[Inhoud]

De Fabel van het Hoofd en de Maag.

Romantische verhalen over het Egyptische leven, zooals die, welke zich met koning Rhampsinitus bezighouden en welke men elders in dit boek vindt, komen veelvuldig voor.

Een papyrus, uit plm. 1250 v.C., heeft, als achtergrond, den oorlog tegen de Hyksos en beschrijft een ontmoeting tusschen twee vorsten, die tegen elkander strijden, n.1. Apepi, aanvoerder der Hyksos en Ra-sekenen, den nationalen [209]vorst, die in Boven-Egypte woont. Zij geven raadsels aan elkaar op en van de oplossing hiervan, hangt het lot van één hunner af.

Fabels waren verder in het Nijldal, vanaf een vroeg tijdstip, zeer populair. In het Turijnsch Museum komt een voorbeeld hiervan, dateerende uit plm. 1000 v.C., voor; deze fabel is op kleine tafels geschilderd en bevat het verhaal van het dispuut tusschen het hoofd en de maag.

Het hof der dertig, het hoogste gerechtshof van Egypte, is vergaderd. De maag bepleit het eerst haar zaak, doch hier is het document gebrekkig overgeleverd. Wij bezitten echter het antwoord van het hoofd; dit tracht, door een grooten omhaal van woorden, te bewijzen, dat het de voornaamste bron van het licht is, dat door het geheele huis schittert. Het is het oog, dat ziet, de mond, welke spreekt en de neus, welke ademhaalt. De rest van de verhandeling en de uitspraak zijn ongelukkigerwijze corrupt.

Het is echter belangrijk, met dezen ouden voorvader van de wijd en zijd verspreide fabel van den strijd tusschen de maag en de leden kennis te maken; men denke slechts aan het verhaal van Menenius Agrippa, die deze fabel, in 494 v.C., aan de Romeinsche plebs vertelde, toen deze er over dacht, Rome voor goed te verlaten, als een symbool, wat er zou gebeuren, als zij tot het uiterste vervielen.

Dit is tevens een doorslaand bewijs, dat het populaire verhaal, evenals een wet, een levensadem over verscheidene eeuwen heeft en dat het, in één bepaald land ontstaan, langzamerhand het eigendom van verscheidene andere wordt.

Dikwijls heeft men zelfs willen vaststellen, dat de fabels van Aesopus naar alle waarschijnlijkheid in Egypte ontstaan zijn, daar dit het land der dierenvereering is en het is zeer zeker opmerkelijk, dat in den Leidschen Demotischen papyrus wij de fabel van de dankbare muis en de [210]leeuw, welke in netten verstrikt is, tegenkomen. Deze papyrus dateert echter uit de Christelijke tijdrekening en is waarschijnlijk Grieksch van opzet.

Wij vinden echter geschiedenissen van dieren, welke geheel en al als menschelijke wezens handelen, zich met spelen vermaken, slaags raken, evenals wij in de folklore van barbaarsche volken zien. Lepsius vermoedt, dat de bedoeling van dezen een satirische is.