Zooals men verwachten kan, houdt een zeer groot aantal Egyptische verhalen zich met tooverkunsten op. [212]Voornamelijk is dit het geval met den Westcar papyrus, uit plm. 1800 v.C., welke zich thans in het museum te Berlijn bevindt.
Ongelukkigerwijze zijn het begin en einde van het manuscript gebrekkig tot ons gekomen, doch het overblijvende is voldoende, om ons een indruk te geven aangaande den opzet van het geheel.
Het verhaalt dan, hoe Khufu, of Cheops, de bekende stichter van de groote pyramide bij Gizeh, zijn zoons en raadslieden rondom zich verzamelde en hen vroeg, of iemand van hen in staat was, hem een man aan te wijzen, die hem tooververhalen vertellen kon.
Zijn zoon, Khafra, vertelde, dat hij met zulk een verhaal bekend was; dit was uit de dagen van ’s konings voorvader Nebka overgeleverd en behandelde datgene, wat hem overkomen was, toen hij naar den tempel van Ptah van Ankhtaui ging. Op zijn weg naar den tempel, wendde hij zich zijwaarts, om Uba-aner, zijn hoofd-voorlezer te bezoeken. Hij werd door zijn gevolg vergezeld en hieronder bevond zich een page; op dezen werd de vrouw van Uba-aner verliefd en zij zond een dienares naar hem toe, met een kist vol prachtige kleeren ten geschenke. Zij ontmoetten elkaar daarna, in het geheim, in een zomerhuis, of paviljoen, in den tuin van Uba-aner en hier dronken ze wijn en waren vroolijk.
De hofmeester van het huis echter, achtte het zijn plicht, zijn meester over deze dingen in te lichten en Uba-aner, een man in tooverkunst ervaren, besloot zich hierop te wreken.
Hij vroeg om zijn kistje, uit ebbenhout en barnsteen vervaardigd en toen men hem dit gebracht had, maakte hij een krokodil van was, 7 vingers lang en sprak over dezen een tooverformule uit.
Tegen den avond ging de page naar het meer, dat in den tuin was, om een bad te nemen; hierop wierp de hofmeester, volgens de bevelen van zijn meester, den krokodil [213]van was achter hem. Plotseling werd deze een groote krokodil, zeven el lang, opende zijn vreeselijken bek, pakte den page beet en sleurde hem mede naar beneden.
Gedurende dezen tijd had de koning bij Uba-aner vertoefd en na verloop van 7 dagen ging hij weer weg. Toen hij op het punt stond, het huis te verlaten, verzocht Uba-aner hem, te komen zien, welk wonder er plaats gegrepen had. Zij gingen naar den oever van het meer, de voorlezer riep den krokodil en deze rees terstond uit het water op, terwijl hij den page vasthield.
„O koning, sprak Uba-aner, deze krokodil zal alles volbrengen, wat ik wensch”. De koning verzocht, dat het dier naar het water zou terugkeeren, doch Uba-aner tilde den krokodil met zijn hand op en veranderde hem terstond weer in was.
Daarop lichtte hij den koning over het gebeurde tusschen den page en zijn vrouw in en de vorst beval, verontwaardigd, den krokodil, nogmaals den page te grijpen; deze voerde het bevel terstond uit, dook met zijn prooi onder water en verdween voor altijd. Nebka beval verder, dat de vrouw verbrand en haar asch in de rivier gestrooid zou worden.
Khufu schepte zoozeer in dit verhaal behagen, dat hij beval, dat de schim van Nebka met duizend brooden, honderd teugen bier, een os en twee kruiken wierook begiftigd zou worden en dat de ka van Uba-aner één brood, een kruik bier, een kruik wierook en een portie meel zou ontvangen.