[Inhoud]

De Egyptische Hemel.

Zooals reeds opgemerkt is, schijnt men zich bij de Egyptenaren geen voorstelling van de juiste ligging van [135]den hemel gemaakt te hebben, maar over het algemeen kan men zeggen, dat de Egyptenaren geloofden, dat deze zich ergens boven in de lucht bevond. Zij noemden dezen Pet, een uitdrukking, welke zij gebruikten ter onderscheiding van het woord Nu, dat de lucht beteekent.

Zij stelden zich den hemel en de lucht als een plaat voor, terwijl de uiteinden daarvan op een onderstel, door de twee bergen Bakhau en Manu gevormd, rustten; dit waren de bergen van den zonsop- en ondergang.

In oude tijden stelde men zich voor, dat de hemel uit twee gedeelten bestond, n.l. het Oosten en het Westen; later echter werd hij in vier deelen verdeeld en elk van dezen onder de bescherming van een god geplaatst. Deze streek werd door vier pilaren gestut en elk van dezen stond wederom onder de bescherming van een godheid; op een betrekkelijk laat tijdstip werd er nog een pilaar aan toegevoegd, om het midden te schragen.

In een mythe vinden wij over den hemel gesproken als voorzien van een menschelijk hoofd, terwijl de zon en de maan de oogen vormen en de steunsels door het haar gevormd worden. De goden van de vier kwartieren, die de oorspronkelijke zuilen bewaakten, waren de z.g. Canopische godheden, elders ook de kinderen van Horus genaamd.

In den hemel huisde de groote god Ra; hij was op een metalen troon gezeten, waarvan de zijden door leeuwenkoppen en hoeven van stieren ingelegd waren. Zijn gezellen omringden hem en dezen werden op hun beurt door de kleinere goden omgeven. Iedere god, die de wereld en de Duat bestuurde, had eveneens zijn eigen plaats in den hemel.

Onder de lagere goden stonden nog wezens, welke men eenigszins met engelen zou kunnen vergelijken. De voornaamste onder dezen waren de Shemsu-Heru, of volgelingen van Horus, die den zonnegod bedienden en, als het noodzakelijk was, onder zijn bescherming kwamen. [136]

Men beschouwde hen noodzakelijk voor zijn welzijn. Op dezen volgden de Ashemu, doch hun attributen zijn onbekend en na hen de Henmemet, misschien zielen, welke menschelijke wezens moesten worden, maar hun toestand is niet helder. Men stelde het voor, dat zij van graan en kruiden leefden.

Ook bevonden er zich nog wezens, Utennu en Afa genaamd, doch ook van hun karakter is absoluut niets bekend. Op dezen volgde een ontelbaar aantal geesten, zielen enz.; de meesten van dezen hadden op aarde gewoond en waren gezamenlijk bekend als: „de levenden”.

De Egyptenaren geloofden, dat dezen op vastgestelde tijden over de aarde konden wandelen en weer naar den hemel terugkeeren, een idee, welke waarschijnlijk hieruit ontstond, dat zij voor een toekomstig leven, zoowel voor het lichaam, als de ziel en den geest, wilden zorgen.

Zooals reeds tevoren opgemerkt is, hadden de hemelgoden hun dubbelgangers op aarde en men geloofde, dat de mensch, tot zekeren graad, aan deze dubbele natuur deel had. De Egyptische opvatting nu over den hemel veranderde langzamerhand, gedurende de eeuwen. Een onderzoek van de oudste gedenkschriften toont ons aan, dat de idee over een bestaan, na den dood, werd opgevat als een soort van onbestemde verlenging van het leven dezer wereld. Zulk een idee is allen primitieven rassen gemeen.

Op den duur echter werd deze opvatting geheel en al veranderd en een meer geestelijke nam haar plaats in. De ziel (ba) en de geest (khu), welke gewoonlijk in de hieroglyphen-teksten als een havik en een halfgod voorgesteld worden, kregen aan het hemelsche voedsel deel, werden één met de goden en langzamerhand met hst verheerlijkt lichaam, of de hemelsche stof, vereenigd, zoodat de ziel, de kracht, de schaduw, de dubbelganger en naam van den gestorvene tezamen in het eene hemelsche lichaam, onder den naam Sahu bekend, vereenigd werden; [137]men zou dit als een geestelijk lichaam kunnen beschouwen. Men geloofde, dat dit uit het doode lichaam groeide en zijn ontstaan werd veroorzaakt door de magische ceremonies en door de machtwoorden, door de priesters gedurende den begrafenisdienst gesproken.