[Inhoud]

Het Lezen van den Verzegelden Brief.

Hierna gebeurde het eens, dat de Pharaoh Ousimares, in zijn audiëntie-zaal, met de prinsen, de militaire aanvoerders [227]en de edelen van Egypte, ieder volgens zijn rang, gezeten was.

Eén zei tot den Pharaoh: „Hier is een schelm van een Aethiopiër, die gaarne een onderhoud met U zou hebben; hij heeft een verzegelden brief bij zich”. De Pharaoh beval daarop, den man bij zich te brengen.

Toen hij bij den vorst gebracht werd, maakte hij een diepe buiging en sprak: „Hier is een verzegelde brief, welke ik meebracht en ik zou gaarne willen weten, of er onder Uw wijze mannen iemand is, die zijn inhoud lezen kan, zonder de zegels te verbreken. Indien gij, o koning, niemand onder Uw schrijvers en toovenaars hebt, die hiertoe in staat is, zal ik naar Aethiopië, het land der negers, de geschiedenis van Egypte’s mislukking en minderheid meenemen”.

Allen waren verwonderd, toen zij dit hoorden en de omgeving van den koning schreeuwde luid, doch de Pharaoh liet zijn zoon Setne bij zich brengen. Hij kwam terstond, boog zich diep voor den Pharaoh, waarop deze zeide: „Mijn zoon Setne, hebt gij de onbeschaamde woorden van dezen Aethiopiër gehoord?” Tevens herhaalde hij de uitdaging nog eens.

Setne was wel verbaasd, doch antwoordde onmiddellijk: „Groote koning, hoe kan iemand een brief lezen, zonder dat deze voor hem geopend en uitgespreid wordt? Indien gij mij echter tien dagen wilt geven, zal ik hierover nadenken en zal ik doen wat ik kan, om te beletten, dat aan de Negers, de eters van gom, het bericht over Egypte’s minderheid gebracht wordt”. Hierop antwoordde de Pharaoh: „Tien dagen worden u toegestaan, mijn zoon”. Hierop werden den Aethiopiër vertrekken aangewezen en de Pharaoh stond, bedroefd in zijn hart, op en begaf zich, zonder iets genuttigd te hebben, ter ruste.

Ook Setne begaf zich, peinzende en zeer verward, naar zijn legerstede, doch kon den slaap niet vatten. Zijn vrouw, Mahitouaskhit, kwam bij hem en wilde zijn zorgen [228]gaarne deelen, doch hij antwoordde, dat dit niets voor een vrouw was, om deel aan te nemen en dat zij hem niet helpen kon.

Eenigen tijd later kwam zijn zoon Se-Osiris en wenschte te weten, wat zijn vader zoo bezorgd maakte en weder weigerde Setne het aan hem te vertellen, zeggende, dat het niet voor een kind geschikt was. De knaap hield echter vol en ten slotte vertelde Setne hem de uitdaging van den Aethiopiër. Zoodra hij geëindigd had, lachte Se-Osiris en zijn vader vroeg hem naar de reden van zijn vroolijkheid.

„Vader”, antwoordde hij, „ik lach, als ik U daar bedroefd in Uw hart zie zitten, om zulk een nietige oorzaak. Ik zal den brief van den Aethiopiër, zonder het zegel te verbreken, lezen”.

Toen Setne dit hoorde, stond hij onmiddellijk op.

„Welk bewijs kunt gij mij voor Uw bewering geven, mijn zoon”.

Se-Osiris antwoordde: „Mijn vader, ga naar de benedenverdieping van dit huis en neem een boek, dat gij verkiest, van zijn plaats. Ik zal dan het boek, dat gij genomen hebt, lezen, terwijl ik voor U sta”.

Het gebeurde, zooals Se-Osiris gezegd had. Ieder boek, dat zijn vader ter hand nam, las de knaap, zonder dat het geopend werd. Daarna liet Setne geen tijd verloren gaan, om den Pharaoh over alles, wat Se-Osiris gedaan had, in te lichten en zoo verlicht werd het hart van den koning, dat hij een groot feest, ter eere van Setne en diens jongen zoon, liet aanrichten.

Hierop liet de Pharaoh den Aethiopiër roepen. Toen hij de audiëntie-zaal binnengetreden was, werd hij in het midden van allen geplaatst en de jonge Se-Osiris plaatste zich naast hem. Daarna sprak de knaap een verwensching over den man en diens goden uit, indien hij valschelijk zou durven beweren, dat hetgeen hij las, niet het juiste was. Toen de Aethiopiër den knaap zag, knielde hij voor [229]hem, door vrees bevangen. Daarop begon Se-Osiris den brief, zonder dat deze ontzegeld was, te lezen en allen hoorden zijn stem. De woorden van den brief luidden aldus: