen naar de ontoegankelijke valleien van Nepâl.

Het voedsel der Nepaleezen is hetzelfde als in Hindostan, met dit onderscheid evenwel dat het gebruik van vleesch er zeer algemeen is, althans onder de gegoede klasse. Schapen- en geitenvleesch, gevogelte en wild verschijnen dagelijks op tafel. De armsten leven van rijst en eenige groenten. De meest algemeene drank is water, zooals trouwens in geheel Indië. Echter bereidt men ook een alkoholischen drank, rakhi genoemd, die uit rijst en meel wordt gestookt; dronkenschap is evenwel eene hooge uitzondering. Het gebruik van thee, die uit Thibet wordt ingevoerd, is zeer algemeen.—De kleeding der mannen bestaat uit een soort van tuniek of kiel van witte of blauwe katoen. Aan den gordel hangt altijd de geduchte koekhri, een wapen dat bepaaldelijk in Nepâl inheemsch is en dat zoowel wordt gebruikt om hoofden af te houwen, als om hout te hakken en biefstuk te snijden. De vrouwen dragen, behalve de tuniek, nog een jakje. Als alle hindoesche vrouwen, zijn zij overladen met sieraden: halskettingen, armbanden, oorhangers, ringen in den neus, bloemen in het haar, en andere fraaiigheden van dien aard. Zij verschijnen in het openbaar zonder sluier; zelfs zag ik in sommige dorpen winkels, die door vrouwen werden gehouden.

In Nepal bestaat nog de slavernij. Elk vermogend man heeft een groot aantal slaven, die tot zijn huisgezin behooren; men schat hun aantal in het geheele land op minstens veertigduizend. Velen zijn als slaven geboren; maar anderen waren aanvankelijk vrij en zijn wegens een of ander misdrijf, met name wegens overtreding van de wet der kaste, als slaaf verkocht. De prijs van een slaaf bedraagt twee- à driehonderd, die van eene slavin drie- à vierhonderd francs. De slaven worden over het algemeen zeer goed behandeld, en zijn, zoo als trouwens in alle oostersche landen, tevreden met hun lot.

De rechtsbedeeling is in Nepal veel eenvoudiger en veel minder omslachtig en langdradig dan in Europa; daar advokaten hier weinig in tel zijn en men van hunne tusschenkomst in den regel geen gebruik maakt, is het te onderstellen dat de rechtspraak minder dan elders ontaardt in een wedstrijd van behendigheid tusschen spitsvindige debaters. Sedert de hervormingen van Jang Bahadoer wordt de doodstraf alleen voor de volgende misdaden toegepast: doodslag van een mensch of eene koe—vooral van eene koe—verraad en desertie.

De heilige koeien spelen eene zeer gewichtige rol in Nepâl; de koning en zijne ministers worden niet in die mate vereerd als deze dieren. Wie, zelfs onwillekeurig en bij vergissing, eene koe verwondt, wordt gestraft met levenslange gevangenis. De koeien kuieren dan ook ongehinderd rond door de straten, zonder dat iemand het waagt ze aan te raken. De soldaten der lijfwacht, die mij vergezelden wanneer ik de drukke straten van Khatmandoe doorkruiste, deelden, om ruim baan te maken, rechts en links onder de saamgepakte menigte slagen uit; maar wanneer wij eene koe ontmoetten, gingen zij eerbiedig uit den weg. De engelsche gezant vertelde mij eens, dat de eerste minister hem met den meesten nadruk had aanbevolen, alle vijandelijke aanraking met koeien te vermijden. “Een mensch te dooden”, zeide hij, “beteekent in Nepâl niet zoo veel en heeft niet zulke slimme gevolgen; maar mijne macht zou te kort schieten om het leven te redden van iemand die eene koe gedood had.”—Ik begreep toen ook, waarom de engelsche gezant mij, in een zijner brieven, zoo ernstig had gewaarschuwd geen koeien aan te randen of te wonden. Die waarschuwing had mij toen zeer verbaasd, en ik had daarop geantwoord met de stellige verzekering, dat ik, hoewel geen lid van de vereeniging tot bescherming der dieren, nooit in mijn leven eene koe eenig letsel had gedaan. Toch is de waarschuwing in Indië te minder overbodig, omdat de koeien zeer bepaald vijandig gezind zijn jegens de Europeanen.

De familie is hier vrij goed ingericht, althans bij de Gorkhas. De vaderlijke macht is onbeperkt, de moeder wordt door hare kinderen met eerbied bejegend. Ook na hun huwelijk blijven de zonen in het ouderlijk huis, tot de vermeerdering van hun gezin hen noodzaakt eene eigene woning te vestigen. De huwelijksbanden zijn, in tegenstelling van de Gorkhas, die ook in de eerbiediging van het huwelijk hun indischen oorsprong verraden, bij de Newars, in wie het thibetaansche bloed de overhand heeft, zeer zwak en los. Even als bij alle Hindoes, heerscht echter ook bij de Gorkhas de veelwijverij; desniettemin verstaan zij op het punt van huwelijkstrouw geen gekscheren, en boet de overspelige vrouw haar misdaad met levenslange kerkerstraf. De vrouwen schijnen over het algemeen veel van haar echtgenooten te houden, althans te oordeelen naar het feit, dat nog altijd een aantal weduwen zich met het lijk van haar man laten verbranden. Zelfs Jang Bahadoer is niet geslaagd in zijne poging om dit gebruik af te schaffen; na zijn dood lieten drie zijner vrouwen zich met hem verbranden.

Bij de Newars is de huwelijksband veel losser dan bij de Gorkhas. De vrouw kan van haren man scheiden wanneer zij wil. Zij heeft daartoe niets anders te doen dan een betelnoot onder het hoofdkussen te leggen, waarna zij, zonder verdere formaliteit, de echtelijke woning kan verlaten. Bij dezen stand van zaken is echtbreuk eene kwestie van ondergeschikt belang.