Niet alleen in Egypte vinden wij zulke ficties, welke alleen er toe dienden, voor de doeleinden der priesters bevorderlijk te zijn. In de meeste mythologieën ontdekken wij, dat scheppingsmythen en verhalen over den oorsprong der goden, uit twee, of meer, mythen vervaardigd zijn, welke op zoo’n bekwame wijze vermengd zijn, dat zij alleen door zorgvuldige en geduldige studie tot hun oorspronkelijke bestanddeelen teruggebracht kunnen worden.
Zoo vinden wij in het boek Genesis, dat wij, behalve voor het bestaan van Jahweh, de scheppingskracht, nog bewijzen aantreffen voor het bestaan van een polytheistisch pantheon, Elohim genaamd. Dit toont dus duidelijk aan, dat de verhalen der Hebreeuwsche schepping, het een monotheistisch en het tweede polytheistisch, met elkaar zijn versmolten.
Misschien kan men het beste voorbeeld van een dergelijke samensmelting van mythen in een oude scheppingslegende van Peru vinden; hierin heeft een filosofische behendigheid al de vormen van vereering vereenigd. welke de Peruviaansche godsdienst doorloopen heeft, [144]totdat zij één bepaalden vorm bereikte. Zoo zijn de verschillende geloofsphases, van het eenvoudige animisme, tot het anthropomorphisme, voor hem, die de mythologie bestudeert, in deze eene legende zichtbaar. Dat hetzelfde kunststukje bij de Kiches van Midden-Amerika is uitgehaald, in het wonderlijke boek, de Popol Vuh, werd door den schrijver over dit onderwerp in de Times, eenige jaren geleden, aangetoond.
De oorspronkelijke locale god van Heliopolis was Tem, of Atum, die met Ra onder den naam van Ra-Tem vereenigd werd. De invloed van de priesters van Ra nam ongeveer tegen het einde van de 6e dynastie af, doch onder de regeering van Senusert (of Usertsen) I (pl.m. 2433 v.C.), werd de tempel te Heliopolis herbouwd en gewijd aan Ra en twee van zijn gestalten, Horus en Temu. In dezen tempel werden modellen van de heilige booten van Ra bewaard, n.1. de Manzet, welke een beeld van Ra, met een havikkop voorzien, bevatte en de Mesektet, met een beeld, dat het hoofd van een man had.
Primitief als de natuur der zonaanbidding is, bezat deze elementen, welke haar in staat stelden, stand te houden, waar meer geavanceerde en ingewikkelde godsdiensten bezweken. Zelfs in dat land moeten er natuurlijk, naast een aristocratie van intelligenten aard, ontelbare landbouwers en slaven bestaan hebben, die slechts door hun omgang met hun superieuren en hun plaats, als landbouwend ras, van de wilden onderscheiden waren. Voor dezen moest de zon de godheid par excellence schijnen, de groote verkwikker en vruchtbaarmaker. Wij vinden echter, dat de cultus van Ra min of meer een aristocratisch, theologisch systeem met zich droeg, tenminste in de vroegste tijden. Van de volksreligie echter moeten wij ons tot de vereering van Osiris wenden.
Men kan zonder twijfel de beste parallel voor de vereering van Ra in Egypte trekken met dien van de zon [145]in het oude Peru. Evenals de vorst van Peru de zon op aarde vertegenwoordigde, zoo stempelden de Egyptische monarchen zich tot zonen van de zon. Bij beide volken was de zonnecultus klaarblijkelijk aristocratisch van karakter.
Men kan dit bewijzen uit het feit, dat het paradijs van Ra verreweg een meer geestelijke spheer was, dan dat van Osiris, met zijn zuiver materieele genietingen. Zij, die zoo gelukkig waren den hemel van den zonnegod te bereiken, werden met licht bekleed en hun voedsel werd als „licht” voorgesteld. Het leven in het paradijs van Osiris daarentegen bestaat uit den omgang met Osiris en het feestvieren met hem.
Nu huivert de aristocratische kaste, in alle landen, voor het denkbeeld, dat zij in de andere wereld genoodzaakt zal zijn met de gewone massa gemeenzaam om te gaan. Dit was bepaaldelijk het geval in het oude Mexico en Scandinavië, waar alle krijgslieden, in den strijd gedood, het paradijs konden binnengaan.
Dit geloof was echter nimmer krachtig genoeg, om den cultus van Osiris te doen verdwijnen en daar de Egyptische geest een zeer materieel karakter bezat, begunstigde hij de opvattingen over de „rietvelden” en de „plaats van den vrede” ten zeerste; immers daar kon men van de goede gaven en gemakken, waarnaar men op aarde zoo vurig haakte, genieten, meer dan van het onwezenlijke voedsel en kleeding in de hooge standensfeer van Ra.