[Inhoud]

I-em-hetep.

I-em-hetep, een andere zoon van Ptah, werd eveneens als een lid van het groote drietal van Memphis beschouwd. Zijn naam beteekent „Kom in vrede” en werd hem gegeven, omdat men dacht, dat hij de geneeskunde aan de menschheid had gebracht. Evenals zijn vader Ptah, schildert men hem met een hoofdkap af. Voor hem ligt een [162]papyrusrol, om zijn karakter als god der studie en het leeren aan te duiden, doch hij was in Egypte meer populair als god der medicijnkunde.

Later nam hij de plaats van Thoth, als schrijver van de goden, in en deed de tooverwoorden, welke de dooden tegen hun vijand in de Duat beschermen moesten, aan de hand. Hij bezat ook een karakter, dat met de begrafenis in verband stond en dit zou misschien kunnen bewijzen, dat geneeskundigen op eenige wijze met de kunst van balsemen in verband stonden.

I-em-hetep.

I-em-hetep.

In een tekst der Ptolemaeën, in zijn tempel op het eiland Philae, wordt hij genoemd: „hij, die het leven aan alle menschen schenkt”. Men dacht ook, dat hij aan de lijdenden het geschenk van den slaap zond en werkelijk stonden de bedroefden en terneergeslagenen onder zijne bijzondere bescherming.

Budge verkondigt de meening, dat, indien wij zijn geschiedenis vanaf het begin konden opsporen, wij wellicht zouden vinden, dat hij oorspronkelijk een zeer kundig medicus was, die aan de Egyptenaren eenige elementaire kennis der geneeskunde bijgebracht had, en die eenigszins met de wijze om de lichamen der dooden door middel van kruiden, specerijen en linnen inwikkelingen te bewaren, vertrouwd was.

Dit vermoeden is zeer waarschijnlijk, alleen de geneesheer moet in later tijd geheel anders voorgesteld zijn, zooals men uit het gebruik van den papyrus-rol zien kan. I-em-hetep was de god van de geneesheeren en van hen, die zich met geneeskundige magie ophielden en zijn vereering was in Memphis waarschijnlijk zeer oud.

Budge gaat zelfs zoover om te vermoeden, dat I-em-hetep de tot een godheid verheven gestalte van een aanzienlijk geneesheer was, die tot de priesterschap van Ra behoorde en die tegen het einde van de regeering der 3e dynastie leefde.

In de gezangen, welke in den tempel van Antuf aangeheven [163]werden, komen wij de volgende passage tegen: „Ik heb de woorden van I-em-hetep en Heru-tata-f gehoord, welke steeds herhaald worden, doch waar is tegenwoordig hun plaats? Hun muren zijn omver geworpen, hun woonplaatsen bestaan niet meer en het is, alsof zij nooit bestaan hebben. Niemand kan ons verklaren, wat voor wezens zij waren en niemand kan ons over hun bezittingen vertellen.

Heru-tata-f was een man van groote leerkracht en deze bracht, zooals wij in het Verhaal van den Toovenaar, elders in dit werk, beschreven, die geheimzinnige personen naar het hof van zijn vader Khufu. Hij ontdekte ook eenige hoofdstukken van het Boek der Dooden.

Budge vermoedt, dat I-em-hetep, die in verbinding met hem genoemd wordt, een man van hetzelfde type was, n.1. een kundig geneesheer, wiens woorden en daden verdienden, met de woorden van Heru-tata-f op één lijn gesteld te worden.

De afbeeldingen van I-em-hetep doen vermoeden, dat hij van menschelijken en plaatselijken oorsprong was en hij oefende op de verbeelding der latere Egyptenaren, uit den Saïtischen en Ptolemaeïschen tijd, grooten invloed uit. Hij was inderdaad een soort van Egyptischen Harpocrates, iemand, die, zooals Budge vermoedt, vanwege zijn groote kennis als geneesheer, tot een god verheven is.