Isis werd in zeker opzicht als de tegenhangster van Hapi beschouwd, doch wij vinden eveneens, dat in het Noorden van Egypte de godin Natch-ura als de gezellin van Hapi werd beschouwd en dat Nekhebet, in het Zuiden, dezelfde functie bekleedde.
De volgende Hapi-hymne, in een papyrus, uit den tijd van de 18e of 19e dynastie, doet het gewicht van zijn vereering in Egypte ten duidelijkste uitkomen; deze luidt aldus:
βEer zij U gebracht, U, Hapi, Gij verschijnt in dit land, [184]en Gij komt in Vrede om Egypte het leven te geven. Gij zijt de verborgene, de gids in de duisternis, op den dag, waarop het U aangenaam is, den weg te wijzen. Gij zijt de bevochtiger van de velden, welke Ra geschapen heeft, Gij geeft het leven aan de dieren, gij maakt, dat het geheele land onophoudelijk drinkt, wanneer gij van den hemel afdaalt. Gij zijt de vriend van brood en van Tchabu, gij maakt, dat Nepra in kracht toeneemt, gij maakt iedere werkplaats voorspoedig, o Ptah, gij heer der visschen; wanneer de overstrooming komt, strijkt geen watervogel op de velden, welke met tarwe bezaaid zijn, neer.
Gij zijt de schepper der gerst en gij maakt, dat de tempels in stand blijven, want millioenen jaren is de rust van uw vingers voor U een afschuw. Gij zijt de heer der armen en behoeftigen. Indien gij in den hemel overweldigd zoudt worden, zouden de goden op hun gezicht vallen en menschen zouden omkomen. Gij maakt dat de geheele aarde door het vee geopend wordt en vorsten en landbouwers liggen neer en rusten.
Uw gestalte is die van Khnemu. Wanneer Gij op aarde schijnt, stijgen er kreten van vreugde op, immers iedereen is verheugd en elk krachtig man ontvangt voedsel en ieder land wordt van voedsel voorzien. Gij zijt de brenger van voedsel, gij hebt de macht over eten en drinken, gij zijt de schepper van alle goede dingen, de heer van het hemelsche voedsel, aangenaam en heerlijk. Gij laat het voedsel voor het vee groeien en gij let op datgene, wat aan iederen god geofferd wordt. De uitgezochte wierook volgt U. Gij zijt de beheerscher der twee landen. Gij vult de voorraadschuren, gij stapelt de graanzolders hoog op met koren en gij let op de aangelegenheden van de armen en behoeftigen. Gij laat het gras en de groene kruiden wassen, om de verlangens van allen te stillen en gij wordt daardoor niet verkleind. Gij maakt, dat uw sterkte een schild van den mensch is. [185]