In een papyrus, uit den tijd der Ptolemaeën, vinden wij het oude hulpmiddel, een koning te berispen, door hem een passende geschiedenis te vertellen.
De vorst in kwestie was Amasis (plm. 526 v.C.), een pretlievend heerscher, die al te gaarne en te dikwijls zich aan het drinken van een drank, kelebi genaamd, overgaf.
Het geschiedde op zekeren dag, dat hij tot zijn edelen sprak: „Ik heb er veel plezier in, Egyptischen kelebi te drinken”. Zij spraken: „Machtig heerscher, het is moeilijk, Egyptischen kelebi te drinken”. Hij zeide daarop tot hen: „Heeft dat, waarover ik spreek, een slechten smaak?” Zij antwoordden: „Machtig heerscher, laat onze koning doen, waarin hij behagen schept”.
De koning beval hierop: „Laat er Egyptische kelebi naar het meer gebracht worden”; zij deden hierop overeenkomstig den wil van den koning.
De koning wiesch zich daarna met zijn kinderen en er werd hem geen anderen wijn dan kelebi voorgezet. De koning vierde nu met zijn kinderen feest, hij dronk veel wijn, door zijn voorliefde voor den kelebi; op den avond van dien dag, viel de koning bij het meer in slaap, want hij had een rustbank, in een prieël, op den oever van het meer, laten plaatsen.
Toen de morgenschemering aanbrak, kon de koning, door de slaperigheid, tengevolge van het drinkgelag, niet opstaan. Toen er een uur voorbijgegaan was en hij nog [211]niet op kon staan, begonnen de hovelingen te klagen en zeiden: „Kunnen zulke dingen bestaan? Zie, de koning bedrinkt zich, evenals een man uit het volk. Een man uit het volk kan niet bij den koning komen, om over zaken te spreken”.
Daarna gingen de hovelingen naar de plaats, waar de koning lag en zeiden: „O machtige heerscher, welke wensch koestert de koning?” De koning antwoordde: „Het is mijn wensch en genoegen, mijzelf dronken te maken. Is er onder u niemand, die mij een geschiedenis kan vertellen, welke mij uit den slaap kan houden?”
Nu bevond er zich onder de hovelingen een hoog ambtenaar, Peun genaamd; deze kende vele verhalen. Hij ging voor den koning staan en begon aldus te vertellen: „Machtige koning, kent gij de geschiedenis van den jongen zeeman niet? In de dagen van Psammetichus leefde een jong zeeman en deze was gehuwd. Een ander zeeman werd op de vrouw van eerstgenoemden verliefd en zij beantwoordde zijn liefde. Het gebeurde nu, dat de koning hem tot zich riep. Toen het feest voorbij was, beving hem een groote begeerte (hier volgt in den tekst een hiaat) en hij wenschte nogmaals naar den koning te gaan. Hij keerde naar huis terug, wiesch zichzelf met zijn vrouw, doch kon niet als vroeger drinken. Toen het tijd geworden was te gaan slapen, kon hij den slaap niet vatten, vanwege het groote verdriet, dat hem drukte. Daarop vroeg zijn vrouw hem: „Wat is bij u de rivier overkomen?”.….
Het is ten zeerste te bejammeren, dat de rest van den tekst hier ontbreekt en wij niet nauwkeurig kunnen vertellen, op welke wijze het verhaal van datgene, wat koning Psammetichus overkwam, Amasis stichtte.