Aten, de zonneschijf, vertegenwoordigt in de Egyptische mythologie een klasse op zichzelf. Hoewel hij oppervlakkig beschouwd eenige kenmerkende eigenschappen met andere zonnegoden van Egypte gemeen heeft, toont ons een nadere beschouwing van deze godheid aan, dat hij in vele opzichten aanmerkelijk van dezen verschilt en dat zijn vereering inderdaad geheel vreemd is aan den godsdienstigen genius van het Egyptische volk.
De dienst van Aten, van welken voor den tijd van Amen-hetep IV nog weinig melding gemaakt wordt, trad onder de regeering van dien vorst plotseling op den voorgrond en werd gedurende eenigen tijd de staatsgodsdienst van Egypte.
Aten.
Aangaande zijn oorsprong is niets bekend en waarschijnlijk was Aten, ten tijde van het Middenrijk, een onbekende, locale godheid, ergens in de buurt van Heliopolis vereerd. Zijn gewichtige positie in het Egyptische pantheon is aan het feit te danken, dat zijn eeredienst rechtstreeks de oorzaak werd voor een godsdienstige, sociale en artistieke revolutie, welke onder de regeering van Amen-hetep IV plaats had.
Met de omverwerping der Hyksos-koningen en de [169]stevige vestiging van de Thebaansche monarchie (bij het begin der 18e dynastie), nam Amen, de plaatselijke god van Thebe, de eereplaats in het Egyptische pantheon in en werd als Amen-Ra vereerd.
Het is echter bekend, dat Thothmes IV zich beijverde, den eeredienst van Ra-Harmachis te herstellen. Zijn zoon, Amen-hetep III, bouwde voor dezen god en voor Aten te Memphis en Thebe, tempels. Zijn vrouw Tyi5, schijnt deze pogingen ondersteund te hebben; zij was een dochter van Iuaa en Thuau; deze, hoewel niet verwant met de koninklijke familie, werd het hoofd van de koninklijke vrouwen.
Misschien was zij zelf een vereerster van Aten, dit zou de eerbied, welke haar zoon, Amen-hetep IV, voor dien god bezat, kunnen verklaren. Hij nam den titel aan van „hoogepriester van Ra-Heru-Akhti6, den verhevene aan den horizon, onder zijn naam van Shu, die in Aten is”; hieruit zien wij, dat hij Aten, in overeenstemming met het in die tijden overheerschende gevoelen, eerder als de verblijfplaats van den zonnegod, dan als dien god zelf, beschouwde.
In de eerste jaren van zijn regeering vereerde Amen-hetep Amen en Aten beiden, den eersten in zijn kwaliteit van vorst, den laatsten meer in zijn particuliere functie, terwijl hij eveneens te Thebe een groote obelisk ter eere van Ra-Harmachis bouwde.
Daarop werd het echter meer en meer duidelijk, dat de koning Aten boven alle andere goden trachtte te verheffen. Dit was echter aan de vereerders van Amen geenszins aangenaam; hierbij kwam nog, dat de priesters van dezen uit de eerste families gelicht werden. Er ontstond nu een strijd tusschen de vereerders van Amen-Ra en dien van Aten en ten slotte bouwde de koning een nieuwe hoofdstad, aan Aten gewijd, op de plaats van het tegenwoordige [170]Tell-el-Amarna, in Midden-Egypte. Hij trok zich daarop met zijn volgelingen terug, toen de strijd haar hoogtepunt bereikte. Aan de nieuwe stad gaf hij den naam van Akhet-Aten (horizon van Aten). Zijn eigen naam veranderde hij in dien van Akh-en-Aten (roem van Aten).