„Het geschiedde gedurende de regeering van den Pharaoh Manakhphre-Siamon, die een weldadig vorst was en onder wiens regeering het land met alle goede dingen overstroomd werd en die de tempels rijkelijk begiftigde, dat de koning van Nubië rustte in het paviljoen van Amen, en een gesprek van drie Aethiopiërs, die achter het huis spraken, afluisterde.
Een van hen sprak op luiden toon en zei onder anderen, dat, indien god Amen hem tegen de vijandschap van den koning van Egypte beschermen wilde, hij over het volk van dat land een tooverformule kon uitspreken, zoodat een groote duisternis heerschen zou en het gedurende 3 dagen en nachten de maan niet zou zien.
De tweede man zei daarop, dat, als Amen hem beschermen wilde, hij zou maken, dat de Pharaoh naar het Negerland gebracht werd en daar, voor het gezicht van het geheele volk, vijfhonderd slagen ontvangen zou; daarna zou hij binnen zes uur naar zijn land teruggebracht kunnen worden.
Hierna sprak de derde man en zei, dat, als Amen hem beschermen wilde, hij over het Egyptische land een verderf zou zenden, voor den tijd van drie jaar. Toen de koning dat hoorde, beval hij, dat deze drie mannen voor hem gebracht werden.
Hij zei tot hen: „Wie uwer beweerde, dat hij kon maken, dat het volk van Egypte de maan, gedurende drie dagen en nachten, niet zou zien!” Zij antwoordden, dat het Horus was, de zoon van Tririt (zeug).
Wederom sprak de koning: „Wie uwer zei, dat hij kon maken, dat de koning van Egypte hierheen gebracht [230]werd?” Zij antwoordden, dat het Horus, de zoon van Tnahsit, (de negerin) was.
Daarop sprak de koning: „Wie uwer beweerde, dat hij over Egypte een verderf zou zenden.” En zij zeiden, dat dit Horus, de zoon van Triphit (de prinses) was.
Daarop verzocht de koning Horus, den zoon van Tnahsit, naderbij te komen en sprak tot hem: „Bij Amen, den stier van Meroe, indien gij dat, wat gij gesproken hebt, vervullen kunt, zult gij rijkelijk beloond worden.”
Horus, de zoon van Tnahsit, vervaardigde daarop een draagbaar en vier dragers, van was. Over dezen sprak hij tooverwoorden uit, ademde over hen en gaf hun leven; ten slotte verzocht hij hen, op weg naar Egypte te gaan en den koning naar dit land mede te brengen, om vijfhonderd slagen met de zweep, voor het gezicht van den Negerkoning, te ontvangen.”
Hier hield Se-Osiris even op, richtte zich tot den Aethiopiër en sprak: „De vloek van Amen valle op U! Zijn de woorden, welke ik sprak, niet in den brief, welken gij in Uw hand houdt, geschreven?” De schelmachtige Aethiopiër boog diep voor hem en zeide: „Zij zijn werkelijk daarin geschreven, Heer!”
Hierna hervatte Se-Osiris het lezen van het tooververhaal:
„Alles geschiedde, zooals Horus, de zoon van Tnahsit, bepaald had. Door tooverkracht werd de Pharaoh naar het Negerland gevoerd en onderging daar vijfhonderd zweepslagen. Hierop werd hij naar Egypte teruggebracht en toen hij den volgenden morgen, in den tempel van Horus, ontwaakte, gevoelde hij hevige pijn, daar zijn lichaam gekneusd was.
Verbijsterd vroeg hij zijn hovelingen, hoe zoo iets in Egypte had kunnen gebeuren. Denkende, dat de koning plotseling waanzinnig geworden was en zich nog over hun gedachten schamend, spraken zij op liefkozende wijze tot hem en zeiden, dat de groote goden zijn smart zouden [231]genezen. Zij vroegen hem tevens de beteekenis van zijn vreemde woorden en plotseling herinnerde hij zich alles, wat hem overkomen was en vertelde dit aan zijn hovelingen.