Verschillende hymnen ter eere van Amen-Ra en speciaal die, welke wij in den papyrus van Hu-nefer ontmoeten, toonen ons de volkomen fusie en de snelheid, waarmede Amen tot macht gekomen is, aan. In een tijd van een eeuw ongeveer, had hij, van een zuiver plaatselijke [151]godheid, den titel van koning van de goden van Egypte verkregen. Zijn priesters waren verder de machtigste en rijkste in het land geworden en waren zelfs de mededingers der koninklijke macht zelf.
Hun politieke invloed was buitengewoon. Zij maakten oorlog en vrede en toen de Ramessiden-dynastie een einde nam, maakte de hoogepriester van Ra zich van den koninklijken troon meester en was de eerste vorst der 21e dynastie, onder den naam van de dynastie der priesterkoningen bekend.
Doch ook al waren zij sterk in theologie, zoo waren zij het zeker niet in militair genie. Zij konden de betalingen van de belastingen, welke hun voorgangers de omliggende landen hadden afgeperst, niet gedaan krijgen en hun armoede nam hand over hand toe. De heiligdommen der goden leidden een kwijnend bestaan, door gebrek aan vereerders en zelfs de hoogeren onder de priesters hadden een hard bestaan. Rooverbenden maakten de nabijheid van de tempels onveilig en de koninklijke graven werden beroofd.
Doch al verminderde hun macht, zeker niet hun aanmatiging en, zelfs met een inval der Libyers in de delta voor oogen, gingen zij door, de goden, die zij dienden, te verheerlijken. Wanneer wij de teksten en hymnen aan een onderzoek onderwerpen, welke ons vertellen, wat we van Amen-Ra weten, vinden wij, dat hij hierin als de algemeene levensbron, zoowel voor de bezielde schepsels, als levenlooze voorwerpen beschouwd wordt en dat hij geïdentificeerd wordt met den schepper van het heelal „den onbekenden god”. Alle attributen van het geheele Egyptische pantheon werden hem kwistig toebedeeld, met uitzondering van die van Osiris; het schijnt, dat de priesters van Amen-Ra van dezen geen notitie genomen hebben. Zij konden den grooten god der dooden niet geheel op zij zetten, ook al zagen zij hem over het hoofd.
In een van zijn gestalten, die van Khensu, den maangod, [152]heeft Amen een geringe gelijkenis met Osiris, doch wij kunnen niet zeggen, dat hij in dezen vorm in eenig opzicht de rol van god van de onderwereld vervult.
Amen-Ra maakte zich zelfs van de heiligdommen van verscheidene andere goden, door het geheele Nijldal, meester, trok hun attributen tot zich en nam hun plaats geheel en al in.
Een van zijn meest populaire gestalten was die van een gans en dit dier was in verschillende deelen van Egypte aan hem gewijd, evenals de ram. Kleine beeldjes van hem laten hem zien met het gebaarde gezicht van een man, het lichaam van een kever, de vleugels van een havik, de beenen van een mensch en de klauwen van een leeuw.
Al deze dingen zijn natuurlijk een symbolische voorstelling voor zijn mannelijk karakter, daar hij als de grootste der goden beschouwd werd en zijn een typisch voorbeeld van de wijze, waarop attributen van allerlei soort bij hem berustten.
Men veronderstelde, dat het geheele pesedt, of gezelschap der goden, in Amen vereenigd was en wij mogen inderdaad zijn cultus als de meest ernstige pogingen van de oudheid beschouwen, om een systeem van monotheïsme te formuleeren. Dat zij hierin niet slaagde, was in het geheel niet haar schuld.
Wij moeten zijn priesters beschouwen als een vereeniging van verlichte menschen, bezield door een geestelijk vuur, dat helder schitterde, temidden van het droevig materialisme, dat hen omringde. Evenals alle priesterlijke hiërarchieën, bezaten zij het ingeboren zwak van eerzucht en de eigenliefde van een ingebeelde kracht.
Indien zij de politiek op de haar toekomende plaats gelaten hadden, zouden zij meer succes gehad hebben, dan zij nu gehad hebben, doch de werkelijke oorzaak van hun mislukking, de overige eerediensten van Egypte geheel en al te verdringen, was in de omstandigheid [153]gelegen, dat deze godsdiensten zeer oud en te diep geworteld waren en in de dwaze onwetendheid van hen, die deze eerediensten ondersteunden.