Een verhaal uit de 12e dynastie, bekend als de geschiedenis van den schipbreukeling, dat bewaard wordt in de Hermitage Verzameling in Petrograd, vormt hiermede een groote tegenstelling.
Een reizend zeeman, die zijn avonturen aan een meerdere vertelt, verzoekt dezen bij den Pharaoh toegelaten te worden. Zijn meester wilde aan de geschiedenis geen geloof slaan, doch de man verzekerde, dat deze de zuivere waarheid bevatte.
Hij vertelde dan, dat hij een contract aangegaan had, om in de mijnen van den koning te werken; hij had zich daarom ingescheept op een vaartuig, dat 150 el lang en [206]40 el breed was, bemand met de beste zeelui uit geheel Egypte; hun harten waren sterk, als van leeuwen en zij waren gewoon ontberingen te lijden.
Zij lachten bij de gedachte aan storm, doch toen zij het land naderden, zie, daar stak een heftige wind op en reusachtige golven beukten het schip. De zeeman pakte een stuk hout beet en dat was niets te vroeg, want het schip verging en alle opvarenden verdronken.
Drie dagen lang dobberde hij op de golven en hierna werd hij op een eiland aan land geworpen; hier kroop hij in de schaduw van eenige struiken, waaraan vijgen en druiven groeiden.
Ook slaagde hij erin, meloenen, bessen en graan te vinden en wist hij visschen en vogels te vangen. Besloten daar een tijd te blijven, groef hij een put, stak een vuur aan en bracht een offer aan de goden.
Plotseling deed een vreeselijk lawaai, dat op het gerommel van den donder geleek, hem uit zijn rustige stemming opschrikken. In den beginne dacht hij, dat dit het lawaai van den storm was, doch eindelijk bemerkte hij, dat de boomen schudden en dat de aarde hevig geschokt werd.
Juist voor hem lag een groote slang, dertig el lang, met een baard van een lengte van twee el; zijn rug was met gouden schubben bedekt en zijn lichaam had een kleur van lapis-lazuli.
Hevig verschrikt, wierp de zeeman zich voor het monster ter aarde; dit keek hem een oogenblik met zijn vreeselijke oogen aan, opende hierop zijn reusachtige kaken en sprak hem alsvolgt aan:
„Wat heeft u naar dit eiland gevoerd, gij nietig wezen? Spreek snel en als gij niet iets bericht, waarvan ik nooit tevoren hoorde, of wat ik nooit tevoren kende, zult gij evenals vuur verdwijnen”.
Zonder dat het den zeeman tijd gaf, om te antwoorden, tilde het hem in zijn bek op, bracht het naar zijn leger [207]en legde hem daar, zonder hem verder kwaad te doen, zacht neer.
Nog eens vroeg de slang hem, welke macht hem naar dit eiland gebracht had en de zeeman, over alle ledematen bevend, vertelde, dat hij schipbreuk had geleden, toen hij op weg was naar de mijnen van den Pharaoh.
Toen de slang dit hoorde, spoorde zij hem aan, goeden moed te houden en niet bevreesd te zijn; God had hem naar een gelukzalig eiland gebracht, waar aan niets gebrek was en alles vol goede gaven was. Binnen vier maanden zou er een schip komen, om hem te halen; dan zou hij naar Egypte terug kunnen keeren en zou hij in zijn eigen stad kunnen sterven. Om hem op te monteren, beschreef het monster hem het geheele eiland.
De bevolking hiervan bestond uit 75 slangen, oude en jonge, en deze wezens leefden in harmonie en overvloed.
De zeeman, van zijn kant, was niets minder vriendelijk en, goed gestemd als hij was, bood hij de slang aan, den Pharaoh de aanwezigheid van en den toestand op het eiland, te verhalen; hij beloofde aan het monster, het persoonlijk offers te zullen brengen, bestaande uit heilige olie, reukwerken en wierook, waarmede men de goden vereerde. Eveneens zou hij ezels voor hem, als offerdieren, slachten, vogels voor hem plukken en hem schepen, vol met schatten uit Egypte, brengen.
Hierop lachte de slang op toegeeflijke en eenigszins minachtende wijze. „Vertel mij niet”, aldus sprak zij, „dat gij rijk zijt aan reukwerken, want ik weet, dat alles slechts gewone wierook is, welke gij hebt. Ik ben vorst van het land Punt en bezit zooveel reukwerk, als ik verlang; laat mij u verder vertellen, dat, als gij van hier vertrokken zijt, gij dit land nooit meer zien zult, want het zal door de golven verzwolgen worden”.
Het schip naderde het eiland op den bepaalden tijd, zooals de slang voorspeld had en de zeeman klom in een boom, om te zien, door welke lieden het bemand was. [208]Toen het de kust naderde, zei de slang hem vaarwel, voorzag hem met gaven, bestaande uit kostbare reukwerken, welriekend hout, cassia, wierook, ivoren slagtanden, apen, bananen, kortom allerlei soort kostbare koopwaren.
Terwijl hij dezen in het schip laadde, vertelde de genius van het eiland hem ten slotte, dat hij binnen twee maanden zijn vrouw en kinderen zou terugzien. De geredde zeeman voer daarna, door Nubië, den Nijl af, naar de residentie van den Pharaoh en het verhaal eindigt met het verzoek van den verteller aan zijn kapitein, hem een geleide te geven, om zich aan den Pharaoh voor te stellen en dezen zijn geschiedenis te verhalen.
Het eiland nu, waar hij schipbreuk geleden had, was dat van de Ka, d.w.z. de Ziel. Zulk een geschiedenis kon in de oogen der Egyptenaren in het geheel niet verbazingwekkend schijnen, daar onder hen zulke romantische verhalen heel gewoon waren. Dezen waren inderdaad zoo menigvuldig en zulke ongerijmde mededeelingen verspreidden zij, dat wij in een papyrus uit Londen, uit plm. 1250 v.C., den spotgeest tegen hen in beweging gebracht vinden; deze bevat het verhaal over een denkbeeldige reis, door Palestina en Phoenicië; het doel hiervan is niet de beschrijving der reis zelf, doch de gekunsteldheid en de ongerijmdheden van de populaire romans uit die dagen belachelijk te maken en te bespotten.