[Inhoud]

Een Visioen van Amenti.

Setne vroeg hem daarop, hoe hij dit vervullen kon. Het kind Se-Osiris begon nu woorden uit de tooverboeken op te zeggen, machtige woorden. Hierop nam hij zijn vader bij de hand en geleidde hem naar een onbekende plaats, in de bergen van Memphis.

Hier waren zeven hallen, met menschen van allerlei soort gevuld. Zij gingen door drie van dezen zonder hindernis. Toen zij de vierde binnengingen, zag Setne een massa menschen, die heen en weer snelden en van schrik ineenkrompen, als wezens hen van achter aanvielen; anderen, uitgehongerd, sprongen omhoog, om het voedsel te bereiken, dat boven hen hing, terwijl weer anderen kuilen groeven, om hen te verhinderen hun doel te bereiken.

In de vijfde hal waren eerwaardige schimmen, welke haar eigen en passende plaats gevonden hadden, doch zij, die van misdaden beschuldigd waren, toefden knielend bij de deur, welke onder toezicht van een man stond, die onophoudelijk smeekte en zuchtte. [225]

In de zesde hal zaten de goden van Amenti en beraadslaagden, ieder op zijn plaats, terwijl de deurwachter de zaken afriep. In de zevende hal eindelijk was de groote Osiris, op een gouden troon gezeten, met de diadeem, uit veeren bestaande, gekroond. Aan zijn linkerzijde zat Anubis en aan zijn rechterzijde de god Thoth.

In het midden bevonden zich de schalen, waarop de deugden en ondeugden van de zielen der gestorvenen afgewogen werden, terwijl Thoth het oordeel, dat Anubis uitsprak, opschreef. Zij, wier ondeugden meer wogen dan hun deugden, werden aan Amait, den dienaar van den heer van Amenti, overgegeven; hun zielen en lichamen werden voor altijd vernietigd.

Zij echter, van wie de deugden grooter dan de ondeugden waren, namen hun plaats, onder de schimmen en goden, in, en hun zielen vonden den hemel. Indien, aan den anderen kant, de deugden en ondeugden gelijk waren, werd hij onder de dienaren van Sekerosiris geplaatst.

Setne zag nu bij Osiris iemand, van hoogen rang en in het fijnste linnen gekleed staan. Terwijl Setne zich verwonderde over alles, wat hij in het rijk van Amenti zag, sprak zijn zoon tot hem: „Mijn vader, ziet gij dien hooggeplaatsten man, in fijn linnen gekleed, bij Osiris staan? Herinnert gij u wel dien boer, dien gij uit Memphis zaagt dragen, zonder dat iemand hem vergezelde, terwijl zijn lijk in een mat gewikkeld was? Nu, dat is de man, die thans aan Osiris’ zijde staat! Toen hij naar Amenti kwam en zijn deugden tegen zijn ondeugden af gewogen werden, zie, toen sloeg het gewicht van zijn deugden over! Volgens de beslissing der goden, werden hem alle eerbewijzen, welke het aandeel der rijken zijn, toegewezen en door de wet van Osiris neemt hij zijn plaats onder de geëerden en voornamen in.

Toen de rijke man, dien gij eveneens gezien hebt, gewogen werd, wogen zijn ondeugden zwaarder dan zijn deugden en hij is de man, dien gij zaagt bij de vijfde hal; [226]onder zijn toezicht draait de deur, de man, die luid schreeuwt en jammert. Bij het leven van Osiris, indien ik op aarde tegen u zei: „Moge het lot van den boer liever het uwe zijn, dan dat van den rijken man, dan was het, omdat ik hun lot kende, mijn vader”.

Setne antwoordde hem en sprak: „Mijn zoon Se-Osiris, ontelbare wonderen heb ik in Amenti gezien; zeg mij echter, wat de bedoeling is van die menschen, die wij van schepsels, welke hen trachtten te verslinden, zagen wegijlen en die anderen, die steeds het voedsel trachten te grijpen, dat buiten hun bereik is”6.

Se-Osiris antwoordde hem: „Zij zijn in waarheid, mijn vader, door de goden vervloekt; zij zijn het, die op aarde hun vermogen verspilden en de wezens, die hen zonder ophouden trachten te verslinden, zijn de vrouwen, met wie zij hun leven verwoestten en hun vermogen verspilden en nu hebben zij niets, hoewel zij dag en nacht moeten arbeiden. En zoo is het met allen; zooals zij op aarde geweest zijn, zoo zijn zij in Amenti, in overeenstemming met hun goede en slechte daden. Dit is de onveranderlijke wet van de goden, de wet, welke geen verandering kent en naar welke zich alle menschen schikken moeten, als zij den Hades binnenkomen”.

Hierop keerden Setne en zijn zoon, hand in hand, van de bergen van Memphis terug. Vrees beving Setne om zijn zoon Se-Osiris, daar deze niet antwoordde en daarop sprak hij woorden, welke de geesten van de gestorvenen afweerden. Steeds herinnerde hij zich alles, wat hij gezien en waarover hij zich verwonderd had, doch sprak met niemand hierover. Toen Se-Osiris twaalf jaar oud was, was er geen schrijver of toovenaar in Memphis, die in het lezen van tooverboeken zijns gelijke was.