Eén van de kenmerken van den nieuwen godsdienst was, dat het wezenlijk een monotheisme was en geen andere goden naast zich dulden kon. Daarom was het onmogelijk, ook al waren bepaalde zonnegoden onder gelijke omstandigheden met Ra vereenigd, dat dit bij Aten evenzeer gebeuren kon.
Niet alleen was hij de koning der goden, hij was de god. Dit monotheisme behield echter nog vele vormen en riten van andere eerediensten, paradoxaal als dezen geschenen moeten hebben. De koning behield zijn titel van „zoon der zon” (Aten), terwijl hij zijn Horus- en andere titels met die van Aten ruilde. De begrafenisgebruiken en het gebruik van den scarabaeus bleven bewaard.
De naam van Amen-Ra, waarmede zij vroeger verbonden waren, was overal uitgewischt, op bevel van den koning, zelfs waar deze een deel van een eigennaam vormde. Den tempel, welken de koning voor zijn god in Akhet-Aten bouwde, noemde hij Het-Benben, „het huis van het Pyramidium”. Deze werd echter nooit voltooid.
De godsdienst, welken men het Egyptische volk trachtte op te dringen, vond geenszins een gul onthaal. De godheden, welke zich tot dusver in iedere nome, of provincie, ontwikkeld hadden, hadden ieder hun bijzondere eigenschappen en ritus en elk van dezen moest door de centrale godheid aan zich getrokken worden. Maar, zooals reeds gezegd is, de aard van Aten liet een dergelijke fusie met plaatselijke goden niet toe. Hij was inderdaad een kleurloozer god dan Amen, of Horus.
Het is de moeite waard, de waarschijnlijke motieven [171]van Akh-en-Aten, bij de invoering van dezen nieuwen cultus in Egypte, aan een nadere beschouwing te onderwerpen. Men heeft vermoed, dat de invoering van den Aten-dienst een verlichte, misschien eenigszins misplaatste, poging was om Egypte onder den schepper van één godsdienst, waaraan allen konden deelnemen, te vereenigen en wel een godsdienst, welke niet het cachet van een bepaalde kaste, of een bepaald ras, droeg en bijgevolg voor Syriërs, Aethiopiërs, of Egyptenaren, gelijkelijk aannemelijk zijn kon.
Indien dit zijn doel was, is het duidelijk, dat het Egyptische volk voor deze omwenteling niet gereed was. De krachtige en fanatieke maatregelen van Akh-en-Aten verzwakten zijn eigen oogmerken en verwekten wantrouwen en haat tegen deze Aten-ketterij.