[Inhoud]

Literatuur.

Indien men de bestudeering der Egyptische teksten met een onderzoek van het Boek der Dooden begint en men zich van diens duistere, hoewel schilderachtige, bladzijden tot de rest der nationale literatuur keert, komt men tot ontgoocheling, want het arbeidsveld der Egyptische letteren toont, hoewel het soms heinde en ver verspreid is, een armoede aan vinding en woordenkeus, welke men bij weinig literaturen, hetzij oude, of moderne, aantreft. In de oudste tijden is de stijl, zooals men verwachten kan, eenvoudig, op het banale af, terwijl later een hooge en gewichtige voornaamheid maar al te dikwijls datgene bederft, wat anders verdienstelijk werk had kunnen zijn.

Documenten, van alle denkbare soort, zijn tot ons gekomen, als brieven van zakenmenschen, wettelijke bescheiden, fragmenten van geschiedkundige berichten, [201]magische papyri, verder werken over kunst, theologie en populaire werken, zelfs proza en poëzie.

De meeste standaardwerken, als spreuken, of leerboeken, zooals die, welke men aan Ptah-hotep en Kagemni toeschrijft, schijnen van hoogen ouderdom geweest te zijn en dateeren niet later dan het Midden-Rijk.

De stijl van dezen werd door de meeste schrijvers nagevolgd, evenals de vorm en de kleur van de hieroglyphen en muurschilderingen ijverig door teekenaars en schrijvers gecopieerd werden.

Amenemhat I schreef een boek, dat op Machiavelli’s werk, „de Vorst”, gelijkt; het diende om zijn zoon in de voorschriften van een goed bestuur te onderrichten en de voorschriften van Ani aan zijn erfgenaam droegen hetzelfde kenmerk.

In de Egyptische literatuur vinden wij overeenkomst van woordverbinding, evenals bij de Hebreeuwsche gedichten, en herhalingen zijn gewoon.

Philosophische verhandelingen schijnen, hoewel ze zeldzaam over zijn, eenigszins in trek geweest te zijn en de groote levensraadselen schijnen hierbij in den vorm van een dialoog behandeld te zijn. Een papyrus uit het Midden-Rijk (circa 2500 v.C.), welke zich thans in het Berlijnsch Museum bevindt, wisselt breedvoerig van gedachten over het al dan niet geoorloofd zijn van zelfmoord. De disputeerenden zijn een man en zijn khu, of tweede ik.

De man in quaestie schijnt van zijn bestaan genoeg te hebben en heeft het plan opgevat, zichzelf te dooden. Hij is echter voor de toekomst beducht en schijnt te vreezen, dat zijn lichaam verwaarloosd zal worden.

In dit dilemma richt hij zich tot zijn khu en smeekt hem dringend, voor hem de verplichtingen van een verwant te vervullen. De khu echter weigert botweg dit verzoek en raadt den man aan, zijn verdriet te vergeten en zijn leven zoo gelukkig mogelijk te maken. De khu beweert [202]verder, dat na den dood het geheugen van de gestorvenen spoedig verdwijnt en zelfs monumenten van graniet kunnen dit niet lang bewaren.

De man wijst dezen raad vol bitterheid af en roept uit, dat zijn verwanten hem verlaten hebben en dat zijn naam volkomen veroordeeld is; overal worden de fiere zegepraal en de nederige onderdrukt; de slechten bloeien en algemeen ziet men eerloosheid; rechtvaardige en tevreden menschen zijn er niet. De dood schijnt hem zeer aangenaam toe; in zijn kist zal hij omgeven zijn door myrrhe, hij zal in de koele schaduwen kunnen rusten en offeranden zullen hem gebracht worden.

Na deze uitbarsting weerlegt de khu hem niet langer en verzet zich niet meer tegen de plannen van den man en belooft hem, dat, wanneer hij de rust ingegaan is, hij tot hem zal afdalen en zij tezamen een woonplaats in gereedheid zullen brengen.