De krachten welke Khnemu-Ra als god van den aardschen Nijl werden toegeschreven, zijn in een legende belichaamd, welke in 1890 in een inscriptie, op een rots van het eiland Sahal, gevonden werd. De koning, die in deze inscriptie vermeld wordt, is als Tcheser, den derden vorst der 3e dynastie, geïdentificeerd.
De geschiedenis nu vertelt ons, dat in het 18e jaar van de regeering van dien koning, een hongersnood Egypte teisterde, omdat de Nijl gedurende 7 jaren het land niet overstroomd had. Dus was het graan schaarsch, de velden en tuinen brachten niets op, zoodat het volk gebrek had aan voedsel.
Sterke menschen waggelden, evenals oude menschen, de bejaarden vielen zelfs ter aarde en stonden niet meer op en de kinderen schreeuwden luide door den honger. Zelfs werden de menschen dieven, om het weinige voedsel, dat er nog was, in bezit te krijgen en beroofden zij hun buren.
Verhalen over dezen verschrikkelijken toestand bereikten de ooren van den koning en hij werd hierdoor smartelijk getroffen. Hij herinnerde zich, dat de god I-em-hetep, de zoon van Ptah, Egypte eens van een dergelijke ramp bevrijd had, doch toen hij diens hulp inriep, verwaardigde de god zich geen antwoord.
Daarop zond koning Tchesen een bode naar zijn gouverneur [166]Māter, die het Zuiden bestuurde, n.l. het eiland Elephantine en Nubië en vroeg hem, waar de bron van den Nijl was en welke de naam van den god, of de godin, van die rivier was.
Māter, de gouverneur, begaf zich in hoogst eigen persoon op weg, om zijn heer het antwoord op zijn vraag te brengen. Hij vertelde hem, bij zijn aankomst, van het wonderlijk eiland Elephantine, waarop de eerste van alle steden gebouwd was; hieruit rees de zon op, wanneer zij de menschen het leven schenken wilde. Hier bevond zich ook een dubbel hol, in de gestalte van twee harten; uit dit hol kwam de vloed van den Nijl op, om het land met vruchtbaarheid te zegenen, wanneer de god de grendels van de deur in het daarvoor passende jaargetijde terugschoof. Deze god was Khnemu.
Māter beschreef hierop aan zijn meester den tempel van den Nijlgod, in Elephantine en vertelde, dat zich daarin nog andere goden bevonden, onder hen de groote goden Osiris, Horus, Isis en Nephthys. Hij vertelde verder over de producten van het land en zei, dat men hiervan aan Khnemu offers brengen moest.
Daarop stond de koning op, bracht offers aan den god en aanbad hem in zijn tempel. En de god verhoorde hem en verscheen aan den koning die door smart getroffen was. Hij zeide tot hem: „Ik ben Khnemu, de Schepper. Mijn handen rusten op u, om u te beschermen en uw lichaam gezond te maken.… Ik schonk u uw hart.… Ik ben het, die het schiep. Ik ben de oorspronkelijke watermassa, ik ben de Nijl, die, al naar hij wil, rijst, om gezondheid te geven aan hen, die arbeiden. Ik ben de gids en leider van alle menschen, de Almachtige, de vader van de goden, Shu, de machtige bezitter der aarde”.
Daarop beloofde de god aan den koning, dat vanaf dat oogenblik de Nijl, evenals in oude tijden, weer zou rijzen, dat de hongersnood op zou houden en dat een groote voorspoed over het land zou komen. Doch hij [167]wees den koning er eveneens op, dat zijn heiligdom verlaten was en dat niemand moeite deed dit te herstellen, hoewel de steenen in het rond verspreid lagen.
De koning hield dit in de gedachten en vaardigde een bevel uit, dat de landen aan beide zijden van den Nijl, bij het eiland, waar Khnemu woonde, voor den god bestemd moesten worden, als schenking aan zijn tempel, dat priesters zijn heiligdom bedienen moesten en dat voor hun onderhoud een belasting door het dichtstbijgelegen land opgebracht moest worden.
Dit besluit liet de koning op een steenen zuil graveeren en dezen op een goed zichtbare plaats zetten, als een klein bewijs van dankbaarheid aan god Khnemu, den Nijlgod.