[Inhoud]

Se-Osiris.

Na een tijd werd een zoon geboren en, in overeenstemming met den droom, werd hij Se-Osiris genoemd. Het kind ontwikkelde zich snel, meer dan de andere kinderen en Setne beminde hem zoo teeder, dat er bijna geen uur voorbijging, of hij zag zijn zoon.

Na verloop van tijd werd hij naar school gezonden, maar spoedig bemerkte men, dat hij meer wist, dan de meester hem leeren kon. Hij begon de toover-papyri met de priesterschrijver in „Het dubbele huis des Levens” van den tempel van Ptah te lezen en zijn geheele omgeving verbaasde zich ten zeerste over hem. Setne was hierover zoo verheugd, dat hij zijn zoon naar den Pharaoh geleidde, naar het feest, opdat alle toovenaars van den koning met hem zouden wedijveren en hun minderheid zouden erkennen.

Op zekeren dag, toen Setne met zijn zoon zich voor het feest gereedmaakte, stegen er buiten luide jammerklachten op en toen Setne van uit het terras van zijn vertrekken uitkeek, zag hij, dat het lijk van een rijk man, onder groote eerbewijzen en luide jammerklachten, naar de bergen gevoerd werd, om begraven te worden. Even later keek hij nog eens naar buiten en zag toen, dat men het lichaam van een landbouwer, in een mat van stroo [224]gehuld, voorbij voerde, zonder dat iemand het vergezelde, om hem te beklagen.

Toen Setne dit zag, riep hij uit: „Bij het leven van Osiris, den god van Amenti, moge ik naar Amenti komen, zooals deze rijke man, geëerd en beklaagd en niet als de landbouwer, alleen en reeds vergeten!”

Toen Se-Osiris dit echter hoorde, zei hij: „Neen, vader, moge het lot van den armen man liever het uwe zijn en niet dat van den rijken man!”

Setne was hierover verbaasd, zelfs beleedigd en schreeuwde: „Zijn dit woorden van een zoon, die zijn vader liefheeft?” Se-Osiris antwoordde hem: „Mijn vader, ik zal hen aan u toonen, ieder op zijn plaats, den landbouwer, die onbeweend is en den rijken man, zoo bejammerd!”