De godin Nut was de dochter van Shu en Tefnut, de vrouw van Geb en de moeder van Osiris en Isis, Set en Nephthys. Van tijd tot tijd zijn waarschijnlijk een groot aantal andere godinnen in haar opgegaan.
Zij is echter de personificatie van de lucht, bij dag, terwijl een zekere Naut de lucht van den nacht voorstelt, doch deze onderscheiding dateert van veel vroeger Zij werd in werkelijkheid de tegenhangster van Nu en stelde de groote watermassa, waaruit alle dingen in den beginne ontstonden voor, zoodat Nut, de vrouw van Nu, en Nut, de vrouw van Geb, een en dezelfde zijn. Gewoonlijk stelt men haar als een vrouw voor, die een vaas met water op haar hoofd draagt en dit is een aanwijzing voor haar karakter. Soms draagt zij de horens en schijf van Hathor, doch zij heeft nog verschillende andere gedaanten als de groote moeder van de goden.
Hare meest voorkomende verschijning echter is die van een vrouw, welke op handen en voeten rust, met gebogen lichaam; op deze wijze stelt zij de lucht voor. Haar ledematen zijn een voorstelling van de vier zuilen, op welke men veronderstelde, dat de lucht rustte.
Oorspronkelijk dacht men, dat zij op Geb, de aarde, steunde, toen Shu haar uit deze houding deed oprijzen. Deze mythe is onder de inboorlingen van Amerika niet zeldzaam, in andere gedaante echter, daar de lucht gewoonlijk de plaats inneemt van den oer-vader en de aarde die van oer-moeder. Gewoonlijk worden dezen door de scheppende godheden gescheiden, juist zooals Geb en Nut, en de allegorie is een voorstelling van de scheiding van de aarde en de wateren, welke zich boven haar bevonden en van de schepping der wereld.
Volgens een andere mythe gaf Nut dagelijks het aanschijn aan den zonnegod en deze ging over haar lichaam, dat een voorstelling der lucht is. In een ander verhaal stelt men het voor, dat hij langs haar rug gaat. De ledematen [186]en het lichaam der godin zijn met sterren bezaaid.
Bij een andere schilderachtige beschrijving van Nut zien wij een tweede vrouwelijke gestalte binnen de eerste afgebeeld en in deze laatste weer het lichaam van een man, de twee laatsten in overeenstemming met de halfronde gedaante van de godin der lucht.
Men legt deze afbeeldingen aldus uit, dat de twee vrouwen de lucht van den dag en den nacht voorstellen, doch van het lichaam van den man geeft men zich geen rekenschap; wellicht stelt dat de Duat voor.
Op een andere plaats lezen wij, dat Nut in een groote koe veranderd werd en herhaaldelijk wordt zij in deze gestalte afgebeeld. In het Boek der Dooden lezen wij, dat de gestorvenen zich op haar verlaten, om frissche lucht te krijgen in de onderwereld, daar men geloofde, dat zij over de wateren hiervan de heerschappij voerde.
Zij bezat een heilige boom, een wilde vijgeboom, welke zich te Heliopolis bevond; aan den voet van deze werd de slang Apep door de groote kat Ra gedood. De takken van dezen boom werden als een toevluchtsoord voor de vermoeide gestorvenen, in den middag, gedurende den zomer beschouwd en in de schaduw van dezen werden zij door het voedsel, waarvan de godin zelf leefde, verkwikt.
Door de priesters te Denderah werd verzekerd, dat Nut uit hun stad afkomstig was en dat zij daar de moeder van Isis werd. Haar vijf kinderen, Osiris, Horus, Set, Isis en Nephthys werden op de 5 dagen geboren, welke aan de 360 toegevoegd waren. Evenals in Mexico, waren sommige van dezen ongeluksdagen.
Nut neemt in de onderwereld een voorname plaats in en de dooden dragen er zorg voor, de plichten jegens haar nauwkeurig te vervullen, waarschijnlijk om voldoende lucht te krijgen. Haar gunst vernieuwde inderdaad hun lichamen en zij waren in staat op te staan en iederen dag met den god te reizen, evenals Ra, de zoon van Nut. Een afbeelding van de godin werd dikwijls op het deksel der [187]lijkkist geschilderd, om zich van hare bescherming te verzekeren en dit werd zelden bij de Egyptische begrafenisplechtigheden nagelaten.