Een van de voornaamste figuren in het Egyptisch pantheon, doch tevens een, waarvan de oorsprong moeilijk op is te sporen, is Osiris of As-ar. De oudste en eenvoudigste aanduiding voor den naam wordt uitgedrukt door twee hieroglyphen, welke een troon en een oog voorstellen. Intusschen geeft dit weinig aanwijzing voor de beteekenis van den naam. Zelfs de latere Egyptenaren waren met de afleiding daarvan onbekend, want zij dachten, dat de beteekenis was: „de kracht van het oog”, d.w.z. de kracht van den zonnegod Ra.
De tweede lettergreep van den naam, ar, kan misschien in verbinding staan met Ra, zooals we later zullen zien. In de tijden der dynastieën werd Osiris als de god van den dood en de onderwereld beschouwd. Hij nam inderdaad dezelfde positie in die streken in als Ra onder de levenden. Wij moeten ons tevens herinneren, dat het onderaardsch koninkrijk het rijk van de duisternis was.
Het ontstaan van Osiris is buitengewoon duister. Uit de teksten kunnen wij niet te weten komen, waar, of wanneer men het eerst met zijn vereering begonnen is, maar het is zeker, dat deze ouder is dan eenige tekst. De oudste centra van zijn vereering onder de dynastieën waren Abydos en Mendes.
Misschien wordt hij afgebeeld op het bovenste gedeelte van den scepter van Narmer, te Hieraconpolis gevonden en op een houten plaquet van Udy-mu (Den) of Hesepti, den 5en koning der 1e dynastie; dezen ziet men afgebeeld voor hem dansende.
Dit zou dus bewijzen, dat er gedurende de 1e dynastie te Abydos een middelpunt van Osiris-vereering was. Toespelingen echter in de Pyramidenteksten lichten ons in, [70]dat nog, voor dien, heiligdommen voor Osiris in verschillende deelen van het Nijldal zijn opgericht. Zooals in een hoofdstuk van het Boek der Dooden geschetst wordt, woont Osiris vreedzaam in de onderwereld met de rechtvaardigen, terwijl hij de zielen der afgestorvenen oordeelt, wanneer zij voor hem zijn verschenen. Dit paradijs was onder den naam van Aaru bekend en het is de moeite waard om op te merken, dat, hoewel men oorspronkelijk aannam, dat het zich in de lucht bevond, men het later in de onderwereld plaatste.
Men beeldt Osiris gewoonlijk af, in mummiewindsels gehuld, terwijl hij de witte kegelvormige kroon van het Zuiden draagt. Dr. Budge zegt aangaande hem: „Alles wat de teksten van alle tijden over hem overleveren, laten ons zien, dat hij een inheemsch god van Noord-Oost-Afrika was en dat zijn woonplaats en afkomst waarschijnlijk Libye was”.
In elk geval mogen wij aannemen, dat Osiris een Afrikaansch god van oorsprong was en hij een inboorling was van den bodem van het Zwarte Vasteland.
Brugsch en Sir Gaston Maspero zagen beiden in hem een watergod1 en meenden, dat hij over ’t algemeen een personificatie van de scheppende en voedende kracht van den Nijl en van de overstrooming in het bijzonder was. Ook Dr. Budge is deze theorie toegedaan, maar indien Osiris een god van den Nijl alleen is, waarom is hij dan uit de Libysche woestijn, welke zich op geen rivier kan beroemen, geïmporteerd? Rivieren ontstaan in den regel niet in zandstreken. Voordat wij echter verder gaan, zal het goed zijn, de Osiris-mythe te vertellen.