[Inhoud]

Een Aten-hyme.

Gedurende den tijd, dat zijn cultus in Egypte de voornaamste was, werd Aten door zijn vereerders, als de uit zichzelf voortgekomen en altijd durende schepper, de bevruchter en voeder van de aarde en al, wat deze bevat, de god, die de levens der menschen bepaalt, beschouwd.

Aten werd in een lijst afgebeeld, waarin hij genoemd wordt: „Heer van den hemel, Heer der aarde, Hij, die voor altijd leeft, Hij, die de aarde verlicht, Hij, die in waarheid regeert”.

Een buitengewoon schoone en poëtische hymne ter eere van Aten, waarin hij verheerlijkt wordt als de schenker van het leven en de vruchtbaarheid van alle wezens, is in de graftombe van Aï, een hoog ambtenaar, onder Amen-hetep, of Akh-en-Aten, gevonden. Deze hymne begint aldus:

Schoon is Uw schitterende verschijning aan den horizon des hemels,

O Aten, gij, die leeft en zelf het begin van het leven zijt.

Hij is het, die den Nijl in de Duat maakte en hem naar de menschen geleidde, terwijl hij zijn wateren deed rijzen; hij zendt, eveneens den regen naar de landen, welke buiten het bereik van den weldadigen vloed van den Nijl zijn.

Gij maakt den Nijl in de onderwereld, gij geleidt hem hierheen, indien het U lust,

Opdat hij leven kan geven aan de menschen, die gij uit Uzelf gemaakt hebt, Heer over allen!

Gij geeft den Nijl in den hemel, opdat hij naar hen zal afdalen.

Deze laat zijn wateren over de rotsen rijzen, gelijk de zee en hij bevochtigt hun akkers in hun nomen.

Zoo zijn Uw middelen volmaakt, o Heer der Eeuwigheid, Gij, die de hemelsche Nijl zijt.

Gij zijt de koning van de inwoners van het land.

En van het vee, dat in ieder land op voeten gaat,

De Nijl komt uit de onderwereld naar Egypte.

De Aten-hymnen leggen hun god zulke attributen bij, als ieder volk in zijn zonnegod zien kan. Alle opsmuk, welke bij den cultus van Ra, Osiris en dergelijke godheden behoort, is bij hem afwezig. Hier geen vermelding [174]van de schepen, waarmede de goden door den hemel voeren, evenmin van Apep, de groote slang en de andere vijanden van Ra, noch van de gezelschappen van goden en godinnen, die zijn trein vormden.

Bij den Aten-cultus vinden wij geen strijd, zooals bij dien van Horus, noch ontmoeten wij ceremonies en ritueel van het gebied van Osiris. Al deze dingen komen bij den Aten-dienst niet voor. Gemakkelijk begrijpt men, waarom deze dienst mislukte, toen er een beroep op het Egyptische volk gedaan werd.

Aten werd zelfs niet in menschelijke gestalte afgebeeld, zooals Ra en Osiris, doch onveranderlijk als de zonneschijf voorgesteld, terwijl stralen vanuit deze in benedenwaartsche richting vielen. Elke straal eindigde in een menschelijke hand en hieraan waren somtijds de teekenen van het leven, der kracht, enz., vastgehecht.

Reliefs uit dezen tijd schilderen den koning en de koningin herhaaldelijk af, in gezelschap van hun kinderen zittend, terwijl zich boven hun hoofden het symbool van Aten bevindt, en een van zijn talrijke handen het levensteeken van elk lid der koninklijke familie aanduidt.

Kortom, de cultus van Aten was een zuivere en onveranderlijke zonnevereering, van welke men echter de schilderachtige geschiedenis, welke aan het hart der Egyptenaren zoo dierbaar was, had afgenomen.