[Inhoud]

De Hieroglyphen.

Het oude Egyptische schriftsysteem schijnt naar alle waarschijnlijkheid zuiver inheemsch te zijn. Zijn begin, ontwikkeling en het algeheele verdwijnen, kan binnen het Nijldal zelf nagegaan worden, hoewel dit door verovering, onder de 18e dynastie, tot Syrië doordrong en zelfs nog verder, om de Egyptische inscripties in dat land te graveeren.

Aan den anderen kant hielden sommige schrijvers het voor mogelijk, dat de Phoenicische kooplieden en die uit de Aegeïsche Zee, uit het Egyptische hieratische schrift, het Phoenicische alphabet, ongeveer 1000 v.C., ontwikkeld hebben.

Het hieroglyphisch karakter was oorspronkelijk een beeldenschrift in zijn eenvoudigste gestalte, doch is meer ingewikkeld geworden in den tijd, dat men er het eerst kennis mede maakt, n.l. in inscripties, welke tot de 1e dynastie behooren.

Het onderging weliswaar eenige veranderingen, doch de laatste vorm, welke het aannam, bleef praktisch onveranderd bestaan vanaf de 4e dynastie, tot het in de 4e eeuw n.C. geheel verdween. In dien tijd was alle kennis van de beteekenis der karakters geheel verdwenen en niet voor de ontdekking van den Steen van Rosette1 en de ontcijfering van zijn inscriptie in Grieksch en Egyptisch, kon men eenige vordering in het lezen van hieroglyphenschrift maken.

De teekens zijn van tweeërlei soort, een n.l. welke klanken aanduidt en deze is weer in twee soorten onderverdeeld, n.l. de alphabetische en syllabische, en de andere, welke begrippen voorstelt, de z.g. ideografische. Deze laatsten zijn afbeeldingen van de voorwerpen, waarover men spreekt, welke geplaatst worden achter de phonetisch geschreven woorden, als determinatieve, of [199]typische, symbolen. Deze laatsten bestaan weder uit twee soorten, z.g. generieke, een aanwijzing van één klasse, of specifieke, welke een bijzonder voorwerp aanduiden.

Voor de schikking van den tekst is geen bepaalde regel2. Men leest het van rechts naar links, van links naar rechts, of in kolommen; terwijl het begin daar is, waarheen de vogel- of dierteekens gericht zijn.

Ongeveer 500 teekens gebruikte men. Hieratisch schrift kan men in de 1e dynastie vinden en dit komt het hieroglyphenschrift zeer nabij; doch ten tijde van het Midden-Rijk is deze gelijkenis verloren gegaan.

Het handelstijdvak der 26e dynastie bracht den demotischen vorm meer tot dagelijksch gebruik en vanaf dezen tijd werd het hieratisch schrift voor het copieeren van godsdienstige, overgeleverde teksten gebruikt op papyrus en langzamerhand werd het alleen door de geleerden begrepen, want in den Ptolemaeëntijd werd, ook al werd de tekst van een koninklijk besluit op een zuil gegrift, welke op een publieke plaats moest gezet worden, een vertaling van het uitgevaardigde besluit, in Demotische teekens, er bij gevoegd.

Zuilen met hieroglyphische, Demotische en Grieksche letters, heeft men gevonden en de meest bekenden van dezen zijn het decreet van Canopu, uit den tijd van Ptolemaeus III (247 v.C.) en de Steen van Rosette, welke men stelt in de regeering van Ptolemaeus V Epiphanes, (205 v.C.).

De inscripties van den laatstgenoemden steen verschaften in den afgeloopen eeuw den sleutel van het geheim van het hieroglyphenschrift en herstelden de wetenschap der oude Egyptische taal en literatuur.

Zooals wij gezien hebben, was het hieroglyphisch schrijfsysteem, lang voor het einde der Romeinsche overheersching, [200]in onbruik geraakt en het wijd en zijd verspreide gebruik van het Latijn en Grieksch, onder de aristocratische en beambtenklasse, had het verdwijnen van het Egyptisch, als staatstaal, veroorzaakt.

Dit kwijnde, tegelijk met de bestudeering der hieroglyphen onder de geleerden en priesters in afgelegen districten, doch in de 4e en 5e eeuw n.C. was het verdwenen.

Toen vond men in 1799 de Steen van Rosette, met zijn inscriptie, bestaande uit 14 regels hieroglyphen, 32 regels Demotisch en 54 regels Grieksch. Door vergelijking en ontcijfering van deze lezingen werd het Egyptisch alphabet ontdekt en aldus vond men den leiddraad van de verlorene gegane taal van Egypte.

Aan Akerblad in 1802, Young in 1818 en Champollion in 1822 moet men de eer geven van deze gewichtige ontdekking, welke de wondervolle beschaving, kunst en literatuur van een groot volk voor ons ontsluierde.