[Inhoud]

De Menschenslachting.

In de volgende mythen over Ra en Hathor wordt de laatste geheel en al met de maangodin geïdentificeerd. Het verhaal luidt aldus:

Lang geleden woonde Ra, de zonnegod, de schepper van den mensch en alle andere wezens, en heerscher over de goden, op aarde. Een tijd lang bewezen de menschen hem den eerbied, aan zijn hooge positie verschuldigd, doch ten slotte werd hij oud, en zij bespotten hem, terwijl zij zeiden: „zie eens, zijn beenderen zijn als zilver, zijn armen lijken op goud, zijn haar is echte lapis-lazuli”. Nu was Ra zeer vertoornd, toen hij deze godslastering hoorde, daarom riep hij zijn volgelingen bijeen, de goden en godinnen van zijn gezelschap, Shu en Tefnut, Geb en Nut en Hathor, het oog van Ra.

In het geheim kwamen de goden samen, zoodat de menschenkinderen niets van hun bijeenkomst weten konden. Toen zij nu allen rondom den troon van Ra verzameld waren, sprak hij tot Nun, den oudste van de goden:

„O Nun, gij eerstgeborene van de goden, wiens zoon ik ben, ik smeek U, geef mij raad. De menschen, die ik geschapen heb, bedenken booze dingen tegen mij, zelfs zij, die uit mijn oog te voorschijn gekomen zijn. Zij hebben in hun haat gemompeld en zeiden: Zie, de koning is [179]oud geworden, zijn beenen lijken op zilver, zijn armen op goud, zijn haar lijkt op werkelijke lapis-lazuli. Zeg mij, wat moet ik tegen hen doen? Ik heb over Uw raad gedacht. Ik wil hen niet vernietigen, voordat gij gesproken hebt”.

Hierop antwoordde Nun:

„O Gij groote God, die grooter zijt, dan hij, die U maakte, Gij, die grooter zijt, dan Uw vader, wend slechts Uw oog tegen hen, als zij godslasteren en zij zullen van de aarde verdwijnen”.

Hierop wendde Ra werkelijk zijn oog naar de lasteraars, overeenkomstig den raad van Nun. De menschen echter vluchtten voor het oog van Ra en verborgen zich in woestijnen en rotsachtige plaatsen. Hierop gaven alle goden en godinnen aan Ra den raad, zijn oog onder de menschen te zenden, om hen op smartelijke wijze te treffen.

Het oog van Ra daalde daarop van den hemel, in de gedaante van de godin Hathor, trof de menschen in de woestijn en doodde hen. Daarop keerde Hathor naar het hof van Ra terug en toen de koning haar verwelkomd had, zeide zij: „Ik ben machtig geweest onder de menschen. Dit is mijn hart aangenaam”.

Den geheelen nacht waadde Sekhmet7 in het bloed van hen, die gedood waren en ’s morgens vreesde Ra, dat Hathor alle nog overigen van het menschelijk geslacht zou vernietigen; daarna sprak hij tot zijn dienaren: „Breng mij snelle boden, die de winden voorbijloopen”.

Toen de boden verschenen waren, verzocht de koning hen een groot aantal alruinen uit Elephantine te halen. Ra gaf dezen daarop aan Sekhmet en verzocht hem, dezen fijn te stampen; toen dit gedaan was, mengde hij de alruinen met een hoeveelheid van het bloed van hen, die Hathor gedood had.

Ondertusschen waren dienstmaagden bezig, bier uit [180]gerst te maken en hierin goot Ra het mengsel. Aldus werden 7000 kruiken bier gemaakt.

Des morgens verzocht Ra zijn dienaren, het bier naar de plaats te brengen, waar Hathor de overgebleven menschen zou trachten te dooden en het daar uit te gieten. Want de godheid zei bij zichzelf: „Ik zal de menschen uit haar handen bevrijden”.

Het gebeurde werkelijk, dat Hathor, tegen de schemering, de plaats bereikte, waar het bier lag, dat de velden overstroomde. Zij verheugde zich zeer over de weerkaatsing van haar schoon gezicht, dat haar uit den stroom toelachte en zooveel dronk zij van het bier, dat zij dronken werd en niet meer in staat was, menschen te dooden.

Vanaf dien tijd werden er, ter herinnering aan deze gebeurtenis, luidruchtige feesten gevierd.

Er is geen twijfel mogelijk, of in deze mythe is het bier een voorstelling van de jaarlijksche overstrooming van den Nijl en als men nog een verder bewijs zoekt dan dit, in deze geschiedenis vervat, kan men dit vinden in het feit, dat de uitgelaten feesten van Hathor, in de maand Thoth, de eerste maand van de overstrooming, vallen.

De wraak van Ra is ongetwijfeld een voorstelling van de rampen en het hongerlijden, dat het drooge seizoen, dat onmiddellijk den was van de rivier voorafgaat, vergezelt. Het oog van Ra—d.w.z. Hathor—moet, of de zon, of de maan zijn. Ra echter is de zonnegod, daarom moet Hathor waarschijnlijk als maangodin opgevat worden,

Men moet er wel aan denken, dat de Egyptenaren geloofden, dat de maan hardnekkig haar best deed de overstrooming te verhinderen en haar dus waarschijnlijk als de bron van alle rampen, welke door de droogte ontstonden, beschouwden. Het is eveneens evident, dat het oog van Ra onder de menschen een verwoesting aanrichtte gedurende den nacht en dat de schemering van den dag aanbrak, nadat de godin de menschen gedood had, toen zij stroomopwaarts ging. [181]