Een derde zoon beweerde, dat hij in ’t geheel niet verhalen uit ver vervlogen tijden verhalen wilde, doch dat hij in staat was, een toovergeschiedenis te vertellen van een man, die in den tegenwoordigen tijd leefde.
Zijn naam was Dedi en hij woonde te Dedsneferu. Hij was 110 jaar en at dagelijks 500 brooden en een groot stuk rundvleesch en dronk een honderd teugen bier. Zoo groot was zijn tooverkunst, dat, als het hoofd van een mensch afgesneden was, Dedi hem het leven kon hergeven. Hij kon verder wilde dieren temmen en kende den plattegrond van het huis van Thoth.
De koning, Khufu, nu wenschte den plattegrond te kennen, daar deze hem misschien bij den bouw van zijn pyramide van dienst kon zijn. Khufu beval terstond zijn zoon, Dedi bij hem te brengen en de prins, wiens naam Hordedef4 was, ging met zijn schip Nijlopwaarts tot de plaats, waar de beroemde toovenaar leefde.
In een draagstoel werd hij naar het huis van Dedi gebracht en dezen vond hij, op een rustbed liggend, bij zijn deur, terwijl hij door zijn dienaren gemasseerd werd.
Hordedef vertelde hem, dat hij van verre gekomen was, om hem naar zijn vader, Khufu, te brengen. Dedi beantwoordde hem met een eervolle begroeting en tezamen gingen zij naar het schip, dat den prins daarheen gevoerd had. Dedi verzocht, hem een boot te geven en tevens, dat [216]zijn jongelingen en boeken hem gebracht zouden worden.
Twee booten werden hem gegeven, waarin dezen geborgen werden en Dedi zelf zat in het schip van den prins. Zonder ongelukken bereikten zij het paleis en hier berichtte Hordedef den koning, dat hij den ouden toovenaar medegebracht had.
De Pharaoh beval, hem terstond bij zich te brengen en toen hij gekomen was, vroeg hij, hoe het kwam, dat hij nooit tevoren van hem gehoord had. Dedi antwoordde: „Hij alleen, die geroepen wordt, komt; de koning roept en zie, ik kom”. Khufu vroeg hem daarop: „Is het waar, wat men u verhaalt, dat gij, als het hoofd van een mensch, of dier, afgesneden is, hen weer in het leven kunt terugroepen?” Dedi antwoordde bevestigend.
De koning wilde daarop een gevangene voor zich laten brengen, doch Dedi verzocht, dat men voor dit doel geen man zou gebruiken en zeide: „Wij hebben hiervoor niet eens een stuk van uw rundvee noodig”.
Men bracht hem hierop een eend en deze werd den kop afgesneden; haar lichaam werd aan den West-kant van de hal gelegd en haar kop aan den Oost-kant. Dedi sprak thans eenige tooverwoorden uit en zie, de kop van den vogel en het lichaam naderden elkaar en vereenigden zich, de eend stond op en kwaakte! Daarna deed hij hetzelfde met een gans en een os.
Khufu, over het succes van deze proeven verheugd, vroeg daarna Dedi, of hij de afmetingen van het Huis van Thoth kende.
De toovenaar antwoordde, dat hij het getal hiervan weliswaar niet kende, doch dat hij wel wist, waar zij waren.
De Pharaoh vroeg toen, of hij de plaats kende, waar zij verborgen waren en hoorde, dat zich in een kamer te Heliopolis, de schetsenkamer genaamd, een kast van slijpsteen bevond, waarin de afbeeldingen verborgen waren, doch Dedi voegde er terstond aan toe: „O koning, niet ik zal u bij dezen brengen”. „Wie zal dan”, vroeg [217]Khufu, „mij daarheen geleiden?” Het antwoord van Dedi luidde: „De oudste van de kinderen van Rud-didet zal u tot hen brengen”. „Wie is Rud-didet?” vroeg Khufu. „Zij is de vrouw van een priester van Ra, heerscher van Sakhebu. Haar drie zonen zijn de zonen van Ra, den god en deze heeft hun beloofd, dat zij over dit geheele land regeeren zullen en dat de oudste hoogepriester in Heliopolis zou worden”.
Op het hooren hiervan, werd het hart van den koning zeer in verwarring gebracht en Dedi, die zag, dat de koning voor de toekomst bevreesd was, sprak tot hem: „Wees niet bevreesd over hetgeen ik gezegd heb, o koning, want uw zoon zal heerschen en diens zoons, voordat de zoons van Rud-didet zullen regeeren; dit kroost van Ra is nog niet geboren!
Khufu gaf daarop den wensch te kennen, den tempel van Ra te bezoeken, wanneer de dammen van het kanaal van Letopolis opengelegd waren en Dedi beloofde, dat de oevers van het kanaal tenminste 4 el water zouden bevatten.
De toovenaar werd daarna in het paleis van Hordedef gehuisvest en dagelijks van 1000 brooden, honderd teugen bier, een os en honderd bossen uien voorzien.